Bijlage bij RA21.0069 - Bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' (RIS.10324)
Tekst van het document
32
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
verdroging. Het verlagen van grondwaterstanden in bestaande bebouwde gebieden kan problemen geven wanneer er sprake is van houten funderingen en funderingen op klei op veen. Zijn die aanwezig dan mogen de gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG) niet verder worden overschreden (niet nog lager worden). Ook de aanwezigheid van oude bomen verdient aandacht. Volwassen bomen kunnen afsterven als de ontwateringsdiepte snel en drastisch wordt veranderd en verder verlaagd wordt dan 1 m minus maaiveld. Oude bomen kunnen hun wortelstelsel niet meer aanpassen aan grote veranderingen in het grondwater. Bij een gewenste grondwatersituatie is er geen sprake van overlast en zijn de volgende ontwateringseisen richtinggevend. Voor verschillende typen grondgebruik gelden bij een halve maatgevende afvoer (een afvoer die 10 a 15 keer per jaar wordt overschreden) de volgende ontwateringsadviezen. Advies ontwateringsdiepte grondgebruik: Woningen met kruipruimte: 0,7 m onder onderkant vloer; woning zonder kruipruimte: 0,3 m onder onderkant vloer; Met deze adviezen zal rekening worden gehouden en afhankelijk van de bouwwijze minimaal de genoemde ontwateringsdiepte worden gehanteerd.
33
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
5.1
Toelichting op de planregels en verbeelding
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Het bestemmingsplan ‘Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45’ dient rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave op de verbeelding wordt aangesloten op de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012" van het ministerie van VROM. 5.2
Toelichting op de verbeelding
Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. Deze ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld. 5.3
Toelichting op de regels
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische en ruimtelijk beleid van de gemeente, de provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen over de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen, waarmee de bouwmogelijkheden worden gereguleerd. Hoofdgebouwen moeten altijd worden gebouwd binnen een daarvoor aangeduid bouwvlak. Uitgangspunt voor de bebouwing is de bestaande voorgevel. Dit betekent dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Waar het wenselijk is om het huidige bebouwingsbeeld in stand te houden zijn tevens aanduidingen opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken of de kapvorm van daken. Flexibiliteit
34
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Af en toe kan het nodig zijn dat afwijking van de gestelde regels gewenst is. Deze flexibiliteitsbepalingen bieden de mogelijkheid om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitsregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. In het bestemmingsplan zijn diverse flexibiliteitsregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro. De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het in werking treden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de bouwvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning. Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein.
Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen. Bij toepassing van een afwijking en/of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven. Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitsbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. Bij toepassing van een ontheffing en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria:
35
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
De bevoegdheid ex. Artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk. Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels; Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3. Algemene regels; Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht:
36
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
5.3.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Artikel 1 : Begrippen De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Artikel 2 : Wijze van meten De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de regels worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Artikel 3 : Wonen – Vrijstaand De te bouwen woning in het plangebied heeft de bestemming Wonen - Vrijstaand gekregen. Binnen de bestemming wordt de mogelijkheid geboden voor de realisatie van één vrijstaande woning, bijbehorende bouwwerken en de daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. Er mag één vrijstaande woning worden gebouwd binnen het bouwvlak. De gezamenlijke oppervlakte van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 250 m2. De voorgevel van de woning dient in de gevellijn te worden opgericht. De bouwhoogte van de woning mag maximaal 9 meter bedragen. De goothoogte van de woning mag maximaal 3,5 meter bedragen. De dakhelling mag niet minder dan 35 graden bedragen. In de bestemming zijn afwijkingen van de bouwregels opgenomen om het bestemmingsplan flexibeler te maken. 5.3.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Artikel 4 : Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de 37
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerder bouwplan. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Artikel 5 : Algemene bouwregels In artikel 5 zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers biedt. Artikel 6 : Algemene afwijkingsregels Afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit wordt meegegeven. Toestemming voor afwijking gebeurt door het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10 %. De omgevingsvergunningen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere bepaling in deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat niet 2 keer omgevingsvergunning kan worden verleend van eenzelfde bepaling of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet cumulatief gebruikt mogen worden.
