CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 bij RA21.0019 Verzelfstandigingsrapport Openbaar Onderwijs Emmen (RIS.10091)

Commissie Samenleving 13 april 2021, gemeente EmmenBij agendapunt: Verzelfstandiging Openbaar Onderwijs Emmen (OOE) + bijlagen RIS.10089 t/m RIS.1009229.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3

Het reglement, alsmede een wijziging daarvan treedt in werking op de dag volgend op de dag waarop het college van bestuur het reglement, dan wel een wijziging heeft vastgesteld.

Artikel 5.

Taken van het college van bestuur

Het college van bestuur oefent de onderstaande taken uit: a Het besturen van de stichting; b

Het werkgeverschap van de werknemers van de stichting behoudens de eigen positie;

c

Het afleggen van verantwoording.

Artikel 6.

Het besturen van de stichting

1

Het college van bestuur oefent het bevoegd gezag uit over de scholen van de Stichting.

2

Het college van bestuur heeft voor enkele besluiten de voorafgaande goedkeuring nodig van de raad van toezicht zoals omschreven in artikel 6 lid 5 van de statuten is vastgelegd.

Artikel 7.

Informatievoorziening

Het college van bestuur informeert de raad van toezicht in elk geval over: a Belangrijke interne en externe ontwikkelingen; b

Belangrijke wijzigingen op het terrein van wet- en regelgeving;

c

Ernstige problemen of conflicten binnen de stichting;

d

Calamiteiten die gemeld zijn bij de gerechtelijke autoriteiten;

e

Onderwerpen waarover naar verwachting (negatieve) publiciteit in de media te verwachten is.

Artikel 8.

Mandaat en mandaatregister

1

Het college van bestuur is bevoegd om taken en bevoegdheden schriftelijk aan anderen op te dragen (mandaat).

2

De taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de bovenschools directeuren, de directeur bedrijfsvoering en de locatiedirecteuren zijn opgenomen in een door het college van bestuur vast te stellen managementstatuut.

3

Een overzicht van gemandateerde taken en bevoegdheden op alle niveaus wordt opgenomen in een mandaatregister onder vermelding van naam en functie van gemandateerde. Het mandaatregister wordt jaarlijks geactualiseerd door het college van bestuur en ter kennis gebracht aan de raad van toezicht.

Artikel 9.

Werkwijze van het college van bestuur

1

Een van de leden van het college van bestuur wordt door de raad van toezicht benoemd tot voorzitter van het college van bestuur.

2

Het college van bestuur laat zich bij zijn werkzaamheden adviseren door:

3

4

5

a

de raad van toezicht, zoals geregeld in het reglement van de raad van toezicht;

b

het directieoverleg, volgens de bepalingen uit het managementstatuut.

De voorzitter: a

Is binnen de wettelijke en statutaire bestuurlijke verantwoordelijkheden van het college van bestuur in het bijzonder verantwoordelijk voor de voortgang van de werkzaamheden van het college van bestuur en van het besluitvormingsproces van het college van bestuur;

b

overlegt periodiek met de voorzitter van de raad van toezicht.

In geval van een meerhoofdig college van bestuur: a

wordt door het college van bestuur een onderverdeling van taken afgesproken;

b

draagt de voorzitter zorg voor het plannen en bijeenroepen van periodieke vergaderingen van het college van bestuur waarbij onverkort het bepaalde in artikel acht van de statuten geldt;

c

bespreekt het college van bestuur regelmatig zijn eigen functioneren en de onderlinge verhoudingen en stelt zijn werkwijze op grond daarvan bij. Het college van bestuur informeert de raad van toezicht op hoofdlijnen over dit proces.

In geval van een eenhoofdig college van bestuur: a

is het eenhoofdige lid aan te merken als voorzitter;

b

krijgt het eenhoofdig lid de titel bestuurder;

c

neemt de bestuurder pas een besluit over zaken die alle scholen aangaan nadat het directieoverleg advies heeft uitgebracht over het te nemen besluit;

d

de besluiten en de bijbehorende adviezen bedoeld in het voorgaande lid worden opgenomen in de verslaglegging van de vergaderingen tussen de bestuurder en het directieoverleg.

Artikel 10.

Werkgeverschap

1

Het college van bestuur treedt op als werkgever voor personen in dienst van aan de stichting met uitzondering van de leden van het college van bestuur.

2

Het college van bestuur vervult het werkgeverschap conform het gestelde in de wet en de thans geldende cao-po.

Artikel 11.

Verantwoording

1

Het college van bestuur is rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De leden van het college van bestuur zijn tezamen en afzonderlijk aan de raad van toezicht verantwoording verschuldigd voor de gehele organisatie.

2

Bij een meerhoofdig college van bestuur is onverminderd de collectieve verantwoordelijkheid van het college van bestuur elk lid van het college van bestuur door de raad van toezicht en het college van bestuur primair aanspreekbaar op de aan dit lid toegewezen taken en aandachtsgebieden, met name op de voorbereiding en uitvoering van het beleid.

3

Het afleggen van verantwoording door het college van bestuur geschiedt via gestructureerd overleg tussen raad van toezicht en het college van bestuur.

4

Onverminderd het bepaalde in dit artikel, legt het college van bestuur ook verantwoording af middels een jaarrekening en een jaarverslag zoals beschreven in artikel 12 lid 3 van de statuten.

Artikel 12.

Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Dit bestuursreglement treedt in werking met ingang van 01- 01-2022 en geldt voor onbepaalde tijd. Artikel 13

Citeertitel

Dit statuut kan worden aangehaald als bestuursreglement Openbaar Onderwijs Emmen Artikel 14

Slotbepaling

In alle gevallen waarin dit bestuursreglement niet voorziet, beslist het college van bestuur, de raad van toezicht gehoord hebbende. Aldus vastgesteld op <datum>, na goedkeuring door de raad van toezicht Raad van Toezicht op <datum>, advies van het managementoverleg op <datum> en na positief advies van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad op <datum>.

