CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij RA21.0069 - Bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' (RIS.10324)

Commissie Wonen en Ruimte 11 oktober 2021, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' + bijlagen RIS.10323, RIS.10324 en RIS.1032522.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding

4

Hoofdstuk 2 Beleid

6

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

12

Hoofdstuk 4 Onderzoeken

13

Hoofdstuk 5 Toelichting op de planregels en verbeelding

34

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke betrokkenheid

40

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

41

Regels

43

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

44 44 49

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen - Vrijstaand

50 50

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

53 53 54 55 57

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 8 Overgangsrecht Artikel 9 Slotregel Bijlagen bij toelichting

58 58 59 61

Bijlage 1

Ecologische quickscan

62

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

89

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

141

Bijlage 4

Watertoets

164

Bijlage 5

Vooroverlegreactie provincie

174

Bijlage 6

Besluit hogere grenswaarde

176

2

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Toelichting

3

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

Verzocht is medewerking te verlenen aan de realisatie van een woningbouwkavel aan het Verlengde Oosterdiep WZ te Barger-Compascuum. Het betreft een kavel aan het Verlengde Oosterdiep WZ tussen de nummers 44 en 45. De locatie is momenteel in gebruik als weidegrond en er staat voor circa 150 m2 aan diverse gebouwtjes op het perceel. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' is de kavel bestemd als 'Agrarisch met waarden – grootschalige Veenontginningen’. Met het wijzigen van deze bestemming naar 'Wonen Vrijstaand' wordt de realisatie van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt binnen het plangebied. 1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan het Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 te Barger-Compascuum. Aan de zuidkant en oostkant bevindt zich het dorp Barger-Compascuum. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' met identificatienummer NL.IMRO.0114.2018039-B501 ligt op het perceel kadastraal bekend als gemeente Emmen, sectie AD, nummer 190.

1.3

Huidige planologische regelingen

Het voorliggende bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011’, vastgesteld op 30 oktober 2014 met identificatienummer NL.IMRO.0114.2009072-0710.

4

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Bij het van kracht worden van het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45' verliest het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' voor zover het valt binnen het plangebied zijn rechtskracht en wordt vervangen door het bestemmingsplan 'Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45'. 1.4

Opzet bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding worden de percelen in het gebied aangegeven met een bestemming dan wel een aanduiding. In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het plangebied geregeld. Tot slot wordt in de toelichting een verantwoording gegeven van de in het plan gemaakte keuzes. 1.5

Overzicht verricht onderzoek

Ten behoeve van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan zijn diverse onderzoeken verricht en adviezen gegeven. Daarnaast is er informatie gebruikt uit onderzoeken en adviezen die in een ander kader zijn uitgevoerd. De conclusies uit de verschillende onderzoeken en adviezen zijn verwerkt in de toelichting. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan zijn de volgende onderzoeken verricht: Ecologische quickscan, opgenomen als bijlage 1; Verkennend bodemonderzoek, opgenomen als bijlage 2; Akoestisch onderzoek, opgenomen als bijlage 3; Watertoets, opgenomen als bijlage 4.

5

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Gemeentelijk beleid

2.1.1

Structuurvisie gemeente Emmen 2020, veelzijdigheid troef

Structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, is 24 september 2009 vastgesteld door de raad. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. Voor ieder thema is een hoofdkoers bepaald. Voor het bestemmingsplan Barger Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 is vooral het thema Wonen van belang. Over woningbouw in het lint tussen Barger Compascuum staat bijvoorbeeld het volgende genoemd in de structuurvisie.

De bouw van de woning in dit lint past binnen de kaders van de structuurvisie. 2.1.2

Woonvisie 2018 - 2023 (snoeien doet bloeien)

De Woonvisie 2018-2023 richt zich op een nieuwbouwopgave passend bij de kwalitatieve behoefte en aanvullend op de bestaande voorraad. Daarbij moet de bestaande woningvoorraad beter benut worden. In de Woonvisie is een strategie opgenomen voor woningbouw: 1. Woningbouwinitiatieven worden niet individueel, maar in samenhang bekeken. 2. Prioriteit wordt gegeven aan plannen voor herstructurering en transformatie. 3. Bij het maken van de woon- en leefbaarheidsvisies voor dorpen en wijken komen plekken naar voren waar inbreiding (verdichting) mogelijk en gewenst is. 4. Bestaande uitbreidingslocaties worden afgerond. 5. Woningbouwplannen dragen bij aan een gevarieerd woonmilieu (ruimte bieden aan plannen die een nichemarkt bedienen en aan kleinschalige experimentele, innovatieve en duurzame woonvormen). 6. Woningbouwplannen dragen bij aan ruimtelijke kwaliteit. De Woonvisie geeft voor het deelgebied De Blokken (waar Barger-Compascuum binnen valt) tussen 2016 en 2021 een netto groei met 55-105 woningen op de woningvoorraad. Vanuit het woonbeleid wordt het bouwen in de linten begrensd. Tussen 2018 en 2028 is er ruimte voor de bouw van maximaal 50 woningen. In de beleidsnotitie Bouwen in de linten staat beschreven waar gebouwd mag worden. 2.1.3

Bouwen in de Linten

De gemeenteraad heeft op 14 december 2017 de beleidsnotitie "Bouwen in de Linten" vastgesteld. De beleidsnotitie geeft het onderzoek weer naar de ruimtelijke kaders en criteria die bij de beoordeling van verzoeken tot incidentele woningbouw in de linten moeten worden gehanteerd. In de beleidsnotitie is een balans gezocht tussen het incidenteel toevoegen van woningen enerzijds en het behoud van de waarde en karakteristiek van het landschap anderzijds. Het doel van de beleidsnotitie "Bouwen in de Linten" is het verkrijgen van een helder ruimtelijk kader voor het toetsen van nieuwe aanvragen voor het bouwen van woningen binnen