Artikel 7 : Algemene wijzigingsregels Het bestemmingsplan bevat in een aantal gevallen een mogelijkheid tot het wijzigen van het plan op basis van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6 Wro. De procedure van de wijzigingsbevoegdheid is geregeld in de Wro. 5.3.4
Hoofdstuk 4 Overgangsrecht en slotregel
In hoofdstuk 4 van de regels zijn twee artikelen opgenomen, het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald. Artikel 8 : Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande bouwwerken opgenomen die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling. Artikel 9 : Slotregel In de Slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als "Regels van het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45". 5.4
Handhaving
In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor zowel gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. Het college van de gemeente Emmen heeft het beleidsplan Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH) vastgesteld. Dit beleidsplan VTH beschrijft de visie en ambitie op het terrein van de gemeentelijke VTH-taken, waaronder ook valt het toepassen en naleven van de regels in het bestemmingsplan. Daarnaast geeft het beleidsplan VTH invulling aan de 38
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
wettelijke plicht om vastgesteld VTH-beleid te hebben. Voor wat betreft handhaving kan de gemeente onmogelijk continu alles controleren. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners en bedrijven de regels naleven en zij er alles aan doen om risico’s en nadelige effecten voor de maatschappij te voorkomen. Risico's bepalen de inzet van de beschikbare capaciteit. Op basis van kennis en ervaring is vastgesteld welke bedrijfscategorieën en activiteiten het grootste risico vormen voor fysieke veiligheid, leefbaarheid, volksgezondheid, milieu en imago. Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan en worden ook toegepast bij de naleving van de regels van het bestemmingsplan.
39
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
6.1
Maatschappelijke betrokkenheid
Overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro
Het college heeft het bestemmingsplan ‘Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45’ vrijgegeven voor overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.1.1
Overleg en inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan is op 8 april verzonden naar de overlegpartners; de provincie Drenthe, waterschap Hunze en Aa's en de erkende overlegpartner Plaatselijk Belang Barger-Compascuum, met het verzoek om binnen 8 weken te reageren op het plan. De provincie Drenthe heeft aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot opmerkingen en dat de verdere bestemmingsplanprocedure vervolgd kan worden. De overige overlegpartners hebben niet gereageerd. 6.2
Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 juni 2021 tot en met 3 augustus 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingediend. De ingediende zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
40
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval gedekt op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2018. Voor dit plan zijn (vooralsnog) door de gemeente geen aanvullende kosten voor onderzoek begroot en gemaakt. Tevens is een planschadeverhaalsovereenkomst aangegaan tussen de gemeente en de initiatiefnemers. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is.
41
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
42
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Regels
43
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 1
Artikel 1
1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45, met identificatienummer NL.IMRO.0114.2018039-B501 van de gemeente Emmen; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan huis gebonden kleinschalige beroep- of bedrijfsactiviteiten
een beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten of bedrijfsvoering dat op administratief, lichaamsverzorgend , juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of een daarmee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
achtererfgebied
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw; 1.7
achtererfscheiding
een van de weg afgekeerde zijde van een bouwperceel, met dien verstande, dat wanneer daarvoor volgens het plan meerdere zijden in aanmerking kunnen komen, burgemeester en wethouders bepalen welke zijde als achtererfscheiding dient te worden aangemerkt; 1.8
achtergevel
gevel aan de achterzijde van een (hoofd)gebouw; 1.9
ander(e) bouwwerk(en)
een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.10
andere werk(en)
een werk, geen bouwwerk zijnde;
44
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
1.11
bebouwing
één of meer gebouwen en/ of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.12
bebouwingsgrens
een op de verbeelding aangegeven grens die, door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze voorschriften zijn toegestaan; 1.13
bestaand
bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; 1.14
bestaande bebouwing
bebouwing aanwezig op de eerste dag van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan; 1.15
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.16