Bijlage 6

MANAGEMENTSTATUUT OPENBAAR ONDERWIJS EMMEN 2021

Versie: 15 januari 2021 Status: concept Inleiding Het managementstatuut is vastgesteld door het College van Bestuur van stichting Openbaar Onderwijs Emmen (OOE). Het managementstatuut regelt de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen het college, algemeen directeur OOE, directeur bedrijfsvoering, bovenschools directeuren en locatiedirecteuren. De bevoegdheden zijn geregeld op grond van het verstrekken van mandaten door het college van bestuur aan de bovenschools directeur, de directeur bedrijfsvoering en de locatiedirecteur. Organigram

Raad van Toezicht

GMR

College van bestuur

Bovenschools directeuren

MR

Locatiedirecteuren

Locatieteams

Directeur bedrijfsvoering

Medewerkers bestuurskantoor

Artikel 1 Begripsomschrijving 1. College van bestuur: Het bevoegd gezag van de stichting. 2. Raad van toezicht: het toezichthoudend orgaan binnen de stichting. 3. Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR): bovenschools medezeggenschapsorgaan als bedoeld in de Wet Medezeggenschap Scholen (WMS). 4. Medezeggenschapsraad (MR): het schoolgebonden medezeggenschapsorgaan als bedoeld in de WMS. 5. Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO): het overleg tussen het bestuur en de vakcentrales, zoals bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). 6. Bovenschools directeur: de functionaris die belast is met de leiding aan de hem toegewezen scholen van de stichting als bedoeld in artikel 29 lid 5 van de WPO. 7. Locatiedirecteur: de functionaris die belast is met de dagelijkse leiding van één of meerdere scholen/locaties als bedoeld in artikel 29 lid 1 van de WPO. 8. Directeur bedrijfsvoering: de functionaris die belast is met de dagelijkse leiding van het bestuurskantoor. 9. Bestuurskantoor: de staf-/ondersteuningsorganisatie ter ondersteuning van het bestuur en het onderwijsmanagement. 10. Directieoverleg (DO): adviserend overleg van het college van bestuur, de bovenschools directeuren en de directeur bedrijfsvoering. 11. Managementstatuut: Het statuut als bedoeld in artikel 31 van de WPO. 12.

Scholen: de scholen die onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag staan. 13. Scholengroep: de aan de bovenschools directeur toegewezen scholen. 14. Scholengroep overleg (SO): overleg van bovenschools directeur met de locatiedirecteuren binnen de scholengroep. 15. Code Goed Bestuur: De Code zoals bedoeld in artikel 171 lid 5 van de WPO.

Artikel 2 Inhoud, vaststelling en wijziging van het managementstatuut 1. Het managementstatuut is mede een mandaatregister en bevat bepalingen over: a. De omvang en aard van de mandatering van taken en bevoegdheden van het college van bestuur aan de bovenschools directeur en de directeur bedrijfsvoering. b. De richtlijnen voor de wijze waarop deze gemandateerde en doorgemandateerde taken en bevoegdheden dienen te worden uitgevoerd. 2. Het managementstatuut geldt tot 1 januari 2024 en wordt na een tweejaarlijkse evaluatie verlengd met twee jaar. 3. Het college van bestuur stelt het managementstatuut op en neemt na advies van het DO een voorgenomen besluit om het managementstatuut te wijzigen en vast te stellen. 4. Het college van bestuur geeft de GMR de gelegenheid advies te geven op het voorstel tot wijziging en vaststelling van het managementstatuut. 5. Het college van bestuur deelt het DO en de GMR zo spoedig mogelijk schriftelijk dan wel digitaal en met redenen omkleed mee of aan het uitgebrachte advies gevolg gegeven wordt en stelt de geledingen (indien gewenst) in de gelegenheid hierover in gesprek te treden. 6. Het college van bestuur neemt een definitief besluit tot wijziging en vaststelling en informeert hierover de raad van toezicht, de directie en de GMR. 7.

Voor alle besluiten genoemd in dit managementstatuut geldt dat deze worden genomen met inachtneming van de WMS. 8. Tenzij anders blijkt of kennelijk anders is bedoeld sluit een verwijzing naar het mannelijk geslacht een verwijzing naar het vrouwelijk geslacht in en omgekeerd.

Artikel 3 Mandaat 1. Het college van bestuur verleent mandaat aan de directeur bedrijfsvoering en de bovenschools directeur ten aanzien van de taken en bevoegdheden zoals in artikel 6 en 8 van dit statuut zijn vermeld, voor de toegewezen scholengroep. Bovenschools directeuren zijn onderling vervangbaar in tijdelijke situaties.

2. De bovenschools directeur geeft de genoemde taken in artikel 7 in mandaat aan de locatiedirecteur van de betreffende school/locatie. 3. Het college van bestuur en de bovenschools directeur blijven te allen tijde bevoegd om de door hun gemandateerde taken en bevoegdheden zelf ook uit te oefenen.

Artikel 4 Schorsing en vernietiging van besluiten 1. Het college van bestuur kan besluiten en/of maatregelen van de bovenschools directeur en directeur bedrijfsvoering bij gemotiveerd besluit geheel of gedeeltelijk vernietigen. 2. Het college van bestuur kan besluiten om een besluit of maatregel van de bovenschools directeur of directeur bedrijfsvoering te schorsen, indien het besluit naar zijn oordeel voor vernietiging in aanmerking komt. 3. Bovenstaande rechten komen ook de bovenschools directeur toe, daar waar submandaat, als bedoeld in artikel 3 lid 2, is gegeven.

Artikel 5 Taken en bevoegdheden college van bestuur 1. Het college van bestuur oefent het bevoegd gezag uit over de scholen van de stichting. 2. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van het openbaar onderwijs en het belang van de samenleving. 3. Het college van bestuur heeft voor enkele besluiten voorafgaande goedkeuring nodig van de raad van toezicht zoals vastgelegd in de statuten. 4. Het ontbreken van de gevraagde goedkeuring door de raad van toezicht voor het genoemde in dit artikel heeft geen opschortende werking met betrekking tot door het college van bestuur te nemen besluiten. 5. Tot de taken en bevoegdheden van het college van bestuur behoren in ieder geval: a. Het formuleren van concrete doelstellingen voor de stichting en de scholen, rekening houdend met de belangen van de scholen en de eisen die de samenleving aan het onderwijs stelt. b. Het opdrachtgeven tot het ontwerpen en na zorgvuldig overleg met het DO vaststellen van jaarlijkse en strategische meerjaren(beleids)plannen op het gebied van onderwijs, identiteit, personeel, financiën, ict en huisvesting voor zover die plannen betrekking hebben op alle scholen/locaties van het bevoegd gezag. c.

Het op voordracht van de bovenschools directeur benoemen van alle personeelsleden die werkzaam zijn op een school. d. Het op voordracht van de directeur bedrijfsvoering benoemen van alle personeelsleden die werkzaam zijn binnen het bestuurskantoor. e. Het na overleg met de bovenschools directeur en/of de directeur bedrijfsvoering treffen van een disciplinaire of orde maatregel ten aanzien van personeelsleden die werkzaam zijn binnen de stichting. f. Het besluiten over het verwijderen en/of het niet toelaten van leerlingen. g. Het nemen van alle rechtspositionele besluiten met betrekking tot het personeel dat een dienstverband heeft met de stichting. h. Het behartigen van de bovenschoolse belangen van de scholen bij derden. i. Het vertegenwoordigen van de stichting in en buiten rechte en het onderhouden van de externe contacten die daaruit voortvloeien. j. Het voeren van overleg met centrale en lokale overheden, de inspectie voor onderwijs, overige schoolbesturen en met de vakcentrales in het DGO en de GMR. k. Het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken met de bovenschools directeur en de directeur bedrijfsvoering en het zo nodig informeren van de raad van toezicht omtrent de aan een beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen. l.