6

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

lintbebouwingen in de gemeente Emmen. In de beleidsnotitie zijn ruimtelijke criteria verwoord. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van de linten dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de kernen, en anderzijds het belang van het landschap. In de eerste plaats is bepaald wat de begrenzingen van de kernen zijn en wat de linten binnen en buiten de kernen zijn. Als vervolgstap is voor de linten buiten de kernen bepaald welke delen onlosmakelijk met het landschap zijn verbonden en welke delen met de kern zijn verbonden. De linten kunnen worden onderverdeeld in "landschapsgerelateerde linten", "dorpsgerelateerde linten" en in "lint binnen kern". De locatie Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 te Barger-Compascuum is gelegen in een lint aangeduid als ‘dorpsgerelateerd lint’.

De linten zijn door de jaren verdicht geraakt, waardoor de fysieke ruimte voor het toevoegen van woningen beperkt is. Opvulling van de nog aanwezige open plekken heeft geen negatieve ruimtelijke gevolgen op de omgeving. Deze plekken komen dan ook in aanmerking voor bebouwing. Bij toevoegingen dient te worden aangesloten bij de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Onder andere dient afstemming te worden gezocht bij aspecten als de kavelbreedte, de voorgevelrooilijn en bebouwingskenmerken ten aanzien van nokrichting, bebouwingsmassa en hoogten.

7

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

2.1.4

Welstandsbeleid

Bouwwerken moeten voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Een welstandscommissie beoordeelt bouwplannen aan de vooraf vastgestelde welstandscriteria opgenomen in de Welstandsnota. Op 30 juni 2016 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota vastgesteld. In deze nota wordt vooraf bepaald wat de redelijke eisen van welstand zijn. Dit betekent dat gekeken wordt of een bouwplan qua uitstraling wel past bij de omgeving. Het bestemmingsplan en de Welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsbeleid heeft zo min mogelijk regels. Voor de meeste gebieden, ook voor dit gedeelte van Barger-Compascuum waar het plangebied gelegen is, geldt het welstandsniveau 'welstandsluw'. 2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie Drenthe 2018

In oktober 2018 is de Omgevingsvisie Drenthe 2018 vastgesteld. De Omgevingsvisie Drenthe is een strategisch plan: het geeft de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing weer voor de provincie Drenthe. Het geeft het wenselijke beeld van hoe de provincie er in 2030 uit moet zien. In de Omgevingsvisie zijn vier wettelijk voorgeschreven provinciale planvormen samengenomen, te weten: De provinciale structuurvisie op grond van de Wro; Het provinciaal milieubeleidsplan op grond van de Wet milieubeheer (Wm); Het regionaal waterplan op grond van de waterwetgeving; Het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan op grond van de Planwet verkeer en vervoer. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe voor de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode erna.

De missie van de omgevingsvisie is de volgende:

De kernkwaliteiten zijn: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid; naoberschap; menselijke maat; veiligheid; kleinschaligheid (Drentse schaal). De provincie wil ontwikkelingen stimuleren die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze kwaliteit zit voor de provincie in het zorgvuldig gebruikmaken van de ruimte, het behouden en waar mogelijk versterken van de kernkwaliteiten en het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving. Hieronder volgen de delen uit de Omgevingsvisie die relevant zijn voor het voorliggende ruimtelijk initiatief.

Omgevingsbeeld

8

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

De verschillen in bevolkingsontwikkeling tussen de stedelijke gebieden en ook in het landelijk gebied worden groter. Op basis van de huidige prognoses blijft de bevolking van Assen stabiel en profiteert de noordzijde van Drenthe van de groei van Groningen. De zuidelijke as laat in de prognoses een sterk verloop zien, van groei in de gemeente Meppel tot het doorzetten van de krimp in de gemeente Emmen die in 2014 is ingezet. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkst is. Lokaal laten, ook in Oost-Drenthe, sterke dorpen nog steeds bescheiden groeicijfers zien. Op de woningmarkt worden de verschillen tussen stad en platteland, zand en veen en gebieden met wel of geen krimp groter. Vraag en aanbod passen niet altijd goed meer bij elkaar, wat leidt tot een vraag naar nieuwe woningen. Dit terwijl een deel van de bestaande woningvoorraad leeg blijft staan of in kwaliteit afneemt en huishoudens niet kunnen doorstromen naar passende woningen. De woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2030 te maken met een daling van circa 1.100 huishoudens. Daarnaast bestaat er onder de huidige huishoudens, ongeveer 2500, een vraag naar nieuwe woningen. Hoewel het aantal huishoudens afneemt, blijven mensen in nieuwe woningen willen wonen (vervangingsvraag).

Op lange termijn (2040) verwachten we een geschatte daling van 5.000 huishoudens. De geschatte vervangingsvraag in 2040 bedraagt ook ongeveer 5.000 woningen. Geografisch gezien speelt deze opgave met name in Zuidoost-Drenthe en in gebieden waar bevolkingsdaling speelt. Daarnaast daalt de woningvoorraad naar verwachting licht in kleine kernen, met name in de veenkoloniale lintdorpen, vergrijzende zanddorpen en in de oudere buitenwijken, doordat de vervangingsvraag wordt gerealiseerd in de grotere kernen en rondom de bestaande voorzieningen. Deze gebieden worden daarmee intensiever bebouwd, met herbestemming van bedrijfs- en winkelpanden en/of gestapelde woningbouw.

