CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

220530 UWP GWW toelichting en regels 2672-110

gemeenteraad 21 juni 2022, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Uitwerkingsplan en Exploitatieplan Gommerwijk West-West29.695 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het noordelijk deel is vanaf de Haling ontsloten en het zuidelijk deel en middendeel vanaf De Gouw. De deelgebieden kennen hun eigen lusstructuur die onderling is verbonden voor langzaam verkeer en voor calamiteitenverkeer. Overdwars lopen er veel verbindingen voor voetgangers, fietsers en vaartuigen. Iedereen kan zo meegenieten van de landschappelijke kwaliteiten van de locatie. Tevens worden er op deze manier veel goede verbindingen gemaakt naar zowel de stad als naar het Streekbos. 33

De nieuwe ontwikkeling wordt zorgvuldig tussen het bestaande gevoegd. Er worden woningen in het lint aan de Haling en aan De Gouw ingepast. Vanaf het Noorder en het Zuider Bolwerk blijft er een mooi uitzicht op groen gehandhaafd, omdat aan die zijde een parkstrook wordt gerealiseerd. Tegenover de woningbouw aan Om de Lande (de vorige bouwfase van Gommerwijk West-west) komt eveneens een groenzone met een natuurlijke oevermilieu. Hier komt een wandelpad. Vanwege de ligging van de waterleiding onder deze strook is beplanting met bomen of bebouwing hier niet mogelijk. Er wordt niet alleen een zorgvuldige overgang gemaakt naar de bestaande woonbuurten aan de oostzijde. Ook de overgangsgebieden aan het Streekbos en aan het Weelenpad krijgen een groen aanzien met een parkachtige uitstraling.

4.2

Beeldkwaliteit

Voor Gommerwijk West-west wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Binnen het centrale woonthema "landschappelijk wonen" worden veel verschillende sferen en omgevingen geboden. De volgende landschappelijke woonomgevingen worden in het plan gerealiseerd: Wonen aan de oever; Wonen in het water (appartementen en waterwoningen); Wonen in het riet (appartementen en terraswoningen); Wonen aan de bosrand; Wonen in een parkomgeving; Wonen aan het lint.

34

Woonsferen binnen het plangebied GWW, bron: Vollmer & Partners

35

Deze landschappelijke woonomgevingen worden in het beeldkwaliteitsplan geïllustreerd met referentiebeelden. Van belang voor de kwaliteit van het plan is dat de overgangen tussen woning en landschappelijke omgeving goed vormgegeven worden. De erfafscheidingen zijn groen (hagen en begroeide hekwerken), tuinen grenzend aan openbaar gebied zijn afgescheiden met hagen of groenblijvende heesters. Veranda's maken een zachte overgang tussen woning en park. In het beeldkwaliteitsplan worden de stedenbouwkundige randvoorwaarden beschreven. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan de welstandsaspecten. Deze welstandscriteria worden door de gemeenteraad vastgesteld ter aanvulling op de welstandsnota.

4.3

Programma

4.3.1

Woningtypen

Het plangebied omvat zowel water, groen en wegen als uitgeefbaar gebied voor woningen. Binnen Gommerwijk West-west is ruimte voor ca. 510 nieuwe woningen. Hiervoor is een mogelijke indeling in woningtypen van 510 woningen gemaakt, gebaseerd op de uitkomsten van het marktonderzoek dat is uitgevoerd voor Gommerwijk West-west (Marktonderzoek Gommerwijk West-west Enkhuizen, Atrivé, 29 mei 2020, bijlage 1). De woonwijk zal gefaseerd ontwikkeld worden, waarbij in elke fase aangesloten kan worden bij de actuele woonvraag. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt het aantal en type van woningen definitief gemaakt. Hierbij zal dan zo veel mogelijk worden aangesloten op de uitgangspunten uit het marktonderzoek. Binnen deze aantallen zijn ook vier nieuwe woningen op particuliere kavels meegenomen, conform de gemaakte afspraken van de gemeente met de eigenaren van deze kavels. Deze woningen bestaan uit een tweekapper en twee vrijstaande woningen en vallen in de categorie duur koop. Deze woningen passen in de omgeving als onderdeel van de lintbebouwing. Voor de drie nieuwe woningen aan de zuidwestzijde geldt bovendien dat in de toekomst de ontsluiting via het plan voor Gommerwijk West-west loopt omdat het waterschap het aantal duikers langs De Gouw wil verminderen.

36

Mogelijke indeling woningtypen Gommerwijk West-west, bron: Vollmer & Partners

Voor de nieuwe woningen binnen het stedenbouwkundig plan voor Gommerwijk West-west bestaat het 37

programma uit 192 dure woningen (52 twee-onder-een-kapwoningen, 71 vrijstaande woningen, 19 waterwoningen en 50 appartementen), 218 middendure woningen (100 rijwoningen, 42 kleinere twee-onder-een-kapwoningen, 6 terraswoningen, 50 appartementen koop en 20 appartementen vrije sector huur) en 100 sociale huur woningen (50 rijwoningen, 20 benedenbovenwoningen en 30 rug-aan-rugwoningen).

Deze woningen zullen gefaseerd ontwikkeld worden, waarbij er ca. 80 tot 100 woningen per jaar gerealiseerd zullen worden. De ontwikkeling start in GWW-Noord, waarna GWW-Zuid in een latere fase volgt. Stedenbouwkundig gezien is een fasering van noord naar zuid de meest voor de hand liggende volgorde. Aan de noordoostkant van GWW is fase 1A van GWW (wijk Kadijken) reeds gerealiseerd. Door de eerstvolgende uitbreiding direct ten westen hiervan te realiseren met GWW-Noord (tussen de Haling en het Weelenpad) wordt hier een logisch vervolg aan gegeven. Er komt daarbij een wijkontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer tussen de wijk Kadijken en GWW-Noord. GWW-Noord kan vervolgens uitgebreid kan worden in zuidelijke richting met GWW-Zuid (tussen het Weelenpad en De Gouw). Omdat er in GWW-Noord sprake is van aaneengesloten grondposities, zodat de openbare ruimte daar door één partij integraal kan worden aangelegd, is het in GWW-Noord mogelijk direct met de realisatie te beginnen. In GWW-Zuid is er sprake van versnipperd grondeigendom. Vanwege de versnippering kan integrale aanleg van de openbare ruimte niet plaatsvinden voordat de daarvoor benodigde gronden zijn verworven. Dit kan enkele jaren in beslag nemen. Daar komt bij dat ook de stedenbouwkundig gewenste verkaveling doorsneden wordt door eigendomsposities.