Het doen van uitgaven en het aangaan van financiële verplichtingen ten laste van de stichting tot het totaal van de vastgestelde begroting. Voor het aangaan van

verplichtingen buiten de vastgestelde begroting die een bedrag van € 100.000 te boven gaan is voorafgaande instemming van de raad van toezicht noodzakelijk. m. Het vaststellen van, met het oog op een zorgvuldige toetsing en na overleg met het directieoverleg regels, voor de procedure die moet worden gevolgd ter verkrijging van een tijdige goedkeuring van het schoolplan en schoolgids.

Artikel 6 Taken en bevoegdheden van een bovenschools directeur 1. Algemene taken; De bovenschools directeur is belast met en verantwoordelijk voor: a. de implementatie en uitvoering van het beleid ten aanzien van kwaliteit, personeel, onderwijs, huisvesting, financiën, public relations en beheer en organisatie van de scholengroep binnen de door het college van bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen; b. het leveren van een bijdrage aan het bestuursbeleid op basis van verkregen inzicht in de onderwijsbehoefte; c. de betrokkenheid van de locatiedirecteuren bij het tot stand komen van nieuw beleid; d. de evaluatie van de organisatie van de scholengroep; e. het leidinggeven aan personeel die direct onder de bovenschools directeur vallen; f. het zorg dragen van een goede interne en externe communicatie; g. de vaststelling van het door de locatiedirecteur ontworpen schoolplan en schoolgids; h. de goedkeuring van het schoolplan en de schoolgids, indien het betreffende document naar het oordeel van de bovenschools directeur voldoet aan de bestuurlijke beleidskaders, waaronder de plannen op bestuursniveau (bv strategisch beleidsplan), en de wettelijke voorschriften. 2. Kwaliteit van het onderwijs a. De bovenschools directeur zorgt voor de onderwijskundige coördinatie, afstemming en samenwerking binnen de scholengroep. b.

De bovenschools directeur is verantwoordelijk voor kwalitatieve verbetering en vernieuwing van het onderwijsaanbod. c. De bovenschools directeur draagt zorg voor regelmatige evaluatie van het onderwijs zowel met de locatiedirecteuren als met het college van bestuur. d. De bovenschools directeur draagt zorg voor de bevordering van de deskundigheid van het personeel. 3. Plannen, evaluatie en rapportage a. De bovenschools directeur is bevoegd uitgaven te doen zoals vastgesteld in de goedgekeurde meerjarenbegroting. b. Voor het aangaan van verplichtingen buiten de vastgestelde begroting die een bedrag van € 25.000 te boven gaan is voorafgaande instemming van het college van bestuur nodig. c. De bovenschools directeur voert periodiek met het college van bestuur gesprekken over het bepalen van de doelstellingen van de scholengroep en de resultaten daarvan. d. De bovenschools directeur rapporteert en legt verantwoording af over de algemene gang van zaken in de scholengroep, de plannen, uitvoering en resultaten aan het college van bestuur. 4. Profilering a De bovenschools directeur is belast met taken die de identiteit van OOE herkenbaar maakt en het profiel gestalte geven.

5. Leerlingenbeleid; De bovenschools directeur is verantwoordelijk voor: a De besluitvorming over de schorsing van leerlingen, niet zijnde een besluit tot verwijdering. 6. Personeelsbeleid a De bovenschools directeur is binnen de kaders, zoals geformuleerd in het integraal personeelsbeleidsplan, verantwoordelijk voor de algemene zorg voor de direct onder de bovenschools directeur vallende medewerkers. b De bovenschools directeur is belast met het voeren van functioneringsgesprekken en met het voeren van beoordelingsgesprekken conform de vastgestelde gesprekkencyclus voor de direct onder bovenschools directeur vallende medewerkers. c De bovenschools directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van het ziekteverzuimbeleid en de in dat kader te nemen maatregelen voor de direct onder de bovenschools directeur vallende medewerkers.

Artikel 7 Taken en verantwoordelijkheden locatiedirecteur 1. Algemene taken; De locatiedirecteur is belast met en verantwoordelijk voor: a. de uitvoering van het beleid ten aanzien van kwaliteit, personeel, onderwijs, huisvesting, financiën, public relations en beheer en organisatie van de school binnen de door het college van bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen; b. de evaluatie van de organisatie van de school; c. het leidinggeven aan het personeel binnen de school; d. het vertegenwoordigen van de school en het behartigen van diens belangen bij publiek- en privaatrechtelijke instellingen, waaronder begrepen het houden van toezicht op de naleving van overeenkomsten, die door de school of de stichting met deze instellingen gesloten zijn; e. het vertegenwoordigen van het college van bestuur in vergaderingen van de MR; f. het voorbereiden en leiden van teamvergaderingen; g. het onderhouden van de contacten met ouders/verzorgers van leerlingen; h. het coördineren en leiden van projecten voor de eigen school; i. het leveren van informatie voor leerlingenprognoses; j. het zorg dragen voor goede interne en externe communicatie; k. de dagelijkse gang van zaken op school. 2. Kwaliteit van het onderwijs a.

De locatiedirecteur draagt zorg voor de onderwijskundige coördinatie, afstemming en samenwerking binnen de school en onderhoudt contacten met het toeleverende onderwijs en vervolgonderwijs. b. De locatiedirecteur zorgt voor kwalitatieve verbetering en vernieuwing van het onderwijsaanbod. c. De locatiedirecteur zorgt voor regelmatige evaluatie van het onderwijs zowel binnen de school als met de bovenschools directeur. d. De locatiedirecteur zorgt voor de bevordering van de deskundigheid van het personeel. 3. Plannen, evaluatie en rapportage a. In overleg met het team en/of de MR maakt de locatiedirecteur een schoolplan en een schoolgids die voldoen aan de wettelijke eisen waarbij geldt: a. plannen, evaluaties en rapportages zijn gericht op het verbeteren en vernieuwen van het onderwijs; b. het schoolplan wordt één keer per vier jaar opgesteld en waar nodig bijgesteld, de schoolgids wordt jaarlijks opgesteld;

b. c. d. e.