De provincie wil zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. Grootschalige bouwplannen en uitbreidingen in het landelijk gebied, los van bestaande bebouwingslocaties, zijn niet vanzelfsprekend. De provincie vindt dat gemeenten bij nieuwbouwplannen een werkwijze moeten hanteren die leidt tot zorgvuldig ruimtegebruik en verwijst naar de Ladder voor Duurzame verstedelijking zoals opgenomen in art. 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening. Voorliggend plan betreft de bouw van een woning in een bestaand bebouwingslint tegen het bestaand stedelijk gebied aan. Het verzoek voldoet aan het provinciaal beleid. Het plan is ook niet ladderplichtig omdat er geen sprake is van een situatie waarbij 12 woningen of meer gerealiseerd worden. 2.2.2

Provinciale omgevingsverordening

In de verordening in artikel 2.17 staat het volgende genoemd ten aanzien van woningbouw. Artikel 2.17 Woningbouw 1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio’s; b. benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid, kernenstructuur; c. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; d. geeft aan op welk wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd; e. geeft een lange termijn beeld. Het betreft hier een project dat valt onder hetgeen is gesteld in 2.17, een woning buiten het 9

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

bestaand bebouwd gebied maar wel passend binnen de kaders van de Woonvisie 2018 2023 en de beleidsnotie ‘Bouwen in de Linten’ van de gemeente Emmen. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan het provinciaal beleid ten aanzien van het ‘wonen’. 2.2.3

Kernkwaliteiten

Tevens is er nog beoordeeld of er sprake is van provinciale kernkwaliteiten waarmee rekening gehouden dient te worden. In totaliteit kent de provincie 6 kernkwaliteiten, te weten aardkundige waarden, rust, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Vanuit een beoordeling aan de kernkwaliteitenkaart van de provincie Drenthe blijkt dat voor dit bestemmingsplan alleen de kernkwaliteit landschap van belang is, de ‘waarden’ van de overige kernkwaliteiten zijn dermate laag dat die geen directe doorwerking hebben naar het plan toe. Landschap Er is sprake van een kernkwaliteit Landschap, te weten ‘Veenkoloniën’. Op onderstaande kaart is dat zichtbaar gemaakt.

Van provinciaal belang is de samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Met de bouw van een woning op deze plek wordt geen afbreuk gedaan aan de kenmerkende wijkenstructuur. Tevens zal het perceel de vorm hebben van een opgaand perceel. De kernkwaliteit is dan ook niet in het geding. 2.3

Rijksbeleid

2.3.1

Ruimtelijk - Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 van kracht geworden. Onderdeel van deze structuurvisie is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met de structuurvisie kiest het rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor Emmen zijn in de SVIR geen onderwerpen opgenomen die aangemerkt worden als nationaal belang. In de Barro zijn alleen de zaken betreffende defensie en kernkwaliteiten van toepassing. Echter deze zaken hebben geen directe invloed op de inrichting van het plangebied.

10

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

2.3.2

Ladder duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio’s. De Ladder is onder andere van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied 4.

Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied Momenteel is in jurisprudentie de lijn aanwezig dat een woningbouwproject vanaf 12 woningen wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van de bouw van maximaal 1 woning en is daarmee niet Ladderplichtig. 2.4

Conclusie

De conclusie van de in dit bestemmingsplan ‘Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45’ beschreven beleidsuitgangspunten is dat het rijksbeleid niet direct doorwerkt in het plangebied. Hierdoor is het bestemmingsplan niet in strijd met het rijksbeleid. Het rijksbeleid werkt indirect door via het provinciaal beleid. Het provinciaal beleid vormt weer de input voor het gemeentelijk beleid. Voor het voorliggende bestemmingsplan kan eveneens geconcludeerd worden dat het plan passend is in het provinciale beleid. Wat betreft het gemeentelijk beleid kan geconcludeerd worden dat hieraan wordt voldaan.

11

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

Verzocht is medewerking te verlenen aan de realisatie van een woningbouwkavel aan het Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 te Barger-Compascuum. De locatie is momenteel als weidegrond in gebruik en er staan enkele verouderde gebouwen met een totale oppervlakte van ongeveer 150 m2. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het bouwen van één vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken. De woning wordt centraal gesitueerd op het perceel. De woonkavel heeft een breedte van circa 18 meter. Hiermee wordt aangesloten op de bestaande verkavelingsstructuur voor woningen aan het Verlengde Oosterdiep WZ. De voorgevellijn van de woning komt gelijk te liggen met de voorgevellijn van de woningen Verlengde Oosterdiep WZ 44 en 45.

Vanuit de gemeente Emmen zijn verder nog de volgende ruimtelijke uitgangspunten aangereikt aan de initiatiefnemer: Bebouwd oppervlakte woning met bijbehorende bouwwerken is maximaal 250 m2, waarbij bijbehorende bouwwerken ondergeschikt zijn aan de woning; Bouwhoogte woning maximaal 9,0 meter; Goothoogte woning maximaal 3,5 meter; Dakhelling woning minimaal 350; Voorgevel nieuwe woning in de gevellijn van de naastgelegen woningen; Afstand woning tot perceelsgrenzen minimaal 3,0 meter; Bouwvlak waarbinnen woning moet worden opgericht is gemeten vanaf de gevellijn 40 meter diep. Aangezien er in de bestaande toestand op het perceel al voor bijna 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig is zal een deel van deze bijgebouwen gesloopt gaan worden om zodoende uit te komen op maximaal 250 m2 aan bebouwing op het perceel.