Dat betekent dat niet geheel Zuid kan worden gerealiseerd zonder grondtransacties tussen de eigenaren. Ook dat zal tijd kosten. Wanneer in Noord wordt begonnen kan in de tussentijd in Zuid worden gewerkt aan het opheffen van ongewenste eigendomsdoorsnijdingen. Daar komt bij dat, om bevaarbare waterwegen in het GWW te verkrijgen, het peilniveau van het oppervlakte water verhoogd moet worden. Hiervoor dient in overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier afstemming plaats te vinden met belanghebbende grondeigenaren en zullen er waarschijnlijk de nodige waterstaatkundige maatregelen getroffen moeten worden. Deze maatregelen zullen in hoofdzaak in en rond GWW-Zuid getroffen moeten worden. Geconcludeerd kan dus worden dat GWW-Noord i.c. minder complex is, minder tijd kost en het voor de voortgang bevorderlijk is om te starten met GWW-Noord.

4.3.2

Verantwoording ladder duurzame verstedelijking

In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale, regionale en gemeentelijke woonbeleid. In paragraaf 4.1 is gemotiveerd op welke manier de ontwikkeling is ingepast in het Westfriese landschap. Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied, zodat alleen een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling nodig is. Het huidige gebruik van het plangebied is weliswaar voornamelijk agrarisch, maar het stedelijk gebruik is op grond van de uit te werken woonbestemming in het moederplan al mogelijk. Met het doorlopen van de aangegeven vereisten (hieronder cursief weergegeven) uit het Afwegingskader wonen West-Friesland 2021 (AWF 2021) worden ook de stappen uit de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Hieronder wordt per criterium aangegeven hoe het plan eraan voldoet. Bij deze onderbouwing wordt verwezen naar het marktonderzoek dat voor Gommerwijk West-west is gedaan (Marktonderzoek Gommerwijk West-west Enkhuizen, Atrivé, 29 mei 2020, bijlage 1). Hierin is gekeken naar de kaders die gesteld zijn in de toelichting van het moederplan en hoe deze ingevuld kunnen

38

worden binnen de veranderingen die sindsdien binnen de woningmarkt en de behoefte aan de verschillende prijssegmenten zijn opgetreden.

Westfriese basis Dit zijn de minimumvereisten waaraan elk plan moet voldoen. Het plan past binnen de ambitie van 16.000 woningen aan zachte plancapaciteit. De kwantitatieve behoefte wordt bepaald door de indicatieve woningbehoefte uit de Noord-Hollandse bevolkingsprognose. Aanvullend hierop heeft de regio een aantal afspraken gemaakt. Een geactualiseerde regionale woningbouwprogrammering 2021-2030 is opgesteld. Voor dit kader zijn de prognoses aangehouden uit de provinciale behoefteprognose 2017-2040 waarbij de regio de cijfers tot 2030 heeft aangehouden.

39

Tabel regionale woningbehoefte, bron: Kwantitatieve woningbouwprogrammering Westfriesland 2021-2030

In de kwantitatieve woningbouwprogrammering West-Friesland 2021-2030 wordt voor de gemeente Enkhuizen aangegeven dat de harde plancapaciteit 556 woningen is en de zachte plancapaciteit 420 woningen, in totaal is dit 976. Binnen deze 556 woningen vallen de resterende woningen voor Gommerwijk West-west, zoals het in het moederplan staat. Hierin is aangegeven dat het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woonwijk voor maximaal 700 woningen. In de eerste fase is een uitwerking met circa 100 woningen gerealiseerd, waarmee er nog 600 overblijven voor het plangebied van dit uitwerkingsplan. Dit zal zo niet worden gerealiseerd. Ten opzichte van het moederplan komen er in Gommerwijk West-west in totaal minder woningen. Hierdoor ontstaat

40

er ruimte voor meer onderscheidende woningen in Gommerwijk West-west en meer ruimte voor initiatieven op andere plekken in de gemeente. Om dit mogelijk te maken is de Partiële herziening bestemmingsplan Gommerwijk West-west opgesteld. Met dit uitwerkingsplan zullen in Gommerwijk West-west in totaal ca. 510 woningen komen en wordt er invulling gegeven aan de verandering in woningaantallen die met de partiële herziening mogelijk gemaakt is. In het marktonderzoek wordt onderbouwd dat het plan, met het kleinere aantal woningen, past binnen de indicatieve regionale woningbehoefte (incl. de buffer) en dat het binnen de gemeentelijke behoefte blijft. Hierbij is rekening gehouden met de plancapaciteit (zowel hard als zacht) van andere plannen binnen de gemeente en de regio. Behalve kwantitatief past het plan ook kwalitatief binnen de regionale behoefte. Doordat er minder woningen in het gehele plan komen ontstaat er ruimte voor meer onderscheidende woningen in Gommerwijk West-west. In het stedenbouwkundig plan staan groen, rust, ruimte, water en grote landschapskavels centraal. Hiermee wordt het plan klimaat adaptief ingericht. Het plan maakt wonen in het bos/park en aan het water mogelijk. Ook is er ruimte voor (collectief-)particulier opdrachtgeverschap.

Daarmee wordt er zowel een bijdrage geleverd aan betaalbaar wonen als aan de behoefte aan bijzondere woningen in het hogere segment. Hierbinnen is er ruimte om in te spelen op de woningbehoefte van senioren en kleinere huishoudens (1 en 2 persoons) met geschakelde, grondgebonden en/of levensloopbestendige woningen en patio´s met kleine tuinen. Daarnaast is er veel ruimte voor twee- en drie-onder-een-kapwoningen en vrije kavels voor vrijstaande woningen. Het streven voor de verdeling van woningcategorieën is 20% sociaal, 40% middenduur en 40% duur. In het marktonderzoek is er gekeken naar hoe deze verdeling ingevuld kan worden binnen de veranderingen die sindsdien binnen de woningmarkt en de behoefte aan de verschillende prijssegmenten zijn opgetreden. Op basis hiervan is een nadere uitwerking gemaakt van de toekomstige extra kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte in Enkhuizen en wordt in het rapport een verdeling voorgesteld voor zowel de woningcategorieën met bijbehorende prijsklassen als een onderverdeling voor appartementen en grondgebonden woningen. Op basis van het marktonderzoek zijn daar nog 20 huurappartementen in de vrije sector aan toegevoegd.

