CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

220530 UWP GWW toelichting en regels 2672-110

gemeenteraad 21 juni 2022, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Uitwerkingsplan en Exploitatieplan Gommerwijk West-West29.695 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Indien sprake is van essentieel foerageergebied en/of een vliegroute, dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Nader onderzoek In 2022 zal het onderzoeksgebied volledig ecologisch worden onderzocht waarbij volgens geldende landelijke protocollen en onderzoeksmethoden alle mogelijk aanwezige beschermde soorten (in bomen broedende roofvogels, vleermuizen en kleine marterachtigen) worden geïnventariseerd. Hiermee zal voldoende (recente) informatie aanwezig zijn om een ontheffingsaanvraag in te dienen.

5.4.3

Conclusie

Met betrekking tot het naastgelegen NNN-gebied dient te worden bekeken of het project in het plangebied valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. Gelet op het huidige gebruik van het gebied en het feit dat in het stedenbouwkundig plan rekening is gehouden met het NNN door middel van een groen- en waterbuffer, is de inschatting dat er geen sprake is van een significante aantasting van de natuurwaarden binnen het NNN. Er zullen langs het Weelenpad geen bomen gekapt worden. Mocht uit de verdere toetsing blijken dat de brug die een extra verbinding naar het Streekbos mogelijk maakt voor nadelige effecten zorgt dan zal deze opnieuw overwogen worden. Het nader onderzoek voor soorten zal dit verder duidelijk maken. Met betrekking tot soortenbescherming dienen verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Er is vervolgonderzoek nodig naar de aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Kerkuil en Steenuil), kleine marterachtigen en vliegroutes van vleermuizen. Dit zal in 2022 uitgevoerd worden. Indien sprake is van negatieve effecten zullen passende maatregelen worden getroffen en ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. De omvang en voorgenomen inrichting van het plangebied met groenzones langs de randen biedt goede mogelijkheden voor het creëren van passende maatregelen, zie bijlage 9.

Voor de uit te voeren werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat er niet willens en wetens schade mag worden toegebracht aan beschermde natuurwaarden. Mochten tijdens de uitvoering beschermde soorten worden

58

waargenomen, dienen maatregelen te worden getroffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Wet- en regelgeving

Bij de invloed van de externe veiligheid binnen het bestemmingsplan wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico's door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer.

Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm.

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. In het Bevt staat de wet- en regelgeving, het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Verder worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

59

5.5.2

Situatie plangebied

Er is in het moederplan onderzoek verricht naar risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Vastgesteld is dat in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen zijn, zoals het gebruik, de opslag, de productie of het transport van gevaarlijke stoffen, die in het kader van externe veiligheid kunnen leiden tot een verhoogd plaatsgebonden risico of groepsrisico. In het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig op grond van het Bevi, geen LPG-vulpunten, geen ammoniakkoelinstallaties en geen vuurwerkopslag. Van risico volgens de Bevi-norm is nergens sprake. Een risicovolle inrichting met opslag van gevaarlijke stoffen (Van Gent Van der Meer Nuyens BV) ten westen van het plangebied, bevindt zich op circa 500 meter afstand. Een koel- en preparatiebedrijf is op meer dan 650 meter afstand aan de zuidwestzijde gesitueerd. Gelet op de grote afstanden tot het plangebied vormen deze functies geen belemmering voor het woningbouwplan.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd), bron: www.risicokaart.nl

Wat betreft wegen met risicovolle transporten is de N302 van belang. Op basis van de gegevens van de 'Risicoatlas verkeer' is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) binnen het vlak van de weg zelf ligt en de groepsrisicozone op 200 meter van de weg, buiten het plangebied. Aan de zuidzijde ligt het plan gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (N505). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoert. Op de afstand van bijna 300 m kan een giftige stof gevolgen hebben tot in het plangebied. Woongebouwen bieden op deze afstand voldoende bescherming tegen een eventuele giftige wolk. Het is gewenst dat in voorkomende situaties bewoners de aanwijzingen van de overheid via NLAlert/ media opvolgen. Andere soorten gevaarlijke transportroutes zijn niet in de omgeving van het plangebied gelegen. Ook zijn er geen risicovolle buisleidingen aanwezig. Het plan zelf voorziet niet in de komst van een nieuwe risicorelevante activiteit naar het plangebied.

60

Uit het Regionaal Risico Profiel (RRP) van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord zijn de volgende scenario’s in directe zin relevant: Overstroming; Extreem Weer; Uitval vitale voorzieningen.

Overstroming en Extreem Weer Overstroming en extreem weer kunnen beide samenhangen met klimaatverandering. Naast deze samenhang is er ook sprake van samenhang tussen overstroming en extreme regenval. Beide tasten de leefbaarheid aan, zodra hier door water de woning in loopt en/of vitale infrastructuur uitvalt of onbruikbaar wordt. Het overstromingsscenario ontstaat door breuk van de primaire waterkering. Het is een risico waarvoor in toenemende mate aandacht wordt gevraagd. De ‘Atlas voor de Leefomgeving’ laat zien dat de waterdiepte bij overstroming tot 1,5 m hoogte kan worden in dit gebied. Enkelvoudige maatregelen en/of een combinatie van maatregelen kunnen de veiligheid en leefbaarheid in dit gebied verbeteren als er sprake is van een overstroming. Mogelijke maatregelen hiervoor zijn: maak het drempelpeil van woonobjecten ruim hoger (b.v. 15 cm) dan het maaiveld; verhoog het peil voor het maaiveld; bescherm installaties in woonobjecten tegen wateroverlast; zorg dat de rijbaan visueel zichtbaar blijft als het maaiveld onder gelopen is (lantaarnpalen kunnen b.v. tevens een markering vormen in een ondergelopen gebied) een deel van het gebied inrichten met een zodanig hoger peil dat vluchtafstanden naar hoger gelegen veilig gebied binnen de verwachte evacuatietijd lopend te bereiken zijn; woningen zodanig laten ontwerpen dat het principe van verticaal vluchten toepasbaar is.