12

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Hoofdstuk 4

Onderzoeken

4.1

Archeologie en monumenten

4.1.1

Algemeen

De gemeente Emmen heeft archeologiebeleid vastgesteld, d.d. 30 mei 2013. Hiervoor is een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt met daarbij een rapport, dit rapport dient als toelichting op de kaart. Het doel van deze documenten is om aan te geven wat de kern vormt van het archeologiebeleid en waar de beleidskeuzes zijn gemaakt. De verschillende archeologische waarden en verwachtingen en de maatregelen die daaraan zijn gekoppeld zijn in de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar diverse categorieën "Waarde - Archeologie" in het bestemmingsplan. Met de vertaling is op eenvoudige wijze voor het gehele gebied van de gemeente Emmen in beeld gebracht of archeologische waarden in het geding zijn of kunnen zijn en zo ja, op welke manier daarmee dient te worden omgegaan. Onderstaande tabel geeft de onderverdeling van de vier gemaakte categorieën weer.

Deze beleidskeuzes zijn vertaald in dubbelbestemmingen. Per archeologische kwaliteit zijn planregels opgenomen voor de te bebouwen oppervlakte en een omgevingsvergunningsstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De maatvoering voor afwijking is afhankelijk van de te verwachten waarden of verwachtingen en de uitkomsten van archeologisch onderzoek. 4.1.2

Archeologische waarden in het plangebied

Het plangebied Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 is volgens de beleidskaart gelegen in een gebied met ‘lage verwachting’. Gebieden met lage archeologische waarde/verwachting zijn gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen klein wordt geacht. Dit kan zijn vanwege de bodemkundige opbouw, een lage dichtheid van archeologische resten/sporen of vanwege bodemverstorende activiteiten naderhand zoals ontginningen. Het betreft met name de ontgonnen veengebieden die in het verleden laag waren gelegen en een hoge grondwaterstand kenden. Er is hier geen sprake van concreet aanwijsbare vindplaatsen en de kans op het aantreffen van sporen en vondsten is klein. Deze gebieden zijn vrijgesteld voor archeologisch onderzoek.

13

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.1.3

Archeologische monumenten

Binnen het plangebied liggen geen (beschermde) archeologische monumenten. 4.1.4

Cultuurhistorie

4.1.4.1 Monumenten Beschermde monumenten worden gekenmerkt door een samenhangend en gaaf geheel van architectonische stijlkenmerken. Een monument kan representatief zijn voor een bepaalde bouwstijl, maar kan ook een rijke bouwgeschiedenis hebben met verwijzingen naar verschillende bouwstijlen. Voor zover de bouwgeschiedenis niet duidelijk afleesbaar is, kan zij door bouwhistorisch onderzoek aan het licht komen. Monumenten worden in hoge mate gewaardeerd om hun architectuurhistorische kwaliteit, waardoor zij belangrijk bijdragen aan de kwaliteit en de identiteit van hun omgeving. Een bouwplan voor een monument wordt getoetst aan het monumentenbeleid. Richtinggevend is hiervoor de redengevende omschrijving van het monument. Naast de toetsing aan het monumentenbeleid dat gericht is op het behouden van de historische kenmerken van het monument wordt het bouwplan voor wat betreft de welstandsaspecten getoetst aan de onderstaande criteria: toevoegingen aan, op of bij monumenten worden op herkenbare wijze vormgegeven. Hierbij vormen de historische stijlkenmerken van het monument de inspiratiebron; er is aandacht voor zorgvuldige detaillering en materiaalkeuze. Het plangebied kent geen monumenten.

14

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.1.5

Conclusie

Vanuit archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het gewenste woningbouwplan. Wel blijft de meldingsplicht conform artikel 53 van de Monumentenwet van kracht. Dit houdt in dat mochten er tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden gevonden, de initiatiefnemer dit onmiddellijk dient te melden bij de gemeentelijke archeoloog. 4.2

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening. Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten.

Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplantingof rustplaatsen van dieren, danwel ontworteling of vernieling van plantensoorten; er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Houtopstanden In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de, door de gemeenteraad

15

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

vastgestelde, bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Bomenverordening gemeente Emmen 2011. In het bijbehorende bomenregister zijn de monumentale en waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden vastgelegd. Zonder ontheffing is het verboden deze te kappen. 4.2.1

Natuurwaarden in het terrein

4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Natura 2000 (N2000) De onderzochte locatie ligt niet binnen het NNN of Natura 2000. De dichtstbijzijnde grens van NNN ligt echter op minder dan 3 kilometer afstand van de onderzocht locatie. De dichtstbijzijnde grens van Natura 2000 gebied ligt op meer dan 3 kilometer afstand van de onderzochte locatie. De voorgenomen werkzaamheden zijn echter van dien aard dat het uitgesloten is de kernwaarden van het NNN en N2000 zullen worden aangetast. 4.2.1.2 Soortenbescherming Het deel van het plangebied waar de woning gaat worden gebouwd is momenteel nog voorzien van enkele verouderde gebouwtjes. Op voorhand kan niet uitgesloten worden dat er zich geen belangrijke ecologische waarden bevinden. Er is daarom onderzoek nodig naar de eventuele aanwezige waarden op het gebied van flora- en fauna. Hierna volgt een foto van de huidige staat van het plangebied.