41

In de mogelijke indeling woningtypen in het stedenbouwkundig plan zijn 100 sociale huurwoningen gerealiseerd, wat overeenkomt met bovenstaande tabel. Er komen 100 rijwoningen, die overeenkomen met de 100 egw (eengezinswoning) tot €250.000 uit bovenstaande tabel. Daarnaast komen er 42 kleine twee-onder-een-kapwoningen en 6 terraswoningen, die samen 48 grondgebonden woningen in de categorie €250.000 tot €350.000 vormen, wat vrijwel overeenkomt met de aangegeven 50 uit de tabel. De categorie egw boven €350.000 bestaat in het stedenbouwkundig plan uit 52 grote twee-onder-een-kapwoningen, 19 waterwoningen en 71 vrije kavels. In totaal zijn dit 142 woningen, wat vrijwel overeenkomt met de aangegeven 140 uit de tabel. Voor de appartementen worden 20 mgw (meergezinswoningen) in de vrije sector huur aangegeven, deze zijn in het plan gerealiseerd. Ook de aangegeven 50 appartementen in de categorie tot €250.000 zijn in het plan opgenomen onder middeldure koop en de 50 appartementen in de categorie €250.000 tot €350.000 onder dure koopappartementen. Hiermee vormt het plan een onderscheidende en complementaire aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Het plan voldoet aan de voorwaarde dat 70% van de woningbouwplannen in de regio West-Friesland worden gerealiseerd in de krachtige kernen.

Door de ligging binnen het bestaand stedelijk gebied, aansluitend op de bestaande bebouwing van Enkhuizen, voldoet het plan aan deze voorwaarde. Enkhuizen is een van de krachtige kernen. Is getoetst en onderbouwd of realisatie binnenstedelijk mogelijk is? Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en voldoet aan daarmee aan deze voorwaarde. Het huidige gebruik van het plangebied is weliswaar voornamelijk agrarisch, maar het stedelijk gebruik is op grond van de uit te werken woonbestemming in het moederplan al mogelijk. Als realisatie past binnen de regionale opgave, maar realisatie binnenstedelijk niet mogelijk is, is getoetst aan provinciale voorwaarden inzake beschermingsregimes, energieneutraal, klimaatadaptief, circulair bouwen, landschappelijke inpassing en mobiliteit. Het plangebied ligt binnen BSG, daarmee is toetsing aan de provinciale voorwaarden niet noodzakelijk.

Westfries vooruitdenken Het plan moet aan vier van de acht onderstaande ambities voldoen. Bij de beantwoording hiervan is gerekend met onderstaand beoogd programma voor het plangebied. 50 rijwoningen (sociale huur) 20 benedenbovenwoningen (sociale huur) 30 rug-aan-rugwoningen (sociale huur) 20 appartementen (vrije sector middeldure huur) 100 rijwoningen (middeldure koop) 42 twee-onder-een-kapwoningen (middeldure koop) 6 terraswoningen (middeldure koop) 50 appartementen (middeldure koop) 52 twee-onder-een-kapwoningen (dure koop)

42

19 waterwoningen (dure koop) 44 vrijstaande woningen (dure koop) 27 vrije kavels (dure koop) 50 appartementen (dure koop)

Het bestemmingsplan kent een flexibele opzet, zodat aanpassingen van het programma in de toekomst bij een veranderende vraag, mogelijk is. Bij deze aanpassingen moet dan rekening worden gehouden met de ambities uit het Westfries vooruitdenken.

Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen. De gemeenten hanteren een prijsgrens van beneden de liberalisatiegrens voor huurwoningen en 85% van de NHG-grens voor koopwoningen. De gemeenten kijken of de lagere inkomens voldoende bediend worden. Minimaal 30% van de woningen in dit plan dienen hieraan te voldoen om op dit punt positief te scoren. De 100 woningen (rij, bebo en rug-aan-rug) die in de categorie sociale huur vallen voldoen aan de gehanteerde grens voor betaalbaar wonen. Deze woningen vormen 20% van het totaal. Het plan levert een bijdrage aan betaalbaar wonen, maar het percentage is niet oog genoeg om aan dit criterium te voldoen. Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens. Er worden 20 appartementen in de vrije sector middeldure huur gerealiseerd, het plan voldoet aan dit criterium. Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen. Een woning die geschikt is voor langer zelfstandig wonen is minimaal een 'rollatorgeschikte woning'. In het afwegingskader wordt aangegeven wat hieronder wordt verstaan. Indien 30% van de woningen rollatorgeschikte woningen zijn waarderen de gemeenten het plan op dit punt positief. De appartementen binnen de voorwaarden. Ook de twee-onder-een-kapwoningen en de vrijstaande woningen bieden voldoende ruimte om op de begane grond een levensloopbestendige inrichting mogelijk te maken.

Hiermee zijn er met het huidige stedenbouwkundige plan in totaal 285 van de 510 woningen die in de categorie 'rollatorgeschikte woning' kunnen vallen. Daarmee wordt aan dit criterium voldaan. Het plan is circulair en energieneutraal. Het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen doordat het gasloos is en er voldaan wordt aan de BENG-norm. Het plan voldoet niet aan alle eisen die bij deze ambitie gesteld worden. Het plan draagt bij aan klimaatadaptatie, een gezonde leefomgeving en verbetering van de natuur en het landschap. In het stedenbouwkundig plan is veel ruimte voor groen en water, waardoor klimaatadaptief bouwen en klimaatadaptatie in de openbare ruimte mogelijk is. In de klimaatstresstest van West-Friesland wordt voor het plangebied geen specifieke knelpunten aangegeven. Alleen bij het doorbreken van een primaire waterkering (dijken, dammen, duinen en kunstwerken die bescherming bieden tegen buitenwater) heeft het plangebied door de lagere ligging een risico op overstroming met water tot één of anderhalve meter hoog. De kans hierop is zeer klein en doordat de meeste woningen uit

43

meerdere verdiepingen bestaan is, naast evacuatie, vluchten naar een droge verdieping mogelijk. Door de toevoeging van wandelpaden aan de bestaande structuur en het leggen van goede fiets- en voetgangersverbindingen met de voorzieningen van Enkhuizen en het Streekbos geeft het plan mogelijkheden tot bewegen en daarmee voor een gezondere leefwijze, niet alleen voor de nieuwe bewoners maar ook voor de huidige inwoners. Door de nieuwe groen-blauwe structuur die gecreëerd wordt, ontstaat er niet alleen een prettig woonmilieu voor mensen, deze milieus met veel overgangen bieden ook veel mogelijkheden voor de biodiversiteit. Het plan levert daarnaast nog een positieve bijdrage aan biodiversiteit doordat er natuurinclusief gebouwd wordt. Dit is in het beeldkwaliteitsplan opgenomen. Het plan voldoet aan deze ambitie. Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV-knooppunt. De inspanningsverplichting van de gemeenten is om een bijdrage te leveren aan het streven om gemiddeld 50% van de woningbouwplannen in de provincie binnen een straal rond OV-knooppunten te realiseren. Daarbij geldt een primair zoekgebied van 1,2 woningtypologieën en een secundair zoekgebied van 3 kilometer. Het plangebied ligt hemelsbreed op 1,6 kilometer van station Boven-Karspel en valt binnen het secundaire zoekgebied.