Andere weerbeelden die tot extreem weer gerekend worden zijn extreme koude, extreme droogte en extreme hitte. Voor deze weerbeelden zijn voor dit gebied geen specifieke overwegingen bekend.

Uitval vitale voorzieningen Essentieel voor vrijwel alle vitale voorzieningen is het elektriciteitsnet, doordat vrijwel alles op een of andere wijze afhankelijk is van elektriciteit. De keteneffecten zijn daardoor groot als de elektriciteit uitvalt. Overstroming en/of een clusterbui kan lokaal in een dergelijk keteneffect resulteren. In het laag gelegen Noord-Holland is het kunnen wegvoeren van (riool)water en neerslag één van de belangrijke voorwaarden voor een leefbare omgeving. Het is een gegeven dat wegvoeren van (riool)water vooral gebeurd met elektrisch aangedreven pompen. Mogelijke maatregelen hiervoor zijn: Zorgen dat de lokale opwekkers en verbruikers van elektriciteit bij uitval van het bovenlokale E-net gedurende enige tijd onafhankelijk kunnen blijven functioneren; Maak een lokaal E-grid (gevoed door zonnepanelen en met een EOS-systeem als buffer) dat bij bovenlokale stroomuitval zorg draagt voor de energie voor de (riool)pompen; Zorg dat overige lokaal aanwezige delen van vitale voorzieningen zoals telecom; internet voorzien blijven elektriciteit, ook als er enige wateroverlast gaat optreden.

Bij de verdere uitwerking vaan het plan zal rekening worden gehouden met de mogelijke maatregelen die de risico's van de scenario's uit het Regionaal Risico Profiel verkleinen.

61

5.5.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid leidt niet tot een belemmering voor het plan.

5.6

Geluid

5.6.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.

Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De

62

uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB(A).

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A).

Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

5.6.2

Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Deze woningen worden (deels) gerealiseerd binnen de geluidszone van De Gouw en Haling. De nieuwe woningen worden ontsloten door nieuw aan te leggen 30 km/h-wegen in het plangebied, die aansluiten op de Haling, De Gouw of Tuindershof. Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Gommerwijk-west-west, Enkhuizen, Akoestisch onderzoek, Goudappel BV, 9 juli 2021, bijlage 11). De geluidsbelastingen zijn berekend voor waarneempunten op de gevels van de nieuwe woningen. De geluidsbelastingen zijn berekend voor verschillende waarneemhoogtes. Het betreft de waarneemhoogtes 1,5 meter, 4,5 meter en 7,5 meter. De waarneemhoogten zijn representatief voor respectievelijk de eerste, tweede en derde bouwlaag van een woning. Tevens is voor een aantal bestaande woningen de geluidssituatie beschouwd. Deze geluidsbelastingen zijn berekend voor de waarneemhoogte 4,5 meter.

Geluidsbelasting t.g.v. de Haling Voor een aantal woningen aan de noordzijde van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt 54 dB. Deze geluidsbelasting is

63

berekend op de noordzijde van de woningen. Daarmee is de geluidsbelasting niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB die van toepassing is bij gezoneerde wegen. Omdat sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht.

Geluidsbelasting t.g.v. De Gouw Uit de resultaten valt op te maken dat bij diverse waarneempunten sprake is van een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB. Deze geluidsbelasting is berekend op de zuidzijde van de woning bij de entree van het plangebied. Daarmee is de geluidsbelasting niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB die van toepassing is bij gezoneerde wegen. Omdat sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht.

Planinterne wegen Op basis van de maximale verkeersgeneratie van de nieuw woningen zijn (indicatief) de verkeersintensiteiten op de planinterne wegen bepaald. Het verkeer op deze planinterne 30 km/h wegen heeft alleen een bestemming in het plangebied en er is verder geen sprake van doorgaand verkeer. Voor de nieuwe woningen langs de planinterne wegen is een aan de noordzijde van het plangebied maximale geluidsbelasting berekend van 51 dB. Voor vijf woningen en enkele appartementen is een geluidsbelasting hoger dan de streefwaarde van 48 dB berekend. Dit betreft alleen de woningen aan de oostzijde van het meest noordelijke deel van de ontsluitingsweg. Aan de zuidzijde van het plangebied is een maximale geluidsbelasting berekend van 51 dB. Omdat er meer verkeer over de planinterne wegen rijdt is voor meer woningen sprake van een geluidsbelasting boven de 48 dB. In totaal gaat het om een kleine 40 woningen. Voor het overige deel van de woningen is de geluidsbelasting lager dan de streefwaarden van 48 dB. Dergelijke geluidsbelastingen zijn niet uitzonderlijk voor dergelijke woonstraten met een ontsluitend karakter in combinatie met elementenverharding. Het toepassen van asfaltverharding zorgt voor een lagere geluidsbelasting, maar zorgt ook weer voor een uitstraling met een sterkere verkeersfunctie.