c. het schoolplan en de schoolgids worden tijdig ter goedkeuring voorgelegd aan de bovenschools directeur; d. volgens de kwaliteitscyclus worden jaarplannen en begrotingen opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd; e. de schoolgids en het schoolplan vermelden hoe binnen de school gestalte wordt gegeven aan het onderwijs en de organisatie, met de verdeling van taken en bevoegdheden; f. voorafgaande aan de jaarlijkse vaststelling van de begroting stelt de locatiedirecteur een concept schoolbegroting op. De locatiedirecteur is bevoegd uitgaven te doen zoals vastgesteld in de goedgekeurde meerjarenbegroting. Voor het aangaan van verplichtingen buiten de vastgestelde begroting die een bedrag van € 5.000 te boven gaan is voorafgaande instemming van de bovenschools directeur. De locatiedirecteur voert periodiek met de bovenschools directeur gesprekken over de doelstellingen van de school en de resultaten daarvan. De locatiedirecteur rapporteert en legt verantwoording af over de algemene gang van zaken in de school, de kwaliteit, plannen, uitvoering en resultaten aan de bovenschools directeur.

4. Profilering a De locatiedirecteur is belast met taken die de identiteit van de school herkenbaar maken en het profiel gestalte geven binnen het OOE beleid. b De locatiedirecteur draagt er zorg voor dat in het PR-beleid van de school het profiel van de school, gestalte krijgt. c De locatiedirecteur is belast met het opstellen, organiseren en leiden van de PRactiviteiten van de school in de schoolomgeving. d De locatiedirecteur is belast met de uitvoering van het PR- beleid en stimuleert activiteiten in de school gericht op de versterking van de positie van de school in de schoolomgeving. 5. Leerlingenbeleid; De locatiedirecteur is verantwoordelijk voor: a de besluitvorming over toelating van leerlingen, niet zijnde een besluit tot niet toelating; b de opvang en eventuele doorverwijzing van individuele leerlingen; c het vaststellen en uitvoeren van een leerlingvolgsysteem; d de uitvoering van het verzuimbeleid. 6. Personeelsbeleid a De locatiedirecteur is binnen de kaders, zoals geformuleerd in het integraal personeelsbeleidsplan, verantwoordelijk voor de formatie en de algemene zorg voor het personeel binnen de school. b De locatiedirecteur is belast met het voeren van functioneringsgesprekken en met het voeren van beoordelingsgesprekken conform de vastgestelde gesprekkencyclus voor het personeel binnen de school.

c De locatiedirecteur is verantwoordelijk voor de uitvoering van het ziekteverzuimbeleid en de in dat kader te nemen maatregelen voor het personeel binnen de school. 7. Huisvesting; De locatiedirecteur is binnen de door het college van bestuur vastgestelde kaders verantwoordelijke voor: a het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het klachtenonderhoud; b het beheer van de inventaris, aanleveren van informatie voor onderhoud en afstemming over de uitvoering van groot onderhoud.

Artikel 8 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden directeur bedrijfsvoering 1. Algemene taken; De directeur bedrijfsvoering is belast met en verantwoordelijk voor: a de uitvoering van het beleid ten aanzien van kwaliteit, personeel, onderwijs, huisvesting, financiën, public relations en beheer en organisatie van het bestuurskantoor binnen de door het college van bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen; b de ontwikkeling van de strategische beleidsvoorstellen en de implementatie van de planning en control cyclus; c de kwaliteit van en de samenhang tussen de processen op het terrein van onder andere planning en control en de management- en stuurinformatie; d het leveren van de juiste managementinformatie; e het vertegenwoordigen van de stichting en het behartigen van diens belangen bij publiek- en privaatrechtelijke instellingen, waaronder begrepen het houden van toezicht op de naleving van overeenkomsten, die door de stichting met deze instellingen gesloten zijn f de evaluatie van de organisatie van het bestuurskantoor; g de betrokkenheid van de bovenschools directeuren bij het tot stand komen van nieuw beleid; h de evaluatie van de organisatie van het bestuurskantoor; i het leidinggeven aan personeel die direct onder de directeur bedrijfsvoering vallen; j het zorg dragen van een goede interne en externe communicatie. 2. Plannen, evaluatie en rapportage a.

De directeur bedrijfsvoering is bevoegd uitgaven te doen zoals vastgesteld in de goedgekeurde meerjarenbegroting. b. Voor het aangaan van verplichtingen buiten de vastgestelde begroting die een bedrag van € 25.000 te boven gaan is voorafgaande instemming van het college van bestuur nodig. c. De directeur bedrijfsvoering voert periodiek met het college van bestuur gesprekken over het bepalen van de doelstellingen van het bestuurskantoor en de resultaten daarvan. d. De directeur bedrijfsvoering rapporteert en legt verantwoording af over de algemene gang van zaken in het bestuurskantoor, de plannen, uitvoering en resultaten aan het college van bestuur. e. De directeur bedrijfsvoering adviseert het college van bestuur en het DO over bedrijfsvoeringvraagstukken en risicoanalyses. f. De directeur bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor, volgens het college van bestuur vastgestelde kaders, het opstellen van een jaarlijkse afrekening over het voorafgaande kalenderjaar. De afrekening gaat vergezeld van een analyse. 3. Personeelsbeleid a De directeur bedrijfsvoering is binnen de kaders, zoals geformuleerd in het integraal personeelsbeleidsplan, verantwoordelijk voor de algemene zorg voor de direct onder de directeur bedrijfsvoering vallende medewerkers.

b De directeur bedrijfsvoering is belast met het voeren van functioneringsgesprekken en met het voeren van beoordelingsgesprekken conform de vastgestelde gesprekkencyclus voor de direct onder de directeur bedrijfsvoering vallende medewerkers. c De directeur bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor de uitvoering van het ziekteverzuimbeleid en de in dat kader te nemen maatregelen voor de direct onder de directeur bedrijfsvoering vallende medewerkers.

Artikel 9 Bestuurskantoor 1. Het bestuurskantoor heeft een belangrijke adviserende functie ten behoeve van het college van bestuur en de bovenschools directeuren. Binnen het bestuurskantoor wordt strategisch beleid

ontwikkeld in samenspraak met de bovenschools directeuren en wordt vervolgens besproken in het DO. Gewijzigde wet- en regelgeving kan een aanleiding zijn voor nieuw beleid. Daarnaast ondersteunt het bestuurskantoor, management en medewerkers van Openbaar Onderwijs Emmen op diverse terreinen zoals de personele en de financiële administratie, huisvesting, algemene zaken en andere administratieve werkzaamheden.