Het plan draagt bij aan de versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland. Een woningbouwplan scoort op deze ambitie indien er afspraken zijn gemaakt om het plan binnen 3 jaar na initiatief neming uit te voeren. Aangezien het moederplan voor Gommerwijk West-west uit 2009 stamt, draagt het plan hier niet aan bij. Het is voor het noordelijk deel van Gommerwijk West-west wel de bedoeling binnen drie jaar na het in procedure brengen van dit uitwerkingsplan de woningen te bouwen. Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht van de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving. De aantrekkelijke woonomgeving is de meest genoemde vestigingsfactor onder nieuwkomers van buiten de regio. Met de woningen in een onderscheidend woonmilieu waarin groen, rust, ruimte, water en grote landschapskavels centraal staan biedt het plan Gommerwijk West-west woningen in een aantrekkelijke omgeving. Het plan voorziet in meerdere typen woningen: vrijstaande woningen met een grote diversiteit in kavelgrootte, twee-onder-een-kap woningen, rijwoningen, benedenbovenwoningen, rug-aan-rugwoningen en appartementen in verschillende categorieën. Doordat in het stedenbouwkundig plan groen, rust, ruimte, water centraal staan, maakt het plan wonen in het bos/park en aan het water mogelijk. Ook is er ruimte voor (collectief-)particulier opdrachtgeverschap.

Daarmee wordt er zowel een bijdrage geleverd aan betaalbaar wonen als aan de behoefte aan bijzondere woningen in het hogere segment. Doordat er ruimte is voor het realiseren van diverse woningtypen wordt er voor een brede doelgroep gebouwd. Hierbinnen is er ruimte om in te spelen op de woningbehoefte van senioren en kleinere huishoudens (1 en 2 persoons) met geschakelde, grondgebonden en/of levensloopbestendige woningen en patio´s met kleine tuinen. Specifieke doelgroepen die worden benoemd in het woonbehoefteonderzoek van Atrivé zijn onder andere starters, startende huishoudens zowel binnen als buiten de regio, sociaal kwetsbare woningzoekenden en binnenlandse en buitenlandse werknemers. Met de bouw van de rug-aan-rugwoningen voor starters en ruimte voor doorstroming zodat elders is de gemeente starterswoningen vrijkomen voorziet het plan in de genoemde doelgroepen. Het woningtype van rug-aan-rugwoningen komt in de omgeving nog niet voor en is daarmee onderscheidend.

De voorgenomen ontwikkeling van 510 woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Enkhuizen

44

draagt bij aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het afwegingskader 'de Westfriese basis' en aan meer dan de helft van de bovenstaande punten uit 'het Westfries vooruitdenken'. Hiermee wordt ook voldaan aan het woonbeleid van alle betrokken overheden.

4.4

Verkeer en parkeren

Ontsluiting Het noordelijk en het zuidelijk deel krijgen een eigen ontsluitingsring. Beide zijn met elkaar verbonden middels een brugverbinding over het Weelenpad en de watergang daarlangs. Deze is alleen bedoeld voor langzaam verkeer en calamiteitenverkeer. Het noordelijk deel krijgt een aansluiting op de Haling en kent een wegenstructuur met een dubbele lusverbinding. Daarnaast wordt er voor zowel langzaam als snelverkeer een verbinding gemaakt met ten oosten gelegen woonwijk Kadijken via de Tuindershof. De deelgebieden zijn daardoor goed toegankelijk. Het zuidelijk deel heeft een aansluiting op De Gouw en kent een wat langgerekter structuur met enkele lussen en dwarsverbanden. Van hieruit worden de verschillende woonvelden ontsloten. Alle wegen worden ingericht voor 30-km/uur. De hoofdstructuur van de wijk is opgezet aan de hand van een basisprofielen. Deze garanderen dat in elk plandeel voldoende ruimte is voor rijbaan, trottoir, parkeren, groen en waar nodig taluds naar het water. Hiervoor is een gebruikelijke maatvoering aangehouden voor nieuwbouwgebieden. Het is goed denkbaar dat in de maatvoering van de wegen en verhardingen nog optimalisaties kunnen plaatsvinden om meer ruimte te vinden voor groen.

Door bijvoorbeeld uit te gaan van shared space, waarbij gemotoriseerd en langzaam verkeer de rijloper delen, kan ruimte gemaakt worden voor grasbermen, meer water of bredere wateroevers. Deze aanpassingen zijn mogelijk binnen de gekozen maatvoering. Er worden goede fietsverbindingen gemaakt naar de omliggende paden en wegen. Door het gebied loopt een stelsel van vrij liggende voetpaden, langs de oevers, door de bosschages en over de parkweides. Op vier punten (Tuindershof, Om de Lande, nabij Flosbeugel en Melkbon) wordt er voor het langzaam verkeer aangesloten op de bestaande woonwijk. Daarnaast zijn de bestaande aansluitingen tussen de bestaande bebouwing in het Streekbos via het Weelenpad bereikbaar. Aan de noordzijde komt er een extra aansluiting op de Haling. Daardoor kan een bewoner makkelijk op de fiets naar de stad en het station en kunnen recreanten makkelijk het gebied doorkruisen. Omdat het plangebied in zijn geheel als 30 km/uur-gebied wordt ingericht, zijn er geen vrijliggende fietspaden benodigd.

Verkeersgeneratie Als gevolg van de ontwikkeling treedt er een wijziging op in de verkeersgeneratie van en naar het plangebied. Er is daarom een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de aanleg van Gommerwijk West-west voor het verkeer (Gommerwijk-west-west, Enkhuizen, Parkeer- en verkeersonderzoek, Goudappel BV, 7 juli 2021, bijlage 2). De nieuwe woonwijk beoogt te ontsluiten aan de noord- en zuidzijde via bestaande wegen (Haling en De Gouw) en aan de oostzijde via de Tuindershof. Om na te gaan of het extra verkeer van de nieuwe woonwijk afgewikkeld kan worden, is de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau maatgevend. De ontsluiting met de Tuindershof is een bestaande aansluiting waarop wordt aangetakt. Daarnaast zijn de intensiteiten hier laag, waardoor geen knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling worden verwacht. Voor deze ontsluiting zijn derhalve geen kruispuntberekeningen uitgevoerd. Wel is de oostelijke ontsluiting verkeerskundig getoetst aan de hand van de Wegenscan. De CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381) geeft kencijfers voor woningen, 45