Het risico is groot dat de rijsnelheid van het verkeer daarmee ook weer hoger komt te liggen. Dit is voor dergelijke woonstraten niet gewenst. Geadviseerd wordt om bij de isolatiewaarde van de woningen rekening te gehouden met de geluidsbelastingen van de (planinterne) 30 km/h wegen.

Effect van nieuwe planinterne wegen op bestaande woningen Voor de bestaande woningen is als gevolg van het verkeer op de nieuwe planinterne wegen geen geluidsbelasting te verwachting die hoger is dan 48 dB.

Indirecte planeffecten De nieuwe woningbouwontwikkeling zorgt voor extra verkeersbewegingen van- en naar het plangebied. Deze extra verkeersbewegingen kunnen effect hebben op de geluidssituatie langs wegen in de omgeving. Daarom is voor een aantal maatgevende woningen onderzocht of er sprake is van een waarneembare toename van de geluidsbelasting. Van een waarneembare toename is sprake wanneer de geluidsbelasting toeneemt met 2 dB of meer. Langs de Gouw ten westen van het plangebied is een geluidstoename te verwachten van 2 dB. Een 64

dergelijke geluidstoename is voor het menselijk oor waarneembaar. Langs dit wegvak zijn 7 bestaande woningen gelegen. Aan de oostzijde van het plangebied is op de Gouw geen waarneembare geluidstoename te verwachten. Dit komt omdat het grootste deel van het verkeer westelijk georiënteerd is. Het grootste deel van het verkeer van- en naar het plangebied is westelijk georiënteerd. Op de Haling ten westen van het plangebied is een waarneembare geluidstoename te verwachten circa 2 dB. Langs dit wegvakdeel zijn circa 4 woningen gelegen. Op de Haling ten oosten van het plangebied is geen waarneembare toename van de geluidsbelasting te verwachten. Op het wegvak Tuindershof is in de huidige situatie alleen het verkeer van de aangrenzende woningen aanwezig. In de plansituatie neemt de geluidsbelasting toe met circa 5 dB door het extra verkeer van het naar het nieuwe plangebied.. De geluidsbelastingen langs de Tuindershof zijn echter dermate laag dat ook in de plansituatie nog sprake is van een geluidsbelasting die lager is dan de voorkeursgrenswaarde die van toepassing is bij gezoneerde wegen. Langs de Brigantijn is een geluidstoename te verwachten van 1-2 dB. Ook hier blijven de geluidsbelastingen lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Mogelijke geluidsreducerende maatregelen Voor de nieuwe woningen zijn zowel aan de noordzijde als de zuidzijde van het plangebied overschrijdingen berekend van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde is in voorliggende situatie geen sprake. Met bronmaatregelen in de vorm van geluidsreducerend asfalt kan de geluidsbelasting met circa 3 dB worden gereduceerd. Met een dergelijke geluidsreductie kan de voorkeursgrenswaarde niet voor alle woningen worden bereikt. Daarnaast is het toepassen van geluidsreducerend asfalt voor een beperkt aantal woningen met dergelijke geluidsbelastingen niet doelmatig te achten. Langs De Gouw is het nog wel een reële optie om de huidige komgrens (die nu aan de oostzijde van het plangebied ligt) te verplaatsen naar de westzijde van het plangebied. Hierdoor ontstaat van een reële afname van de geluidsbelasting als ook daadwerkelijk wordt afgedwongen (met inrichtingsmaatregelen) dat de snelheid van het verkeer teruggebracht wordt naar 30 km/h. Het toepassen van geluidsafschermende maatregelen lijkt in voorliggende situatie niet reëel inpasbar door de aanwezige smalle bermen en waterpartijen. Daarnaast zijn zowel de Haling als De Gouw karakteristieke linten waardoor inpassing van geluidsschermen of geluidswallen vanuit stedenbouwkundig perspectief lastig lijkt.

Zoals aangegeven gaat het om een relatief beperkt aantal woningen waarvoor de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Net als voor asfalt geldt dat een geluidsafschermende maatregel financieel niet doelmatig te achten is. Het is dan ook een reële optie om voor de nieuwe woningen hogere grensaarden aan te vragen. In geval van ontheffing stelt het Bouwbesluit 2012 eisen aan de geluidsbelasting binnen de woning. In beginsel geldt een maximale binnenwaarde van 33 dB. De geluidsbelasting van de gezoneerde wegen, zonder correctie artikel 110g Wet geluidhinder, vormt de basis voor het bepalen van de benodigde gevelwering om te voldoen aan de maximale binnenwaarde. In de praktijk wordt vaak de gecumuleerde geluidsbelasting (alle wegen gezamenlijk) gehanteerd voor het bepalen van deze waarde. Om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB dient het geluidsreducerend vermogen van de betreffende gevel de gecumuleerde geluidsbelasting minius de isolatiewaarde van 33 dB te bedragen. Zo kan per gevel het benodigd geluidsreducerend vermogen van de gevel worden bepaald.

Langs de Haling en De Gouw ten westen van het plangebied zijn waarneembare toenames van de

65

geluidsbelasting op de bestaande woningen te verwachten door het extra verkeer. Ten opzichte van de geluidsbelasting in de autonome situatie is er sprake van een geluidstoename van circa 2 dB, hetgeen voor het menselijk oor niet of nauwelijks waarneembaar is. Door het toepassen van bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt kan deze geluidstoename worden gecompenseerd. Aandachtspunt daarbij is wel dat geluidsreducerend asfalt niet toegepast kan worden op de kruispunten en rotondes in verband met de te beperkte slijtvastheid. Er is geen wettelijke verplichting om geluidsreducerende maatregelen te treffen. Het aanvragen van hogere grenswaarden voor de bestaande woningen (in het kader van de indirecte planeffecten) is niet mogelijk.