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.18
bodemingreep
werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologische) bodemarchief; 1.19
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.20
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.21
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.23
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
45
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
1.24
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde verbonden is; 1.25
dakopbouw
de bovenste bouwlaag van een hoofdgebouw waarbij de oppervlakte maximaal 15% van de basisoppervlak van het hoofdgebouw bedraagt; 1.26
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.27
erker
een (hoek- of rondvormig) uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, waaronder ook een entreeportaal, bouwkundig bestaand uit een "lichte" constructie met een overwegend transparante uitstraling, waarbij het entreeportaal een meer besloten karakter mag hebben; 1.28
garage
overdekte stalling voor een of meer auto's; 1.29
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
gemengde doeleinden
een combinatie van minimaal twee gelijkwaardige functies, zoals in dit bestemmingsplan opgenomen hoofdgroepen van bestemmingen; 1.31
geometrische plaatsbepaling
locatie van een ruimtelijk object, vastgelegd in een ruimtelijk referentiesysteem; 1.32
gevel
een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak; 1.33
gevellijn
de fysieke, danwel doorgetrokken denkbeeldige lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde met het vooraanzicht vanaf de weg, niet mag worden overschreden; 1.34
groenvoorziening
een (openbaar)gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen, sport- en speelveldjes en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn; 1.35
hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
46
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
1.36
onderkomen(s)
voor verblijf geschikte al dan niet aan de bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, caravans en tenten; 1.37
overkapping
een ander bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt met ten hoogste één wand (dak op pootjes); 1.38
overig bouwwerk
een bouwkundige conctructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.39
overstek
bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel; 1.40
perceelsgrens
de lijn, welke de scheiding vormt tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een aangrenzend terrein; 1.41
serre
een (hoek- of rondvormig) uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaand uit een lichte constructie met een overwegend transparante uitstraling; 1.42
straat- en bebouwingsbeeld
de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is; 1.43
voorerf
gedeelte van het erf dat aan de voorkant van het gebouw gelegen is; 1.44
voorerfgebied
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.45
waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers; 1.46
woning aaneengebouwd
een grondgebonden woning die met andere gelijkwaardige huizen onder een kap of in een rij staat; 1.47
woning vrijstaand
een grondgebonden woning waarbij het hoofdgebouw vrij staat van naast gelegen hoofdgebouwen; 1.48
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
47
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
1.49
wooneenheid
zelfstandige bewoonbaar gedeelte van een voor wonen bestemd gebouw; 1.50
zijerf
gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het (hoofd)gebouw gelegen is; 1.51
zijerfscheiding
een scheiding tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een daarop aansluitende bestemming, met dien verstande dat wanneer daarvoor volgens het plan meerdere zijden in aanmerking kunnen komen, burgemeester en wethouders bepalen welke zijde als zijerfscheiding dient te worden aangehouden;
48
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand tot de zij- c.q. achtererfscheiding
de kortste afstand gemeten tussen een bouwwerk en de zij- c.q. achtererfscheiding; 2.2
de bebouwing op de verbeelding
de op de verbeelding aangegeven (kadastrale) bebouwing wordt als illustratief beschouwd; 2.3
bebouwingspercentage
een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
het peil
het peil overeenkomstig de bouwverordening, danwel indien geen peil overeenkomstig de bouwverordening is vast te stellen, de hoogte van het afgewerkte bouwterrein, indien in of op het water wordt gebouwd, dan het Normaal Amsterdams Peil of een ander plaatselijk waterpeil aan te houden;
49
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 2
Artikel 3
3.1
Bestemmingsregels
Wonen - Vrijstaand