zowel voor de verkeersgeneratie als het parkeren. Binnen de systematiek van de CROW is sprake van een categorie-indeling. Deze indeling is gebaseerd op de typering van de omgeving in ’zeer sterk stedelijk’ tot ‘niet stedelijk’. Binnen deze hoofdindeling wordt dan ook nog de afweging gemaakt wat voor type wijk of gebied het is binnen deze hoofdcategorie. Deze extra onderverdeling is te maken in ‘centrum’, ‘schil centrum’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’. Enkhuizen is een kleine stad en is te typeren als ‘matig stedelijk’. Het plangebied valt onder de categorie ‘rest bebouwde kom’. In Enkhuizen wordt het gemiddelde van de minimale en maximale cijfers toegepast. In het onderzoek is de verkeersgeneratie voor de mogelijke indeling van de nieuwe woningen berekend, onderverdeeld in een deel Noord dat via de Haling en Tuindershof het plangebied verlaat en een deel Zuid dat via De Gouw aansluit op de omgeving. Uit de resultaten blijkt dat de aansluiting van het zuidelijk deel op De Gouw, zowel bij de uitvoering van een gelijkwaardige kruising als bij de uitvoering van een voorrangskruispunt, een prima verkeersafwikkeling kent. Ook voor de aansluiting op de Haling, zowel bij de uitvoering van een gelijkwaardige kruising als bij de uitvoering van een voorrangskruispunt, geldt dat uit de berkening komt dat het kruispunt een prima verkeersafwikkeling kent.

Aan de hand van de Wegenscan is bepaald in hoeverre de toekomstige verkeerssituatie op en rond de oostelijke ontsluiting bij Tuindershof volstaat. De oostelijke ontsluiting op de Tuindershof betreft een aantakking op een reeds gereserveerde aansluiting. Uit de resultaten blijkt dat de toekomstige verkeerssituatie volstaat. In de toekomstige situatie rijden circa 730 motorvoertuigbewegingen/etm over het toetsingspunt. De maximaal wenselijke intensiteiten bedragen 1.000 mvt/etm.

Het omliggende wegenstelsel is goed in staat de extra verkeersbewegingen die ontstaan door de aanleg van Gommerwijk West-west op te vangen.

Parkeren De parkeernormen uit het beleid van de gemeente waar rekening mee is gehouden zijn: Koop vrijstaand

2,2 pp per woning

Koop twee-onder-een-kap

2,1 pp per woning

Koop tussen/hoek

1,9 pp per woning

Koop appartement duur

2,0 pp per woning

Koop appartement middenduur

1,8 pp per woning

Huur sociaal, rij

1,3 pp per woning

Huur rug-aan-rug en bebo

1,1 pp per woning

Huur appartement vrije sector

1,8 pp per woning

Het bezoekersaandeel daarbij is 0,3 pp per woning.

Voor het plangebied resulteert dit met de voorlopige indeling in woningcategorieën in onderstaand aantal parkeerplaatsen dat gerealiseerd moet worden: rij sociale huur

50 * 1,3 = 65,0 pp

bebo

20 * 1,1 = 22,0 pp

46

rug-aan-rug

30 * 1,3 = 39,0 pp

appartement huur vrije sector

20 * 1,8 = 36,0 pp

rij koop

106 * 1,9 = 201,4 pp

twee-onder-een-kap

94 * 2,1 = 197,4 pp

appartement koop middenduur

50 * 1,8 = 90,0 pp

vrijstaand

90 * 2,2 = 198,0 pp

appartement koop duur

50 * 2,0 = 100,0 pp

Totaal

948,8 pp

Het parkeren vindt deels op het eigen erf van de woningen plaats en deels in het openbaar gebied. Op het eigen terrein is voor een garage met enkele oprit gerekend met 1,0 pp en voor een garage met dubbele oprit met 1,8 pp. Een dubbele oprit zonder garage telt voor 1,7 pp en een enkele oprit zonder garage als 0,8 pp. Voor de dure koopappartementen is daarnaast gerekend met een parkeergarage onder het gebouw met daarin ruimte voor 1,0 pp per appartement. Hiermee wordt het aandeel voor bezoekers van 0,3 altijd in de openbare ruimte gerealiseerd. Het plan komt daarmee uit op onderstaand aantal parkeerplaatsen op eigen terrein: dubbele oprit met garage

120 * 1,8 = 216,0 pp

dubbele oprit zonder garage

1 * 1,7 =

enkele oprit met garage

44 * 1,0 = 44,0 pp

enkele oprit zonder garage

25 * 0,8 = 20,0 pp

parkeergarage appartementen

50 * 1,0 =

Totaal

1,7 pp

50,0 pp 331,7 pp

Dit betekent dat er ruimte moet zijn voor 948,8 - 331,7 = 617,1 pp in de openbare ruimte. In het stedenbouwkundig plan is er in de straatprofielen ruimte gehouden voor voldoende parkeerplaatsen. Zoals de woningverdeling en inrichting van de openbare ruimte nu is zijn er 623 parkeerplaatsen. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt het aantal en type van woningen definitief gemaakt. Hierbij zal dan worden voldaan aan bovenstaande uitgangspunten voor het parkeren. In de regels van dit uitwerkingsplan is opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van de nieuwe functie.

4.5

Duurzaamheid

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan de eisen voor duurzaam en klimaatneutraal bouwen te voldoen. Om klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken is het belangrijk om het energiegebruik en het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen. Daarnaast is het op een groter schaalniveau van belang om toekomstbestendige woonwijken en woningen 'klimaat adaptief' te bouwen. Hiermee kan o.a. heviger regenval en meer droogte opgevangen worden. Dat kan bijvoorbeeld door betere afwateringsinrichting, watercompensatie en de manier van verharden.

47

Gommerwijk West-west wordt een duurzame woonbuurt, met veel aandacht voor energie, groen en water, zodat het een klimaatneutrale wijk wordt. Er is in het plan voldoende ruimte voor waterberging. Het aandeel verharding en bebouwing is laag, er is altijd water en/of groen in de nabijheid, waardoor hittestress tegengegaan wordt. Naast natuurinclusieve bebouwing is er een natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte. Geen traditionele straten met traditioneel groen, maar juist groen met ruimte voor groei en bloei. Daarmee ontstaat er meer waarde voor insecten en vogels en andere dieren. De duurzaamheid van Gommerwijk West-west blijkt onder andere uit: Een nagenoeg energieneutrale wijk; Aardgasvrij bouwen; Bezonning van de woningen; Het benutten van de daken voor zonnepanelen en groen; Toekomstgericht bouwen met voldoende flexibiliteit en goed doordacht woningaanbod; Klimaatadaptieve maatregelen; De ruime dooradering van de wijk met groen en water; Het gebruik van streekeigen beplanting met hoge natuurwaarde; De toepassing van hagen, bloemenweides en bloeiende beplanting in de woonomgeving; Een goed stelsel van voet- en fietspaden door de wijk en in aansluiting op de omgeving; Natuurlijk spelen en speelaanleidingen; Afkoppeling van het hemelwater; Natuurinclusief bouwen; Het hergebruik van materialen bij de realisatie van woningen en van het openbaar gebied (conform LIOR); Er

rekening wordt gehouden met de mogelijkheden om de toegepaste materialen later her te gebruiken; Plaatsing ledverlichting.