5.6.3

Conclusie

Geconstateerd is dat ten gevolge van het verkeer op de Haling en De Gouw sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde voor woningen aan de randen van het plangebied. Omdat geluidsreducerende maatregelen niet inpasbaar of doelmatig zijn, is ontheffing voor een hogere waarde nodig voor de nieuwe woningen. Het exacte aantal hogere waarden is afhankelijk van de definitieve uitwerking. Op basis van de conceptverkaveling betreft het de volgende aantallen: ten gevolge van de Haling maximaal 54 dB (voor 7 woningen) ten gevolge van De Gouw maximaal 52 dB (voor 5 woningen) Er wordt door het bevoegd gezag een besluit hogere waarde genomen om de woningen in Gommerwijk West-west te realiseren (Besluit Hogere Waarde Wet geluidhinder Gommerwijk West-West, gemeente Enkhuizen, 1 februari 2022, bijlage 16). Een goed akoestisch binnenklimaat wordt door maatregelen aan de woning gewaarborgd. De hoogte van de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Wet- en regelgeving

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Gelijktijdig met het in werking treden van de nieuwe Wet luchtkwaliteit is de AMvB 'Niet in betekende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling 'niet in betekende mate' (Regeling NIBM) in werking getreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen; 2.

Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen; 3. Bepaalde landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen . Bovenstaande projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

66

5.7.2

Situatie plangebied

Voor het moederplan is de luchtkwaliteit onderzocht, met name voor de wegen Haling, De Gouw en de provinciale weg N302. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van de maximumnormen die gelden voor luchtkwaliteit. De ca. 510 woningen die met dit uitwerkingsplan mogelijk worden gemaakt vallen onder de projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen). De plancapaciteit van de totale uitbreiding van Gommerwijk West-west was circa 700 woningen. Met de heroverweging zal dit aantal lager uitkomen. Er is daarom geen aanleiding om opnieuw onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit.

5.7.3

Conclusie

Het onderhavige plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit en er zijn op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.

5.8

Waterparagraaf

5.8.1

Wet- en regelgeving

Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen.

Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

5.8.2

Situatie plangebied

Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Er is een watertoets uitgevoerd voor het plangebied (Gommerwijk West West, Watertoets, Sweco, 13 april 2022, bijlage 12). Voor het opstellen van de watertoets en het watergebiedsplan is contact gezocht met HHNK. Beide zijn in overleg met het HHNK opgesteld. Het noordelijk deel van het plangebied ligt in peilgebied 6700-33 van polder Grootslag met een streefpeil van NAP -3,30 m met bovengrens van NAP -3,20 en een ondergrens van NAP -3,40 m. Het midden van het plangebied valt onder peilgebied 6700-10 van polder Grootslag met een streefpeil van NAP -2,40 m met een bovengrens van NAP -2,35 m en een ondergrens van NAP -2,45 m. Het zuidelijk deel van het

67

plangebied ligt in peilgebied 6700-31 van polder Grootslag met een streefpeil van NAP -3,10 m met een bovengrens van NAP -3,00 m en een ondergrens van NAP -3,20 m. Binnen het plangebied of direct grenzend aan het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Het is de wens van gemeente Enkhuizen dat een deel van het toekomstige oppervlaktewater in de wijk wordt aangesloten op het oppervlaktewater van omliggende vaarroutes en vaarwater, met een hoger peil. Hiermee wordt een deel van Gommerwijk West-west aangesloten op het peil van het omliggende gebied (Streekbos en bestaande woonwijk Gommerwijk West), en omliggende vaarroutes. Hierdoor wordt recreatief medegebruik van het oppervlaktewater mogelijk gemaakt. Om aan te sluiten op het vaarwater dient het waterpeil voor een deel van het plangebied te worden verhoogd van NAP -3,30 m/ NAP -3,10 m naar NAP -2,40 m. Het zuidwestelijk deel van het deelgebied Zuid behoudt het peil van NAP -3,10 m. Dit is besloten in overleg met het recreatieschap (beheerder) van het Streekbos. Het naastliggende Streekbos betreft in het zuidelijk deel een volwassen waardevolle houtopstand welke niet bestand is tegen een peilverhoging. Daarom blijft het waterpeil van het zuidelijk deel van de Bokkesloot (noord-zuid waterloop aan de westgrens van het gebied) gehandhaafd.

Het noordelijk deel van het Streekbos betreft een jonger bos en daarom kan dit deel van de Bokkesloot wel in waterpeil worden verhoogd. Tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de Bokkesloot komt een brede peilscheidingsdam (10 m) met een doorspoelmogelijkheid. Voor de peilverhoging is een partiële herziening van het peilbesluit noodzakelijk die de gemeente bij het HHNK moet aanvragen. De gemeente en/of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het maken van de noodzakelijke afspraken met de direct belanghebbenden en het opstellen van het benodigde watergebiedsplan.