Artikel 10 Het directieoverleg 1. Het college van bestuur, de bovenschools directeuren en de directeur bedrijfsvoering vormen samen het DO. De voorzitter van het college van bestuur zit het DO voor, of delegeert dit naar één van de andere leden van het DO. 2. De leden van het DO hebben het recht om gevraagd en ongevraagd advies te geven aan het college van bestuur. 3. Het DO heeft tot doel: a. het bespreken van en adviseren over voorgenomen besluiten; b. het onderling afstemmen van meningsvorming; c. het bespreken en bewaken van procedures en beleid; d. het onderling informeren over en bespreken van interne en externe ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het onderwijs. 4. In het DO vindt overleg plaats over: a. het strategisch beleid, nieuwe beleidsvoorstellen en de besluitvorming op stichtingsniveau; b. het initiëren, bewaken en stimulering van de samenwerking tussen de scholen en het benutten van talenten, kwaliteiten en competenties; c. de koers en de bestuurlijke doelstellingen; d. de vaststelling en wijziging van de (meerjaren)begroting; e. de vaststelling van de jaarrekening en het jaarverslag; f. het formatieplan. 5. Het college van bestuur stelt de agenda vast. Elk lid van het DO kan het verzoek doen tot het opnemen van een onderwerp op de agenda. 6. Het college van bestuur draagt zorg voor de voorbereiding van de vergadering en voor de vastlegging. 7.

Na het advies van het DO neemt het college van bestuur een besluit. Hij motiveert het genomen besluit goed (zeker als er sprake is van verdeeldheid). 8. Na besluitvorming door het college van bestuur worden er afspraken gemaakt over de wijze van communiceren binnen de stichting.

Artikel 11 Scholengroep overleg 1. De locatiedirecteuren nemen deel aan het SO van de eigen scholengroep. 2. Het SO wordt voorgezeten door de bovenschools directeur die is toegewezen aan de scholengroep. 3. In het SO vindt overleg plaats over: a. de voortgang van de uitvoering van het strategisch beleid in de clusters. b. ontwikkelingen die van invloed zijn op de meerjarenbegroting, het meerjaren bestuursformatieplan en het personeelsbeleid. c. het coördineren van het beleid betreffende de dagelijkse gang van zaken binnen de scholen. d. de voortgang en ontwikkeling van de leernetwerken in het cluster en de stichting. e. professionele intervisie tussen directeuren en IB’ers. f. uitvoeren en bespreken van de interne audits. g. de wijze waarop de identiteit een plek krijgt in het onderwijsproces. 4. Het overleg vindt één keer per vier tot zes weken plaats.

Artikel 12 Rapportage en verantwoording 1. De bovenschools directeur legt verantwoording af aan het college van bestuur over het verloop en de resultaten van het gevoerde beleid van de school/scholen. Deze rapportages (zowel schriftelijk als mondeling) bevatten in ieder geval: a. informatie over de uitvoering van het strategisch beleidsplan en de schoolplannen; b. informatie over de algemene gang van zaken binnen de scholengroep; c. een overzicht van inkomsten en uitgaven en de stand van zaken met betrekking tot de begrotingsbewaking; d. specifieke aandachtsgebieden vanuit het college van bestuur of de bovenschoolse directie. 2. Het college van bestuur verzorgt op zijn beurt de verslaglegging richting de raad van toezicht overeenkomstig de vastgestelde richtlijnen binnen het toezichtkader.

Artikel 13 Wijzigingen en slotbepalingen 1. In gevallen waarin dit managementstatuut niet voorziet, en in geval van interpretatieverschillen, beslist het college van bestuur. 2. Tussentijdse wijzigingen van het managementstatuut, dan wel intrekking of verlenging geschieden bij een afzonderlijk bestuursbesluit, met inachtneming van de juiste medezeggenschapsprocedure en treden niet eerder in werking dan de dag volgend op de dag waarop het bestuursbesluit is genomen. 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het managementstatuut in het gebouw van de school ter inzage beschikbaar is op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie. 4. Dit statuut kan worden aangehaald als managementstatuur Openbaar Onderwijs Emmen 2021. Aldus vastgesteld door het college van bestuur op <datum>, na advies van het DO <datum> en na een positief advies van de GMR op <datum>.

Bijlage 7 Functiebeschrijving bovenschoolse directeur Context In de periode 2016-2020 is in het kader van Duurzaam en Sterk gekozen voor het werken in clusters. Op basis van (tussen|)evaluatie is de wens om een vervolgstap te maken en te anticiperen op een effectieve en slagvaardige organisatie met een doorkijk naar de nieuwe situatie per 1-1-2022 (voorgenomen datum voor verzelfstandiging van Openbaar Onderwijs Emmen (OOE). De bovenschools directeur geeft integraal leiding aan schooldirecteuren van circa 8 scholen (locaties) binnen Openbaar Onderwijs Emmen met diversiteit in onderwijssoorten en schoolgrootten. De bovenschools directeuren vormen samen met de algemeen directeur en de teamleider bedrijfsvoering het directieteam van Openbaar Onderwijs Emmen. Het bestuur en de algemeen directeur vervullen een beleidsbepalende rol en ontwikkelen op hoofdlijnen de strategische doelstellingen voor de organisatie. De bovenschools directeuren vertalen samen met de teamleider bedrijfsvoering en het bestuurskantoor het strategisch bestuursbeleid naar algemene beleidsuitgangspunten en kaders voor de scholen. De bovenschools directeur is verantwoordelijk voor de implementatie van het beleid en de integrale bedrijfsvoering binnen de betreffende scholen en geeft leiding aan de schooldirecteuren op de locaties. Het streven is om deze situatie op uiterlijk 1-8-2021 in te laten gaan.

Werkzaamheden Resultaatgebied 1: onderwijsontwikkeling/verbetering - vertaalt het strategisch bestuursbeleid naar algemene beleidsuitgangspunten en kaders voor de scholen; - vertaalt het strategisch bestuursbeleid naar meerjarenbeleid voor onderwijsprogrammering en organisatieontwerp op de scholen; - overlegt over de bovenstaande punten met de schooldirecteuren en draagt er zorg voor dat deze voldoende inbreng hebben in het beleidsproces; - levert een bijdrage aan het bestuursbeleid op basis van verkregen inzicht in de onderwijsvraag; - draagt ideeën, concepten en beleidsvoorstellen aan over de ontwikkeling en vernieuwing van het onderwijs en de onderwijsorganisatie; - leidt multidisciplinaire projecten en/of is verantwoordelijk voor organisatie brede onderwijsthema’s en neemt actief deel aan beleidsontwikkeling van het bestuur en levert bijdragen aan het bovenschools beleid, visie en strategie en doet beleidsvoorstellen en geeft adviezen; - adviseert het bestuur over het scheppen van de benodigde randvoorwaarden; - initieert en stimuleert vernieuwing van het onderwijsbeleid; - ziet toe en is verantwoordelijk voor de totstandkoming van operationele werkplannen op de scholen en de afstemming tussen die plannen; - bewaakt de onderwijskwaliteit van de aangesloten scholen; - bewaakt de identiteit, missie, afgesproken koers en de afgesproken leer- en ontwikkelingsopbrengsten van de

scholen.