16

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Door onderzoeksbureau Alcedo Natuurprojecten is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoeksrapport daarvan is als bijlage 1 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Hierna volgt een weergave van het resultaat van het onderzoek gevolgd door het advies van het ecologisch onderzoeksbureau. Op basis van deze Quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Op de onderzochte locatie is het voorkomen van middels de Wnb beschermde plant- of diersoorten niet aangetoond; Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te laten voeren volgens vleermuisprotocol; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren volgens kennisdocumenten huismus en kerkuil. Omdat is gebleken dat de onderzochte locatie nogal soortenarm is, wordt geadviseerd om de nieuwbouw en de nieuwe in te richten locatie op een zogeheten natuurinclusieve wijze in te richten. Dit kan door middel van gebruikmaking van ingebouwde huismussenkasten, ingebouwde vleermuiskasten en het gebruikmaken van inheems streekeigen plantgoed. Met

17

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

deze adviezen zal bij de verdere uitwerking van het bouwplan rekening worden gehouden. 4.3

Fysieke veiligheid

De Rijksoverheid stelt risiconormen op het gebied van veiligheid aan inrichtingen, ter bescherming van de omgeving. Naast de wet- en regelgeving mogen gemeenten invulling geven aan een eigen veiligheidsvisie. In de Beleidsnota externe veiligheid gemeente Emmen (april 2013) geeft de gemeente Emmen invulling aan deze beleidsruimte. In de gemeentelijke beleidsnota Externe Veiligheid zijn de ruimtelijke uitgangspunten van de structuurvisie verder uitgewerkt. In de Beleidsnota externe veiligheid heeft de gemeente Emmen gekozen voor een gebiedsgerichte benadering voor de vestiging van risicovolle activiteiten. Tevens is in het beleid een afwegingskader bij concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten om de kwetsbaarheid van een object of activiteit die niet rechtstreeks onder de begripsbepaling van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt bepaald te beoordelen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met deze nota externe veiligheid. 4.3.1

Externe veiligheid

4.3.1.1 Bevi-inrichtingen binnen het plangebied Het plangebied is geïnventariseerd op de zogenoemde Bevi-bedrijven (vergunde situatie en feitelijke situatie). Hieruit blijkt dat in het plangebied geen Bevi-bedrijven gelegen zijn. Ook is het realiseren van nieuwe bevi-inrichtingen binnen het plangebied niet toegestaan. Op de kaart hierna is dit visueel verduidelijkt. Het plangebied bevindt zich bij de blauwe ster.

4.3.1.2 Bevi-inrichtingen buiten het plangebied Nabij het plangebied bevinden zich geen Bevi-bedrijven die invloed hebben op de planlocatie.

18

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.3.1.3 Buisleidingen, route gevaarlijke stoffen en hoogspanningsleidingen Er bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen, geen hoogspanningsleidingen en ook geen transportroutes van gevaarlijke stoffen. 4.3.2

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen met een risicocontour waartoe een nadere verantwoording van het plaatsgebonden dan wel groepsrisico dient plaats te vinden. Een nader onderzoek of berekening naar het groepsrisico is dan ook niet nodig. 4.4

Milieu

In deze paragraaf worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Aangegeven wordt wat de beperkingen en mogelijkheden in het plangebied zijn, bezien vanuit verschillende milieudisciplines. 4.4.1

Vormvrije M.E.R.-beoordeling

In voorliggend bestemmingsplan "Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45" komen geen activiteiten voor die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r., bijlage D, onder artikel 11 (Woningbouw, Stedelijke ontwikkeling, Industrieterreinen) staat onder artikel 11.3 genoemd dat een m.e.r-beoordeling moet plaatsvinden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw, stedelijke ontwikkeling of industrieterrein indien het oppervlakte groter is dan 100 hectare of meer als 2000 woningen omvat. Qua aard, omvang en ligging is voorliggend ruimtelijk plan niet gelijk te stellen aan de betreffende en omschreven activiteit zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., immers hier is sprake van de bouw van maximaal 1 woning. Echter, op 1 juli 2017 heeft een wijziging in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r.. is nu het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. In bijlage III van de EU-richtlijn m.e.r staan de criteria genoemd waarnaar moet worden gekeken bij de beoordeling. Het algemene uitgangspunt bij een dergelijke beoordeling is dat er geen MER hoeft worden opgesteld, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: 1. de kenmerken van het project;

19

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. In de volgende tabel is opgesomd of er sprake is van significante nadelige invloed op het milieu als gevolg van de bouw van de woning.

Op basis van de uitkomsten in dit hoofdstuk 4 – Omgevingsfactoren – is inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan kan worden afgezien van het verrichten van een verdergaande (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling. 4.4.2

Bedrijven- en milieuzonering

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt vergt het inpassen van nieuwe functies in het plangebied een goede afstemming met de andere, in de omgeving aanwezige functies. Binnen het plangebied is sprake van een nieuw te realiseren woning. Van belang is na te gaan welke functies/bedrijven zich in de nabijheid van het plangebied bevinden en welk omgevingstype er is. Daartoe onderstaande weergave van de verbeelding.

20

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

In de directe omgeving zijn geen bedrijven gelegen die door de realisatie van een woning in de bedrijfsexploitatie zouden kunnen worden beperkt. Het agrarische bedrijf ten noorden van het plangebied (een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveebedrijf) wordt qua bedrijfsvoering eerder gehinderd door de tussen het plangebied en het agrarisch bedrijf gelegen woning, aangezien die dichterbij het agrarische bouwvlak is gelegen. Voor een dergelijk agrarisch bedrijf geldt op basis van de Geurverordening Emmen vanwege de ligging in het buitengebied dat de afstand tussen een dierenverblijf van een bestaande melkveehouderij van zeer beperkte omvang en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom tenminste 25 meter dient te bedragen. Op onderstaande figuur is deze afstand van 25 meter zichtbaar gemaakt. Hoewel hier nu geen dieren in staan (is de werktuigenberging) kan er planologisch gezien wel vee komen te staan. Er wordt (ruimschoots) voldaan aan de afstandseis.