Het watergebiedsplan (Gommerwijk West West, Watergebiedsplan, Sweco, 13 april 2022, bijlage 13) is in samenspraak met de gemeente Enkhuizen en HHNK opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat het ontwikkelen van Gommerwijk West West een aantrekkelijke woonwijk oplevert met relatief veel oppervlaktewater. Door een deel van het nieuwe oppervlaktewater te verbinden met het vaarroutenetwerk van West-Friesland wordt een uitbreiding van het recreatief vaarwater gerealiseerd. Hierdoor wordt het recreatief medegebruik van het water verbeterd. Daarnaast wordt de waterbergingscapaciteit in pieksituaties vergroot, doordat er in het gebied veel water wordt gegraven. Dit levert een voordeel op voor de rest van dit peilgebied, wat onder andere uit stedelijk gebied beslaat. Door een deel van het Streekbos en de nieuwbouwwijk op één waterpeil te brengen wordt het areaal voor lokale aquatische flora en fauna vergoot. Dit heeft mits goed onderhouden een positief effect op de waterkwaliteit. Het watergebiedsplan heeft tot gevolg dat enkele peilwijzigingen noodzakelijk zijn. Daarvoor zijn en worden een aantal maatregelen genomen. Deze worden beschreven in het watergebiedsplan. Deze maatregelen zijn afgestemd met de directe belanghebbenden.

Door de ontwikkeling van Gommerwijk West-west en de gewenste peilaanpassing worden geen belemmeringen aangebracht voor de waterafvoer richting het gemaal en er zijn geen belemmeringen voor de wateraanvoer in tijden van droogte. Dit geldt zowel voor het plangebied als de directe omgeving van het plangebied.

Watercompensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Om deze effecten, zoals versnelde waterafvoer, te nivelleren dient nieuw verhard oppervlak gecompenseerd te worden door extra wateroppervlak, berekend op basis van de toename van het verharde oppervlak.

68

Het plangebied ligt in de polder Het Grootslag. In het moederplan is per peilgebied aangegeven wat het percentage is waarmee nieuw verhard oppervlak gecompenseerd moet worden. In de uitwerkingsregels wordt aangegeven dat het percentage additioneel te graven (oppervlakte)water tenminste 16% zal bedragen van het totale oppervlakte van de verhardingstoename in het gebied gelegen in het peilvlak -3,30 m NAP, 17% in het peilvlak -3,10 m NAP en 23 % in peilvlak -2,40 m NAP. Water dat gedempt wordt moet voor 100% gecompenseerd worden. In de watertoets is berekend wat de benodigde watercompensatie naar aanleiding van de verhardingstoename per peilvlak is.

Daarnaast is berekend wat de wateropgave per peilgebied is door te rekenen met het bestaande water in het peilgebied: Wateropgave per peilgebied (m²) = Bestaand water (m²) + Watercompensatie t.b.v. verhardingstoename (m²).

Op basis van het stedenbouwkundig plan is vervolgens per peilgebied bekeken of hieraan voldaan wordt.

69

Hieruit volgt dat in peil NAP -3,30 m en NAP -3,10 m wordt voldaan. De totale wateropgave voor het peilgebied NAP -2,40 m voldoet. Hier wordt conform het stedenbouwkundig plan een overschot gerealiseerd. Voor het deelgebied Noord (NAP -2,40 m) wordt gerealiseerd een tijdelijk watertekort van 3.673 m² aangegeven. Dit wordt opgelost door tegelijkertijd met de realisatie van het noordelijk deel waterberging aan de zuidzijde van het plan wordt gerealiseerd op grond in eigendom van de gemeente, eventueel in combinatie met het surplus uit de gemeentelijke waterbank. Ten tijde van de watervergunningsaanvraag wordt de definitieve toetsing van de wateropgave per peilgebied uitgevoerd en wordt een eventueel overschot aan water vastgelegd in de watervergunning. Het overschot wordt toegevoegd aan de gemeentelijke waterbank.

Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. Om dat doel te bereiken stelt het hoogheemraadschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden.

70

Uitsnede leggerkaart HHNK (plangebied rood omkaderd), bron: www.hhnk.nl

Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie. In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren. De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren. Het plangebied grenst aan primaire en secundaire waterlopen. Binnen het plangebied, aan weerszijden van het Weelenpad en in het noordelijk deel, liggen ook een primaire en twee secundaire waterlopen. Deze waterlopen blijven behouden of worden uitgebreid. Binnen het stedenbouwkundig plan hebben alle watergangen een minimale breedte van 6 m op de waterlijn

Riolering en hemelwater De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Regenwater van schoon verhard oppervlak kan geloosd worden op het oppervlaktewater en belast daarmee niet de afvalwaterzuivering. Bij afkoppeling is het noodzakelijk om gebruik te maken van duurzame materialen. Binnen het plan wordt een gescheiden stelsel aangelegd. De afvoer van het hemelwater van verhard oppervlak (daken en wegen) wordt gescheiden van huishoudelijk afvalwater. Kavels die grenzen aan open water kunnen direct worden afgevoerd naar het aanliggende open water. De wegen en kavels die niet direct grenzen aan open water worden aangesloten op het regenwaterstelsel dat onder de wegen komt. Het regenwaterstelsel wordt conform de eisen van de gemeente Enkhuizen aangelegd.

71

5.8.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Kabels en leidingen

In het kader van het uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. In het moederplan wordt aangegeven dat er langs de Haling en De Gouw diverse leidingen lopen van KPN en Liander. Het betreft een middenspanningskabel en een laagspanningskabel van KPN. Van Liander betreft het een gasleiding (8 bar) langs de Haling. Deze leidingen liggen buiten het plangebied. In het noordelijk deel van het plangebied ligt een hoofdwaterleiding. Ter bescherming hiervan is de dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen in het plan.

Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.10

Milieueffectrapportage

5.10.1 Wet- en regelgeving Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in kolom 2 'gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Voor deze activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.,om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden.

Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

72

5.10.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de bouw van maximaal 510 woningen, een toename ten opzichte van de bestaande situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied dat 2000 of meer woningen omvat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Met de bouw van maximaal 510 woningen wordt hier ruimschoots onder gebleven. Het plan is daarmee niet planMER-plichtig, maar er dient een vormvrije m.e.r. -beoordelingsbesluit genomen te worden. Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie m.e.r, DNS Planvorming BV, 16 juli 2021, bijlage 14) met daarin de informatie op basis waarvan het bevoegde gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan nemen. Uit de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10.3 Conclusie De omvang van het project ligt ver onder de drempelwaarde. De kenmerken van de activiteiten (herinrichting van het gebied en bouw van de woningen) en de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geven geen aanleiding voor een milieueffectrapportage.

73

74

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten 6.1

Inleiding

Het uitwerkingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Het uitwerkingsplan 'Gommerwijk West-west' bestaat uit een verbeelding, de regels (inclusief bijlagen) en een toelichting (met bijlagen). De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan.

De regels van het uitwerkingsplan 'Gommerwijk West-west' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het 'moederplan'.

6.2

Opzet en verantwoording van de planregels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken waarop hieronder wordt ingegaan: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels bevatten de noodzakelijke begripsbepalingen die worden gebruikt in de regels. Het bevat definities om misverstanden te voorkomen (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de artikelen 3 t/m 9 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouw- en gebruiksregels opgenomen.

Bestemming 'Groen' (artikel 3) De bosschages en parkruimtes in het plangebied zijn bestemd als ‘Groen’. Het is van belang deze

75

groenstructuren in het plangebied te behouden. Om het groene karakter te behouden zijn binnen deze bestemming geen gebouwen toegestaan. Uitzondering op de regel vormen kleine gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verder zijn binnen deze bestemmingen speelvoorzieningen en voetpaden toegestaan.

Bestemming 'Verkeer - Verblijf' (artikel 4) De wegen in het plangebied hebben een duidelijke verblijfsfunctie. Deze wegen zijn daarom bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Naast wegen zijn binnen deze bestemming ook openbare parkeerplaatsen en groenen speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Er is tevens een regeling opgenomen ten aanzien van bruggen.

Bestemming 'Water' (artikel 5) De sloten, vaarten en waterpartijen die in de nieuwe wijk liggen, hebben de bestemming 'Water' gekregen. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. In de bestemming is het aanleggen van bruggen en duikers opgenomen. Binnen het plan zijn geen steigers toegestaan. Wel zijn vlonders binnen de woonbestemming mogelijk.

Bestemming 'Wonen' (artikel 6 en 7) De woningen in het plangebied vallen onder de bestemmingen ‘Wonen - 1’ en ‘Wonen - 2’. De bouwregels van deze bestemmingen zijn afgestemd op de gebruikelijk systematiek van de gemeente voor deze bestemming. Onder ‘Wonen - 1’ vallen naast de vier nieuwe woningen op particuliere kavels aan het lint in het noorden en zuiden van het plangebied, conform de gemaakte afspraken van de gemeente met de eigenaren van deze kavels. Deze woningen bestaan uit een tweekapper en twee vrijstaande woningen. ‘Wonen - 2’ is voor de nieuw te bouwen woningen in de rest van het plangebied. Het exacte aantal woningen en de precieze ligging binnen de bestemmingsvlakken staan nog niet vast, daarom is gekozen voor een globale invulling. Hierdoor is het mogelijk om behalve woningen ook de bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, groen en water mogelijk te maken. Binnen de bestemming Wonen wordt een aantal randvoorwaarden meegegeven zoals de maximaal toegestane bouwhoogte, de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrenzen, het maximum aantal woningen en de typen woningen die toegestaan zijn. Binnen deze randvoorwaarden kunnen verschillende plannen uitgevoerd worden, waardoor het stedenbouwkundig plan flexibel uitgewerkt kan worden.

Het verschil tussen beide woonbestemmingen ligt, naast de flexibiliteit, met name in de oppervlakte van de woning en de bouw- en goothoogte. Bij ‘Wonen - 1’ mag de woning maximaal 250 m² worden en er geldt een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 7 meter. Bij ‘Wonen - 2’ is de oppervlakte van de woningen maximaal 150 m² en is de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 7 en 11 meter. Aan-huis-verbonden beroepen wordt in het uitwerkingsplan toegestaan, mits het om ondergeschikte bedrijfsactiviteiten gaat en er geen hinder ontstaan voor de woonbuurt. Het is niet de bedoeling om de woonfunctie te laten vervallen en zelfstandige praktijk- en bedrijfsruimte in de woning te realiseren. Er geldt een beperking van de maatvoering van de bedrijfsruimte aan huis. De bedrijfsvloeroppervlakte mag niet meer zijn dan 50 m² of (in geval van kleine panden) 30% van de totale gezamenlijke vloeroppervlakte op de begane grond van alle aanwezige bebouwing op het bouwperceel. 76

Een kleinschalig bedrijfsmatige activiteit bij huis is niet zomaar mogelijk. Dit is alleen toegestaan via een afwijking met een omgevingsvergunning. Aan de hand van ruimtelijke criteria en de kans op hinder voor de woonomgeving is een lijst opgesteld van toelaatbare bedrijven binnen de woonbestemming (zie bijlage 1 van de regels).