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen-Vrijstaand aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. vrijstaande woningen; b. bijbehorende bouwwerken; c. tuin en erven; met bijbehorende: a. andere bouwwerken; b. sport- en speelgelegenheden; c. toegangswegen in- en uitritten; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. per bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan; b. de gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 250 m2; 3.2.2 Hoofdgebouwen a. als hoofdgebouw mag uitsluitend een vrijstaande woning worden gebouwd; b. het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd; c. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht; d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 3 meter te bedragen; e. de bouwhoogte mag maximaal 9 meter bedragen; f. de goothoogte mag maximaal 3,5 meter bedragen; g. de dakhelling mag niet minder dan 35 graden bedragen; 3.2.3 Bijbehorende bouwwerken a. bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden; b. bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet groter is dan het hoofdgebouw; 2. een enkel vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet groter is dan 100 m2; c. bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht dan wel het verlengde daarvan, indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de
50
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
perceelsgrens mag maximaal 3,5 meter bedragen; e. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 6 meter bedragen; f. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen; 3.2.4 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw, mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen; b. de gezamenlijke oppervlakte van andere bouwwerken bedraagt maximaal 50 m2; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 6 meter; d. de bouwhoogte van andere bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 3 meter; 3.3
Nadere eisen
3.3.1 Bevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, wat betreft: a. de woonsituatie; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. cultuurhistorie; d. verkeersveiligheid; e. sociale veiligheid; f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding; g. milieusituatie; h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen. 3.4
Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Bevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. artikel 3.2.3 onder b en toestaan dat een enkel vrijstaand bijbehorend bouwwerk groter is dan 100 m2, waarbij de volgende bepaling geldt: 1. het vrijstaande bijbehorende bouwwerk is qua oppervlakte niet groter dan de oppervlakte van het hoofdgebouw. b. artikel 3.2.3 onder c en toestaan dat bijbehorende bouwwerken vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht; 3.4.2 Beperking a. De toepassing van de in artikel 3.4.1 genoemde afwijking is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de in de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde
51
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend; b. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de afwijking niet verleend. Voorzover voor meerdere activiteiten een afwijking benodigd is en deze in één plan zijn ondergebracht, worden deze in zijn geheel in de beoordeling betrokken. 3.5
Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woning; b. het aanleggen van paardenbakken. 3.5.2 Voorwaardelijke verplichting watercompensatie Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het toegestane gebruik als bedoeld in artikel 3.1, zonder uitvoering te geven aan de realisatie en instandhouding van de noodzakelijke maatregelen in de vorm watercompensatie in of direct aansluitend aan het plangebied door middel van de aanleg van een sloot, greppel of andere watercompenserende voorziening met een opslagcapaciteit van minimaal 20 m3 in of aansluitend aan het plangebied, met dien verstande dat de gehele watercompensatie binnen 1 jaar na de gereedmelding van de te bouwen woning en bijbehorende bouwwerken is gerealiseerd. 3.6
Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Bevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. artikel 3.5 en toestaan dat gronden gebruikt worden ten behoeve van een paardenbak, mits: 1. de paardenbak minimaal 50 m verwijderd is van woningen van derden; 2. de afmeting maximaal 20 x 40 m bedraagt. 3.6.2 Beperking a. De toepassing van de in artikel 3.6.1 onder a genoemde afwijking is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de in de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straaten bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend; b. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de afwijking niet verleend. Voorzover voor meerdere activiteiten een afwijking benodigd is en deze in één plan zijn ondergebracht, worden deze in zijn geheel in de beoordeling betrokken.
52
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 3
Artikel 4
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
53
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Artikel 5
Algemene bouwregels
5.1 Ondergeschikte bouwonderdelen a. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen, gevelversieringen, mee-ontworpen sierende elementen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouwgrens dan wel de maximale bouwhoogte niet meer dan maximaal 1 meter wordt overschreden; b. Vlaggenmasten en antennemasten, voorzover deze direct ten dienste staan van en onderdeel uitmaken van een gebouw, mogen de toegestane maximale bouwhoogte met maximaal 1,5 meter overschrijden; c. Dakopbouwen, noodtrappen, luchtbehandeling- en liftinstallaties mogen niet hoger zijn dan 1,5 meter ten opzichte van de bouwhoogte van een gebouw, en mogen geen groter oppervlakte beslaan dan 15% van de vloeroppervlakte van de bovenste laag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst.