21

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Er is geen milieuhinder te verwachten. 4.4.3

Bodem

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 5 maart 2013 de Beleidsregel Bodemkwaliteit vastgesteld. Om de kwaliteit te waarborgen, moet grondverzet worden gemeld bij het landelijk meldpunt. Om het verplaatsen van grond te vereenvoudigen, heeft de gemeente Emmen een aantal kaarten ontwikkeld. Deze bodemkwaliteitskaarten zijn als bijlage in de Nota Bodembeheer opgenomen. Aan de hand van deze kaarten is het mogelijk om zonder voorgaand onderzoek grond te ontgraven en toe te passen. Partijen grond en baggerspecie die niet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart en de Nota Bodembeheer van de gemeente Emmen mogen alleen worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is het werk niet ‘nuttig’, dan is er sprake van het zich ontdoen van ‘nuttig’ gebruik. Tijdelijke uitname zijn werkzaamheden waarbij de grond na korte tijd weer teruggebracht wordt. Een voorbeeld is het graven van een sleuf voor kabels en leidingen. In dat geval hoeft de kwaliteit van de te ontgraven bodem niet onderzocht te worden, tenzij er sprake is van (een verdenking van) bodemverontreiniging.

22

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.4.3.1 Bodemonderzoek Aangezien op de locatie Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 te Barger-Compascuum sprake is van de bouw van een woning, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (kunnen) verblijven is onderzoek naar bodem noodzakelijk. Op basis van het bodemloket zijn er geen recente gegevens beschikbaar voor het plangebied. Een (nieuw) verkennend bodemonderzoek is daarom noodzakelijk.

Er is door onderzoeksbureau Sigma Bouw en Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De bovengrond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevatten enkele stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. De verhoogd gemeten gehalten overschrijden de tussenwaarde en de bodemindex waarde (>0,5) niet en geven daardoor geen directe aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Op het maaiveld t.p.v. de kippenren (boring 7) is een plaatje asbestverdacht materiaal waargenomen. Het dak van de schuur welke zich op de onderzoekslocatie bevindt (en mogelijk enkele bijgebouwen) bestaat uit asbestverdachte dakplaten. Het dak is deels voorzien van dakgoten. Het dak watert deels af op aangebouwde hokken. De daken van de aangebouwde hokken zijn aangezien deze dicht op elkaar zijn gebouwd niet goed te beoordelen. Onderstaand is de locatie van boring 7 zichtbaar gemaakt.

23

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Gezien de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal alsmede gezien de aanwezigheid van druppelzones onder asbestverdachte daken wordt in het kader van de ontwikkeling van het plangebied geadviseerd een verkennend onderzoek asbest in grond/puin volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 uit te voeren. Om een uitspraak te kunnen doen of de bodem al dan niet verontreinigd is met asbest zal nog een onderzoek asbest in grond moeten worden uitgevoerd. Door initiatiefnemer is inmiddels opdracht gegeven voor dit nadere onderzoek naar asbest. Vooraf zullen de aanwezige bijgebouwen daartoe worden afgebroken. De resultaten van het aanvullende onderzoek zijn niet direct relevant voor het bestemmingsplan. 4.4.4

Geluid

Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

24

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.4.4.1 Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Uitzondering hierop zijn wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt en wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied. Binnen een afstand van 200 meter bevinden zich wegen waarover 50 km/uur gereden mag worden. Het plangebied bevindt zich in de geluidszone van deze wegen. Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten of het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor woningen binnen een zone 48 dB als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel (Wet geluidhinder 2006). Bij het voorbereiden van een plan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op grond behorende bij een eerdergenoemde zone, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen. Indien de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te boven gaat, kunnen, mits gemotiveerd, burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen (artikel 83 van de Wet geluidhinder). Door Geluidmeesters is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bij het bestemmingsplan gevoegd. Hierna volgen de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de "Verlengde Oosterdiep OZ (N379)".

In dit onderzoek is de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Verlengde Oosterdiep (N379) getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De "Verlengde Oosterdiep WZ" betreft een parallelweg van de doorgaande weg. Deze weg wordt gebruikt door aanwonenden en is akoestisch verwaarloosbaar ten opzichte van de doorgaande weg het Verlengde Oosterdiep OZ (N379). De berekeningen zijn uitgevoerd met standaard rekenmethode II overeenkomstig Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Omdat er nog geen ontwerp beschikbaar is van de woning en de situering op het perceel is de geluidbelasting middels geluidcontouren vastgesteld. Dat leidt tot onderstaande figuur, waarbij in de eerste figuur het geluid op 1,5 meter boven maaiveld in beeld is gebracht en op de 2e figuur op een hoogte van 4,5 meter boven maaiveld.

25

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting op de voorgenomen positie van de woning, de voorgevellijn in lijn met de naastgelegen woningen, op de beoordelingshoogte van respectievelijk 1,5 en 4,5 meter 49 en 51 dB Lden bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde 48 dB Lden overschreden. Wel wordt voldaan de ontheffingswaarde van 63 dB Lden. Om de woning mogelijk te maken is het nodig een verzoek tot hogere waarden in te dienen bij het bevoegd gezag. Zie Bijlage 6 Het verzoek dient een verklaring te bevatten dat gevelmaatregelen zullen worden getroffen zodanig dat binnen de woning, bij gesloten ramen, de geluidbelasting niet meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit. 4.4.5

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIMB) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.