Dubbelbestemming 'Leiding - Water' (artikel 8) Daar waar in het plangebied een ondergrondse hoofdwaterleiding aanwezig is met een beschermingszone, is de dubbelbestemming 'Leiding - Water' toegekend. Deze dubbelbestemming heeft tot doel het beschermen van de hoofdwaterleiding. De dubbelbestemming heeft voorrang boven de andere geldende bestemmingen, en legt beperkingen op aan deze onderliggende bestemmingen. Ten eerste mag binnen de dubbelbestemming niet worden gebouwd. Daarnaast is het niet mogelijk om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (artikel 9 t/m 13) Ter bescherming van archeologische waarden in de bodem is de dubbel-bestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen. Voor de bescherming van deze waarden is een archeologisch onderzoek nodig waarbij duidelijk moet zijn wat de gevolgen voor deze waarden zijn voor een omgevingsvergunning voor bouwen verleend kan worden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 14), algemene bouwregels (artikel 15), algemene gebruiksregels (artikel 16), algemene afwijkingsregels (artikel 17) en algemene wijzigingsregels (artikel 18).

Anti-dubbeltelregel (artikel 14) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich voordoen indien een deel van het bouwperceel dat reeds bij de berekening van een maximum bebouwingspercentage was betrokken, wederom nu ten behoeve van de berekening van het maximum bebouwingspercentage van een ander bouwperceel wordt betrokken.

Algemene bouwregels (artikel 15) In de algemene bouwregels is de regeling met betrekking tot het parkeerbeleid opgenomen.

Algemene gebruiksregels (artikel 16) De algemene gebruiksregels gaan in op algemeen strijdig gebruik. Dit gaat om strijdig gebruik dat de verschillende bestemmingen overstijgt.

Algemene afwijkingsregels (artikel 17) Hierin is specifiek vermeld welke afwijkingen van het uitwerkingsplan zijn toegestaan.

77

Algemene wijzigingsregels (artikel 18) Dit artikel vermeldt welke algemene wijzigingen ten opzichte van het uitwerkingsplan zijn toegestaan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 19) Het overgangsrecht bevat een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de regels van dit uitwerkingsplan. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

Slotregel (artikel 20) In de slotregel wordt aangegeven hoe het uitwerkingsplan aangehaald kan worden (titel van het uitwerkingsplan). De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

78

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten.

In het plangebied van dit uitwerkingsplan hebben zowel de gemeente als andere partijen grondeigendom. Aangezien voor een deel van die gronden niet met alle partijen een anterieure overeenkomst is gesloten, is het kostenverhaal als bedoeld in artikel 6.12 Wro niet geheel via gemeentelijke grondverkoop of anterieure overeenkomsten verzekerd. Op grond van artikel 6.12 Wro moet daarom een exploitatieplan worden vastgesteld. Voor het plangebied is een exploitatieplan gemaakt dat door de gemeenteraad van Enkhuizen vastgesteld wordt. Hierin wordt de noodzakelijke publiekrechtelijke basis gelegd voor het kostenverhaal en wordt sturing gegeven aan het grondgebruik door middel van de locatie-eisen. Voor de toelichting op de uitvoerbaarheid wordt verwezen naar paragraaf 3 van het exploitatieplan.

Geconcludeerd kan worden dat het uitwerkingsplan economisch uitvoerbaar is.

79

80

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het maatschappelijke draagvlak van het uitwerkingsplan wordt getoetst door middel van wettelijk vooroverleg en de terinzagelegging van het ontwerpuitwerkingsplan voor zienswijzen.

8.1

Vooroverleg

Wijzigings- en uitwerkingsplannen vallen onder de overlegverplichting uit art. 3.1.1 Bro (Besluit ruimtelijke ordening). Het ontwerp uitwerkingsplan 'Gommerwijk West-west' is, ten behoeve van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro, verzonden naar verschillende overleginstanties. De volgende instanties is om een reactie gevraagd: Provincie Noord-Holland Gemeenten in de regio Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Veiligheidsregio Noord-Holland Noord Recreatieschap West Friesland Gasunie Liander PWN Archeologie West Friesland

De ontvangen reacties zijn als bijlage 15 toegevoegd aan de toelichting. In de ontvangen reacties is door Gasunie, Liander, Recreatieschap Westfriesland en de gemeentes Stede Broec, Drechterland en Hoorn aangegeven geen opmerkingen te hebben op het uitwerkingsplan. Daarnaast heeft een aantal instanties wel opmerkingen op het uitwerkingsplan. Hieronder wordt aangegeven welke opmerkingen tot een aanpassing van het uitwerkingsplan hebben geleid.

De provincie Noord-Holland heeft aangegeven dat het plan geen strijdigheden heeft met provinciaal beleid. Het stedenbouwkundige plan dat de onderligger vormt voor het uitwerkingsplan op 12 oktober 2021 akkoord bevonden in de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling. De provincie is bezig met een totaal onderzoek naar de mobiliteit van de regio en wil daarvoor weten wat de invloed van het plan is op de mobiliteitsontwikkeling van de Drechterlandse weg N505. De benodigde gegevens hiervan zullen aangeleverd worden aan de provincie.

De gemeente Medemblik heeft in de reactie aangegeven dat in de toelichting van het uitwerkingsplan het regionale woonbeleid wordt getoetst aan het Woonakkoord 2020-2025 en het Afwegingskader wonen West-Friesland 2019. Het Afwegingskader wonen West-Friesland is onlangs herzien, zij vragen dit recente beleid in de toelichting op te nemen. Deze herziening heeft inderdaad het opstellen van het voorontwerp-uitwerkingsbestemmingsplan doorkruist. De eerdere ladderonderbouwing en het marktonderzoek voor GWW zijn gebaseerd op de getallen van 2019, daar is ook de woningverdeling van het stedenbouwkundig plan op gebaseerd. De onderbouwing in de toelichting is nu aangepast naar het meest recente regionale woonbeleid met het Afwegingskader wonen West-Friesland 2021.