54
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Artikel 6
6.1
Algemene afwijkingsregels
Bevoegdheid
Indien niet op grond van andere bepalingen in deze regels kan worden afgeweken, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels voor: a. het afwijken van de voorgeschreven maten, oppervlaktes, afmetingen, afstanden en percentages met maximaal 10%; b. het binnen de bestemming in geringe mate verschuiven (maximaal 2 meter) van het bouwvlak; c. het toestaan van in geringe mate, doch maximaal 5.00 meter afwijken van een bestemmingsgrens, van het profiel van een straat of de vorm van een plein, alsmede van de vorm van bebouwde oppervlakken (bouwpercelen), voor zover zulks noodzakelijk en/of wenselijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen; d. de regels en het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van e. het toestaan van geringe afwijkingen, welke in het belang van zijn een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in de situering maximaal 3.00 meter bedraagt; f.
het toestaan van in geringe mate, doch maximaal 5.00 meter afwijken van een bestemmingsgrens, van het profiel van een straat of de vorm van een plein, alsmede van de vorm van bebouwde oppervlakken (bouwpercelen), voor zover zulks noodzakelijk en/of wenselijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen; g. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits de afwijking in de situering maximaal 3.00 meter bedraagt; h. het oprichten van niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten behoeve van het openbaar net aangesloten nutsvoorzieningen, telecommunicatieverkeer openbaar vervoer of het wegverkeer, kunstwerken van artistieke aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, met dien verstande dat: 1. de goothoogte van een gebouw maximaal 3.00 meter mag bedragen; 2. de oppervlakte van een gebouw maximaal 50 meter² mag bedragen; 3. de bouwhoogte van een ander bouwwerk maximaal 10.00 meter mag bedragen; i. het overschrijden van de gevellijn door: 1. erkers, balkons, luifels en bordessen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken tot maximaal 1 meter, over de gehele breedte van de voorgevel; 2.
ingangspartijen tot maximaal 2 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 meter² en de bouwhoogte maximaal 3 meter zal bedragen; j. het toestaan van erf- en terreinafscheiding langs de openbare weg met een maximaal bouwhoogte tot 1,5 meter; k. de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten toe te staan in een deel van de woning, waarbij de volgende bepalingen gelden: 1. de verblijfsruimten moeten blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening; 2. de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast; 55
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
l.
6.2
3. de woonfunctie moet in ruimtelijke zin en visuele zin primair blijven; 4. de beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning; 5. maximaal 50m2 mag gebruikt worden voor de aan huis verbonden activiteiten; 6. detailhandel mag niet plaatsvinden behoudens een beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis verbonden beroep/ en bedrijf; 7. er mogen geen reclameborden groter dan 0,5 meter² bij of aan de woning worden geplaatst; 8. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein op het moment dat dit noodzakelijk is vanwege de bestaande parkeerdruk in de omgeving; het laten gebruiken van een deel van de woning voor bed en breakfast, waarbij de volgende bepalingen gelden: 1. de activiteit is uitvoerbaar binnen de bestaande bebouwing; 2. de activiteit is ruimtelijk ondergeschikt ten opzichte van de woonfunctie; 3. parkeren ten behoeve van bed en breakfast moet op eigen terrein Beperking
De toepassing van de in artikel 6.1 genoemde afwijkingen zijn beperkt tot die gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om af te wijken van het bestemmingsplan worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Tevens dient schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder, indien daartoe noodzaak is. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad of bij negatief advies van de leidingbeheerder kan de functiewijziging niet plaatsvinden. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
56
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Artikel 7
7.1
Algemene wijzigingsregels
Bevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. bestemmingsgrenzen mogen met niet meer dan 5 m worden verschoven; b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; c. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad. 7.2
Beperking
De wijziging dient het functioneren van omliggende bestemmingen niet aan te tasten. In de afweging om conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, milieusituatie, archeologie en cultuurhistorie, ecologie, water, verkeer(veiligheid), agrarische belangen, ruimtelijke en landschappelijke inpassing, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad kan de wijziging niet plaatsvinden.
57
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
Artikel 8
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
8.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
58
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Artikel 9
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45.