26

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.4.5.1 Luchtkwaliteit plangebied Projecten die ‘niet in betekende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-nibm zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm. Zo is een project waarbij in totaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg worden gebouwd nog aangemerkt als een Nibm-project. De realisatie van maximaal 1 woning blijft daarmee ruimschoots onder de drempelnorm. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. Omdat ook verder geen significante ontwikkelingen rondom het plangebied gepland zijn, zal de concentratie van de NOX en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. 4.5

Waterparagraaf

4.5.1

Ligging plangebied

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's. In het kader van de ontwikkelingen van dit plan dient overleg gevoerd te worden met waterschap Hunze en Aa's. De wijze waarop de aanvrager het waterschap informeert over ruimtelijke plannen en om advies vraagt, hangt sterk af van de aard van het plan. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. 4.5.2

Waterhuishouding

Uitgangspunt is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat er grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed. Het beleid van de gemeente Emmen en het waterschap is gericht op afkoppelen van hemelwater van de riolering en te lozen op oppervlaktewater of zo mogelijk te laten infiltreren in de bodem. Om bodemvervuiling te voorkomen is het wenselijk om geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Om wateroverlast in gebouwen te voorkomen wordt voorgeschreven dat een vloerpeil tenminste 30 centimeter boven de weg ligt. 4.5.2.1 Riolering Naast het inzamelen en afvoeren van afvalwater heeft het rioolstelsel een belangrijke functie in de afwatering van de verharde oppervlakken in het plangebied. In een gemengd rioolstelsel worden afvalwater en regenwater 'gemengd' en vervolgens gezamenlijk afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Tijdens perioden met meer neerslag kan het voorkomen dat de rioolberging geheel gevuld raakt en zal rioolwater via de riooloverstorten naar het oppervlaktewater stromen. Een gescheiden rioolstelsel houdt afvalwater en regenwater gescheiden. Afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, regenwater wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd.

Het rioolstelsel aansluitend op het plangebied is uitgevoerd als een stukje vrijverval riool 200mm pvc aangesloten op een drukriool dat staat bij huisnummer 45. Het vuilwater kan rechtstreeks op deze vrijvervalleiding worden aangesloten, maar er mag geen hemelwater op worden aangesloten omdat het systeem hiervoor niet bedoeld is.

27

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Verder ligt het plan in een peilgebied met een zomerpeil van 14,3 m NAP en een winterpeil van 13,85 m NAP. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater binnen het peilgebied is een sloot ten noordwesten van het plangebied, op ongeveer 150 m afstand. Ten Oosten van het plangebied ligt een kade met daarachter het verlengde Oosterdiep. Vanuit het verlengde Oosterdiep sluit rechtstreeks aan op de Sint Jozefvaart ten zuiden van het plangebied. Deze twee waterlopen zijn hoofdwatergangen van het waterschap (zie onderstaande figuur).

28

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

4.5.3

Watertoets

Het waterschap is geïnformeerd over het plan door op 17 oktober 2019 gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets moet worden doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap een maatwerk wateradvies moet maken. Via nader contact met het waterschap is op 4 januari 2021 nadere berichtgeving vanuit het waterschap gekomen. Van daaruit zijn onderstaande adviezen en denkrichtingen meegegeven. Voor deze landelijke locatie (maar binnen bebouwde kom) dient de initiatiefnemer het hemelwater (ca. 250 m2) af te koppelen. De meest eenvoudige wijze zou het zijn om het hemelwater te brengen naar de westzijde van het perceel in een te graven zaksloot (op eigen perceel) met de benodige berging. Het bestaande maaiveld ligt op het perceel aan de westzijde al lager en daar kan gebruikt van worden gemaakt. Als aangegeven in de uitgangspuntennotitie is het koppelen van hemelwater op het Verlengde Oosterdiep niet mogelijk door een hoger peilgebied, peilgrens en de kadefunctie. Verder heeft het waterschap nog gewezen op de aanwezigheid van (rest)veen in de directe ondergrond. Dit kan nog voor langere tijd leiden tot bodemdaling. De initiatiefnemer dient hier rekenschap mee te houden voor de toekomst, in relatie tot zakkende erfverharding en tuin.

Hierna zijn kaarten weergegeven met een indicatie van de te verwachten bodemdaling voor dit gebied door oxidatie van veen.

29

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

Waterparagraaf In het kader van de ontwikkelingen van dit plan dient overleg gevoerd te worden met waterschap Hunze en Aa's. De wijze waarop de aanvrager het waterschap informeert over ruimtelijke plannen en om advies vraagt, hangt sterk af van de aard van het plan. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze en in criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan. In de waterparagraaf van het bestemmingsplan dienen zowel de huidige- als toekomstige relevante thema's te worden beschreven. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de thema's die in de waterparagraaf kunnen worden meegenomen: veiligheid, wateroverlast, afvalwater & riolering, grondwater & ontwatering, peilen & drooglegging, waterkwaliteit &

30

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

volksgezondheid, inrichting watersysteem, natuur & ecologie en bodemdaling. Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft er naar om de ingrepen binnen een peilgebied waterneutraal te houden.

Het waterschap zorgt voor het functioneren van het watersysteem. Het watersysteem moet nu, maar ook op de lange termijn, goed functioneren. Het watersysteem moet zodanig zijn dat de inundatienormen niet worden overschreden bij toekomstige veranderingen zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak.

In bestaand open water in stedelijk gebied kan water geborgen worden. De berging is afhankelijk van het oppervlak open water en de maximale toelaatbare peilstijging. In een situatie T is 10 (inclusief 13 procent klimaatsverandering, T is herhalingstijd in jaren) wordt een geoorloofde peilstijging van 0,40 meter gehanteerd en ingeval van een T is 100 (inclusief 13 procent klimaatverandering) is dat afhankelijk van de laagst gelegen gronden in het stedelijk gebied, 0 procent van het bebouwd gebied mag inunderen. Bij stedelijke uitbreidingen of herstructureringen mag een toename van het verhard oppervlak niet resulteren in een extra belasting van het watersysteem, er moet waterneutraal gebouwd worden. Dit houdt in dat de initiatiefnemer voldoende maatregelen neemt om de versnelde waterafvoer, te compenseren.