1

Resultaatgebied 2: bedrijfsvoering en organisatie - is verantwoordelijk voor de integrale bedrijfsvoering binnen de scholen; - stelt daarbij de kaders vast voor de scholen; - adviseert het bestuur over de vast te stellen integrale uitvoeringskaders; - verantwoordt via managementinformatie aan het bestuur. Resultaatgebied 3: leiderschap - geeft leiding aan de schooldirecteuren van de aangesloten scholen. - draagt zorg voor de professionele ontwikkeling en talentontwikkeling van de direct onder de directeur vallende medewerkers en begeleidt deze daarbij; - is verantwoordelijk voor de uitvoering van de gesprekscyclus van de direct onder de bovenschools directeur vallende medewerkers; - draagt zorg voor de personele zorg en het personeelsbeheer. Speelruimte De bovenschools directeur beslist over/bij het vertalen van het strategisch bestuursbeleid naar meerjarenbeleid voor onderwijsprogrammering, over/bij het adviseren van het bestuur, over/bij de integrale bedrijfsvoering binnen de direct onder hem/haar vallende scholen en over/bij het leidinggeven aan de schooldirecteuren. De aanpak ligt vast in door het bestuur algemeen geformuleerde strategische beleidskaders. Gestreefd wordt om een uniforme werkwijze te hanteren voor OOE. Voornamelijk op het gebied van bedrijfsvoering.

De bovenschools directeur legt verantwoording af aan het bestuur over de bruikbaarheid van de beleidsadvisering en -ontwikkeling, de integrale bedrijfsvoering en de daarbij te stellen kaders voor de scholen en over het leidinggeven aan de schooldirecteuren. Kennis en vaardigheden - brede kennis van (de ontwikkelingen in) het basisonderwijs en/of speciaal onderwijs; - brede kennis van en inzicht in maatschappelijke ontwikkelingen; - kennis van bedrijfsvoeringsprocessen; - inzicht in en kennis van de schoolomgeving in de regio; - inzicht in de taak, organisatie en werkwijze van de organisatie; - inzicht in en kennis van de schoolomgeving in de regio en van samenwerkingspartners, vervolgonderwijs, enz.; - vaardigheid in het ontwikkelen, verdedigen en uitdragen van het (strategisch) beleid van de organisatie (en vertaling naar locaties); - managementvaardigheden; - bedrijfsmatige vaardigheden; - vaardigheid in het aansturen van professionals. Contacten - met directeuren van scholen over beleidsaangelegenheden om adviezen te formuleren en om afstemming en draagvlak te creëren voor het relevante beleid van de organisatie; - met het bestuur om verantwoording af te leggen, om beleid en uitvoering af te stemmen en te adviseren;

2

Bijlage 8:

FUNCTIEOMSCHRIJVING TEAMLEIDER BEDRIJFSVOERING

1. Functie-informatie Functienaam Teamleider Bedrijfsvoering Organisatie OOE Schaal, scores, niv. 12, 44443 44344 43 43 (52 punten). Groep V.c. Gew. door, met en op VOS/ABB (drs. I. Israel), met FUWA PO op 21 juni 2019 2. Context Schoolbestuur OOE verzorgt het openbaar onderwijs in de gemeente Emmen. Het schoolbestuur biedt zowel basisonderwijs als speciaal (voortgezet) onderwijs. Het schoolbestuur wordt beleidsmatig en beheersmatig ondersteund door een staf-/ en ondersteuningsorganisatie (team bedrijfsvoering). De teamleider Bedrijfsvoering geeft leiding aan team bedrijfsvoering. De teamleider Bedrijfsvoering legt verantwoording af aan de algemeen directeur. 3. Resultaatgebieden Strategische beleidsvorming (staforganisatie)  Vertaalt het strategisch beleid naar het meerjarenbeleid van de diverse domeinen;  Ontwikkelt/ stelt (meerjaren) doelen voor de bedrijfsvoering en bewaakt deze;  Ontwikkelt en implementeert de planning- en controlcyclus;  Signaleert en reageert op interne en externe ontwikkelingen die van invloed zijn op OOE;  Adviseert het bevoegd gezag, de algemeen directeur en het directieberaad over het scheppen van de benodigde randvoorwaarden;  Adviseert interne belanghebbenden over bedrijfsvoeringsvraagstukken;  Bewaakt de samenhang tussen het onderwijs en de bedrijfsvoeringsprocessen.

Voorbereiding en uitvoering van ondersteunende processen  Onderzoekt welke onzekere factoren (risicoanalyse) het realiseren van het beleid en doelen in de weg kunnen staan;  Stuurt op en is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de (meerjaren)formatieplannen;  Ontwikkelt draagvlak met de diverse budgethouders voor beleid en procedures;  Stelt voor het vervolgproces en de opbouw van een definitief team Bedrijfsvoering een definitief functiebouwwerk voor en doet een voorstel voor aanpassing van het functieboek OOE. Coördinatie dagelijkse gang van zaken en leidinggeven  Geeft leiding aan team bedrijfsvoering;  Stuurt de diverse beleidsdomeinen aan;  Draagt zorg voor de bedrijfsvoering en het goed functioneren van alle activiteiten en processen die dienstverlenend zijn aan de primaire processen;  Bevordert de coördinatie en samenhang van het uit te voeren beleid tussen verschillende beleidsdomeinen. Profilering OOE  Vertegenwoordigt de onderwijsinstelling naar (onder andere) in- en uitstroominstellingen op gebied van bedrijfsvoering;

Bouwt voor de onderwijsinstelling relevante contacten en netwerken op gebied van bedrijfsvoering op (o.a. ministerie, accountants, e.d.) en onderhoudt deze.