59
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
60
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Bijlagen bij toelichting
61
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)
Bijlage 1 Ecologische quickscan
62
Ecologische Quickscan Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45
7884 TM, Barger-Compascuüm (DR)
0
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
Ecologische Quickscan Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 7884 TM, Barger-Compascuüm (DR) E.J. Ruiter
1
Alcedo Natuurprojecten heeft dit rapport opgesteld in opdracht van de heer K. Velema. Daarmee is dit rapport eigendom van bovengenoemde opdrachtgever. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldig en/of openbaar gemaakt door middel van druk, microfilm, fotokopie, of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Alcedo Natuurprojecten. Het is ook niet toegestaan dit rapport zonder toestemming te gebruiken voor enig ander werk dan waarvoor dit product is ontwikkeld. Alcedo Natuurprojecten is niet aansprakelijk voor gevolgschade of schade welke voortvloeit uit toepassingen van resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Alcedo Natuurprojecten; opdrachtgever vrijwaart Alcedo Natuurprojecten van aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
Colofon Ecologische Quickscan Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 7884 TM, Barger-Compascuüm (DR)
Auteur:
Evert Ruiter
Opdrachtgever:
K. Velema Verlengde Oosterdiep Westzijde 69 7884 RL te Barger Compascuüm
Contactpersoon:
Marcel Beek, marcel@roobeek-advies.nl
Opdrachtnemer:
Alcedo Natuurprojecten Cornelis Houtmanstraat 10 8023 EA Zwolle
Contactpersoon:
Evert Ruiter, info@alcedo-natuurprojecten.nl
Uitvoer onderzoek:
Evert Ruiter
Projectcode:
2019 - 049
Rapportcode:
2019 - 039
Datum:
8 oktober 2019
Status:
CONCEPT
Te citeren als: Ruiter E.J. 2019. Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm. Alcedo Natuurprojecten rapport 2019-039. In opdracht van: K. Velema
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
2
Inhoud 1.
6. 7. 8. 9.
Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Doel 1.3. Leeswijzer 2. Onderzoeksmethode 2.1. Algemene opzet en werkwijze 2.2. Bronnenonderzoek 2.3. Oriënterend terreinbezoek 2.4. Gebruikte onderzoeksinstrumenten 2.5. Volledigheid van het onderzoek 2.6. Verantwoording 3. Wettelijk kader 3.1. Algemeen 3.2. Doelstelling van de Wnb 3.3. Welke soorten worden beschermd 3.4. Zorgplicht 3.5. De verbodsbepalingen 3.6. Beschermingsregimes 3.7. Natuur Netwerk Nederland 3.8. Natura 2000 4. Beschrijving locatie en ingreep 4.1. Beschrijving locatie 4.2. Beschrijving ingreep 5. Resultaten 5.1. Veldbezoek 5.2. Flora 5.3. Grondgebonden zoogdieren 5.4. Vleermuizen 5.5. Vogels 5.6. Amfibieën, reptielen en vissen 5.7. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden Toetsing aan de Wnb Conclusies en aanbevelingen Bronvermeldingen Fotobijlage
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
`
4 4 4 5 6 6 6 6 6 7 7 8 8 8 8 8 9 10 11 13 15 15 16 17 17 17 17 17 18 18 18 19 21 22 23