Binnen de regels voor de bestemmingen van dit bestemmingsplan is er voldoende ruimte opgenomen voor het aanbrengen van zonnepanelen, zonnecollectoren, e.d. Verder wordt een deel van deze maatregelen opgenomen in het beeldkwaliteitsplan dat gekoppeld wordt aan de regels van dit uitwerkingsplan.

48

Hoofdstuk 5 Omgevingsonderzoeken In dit hoofdstuk worden de onderzoeken voor het wijzigingsplan behandeld. Voor zover de resultaten nog van toepassing zijn, worden de onderzoeken uit het 'moederplan' overgenomen. Indien noodzakelijk is er een nieuw onderzoek uitgevoerd.

5.1

Archeologie en cultuurhistorie

5.1.1

Wet- en regelgeving

De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet.

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen.

49

5.1.2

Situatie plangebied

In 2016 is ten behoeve van de totale ontwikkeling van de woonwijk Gommerwijk-West-West een Archeologisch bureauonderzoek opgesteld. In 2019 is een actuele archeologische quickscan uitgevoerd ten behoeve van een deel van plangebied. Daarna is er nog een keer naar het plangebied als geheel gekeken (Archeologische quickscan Gommerwijk West-West, totaal-uitwerking, Enkhuizen, Archeologie West-Friesland, 20 juli 2021). Deze update van de quickscans is als bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting.

Het plangebied valt op de beleidskaart archeologie van de gemeente Enkhuizen in vijf verschillende zones: Archeologisch Waardevol Gebied (AWG1, paars): zeer hoge archeologische waarde - archeologisch aspect meewegen bij alle ingrepen; Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV2, donkeroranje): hoge verwachting – archeologisch aspect meewegen bij ingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 35 cm; Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 (AWV3, lichtoranje): hoge verwachting – archeologisch aspect meewegen bij ingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 35 cm; Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 4 (AWV4, lichtgeel): lage archeologische verwachting – archeologisch aspect meewegen bij ingrepen groter dan 15.000 m² en dieper dan 35 cm. Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5 (AWV5, lichtgrijs): onbekende archeologische verwachting – archeologisch aspect meewegen bij ingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 35 cm. De grootte van het plangebied overschrijdt alle vrijstellingsgrenzen van de beleidskaart, behalve de grens van 10.000 m² aan de zuidzijde.

50

De locatie van het plangebied (zwarte stippellijn) op de beleidskaart archeologie van de gemeente Enkhuizen

Op basis van historisch kaartmateriaal geldt een lage verwachting voor vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd. Op basis van de verkavelingspatronen in het landschap en de vondstmeldingen geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen voor het noordelijk deel van het plangebied. Op basis van de geologische opbouw, de bodemkaart, voorgaand onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied en luchtfoto's geldt een hoge tot middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd. Tijdens en voor de ruilverkaveling zijn verschillende waarnemingen gedaan, die de aanwezigheid van Bronstijdbewoning onderschrijven. Tijdens de waarnemingen zijn ook verschillende mogelijke grafheuvellocaties aangewezen. Eén daarvan ligt in het plangebied, 'Enkhuizen Grootslag VII'. Deze grafheuvel is in 1974 gekarteerd (Archisnummer 3074309100, 15C-VIII-1). De grafheuvel is van zeer hoge archeologische waarde (AMK-terrein 20A-004, monumentnummer 5055) en is daarom buiten de planvorming voor woningbouw gelaten. Op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische verwachting is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven.

Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen te worden opgesteld.

Het uit te voeren archeologisch vervolgonderzoek is met archeologische dubbelbestemmingen in het uitwerkingsplan geborgd. Voor het aanvragen van de omgevingsvergunningen voor de bouw van woningen

51

en andere werkzaamheden in het plangebied zal het benodigde onderzoek uitgevoerd worden.

5.1.3

Conclusie

Het aspect archeologie/cultuurhistorie levert geen belemmering op voor het uitwerkingsplan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Wet- en regelgeving

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en worden bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

5.2.2

Situatie plangebied

Het plangebied is volgens de VNG-systematiek te typeren als een rustige woonwijk. Voor de in de omgeving aanwezige bedrijven zijn de richtafstanden voor gemiddelde bedrijven toegepast. Gelet op de aanwezige bedrijfsactiviteiten is er geen aanleiding om uit te gaan van grotere (of kleinere) richtafstanden. Aan de zuidkant van het plangebied bevindt zich een bed&breakfast. De nu nog bijbehorende bloemenkwekerij zal met de bouw van de nieuwe woningen verdwijnen. Een bed&breakfast valt onder de categorie Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra, met een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde woningen zullen een afstand van minimaal 10 meter tot deze bebouwing aanhouden. Aan de overzijde van De Gouw, ten zuiden van het plangebied, bevindt zich een tweetal bloembollenkwekerijen en een dierenkliniek met een manegehal. De richtafstanden hiervan zijn respectievelijk 30 en 50 meter. De agrarische bedrijven en de dierenkliniek bevinden zich op meer dan 85 meter van de woningen in het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Dit geldt ook wanneer wordt gemeten vanaf de grens van de bestemmingsvlakken. Een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten richting het plangebied is niet aannemelijk en wordt al beperkt door de aanwezigheid van bestaande woningen.

Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich ten westen van het plangebied, op de Haling 3 een agrarisch bedrijf en op Haling 5 een plantenkwekerij. Op de Haling 26E, ten noorden van het plangebied, bevindt zich een bedrijf in bloemen-, sierplanten- en bloembollenteelt. Voor beide bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde nieuwe woningen zijn mogelijk op een afstand van respectievelijk 30 en 60 meter. In de nabijheid van het Weelenpad is de tussenafstand tot de nieuwe woningen minder, namelijk 20 meter. Omdat zich aan de overzijde van het water een talud bevindt, en

52

de randen van deze hoek van het agrarisch perceel dus niet bespoten zullen worden, wordt de afstand voldoende geacht. Vanwege de ligging van gronden met een agrarisch gebruik en de bijbehorende spuitzone ten noorden, zuiden en westen van het plangebied is aan deze zijden rekening gehouden met een afstand van 30 meter tussen deze gronden en de ligging van de nieuwe woningen. Aan de noord- en zuidzijde zorgen de bestaande wegen en waterlopen voor voldoende afstand. Aan de westzijde is deze afstand gecreëerd door de ontsluitingsweg voor Gommerwijk West-west aan deze zijde te leggen.

5.2.3

Conclusie

Uit oogpunt van milieuzonering is ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de bestaande bedrijven door de nieuwe woningen niet belemmerd in het bedrijfsuitoefening. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het uitwerkingsplan niet in de weg.

5.3

Bodem

5.3.1

Wet- en regelgeving

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op voor woningbouw geschikte grond te worden gerealiseerd.

5.3.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd (Historisch vooronderzoek Gommerwijk West-West te Enkhuizen, Grondslag, 27 mei 2020, bijlage 4). Hierin wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de locatie voor zover bekend en zichtbaar aan het maaiveld in het verleden geen puinlagen zijn aangebracht. Uit gegevens van voorgaand bodemonderzoek blijkt dat op de een deel van de onderzoekslocatie (circa 500 m lengte langs de slootkant aan de oostzijde van De Gouw 36E) asbest in de bovengrond voor kan komen. Om vast te stellen of er sprake is van een verontreiniging met asbest dient een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Verder is bekend dat op het adres Haling 17E (ter plaatse van een voormalige brandstoftank) een oliespotje met een licht tot matige verhoging aan minerale olie aanwezig is en dat op het perceel De Gouw 38E in 2010 nog een brandstoftank in gebruik was. Deze locaties grenzen aan onderhavige onderzoekslocatie, derhalve kan niet worden uitgesloten dat er perceeloverschrijdende verontreinigingen aanwezig zijn. Aangrenzend aan, of op de onderzoekslocatie zijn een aantal dammen aanwezig. In het verleden werden deze dammen dikwijls verstevigd met puin en ander materiaal. Om deze reden zijn deze dammen in enige mate verdacht op het voorkomen een bodemverontreiniging (met asbest).

Met het vooronderzoek is vastgesteld dat op de locatie (sloot)dempingen voorkomen van na 1945. De sloten zijn vermoedelijk gedempt met gebiedseigen grond tijdens de ruilverkaveling. Echter kan niet worden uitgesloten dat er sloten zijn gedempt met stort- of andersoortig dempingsmateriaal. Bij de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal zijn de dempingen ook verdacht voor een verontreiniging met asbest.

53

De onderzoeken die uitgevoerd zijn op de onderzoekslocatie zijn allemaal meer dan zeven jaar oud. In overleg met dhr. N. Kegelaar van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord kan het onderzoek dat door Grondslag in 2012 is uitgevoerd nog als bruikbaar worden beschouwd. Toch is het aan te bevelen om de situatie te actualiseren door alleen de bovengrond en de waterbodem opnieuw te onderzoeken en tevens te onderzoeken op OCB’s (bestrijdingsmiddelen). Aangezien de onderzoekslocatie volledig agrarisch in gebruik is, is de bovengrond over de gehele locatie verdacht op het voorkomen van OCB’s. Verder kunnen er op basis van de bodemkwaliteitskaart en voorgaande onderzoeken hooguit lichte verhoogde achtergrondgehalten worden verwacht (op de verdachte deellocaties na).

Ter plaatse van de slootkant ten noorden van De Gouw 38E te Enkhuizen is het nader onderzoek naar asbest uitgevoerd (Nader onderzoek asbest Gommerwijk West-West te Enkhuizen, Grondslag, 22 oktober 2020, bijlage 5). De locatie is onderverdeeld in twee ruimtelijke eenheden, met een gelijke verdenkingsgraad: verdachte bovengrond met bijmenging (RE1 en RE2). Beide eenheden zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van asbest door middel van inspectiegaten. Conform protocol zijn namelijk ter vervanging van een sleuf twee inspectiegaten gegraven. Met het nader onderzoek is het gemiddelde gehalte aan asbest per RE bepaald. Ter plaatse van RE1, is een asbestgehalte aangetoond dat de interventiewaarde niet overschrijdt. Er is enkel asbest aangetroffen in de fijne fractie. Formeel is er geen sprake van een (ernstig) geval van bodemverontreiniging en/of een saneringsnoodzaak. Ter plaatse van RE2 is geen asbest aangetoond.

5.3.3

Conclusie

Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor bouwen zal een verkennend bodemonderzoek voor de te ontwikkelen gronden moeten worden uitgevoerd. Hierbij zal aandacht worden besteed aan de genoemde mogelijkheden van verontreiniging. Indien noodzakelijk wordt nader onderzoek uitgevoerd en worden verontreinigde gronden gesaneerd, waarna de bodem geschikt is voor de nieuwe functie.In het exploitatieplan wordt aangegeven dat als uit nader onderzoek blijkt dat er toch sprake zal zijn van bodemsaneringskosten, dan zullen die kosten in een herziening van het exploitatieplan worden opgenomen. Met de huidige stand van zaken is in de taxatiewaarde van de gronden aangenomen dat deze geschikt zijn voor de nieuwe functie. Mocht uit nader onderzoek blijken dat dit niet het geval is dan heeft dit gevolgen voor de grondwaarde, die dan aangepast zal worden. Op deze manier zijn de kosten van een eventuele sanering gedekt, zodat het aspect bodem de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

5.4

Ecologie

5.4.1

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode

54

waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden, zoals het Natuur Netwerk Nederland (NNN). In de bescherming worden ook de gevolgen van de stikstofdepositie door de geplande ontwikkeling op de beschermde gebieden meegenomen. In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Vergunningen kunnen nu nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied.

Met het programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. In de WNB is daarnaast de bescherming van houtopstanden (bossen, rijenbeplantingen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen) geregeld. Dit is van toepassing als er kap nodig is van een houtopstand die buiten de vastgestelde bebouwde kom houtopstanden ligt en die groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of voor bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer.

Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

5.4.2

Situatie plangebied

In het kader van de uitwerkingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd (Gommerwijk west-west te Enkhuizen, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 15 juli 2019 en Gommerwijk Perceel 10 en 13 te Enkhuizen, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 16 juli 2019 en Actualisatie Gommerwijk west-west te Enkhuizen, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 7 juli 2021). Deze rapporten zijn opgenomen als bijlagen 6, 7 en 8 bij de toelichting van dit uitwerkingsplan.