Voor de berekening van de vereiste waterberging, om de toename van het verhard oppervlak te compenseren, wordt gebruik gemaakt van de regenduurlijnmethode. Met deze methode kan op basis van het oppervlak open water, de maximale peilstijging, de afvoernorm bij maatgevende afvoer, maatgevende buien en het maatgevende klimaatscenario op eenvoudige wijze inzichtelijk gemaakt worden hoeveel extra waterberging vereist is. Voor stedelijke gebieden betekent dit concreet dat een regenbui van 89 mm in 24 uur opgevangen moet kunnen worden zonder dat de inundatienorm en de toegestane gebiedsafvoer wordt overschreden. Als vuistregel hanteert het waterschap dat per m2 toename verhard oppervlak 80 liter extra waterberging gerealiseerd moet worden in het plangebied. Er mag voor maximaal 250 m2 aan bebouwing worden gebouwd. Voor de watertoets is er van uit gegaan dat er dan circa 250 m2 aan extra verstening bij zal komen. Voor het project betekent het dat er 250 m2 x 80 liter = 2000 liter water = 20 m3 aan watercompensatie dient plaats te vinden. Hemelwater zal worden afgevoerd naar een aan te leggen sloot/greppel/zaksloot aan de achterzijde van het plangebied. Aangezien het perceel langs de kant van het kanaal bijna 2 meter hoger ligt als aan de achterzijde van het plangebied is het aanleggen van een greppel aldaar een logische keuze. In de regels is deze compensatie voorwaardelijk gemaakt.

Thema afvalwater & riolering Samenwerking in de waterketen leidt tot een grotere doelmatigheid en verdergaande kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater. In een groot deel van het bestaand stedelijk gebied wordt het hemelwater en het afvalwater verzameld in een gemengd rioolstelsel. Via het gemengde stelsel wordt dit afvalwater getransporteerd naar de RWZI, waar het na zuivering geloosd wordt op het oppervlaktewater. Door het hemelwater gescheiden te houden van het afvalwater wordt het hemelwater niet vervuild en kan dit schone water behouden blijven voor het watersysteem. Ook is een vermindering van het volume afvalwater gunstig voor de capaciteit van de bestaande riolering, transportvoorzieningen en de RWZI. Het vrijkomende hemelwater na afkoppeling mag niet resulteren in een versnelde afvoer en

31

Gemeente Emmen, bestemmingsplan Barger-Compascuum, Verlengde Oosterdiep WZ tussen 44 en 45 (vastgesteld)

het hemelwater mag in principe niet door diffuse bronnen zijn verontreinigd voordat het in het oppervlaktewatersysteem terechtkomt. Bij voorliggend bestemmingsplan is het zo dat het vuil afvalwater kan worden afgevoerd via het aanwezige vrijverval-riool. Hier wordt geen regenwater op afgevoerd. Verontreiniging voorkomen De invloed van diffuse bronnen op hemelwater moet zoveel mogelijk worden beperkt door het hanteren van de beleidsuitgangspunten in het landelijk emissiebeleid. Dit gaat volgens de trits voorkomen, scheiden en zuiveren. Door het gebruik van preventieve/ brongerichte maatregelen komt hemelwater met zo weinig mogelijk vervuilende stoffen of uitlogende materialen in aanraking en blijft het zo schoon mogelijk. Het uitgangspunt bij de invulling van deze zorgplicht is het gebruik van de beste beschikbare technieken. Alternatieve maatregelen zijn ook acceptabel, mits deze maatregelen aantoonbaar hetzelfde effect opleveren. Op grond van de huidige wet- en regelgeving is het niet de bedoeling om de zorgplicht volledig af te kaderen. De lozer mag zelf invulling geven aan de zorgplicht. Mogelijke preventieve/brongerichte maatregelen zijn: Bij nieuwbouw en renovatie zo weinig mogelijk uitlogende materialen zoals zink, koper en lood gebruiken. Alternatieven gebruiken heeft de voorkeur.

De nationale pakketten duurzaam bouwen geven handvaten voor alternatieven; Hondenuitlaatplaatsen aanleggen of de verplichting in de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) opnemen om hondenpoep op te ruimen; Afvalinzamelpunten plaatsen in woonbuurten, langs toegankelijke wegen voor burgers en op publieksintensieve locaties als pleinen en markten om zwerfvuil te voorkomen; Autowasplaatsen aanleggen of autowassen op straat verbieden in de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) om menging van autowaswater met hemelwater te voorkomen; De openbare ruimte zodanig inrichten dat onkruidgroei zo weinig mogelijk kans krijgt. Hiermee kan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op verhardingen worden voorkomen of beperkt. Het rapport "Handboek Bestrijdingsmiddelen in stedelijk gebied" gaat hierop in. Als de middelen toch gebruikt worden, dan moet de gebruiker maatregelen treffen om contact met hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de methode voor Duurzaam Onkruidbeheer (DOB-methode); Goten langs wegen vegen om onkruidgroei te voorkomen.

Op opslagplaatsen, tankputten en andere terreinen van bedrijven zo weinig mogelijk knoeien met stoffen; Bij op- en overslag bulkpartijen bevochtigen om verwaaiing te voorkomen of beperken; Luchtemissies van bedrijven verminderen of voorkomen om atmosferische depositie te beperken of te voorkomen; Gladheidbestrijding effectief toepassen of beperken zolang de veiligheid dit toelaat. Gebruik middelen, die zo milieuvriendelijk mogelijk zijn. Bij de bouw zal zo weinig als mogelijk aan uitlogende materialen worden gebruikt. Thema grondwater & ontwatering Ten aanzien van grondwater zijn de taken en verantwoordelijkheden verdeeld tussen burger, gemeente en waterschap. Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast op hun eigen perceel, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). Wateroverlast Een te hoge grondwaterstand kan grondwateroverlast veroorzaken, bijvoorbeeld in de vorm van water in de kruipruimte. Te lage grondwaterstanden daarentegen resulteren in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=0bfe4a4f-5708-4ea7-9ec6-a9906afb957b