3
1. Inleiding 1.1.
Aanleiding en vraag
Aan het Verlengde Oosterdiep te Barger-Compascuüm bevindt zich tussen huisnummers 44 en 45 een perceel dat deels bestaat uit braakliggende grond en deels uit bebouwing in de vorm van enkele schuren. De initiatiefnemer (de heer K. Velema) heeft het voornemen alle bebouwing ter plaatse te verwijderen en er een nieuwe woning te realiseren. In de huidige staat kunnen de bestaande gebouwen huisvesting of foerageergelegenheid bieden aan middels de Wet Natuurbescherming (Wnb) beschermde diersoorten. Onderzoek zal moeten uitwijzen of dit ook daadwerkelijk het geval is. Daartoe is in eerste instantie het uitvoeren van een ecologische quickscan binnen de kaders van de Wnb noodzakelijk. De resultaten van de quickscan zijn bepalend voor eventueel vervolgonderzoek. Op verzoek van de initiatiefnemer en via bemiddeling van RooBeek Advies uit Emmen is daarom een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze ecologische quickscan is uitgevoerd door Alcedo Natuurprojecten uit Zwolle. De resultaten hiervan worden gepresenteerd in deze rapportage en zijn bepalend voor eventueel vervolgonderzoek op basis van het vleermuisprotocol 2017 en/of kennisdocumenten. De ecologische quickscan is uitgevoerd op basis van de vraag: wat is het effect van de voorgenomen ingreep op de aanwezig flora en fauna? 4
1.2.
Doel
Het doel van het onderzoek, de ecologische quickscan, is het controleren en onderzoeken van de locatie op de aanwezigheid van middels de Wnb beschermde diersoorten en het uitbrengen van advies ten aanzien van eventuele vervolgstappen. Het uitgevoerde onderzoek is samen te vatten in zes vragen: 1. Welke beschermde soorten, zoals genoemd in de Wnb zijn op de locatie aanwezig? 2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze beschermde soorten? 3. Worden bij uitvoer van de voorgenomen plannen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden? 4. Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? 5. Is vervolgonderzoek noodzakelijk? 6. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wnb aan te vragen bij de provinciale overheid.
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
1.3.
Leeswijzer
In dit hoofdstuk is beschreven hoe dit onderzoek, het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van soort- en gebiedsbescherming, tot stand is gekomen en werd de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethodiek besproken. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader uiteengezet. In hoofdstuk 4 volgt een algemene beschrijving van de onderzochte locatie en de voorgenomen ingrepen. In hoofdstuk 5 volgt de synthese van de resultaten en wordt een effectentoetsing uitgevoerd op beschermde soorten in het kader van de WNB. In hoofdstuk 6 volgt een effectentoetsing op de gebiedsbescherming Wnb. In hoofdstuk 7 volgen de conclusies en aanbevelingen met eventuele mitigerende maatregelen en wordt de eventuele noodzaak aangegeven tot vervolgonderzoek. Hierna volgen de geraadpleegde bronnen en bijlagen met een foto impressie van de onderzochte locatie.
5
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
2. Onderzoeksmethodiek 2.1.
Algemene opzet en werkwijze
Dit onderzoek betreft een quickscan. Op basis van een grondig onderzoek op locatie is een inschatting is gemaakt van de (potentiële) aanwezigheid van en mogelijke nadelige effecten op beschermde diersoorten. Deze inschatting is gemaakt op basis van parate kennis van soorten en expert judgement. Vervolgens is een inschatting gemaakt van te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. De mogelijk negatieve effecten zijn getoetst aan de Wnb.
2.2.
Bronnenonderzoek
Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn verspreidingsgegevens van internetmedia en diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd (zie geraadpleegde bronnen).
2.3.
Oriënterend terreinbezoek
De locatie is op 12 september 2019 bezocht. Het bezoek vond overdag plaats onder goede weercondities. Tijdens dit bezoek is op basis van de opdrachtgever aangeleverde gegevens zoveel mogelijk concrete informatie te verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten, o.a. via zicht- en gehoorwaarnemingen, sporenonderzoek, nesten, holen, uitwerpselen, enzovoorts. Ook is de wijde omgeving van het plangebied bekeken en een inschatting gemaakt van hoe dieren de locatie en het omliggende terrein kunnen gebruiken als plaats om te foerageren, er langs te trekken, er te rusten of het anderszins te benutten.
2.4.
Gebruikte onderzoeksinstrumenten
Bij dit onderzoek zijn de volgende instrumenten gebruikt: verrekijker; digitale fotocamera; ObsMapp voor het invoeren van waarnemingen.
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
6
2.5.