Resultaten Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ca. 1,5 km van Natura 2000-gebied IJsselmeer en ca. 2,4 km van Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer. Beide gebieden kennen geen stikstofgevoelige habitattypen. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen liggen op een afstand van ongeveer 20 km. Gezien de

55

grote afstand tot Natura 2000-gebied, de afscherming door bebouwing van Enkhuizen en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid en optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstof-depositie zijn vanwege de afstand tot meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de werkzaamheden niet op voorhand uit te sluiten. Een vervolgonderzoek waarbij berekend wordt of er een toename van stikstofemissie is en of deze (significante) gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht.

Ter hoogte van het Weelenpad loopt van west naar oost een NNN verbindingszone door het plangebied. Mogelijk kunnen als gevolg van de plannen negatieve effecten op de verbindingszone plaatsvinden. De effecten van de plannen op deze NNN verbindingszone dienen, zodra de plannen concreet zijn, te worden getoetst. Indien negatieve effecten op ‘wezenlijke kenmerken’ te verwachten zijn, dienen de plannen ter plaatse te worden aangepast. Ten westen van het plangebied ligt NNN gebied ‘De Weelen’ en Streekbos. Deze gebieden vallen niet binnen het plangebied maar wel dient te worden bekeken of het project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen NNN-gebied niet in betekenende mate aantasten. Dit is in een aanvullende notitie beoordeeld (Beoordeling procedure Wnb Gommerswijk West te Enkhuizen, Van der Goes en Groot, 29 november 2021, bijlage 9). Omdat alleen beperkte externe werking aan de orde is zullen vooral abiotische factoren zoals stilte, rust en donkerte getoetst moeten worden. Omdat binnen het ontwerp een groenzone is gepland tussen de wijk en het Streekbos en de geplande woonwijk niet veel geluid produceert, zal ‘stilte’ niet in belangrijke mate worden aangetast.

De ‘rust’ van het NNN-gebied kan worden geborgd door beperkte toegang en bruggen over het water westelijk van de woonwijk in het ontwerp op te nemen. De centrale brug in het huidige plan met extra pad in het Streekbos zal getoetst worden en mogelijk geschrapt moeten worden omdat hiermee het honden uitlaten direct vanuit de wijk mogelijk wordt en tevens huiskatten makkelijk het gebied kunnen inlopen. Tevens zorgt het aanleggen van een wandelpad voor areaalverlies en versnippering. Verstoring van rust door deze brug zou als ‘significant’ kunnen worden beoordeeld. De donkerte van het Streekbos loopt naar verwachting geen gevaar omdat hoog groen (ook belangrijk voor vliegroutes van vleermuizen) en ondergroei voor afscherming zal zorgen en aanvullende maatregelen t.a.v. het lichtplan kunnen worden genomen. Het doorbreken van de verbindingszone met kap van bomen langs het Weelenpad moet voorkomen worden, het zal leiden tot verminderde functionaliteit van de verbindingszone terwijl alternatieven voorhanden zijn (niet doorbreken). Als afgezien wordt van bomenkap en doorbreken van deze verbindingszone, wordt geen belangrijk negatief effect verwacht.

Het doorbreken van de verbindingsroute met alleen een (fiets)pad dat tussen de bomen doorloopt is naar alle waarschijnlijkheid niet een significante aantasting van de functionaliteit van de verbindingszone, temeer daar de verbindingszone in de plannen in het zuiden tevens breder wordt. Bij de verdere uitwerking van de verbindingszone zal aandacht zijn voor voldoende brede (natuurvriendelijke) oevers zoals rietruigtes langs de watergang of een verlandingszone met kruidenrijke moeras vegetatie, beperkte aanwezigheid van obstakels zoals bruggen en mogelijke vliegroutes van de meervleermuis. Met de juiste keuzes ten aanzien van inrichting en locatie van groenzones kunnen eventueel negatieve gevolgen op (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en beschermde gebieden gemitigeerd en gecompenseerd worden. De volgende zaken zijn daarbij van belang: Het aanleggen van een extra ingang naar het Streekbos middels een nieuwe brug vanuit de wijk is mogelijk niet haalbaar gezien bepalingen rond gebiedsbescherming (NNN). De groenzones die gepland zijn in de nieuw te bouwen wijk, moeten zoveel mogelijk aan de randen van het plangebied worden gepland, voorzien worden van zoveel mogelijk inheemse beplanting en 56

tevens worden voorzien van dekking biedende en dichte ondergroei. Er kan worden nagedacht over een faunapassage onder het in het westen gelegen water die niet passeerbaar is voor huiskatten maar die de groenzones in Gommerswijk verbinden met het Streekbos.

Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig. Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Het plan voorziet niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Er zijn in het plangebied daarmee geen bijzondere houtopstanden die beschermd moeten worden.

Stikstof Er is een toetsing uitgevoerd om te zien of de toename van stikstofemissie (significante) gevolgen kan hebben voor de Natura 2000-gebieden in de omgeving (Notitie Stikstofberekening Gommerwijk West – West, Enkhuizen, DNS Planvorming BV, 25 januari 2022, bijlage 10). Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fasen te onderscheiden; de gebruiksfase en de aanlegfase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase met betrekking tot bouwwerkzaamheden. De wet is op 1 juli 2021 in werking getreden. Voor dit project kan de aanlegfase daarom buiten beschouwen gelaten worden. Om die reden is er enkel een stikstofberekening voor de gebruiksfase uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van de gebruiksfase van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. De stikstofdepositie leidt niet tot significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen woningbouwplan en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is voor stikstofdepositie niet noodzakelijk.

Resultaten Soortenbescherming Op grond van de uitgevoerde natuuronderzoeken zijn de volgende conclusies getrokken: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen; Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen 'vrijgestelde' soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan; In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli; Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor

57

deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken; In de bomen naast het plangebied kunnen mogelijk vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd, Sperwer en Ransuil) broeden. Indien tijdens de gevoelige periode (februari – augustus) gewerkt gaat worden kunnen deze soorten worden verstoord. In dat geval moet eerst een nestonderzoek en indien nesten aanwezig zijn een vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten worden uitgevoerd; In het onderzoeksgebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd als ‘andere soort’. Het gaat om de Bunzing, Hermelijn en Wezel. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven; Een deel van het plangebied wordt mogelijk gebruikt als vliegroute door vleermuizen. Daarnaast is mogelijk essentieel foerageergebied in het plangebied aanwezig. Om uit te sluiten er een vliegroute en essentieel foerageergebied in het plangebied aanwezig is dient vervolgonderzoek hiernaar te worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11598840/1