81

Archeologie West-Friesland heeft in de reactie een tekstvoorstel gedaan voor paragraaf 5.1.1 Wet en Regelgeving waarin de sinds 2016 van kracht zijnde Erfgoedwet is verwerkt. Dit tekstvoorstel is overgenomen. Daarnaast wordt aangegeven dat in de regels van het uitwerkingsplan provinciaal archeoloog staat terwijl dit regio archeoloog moet zijn. Dit is aangepast in de regels.

De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft via de Omgevingsdienst een reactie gegeven op Externe veiligheid. In deze reactie is een tekst aangeleverd over een transportroute voor gevaarlijke stoffen (N505). Dit is verwerkt in de paragraaf over externe veiligheid. Daarnaast is er een advies gegeven over de bestrijdbaarheid van brand-, ramp- en crisisbestrijding en zelfredzaamheid van personen en wordt ingegaan op de mogelijkheden en beperkingen m.b.t. hulpverlening, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De tekstvoorstellen van de relevante scenario's uit het Regionaal Risico Profiel (RRP) zijn verwerkt in de paragraaf over externe veiligheid. Het advies over waterveiligheid wordt meegenomen bij het opstellen van het inrichtingsplan van het gebied, de plannen zijn nu nog niet zo gedetailleerd dat dit meegenomen kan worden in het uitwerkingsplan. Dit geldt ook voor de adviezen over de opkomsttijd van de hulpdiensten en de bluswatervoorzieningen. Hier zal bij de verdere uitwerking van het plan rekening mee worden gehouden. Voor het advies over maatschappelijke voorzieningen geldt dat in de toelichting van het moederplan wordt aangegeven dat de nieuwe bewoners zijn aangewezen op het centrum aan het Koperwiekplein en de Meeuwenlaan. Deze zijn groot genoeg om ook de nieuwe bewoners van GWW te verzorgen. Dit is nog steeds het standpunt voor de maatschappelijke voorzieningen.

De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft het uitwerkingsplan beoordeeld op de milieu-aspecten. Voor een aantal aspecten is een aanvulling op de tekst in de toelichting nodig: Bedrijven en milieuzonering: de tekst in de toelichting is aangepast naar de maximale planologische invulling van de bedrijven. Bodem: de tekst in de conclusie is aangepast, er wordt nu hier aangegeven dat verdere onderzoeken en eventueel sanering noodzakelijk zijn voor er een omgevingsvergunning verleend kan worden. In het exploitatieplan wordt aangegeven dat als uit nader onderzoek blijkt dat er toch sprake zal zijn van bodemsaneringskosten, dan zullen die kosten in een herziening van het exploitatieplan worden opgenomen. Met de huidige stand van zaken is in de taxatiewaarde van de gronden aangenomen dat deze geschikt zijn voor de nieuwe functie. Mocht uit nader onderzoek blijken dat dit niet het geval is dan heeft dit gevolgen voor de grondwaarde, die dan aangepast zal worden. Op deze manier zijn de kosten van een eventuele sanering gedekt, zodat het aspect bodem de uitvoerbaarheid niet in de weg staat. Externe veiligheid: paragraaf 5.5.1 Wet en Regelgeving heeft een actualisatie gekregen door het toevoegen van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in de tekst.

Ecologie: de opmerking over de wet- en regelgeving is verwerkt in paragraaf 5.4.1, de aanpassing in de tekst over geen directe negatieve gevolgen verwacht voor de toename van stikstofemissie is verwerkt. Bij de verdere uitwerking zullen de adviezen over de inrichting van de verbindingszone meegenomen worden, ze zijn toegevoegd aan de toelichting. Tot slot is er met de nieuwe AERIUS-calculator van 13 januari 2022 een nieuwe berekening uitgevoerd, de resultaten hiervan zijn verwerkt in de toelichting. Duurzaamheid: bij de verdere uitwerking zullen de adviezen over duurzaamheid waar mogelijk meegenomen worden en zal er worden aangesloten bij het meest recente duurzaamheidsbeleid van

82

de gemeente.

In de reactie van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier wordt om twee tekstuele aanpassingen gevraagd, deze zijn doorgevoerd in de toelichting. Voor de opmerking over de watercompensatie geldt dat het tijdelijke tekort aan waterberging voor de noordzijde wordt opgelost doordat tegelijkertijd met de realisatie van het noordelijk deel waterberging aan de zuidzijde van het plan wordt gerealiseerd op grond in eigendom van de gemeente, eventueel in combinatie met het surplus uit de gemeentelijke waterbank. Dit is toegevoegd aan de tekst van de toelichting. De gemaakte opmerkingen over bijlage 12 (Watertoets) en bijlage 13 (Watergebiedsplan) zijn verwerkt. Bij deze opmerkingen wordt aangegeven dat in de watertoets staat dat private percelen worden beschoeid en dat in het stedenbouwkundig ontwerp langs sommige private percelen rietoevers zijn ingetekend. Het hoogheemraadschap doet geen onderhoud van rietoevers langs particulier terrein. De bebouwing in deze zone betreft een aantal appartementengebouwen zonder private oevers en terraswoningen. Deze terraswoningen hebben, anders dan standaard woningen, geen private buitenruimte in de vorm van een tuin aan de achterzijde van de woning maar alleen een terras.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11598840/1