Volledigheid van het onderzoek
Gedurende het veldonderzoek wordt een inschatting van een gebied gemaakt, maar met een dergelijk veldonderzoek is het nooit zeker dat alle aanwezige soorten ook daadwerkelijk waargenomen (kunnen) worden. Een ervaren veldbioloog kan wel een goede inschatting maken van de kans dat beschermde soorten een plangebied benutten. Dit gebeurt aan de hand van kennis over de ecologie van beschermde soorten en hun habitatvoorkeur en aan de hand van uitgebreide gebiedskennis van de onderzoeker. Op basis van het veldbezoek, bronnenonderzoek en eventueel overleg met de eigenaar kan men er van uitgaan dat er een goede inschatting is gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten.
2.6.
Verantwoording
Het veldwerk, de dataverwerking en rapportage is uitgevoerd/geschreven door Evert Ruiter van Alcedo Natuurprojecten uit Zwolle. Vanuit de opdrachtgever werd het project begeleid door Marcel Beek van RooBeek Advies uit Emmen. Alle in het rapport gebruikte foto’s zijn gemaakt door Evert Ruiter, tenzij anders vermeld.
7
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
3. Wettelijk kader 3.1. Algemeen De bescherming van planten- en diersoorten is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming (verder te noemen Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt ruim 900 soorten in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. 3.2. Doelstelling van de Wnb
het beschermen en ontwikkelen van de natuur; het behouden en herstellen van biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen.
De Wet natuurbescherming benoemt niet welke concrete activiteiten wel of niet zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van uw activiteiten op beschermde soorten. Heel vaak gaan activiteiten en werkzaamheden en de bescherming van soorten prima samen. Als u uw werk zo kunt inrichten dat u geen schade toebrengt aan beschermde soorten, dan hoeft u vooraf niets te regelen. Soms is het echter onvermijdelijk dat schade ontstaat aan beschermde dieren of planten. In die situaties is het nodig dat u vooraf bekijkt of hiervoor een vrijstelling geldt, of dat een ontheffing moet worden aangevraagd (‘nee-tenzij’-beginsel). 3.3. Welke soorten worden beschermd? De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten:
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn; Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; Andere soorten waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
8
3.4. Zorgplicht In de Wnb is ook een zorgplicht vastgelegd. Deze plicht geldt te allen tijde en houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze plicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.
9
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
3.5. De verbodsbepalingen
Beschermingsregimes Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Andere soorten § 3.3 Wnb
Artikel 3.1 lid 1
Artikel 3.5 lid 1
Artikel 3.10 lid 12
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Artikel 3.1 lid 2
Artikel 3.5 lid 4
Artikel 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Artikel 3.1 lid 3
Artikel 3.5 lid 3
Niet van toepassing
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
10
Artikel 3.1 lid 4 en lid 5
Artikel 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is verboden om dieren opzettelijk te verstoren.
Niet van toepassing
Artikel 3.5 lid 5
Artikel 3.10 lid 1c
Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel 1. Overzicht bepalingen
Ecologische Quickscan Barger-Compascuüm
Niet van toepassing
3.6. Beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn en een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn (beschermd). Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten (flora, fauna en avifauna) beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: • Er mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. • Er moet tegenover een afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. • De ingreep mag geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. 3.7.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland, oftewel NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS), is een netwerk van natuurgebieden waarin de natuur (planten en dieren) voorrang heeft en derhalve wordt beschermd. Daarmee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen en dieren en planten uitsterven en dat de natuurgebieden zo hun waarde verliezen. De NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur en het is derhalve van belang dit netwerk te bespreken in het kader van natuurbescherming. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Sinds 1990 zijn de provincies en het Rijk druk doende met de aanleg van verbindingszones tussen verschillende natuurgebieden om zo een duurzaam, samenhangend netwerk van gebieden te creëren. De NNN heeft als doel van bestaande en nieuwe natuur een goed werkend netwerk te maken. Het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN is hierbij het uitgangspunt. Net als bij de Wnb geldt hier het ‘nee-tenzij’-beginsel. Dit is 1 oktober 2012 vastgelegd in het Besluit Algemene Regelingen Ruimtelijke Ordening (BARRO).