4. Bevoegdheden, kader & verantwoording  Beslist bij/over: het vertalen van het strategisch beleid naar algemene beleidsuitgangspunten en kaders voor de ondersteuning en de wijze van leidinggeven aan team bedrijfsvoering.  Kader: de strategische koers en beleid van OOE en wet- en regelgeving op gebied van bedrijfsvoering  Verantwoording: legt verantwoording af aan de algemeen directeur over de bruikbaarheid van de beleidsvorming vanuit het team bedrijfsvoering en de kwaliteit van de bedrijfsvoeringsprocessen. 5. Kennis en vaardigheden  Kennis van inrichting staf-/ondersteuningsorganisatie en kennis van administratieve processen;  Kennis van bedrijfsvoering en overige secundaire processen;  Kennis van de beleidsterreinen van een onderwijsinstelling, bestuurlijke verhoudingen en van zich daarin afspelende ontwikkelingen;  Brede kennis van en inzicht van maatschappelijke en regionale trends in relatie tot bedrijfsvoering;  Vaardig in het omgaan met verschillende belangen en het verwerven van draagvlak;  Vaardig op het gebied van managementtechnieken en het managen van uitvoeringsprocessen;  Vaardig in het verbinden van mensen, coachen medewerkers, stimuleren en enthousiasmeren. 6.

Contacten  Met de adviseurs over het beleid en de bedrijfsvoeringsprocessen om deze af te stemmen;  Met bestuur en directeuren over beleidsaangelegenheden en de uitvoering van het organisatiebeleid om te adviseren, af te stemmen en afspraken te maken;  Met de verschillende beleidsdomeinen over de uitvoering en implementatie van het beleid om een integrale lijn/ de samenhang te bewaken;  Met externe partijen over mogelijke contracten en dienstverlening om afspraken te maken.

Bijlage 9

Profielschets raad van toezicht

1. Uitgangspunten 1

Het algemene belang van Openbaar Onderwijs Emmen staat bij de leden voorop.

2

De leden onderschrijven de openbare identiteit van Openbaar Onderwijs Emmen zoals verwoord in artikel 46 van de wet op het primair onderwijs.

3

De leden onderschrijven de visie en de missie van Openbaar Onderwijs Emmen.

4

De leden onderschrijven de grondslag en de doelstelling van Openbaar Onderwijs Emmen.

5

De leden onderschrijven de code goed bestuur.

De vereisten in dit profiel zijn van algemene aard, gericht op een goede en evenwichtige samenstelling van de raad van toezicht en van specifieke aard, gericht op de adequate en specifieke invulling van specifieke functies binnen de raad van toezicht. 2. Verwachtingen ten aanzien van de taak Een lid van de raad van toezicht: 1 opereert onafhankelijk, zonder last of ruggespraak; 2

is in staat de bestuurder te adviseren bij de uitoefening van zijn functie;

3

staat open voor de een dialoog met en geeft verantwoording aan belanghebbenden, zoals ouders en de lokale gemeenschap

4

onderscheidt de rol van intern toezichthouder ten opzichte van de rollen van de bestuurder en het management en handelt daarnaar;

5

bewaakt de leidende principes van de stichting en bevraagt de bestuurder op de realisatie daarvan;

6

is in staat de dialoog met de bestuurder te voeren en neemt daarbij ook zelf initiatieven.

3. Samenstelling Het gaat bij de samenstelling van de raad van toezicht niet om aparte portefeuilles maar om invalshoeken. De raad van toezicht is in staat om met betrekking tot deze invalshoeken aandachtspunten te signaleren. Voor Openbaar Onderwijs Emmen zijn in ieder geval de volgende invalshoeken van belang: 1 Onderwijs in brede zin; 2

Jeugd en zorg in brede zin;

3

Financiën;

4

HRM;

5

Bestuur, overheid en juridische zaken.

Bij de benoeming van een intern toezichthouder wordt gebruik gemaakt van een vooraf opgesteld individueel profiel dat is afgeleid van dit algemene profiel. Profiel lid Elk lid van de raad van toezicht: 1 is van onbesproken gedrag aan te tonen door een verklaring omtrent het gedrag; 2

beschikt over strategisch inzicht;

3

beschikt over een sterk normbesef en handelt integer en zorgvuldig;

4

heeft inzicht in politieke en maatschappelijke verhoudingen;

5

heeft bij voorkeur aantoonbare ervaring met het besturen van omvangrijke en/of complexe instellingen of heeft daar in de rol van intern toezichthouder gefunctioneerd;

6

heeft kennis van en/of ervaring met processen van organisatieontwikkeling en organisatieverandering;

7

kan functioneren in teamverband;

8

voelt zich betrokken bij het primair onderwijs en is op hoofdlijnen vertrouwd met de ontwikkelingen in het onderwijs;

9

kan zich onafhankelijk opstellen ten opzichte van de binnen de stichting aanwezige geledingen;

10 beschikt over een relevant netwerk; 11 beschikt over voldoende tijd en motivatie voor inzet en commitment. De raad van toezicht kan desgewenst een onderlinge verdeling van aandachtsgebieden afspreken en commissies in het leven roepen. De aandachtsgebieden zullen in de regel worden bepaald door de achtergrond, discipline en deskundigheid van de leden van de raad van toezicht. Deze aandachtgebieden kunnen nader worden omschreven. Competenties lid Maatschappelijke inbreng – van buiten naar binnen Een lid van de raad van toezicht is goed geïnformeerd over maatschappelijke, politieke en onderwijskundige ontwikkelingen of andere omgevingsfactoren. Hij/zij brengt deze informatie op een relevante en inspirerende wijze over op het beleid van de organisatie. Ambassadeurschap – van binnen naar buiten Een lid van de raad van toezicht ontwikkelt makkelijk relaties binnen en buiten de kring van de organisatie, en bestendigt deze voor het verkrijgen of verstrekken van informatie over het handelen, beleid en belang van de organisatie. Richting geven en strategisch denken Een lid van de raad van toezicht kan in hoofdlijnen denken, kan voorstellen doen voor de vertaling van een visie in strategische doelen, kan een gemeenschappelijk beeld van wenselijk en toekomstig beleid op hoofdlijnen formuleren, kan met vernieuwende ideeën komen en weet anderen voor eigen ideeën en meningen te winnen.

Inspireren en stimuleren Een lid van de raad van toezicht handelt in woord en daad ondersteunend aan de organisatie, stimuleert tot actie en draagt uit eigen beweging inspirerende oplossingen en ideeën aan. Brede professionaliteit en beschikbaarheid Een lid van de raad van toezicht draagt bij aan het gemeenschappelijk belang en is bereid binnen de grenzen van het redelijke een daadwerkelijke bijdrage te leveren wanneer hierom wordt gevraagd. Veranderingsbereidheid en leerbaarheid Een lid van de raad van toezicht staat open voor en kan zich aanpassen aan nieuwe inzichten, en /of veranderende omstandigheden en verhoudingen, eisen en regelgeving en kan nieuwe informatie gemakkelijk opnemen en toepassen. Aanspreken en aangesproken worden Een lid van de raad van toezicht kan medeleden aanspreken op het vervullen en actualiseren van de vereiste competenties, op het verzaken hiervan of op het handelen of spreken in strijd hiermee en kan feedback die van anderen wordt ontvangen accepteren. Aanvullend profiel voorzitter Van de voorzitter van de raad van toezicht wordt daarnaast specifiek verwacht dat hij/zij:

1

de vergaderingen van de raad van toezicht leidt en voor de bestuurder en eventueel andere betrokkenen het eerst aanspreekbare lid van de raad van toezicht is;

2

in staat is de raad van toezicht zowel intern en extern te vertegenwoordigen;

3

in staat is het functioneren van de leden van de raad van toezicht en de bestuurder te beoordelen;

4

in staat is besluitvorming te bevorderen aangaande lastige en complexe zaken;

5

in staat is de onderscheidende rollen van de verschillende geledingen (in het bijzonder die van de raad van toezicht en de bestuurder) te bewaken;

6

in samenspraak met een ander lid van de raad van toezicht, ten behoeve van de bestuurder vertrouwenspersoon kan zijn.

Aanvullende competenties voorzitter Binden en bouwen De voorzitter van de raad van toezicht is in staat de raad van toezicht onderling te binden tot een eenheid in verscheidenheid. Voorts weet de voorzitter met inachtneming van een ieders inbreng de lijn te destilleren die van belang is voor de organisatie. De voorzitter weet op kundige wijze om te gaan met mogelijke tegenstellingen binnen de raad van toezicht of tussen de raad van toezicht en de bestuurder. Gezaghebbend en crisisbestendig De voorzitter is van onbesproken gedrag en imago. Hij/zij is in staat om tijdens crises op goede wijze de rug recht te houden en op adequate wijze beslissingen te nemen, waarbij een natuurlijk gezag vormgeeft aan de besluitvorming.

Bijlage 10 Profielschets college van bestuur

Het College van Bestuur wordt gevormd door 1 lid, hierna te noemen ‘bestuurder’. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bestuurder komen tot uiting in de volgende rollen: 1 vanuit eindverantwoordelijkheid voor de totale onderwijsorganisatie verantwoording afleggen over het gevoerde beleid aan de Raad van Toezicht en het gemeentebestuur/ de gemeentebesturen; 2

verantwoordelijkheid dragen voor de strategie van de organisatie;

3

verantwoordelijkheid dragen voor de onderwijskundige kwaliteit van de openbare scholen;

4

verantwoordelijkheid dragen voor de bedrijfsmatige aansturing van de onderwijsorganisatie;

5

positionering en belangenbehartiging van het openbaar onderwijs in het algemeen, in het woongebied van de gemeente(n)

6

directe aansturing van en verantwoordelijkheid vragend aan de bovenschools directeuren;

7

directe aansturing van en verantwoordelijkheid vragend aan de directeur bedrijfsvoering;

8

werkgeverschap vervullen voor alle personeelsleden die in dienst zijn van de organisatie.

Profielschets College van Bestuur Algemene functie-eisen: 1 Academisch werk- en denkniveau; 2

Ervaring als bestuurder van een onderwijsorganisatie;

3

Bij voorkeur ruime ervaring als schoolleider primair onderwijs of onderwijs gerelateerd;

4

Kennis van wet- en regelgeving voor het primair onderwijs;

5

Kennis van de bekostiging, begroten en formatietoedeling in het primair onderwijs;

6

Kennis van landelijke (en internationale) ontwikkelingen, zowel op onderwijskundig terrein als op het gebied van bedrijfsvoering;

7

Affiniteit met het openbaar onderwijs en visie op diens positie in de regio;

8

In staat tot het formuleren van de strategie en deze te vertalen naar heldere organisatiedoelen;

9

Strategisch en procesgericht leiderschap, met gevoel voor politieke en bestuurlijke verhoudingen.

Persoonlijke eigenschappen: 1 Professionaliteit; 2

Resultaatgerichtheid;

3

Analytisch vermogen;

4

Loyaal aan de doelen van de organisatie;

5

Stimulerend vermogen;

6

Kwaliteiten als teambuilder;

7

Daadkrachtig en overtuigingskracht;

8

Communicatieve vaardigheden (zowel in de persoonlijke overtuiging als in heldere, schriftelijk weergegeven beleidsdocumenten).

Bijlage 11

Personeelsbestand OOE peildatum 1-1-2021

R-ON-12800-a Personeelssterkte

Peildatum: 01-012021

10249 Gemeente Emmen afdeling Onderwijs

Personeelssterkte per functiegroep Functiegroep Salarissen OP

Totaal Aantal Personen Bezetting (wtf)

Salarissen OOP

Aantal Personen Bezetting (wtf)

Salarissen Directie

Aantal Personen Bezetting (wtf)

Fulltime 386

Parttime 104

282

21

88

33

9

290,5584 109 73,4093 42 39,7343

Bijlage 12

MEMO OVERDRACHT PERSONEELSDOSSIERS

Datum 28 oktober 2020 Betreft Overdracht personeelsdossiers Autoriteits persoonsgegevens Met betrekking tot de overdracht van personeelsdossiers is bij de autoriteit persoonsgegevens het volgende vastgelegd: Dit mag bij een faillissement, fusie of overname. Maar om uw privacy te beschermen moet uw werkgever zich hierbij wel aan de volgende voorwaarden houden: Uw werkgever kondigt de overdracht aan, bijvoorbeeld via intranet of het personeelsblad. Uw werkgever mag niet meer gegevens verstrekken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van uw arbeidsovereenkomst of aanstelling als ambtenaar. Uw werkgever moet daarom uw personeelsdossier opschonen en alle oude en niet meer relevante gegevens verwijderen. U krijgt de mogelijkheid om uw personeelsdossier in te zien en eventueel bepaalde gegevens te laten corrigeren, beperken of verwijderen. Ook kunt u in voorkomende gevallen bezwaar maken. Conform het bovenstaande moet na het definitieve besluit en ruim voor de verzelfstandigingsdatum het volgende doorlopen worden: Het bevoegd gezag kondigt de overdracht aan. Het bevoegd gezag mag niet meer gegevens verstrekken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De werknemers hebben het recht om hun dossier in te zien. Dat bij bij de aankondiging aangegeven.

Met de invoering van AVG krijgen werknemers de mogelijkheid bepaalde gegevens te verwijderen en bezwaar aan te tekenen tegen de overdracht. Opvolgend werkgeverschap Er is sprake en opvolgend werkgeverschap. Voor de overdracht van het personeelsdossier betekent dit dat de “nieuwe werkgever” (de stichting openbaar onderwijs) in gelegenheid moet worden gesteld om het werkgeverschap voort te zetten. Bewaarplicht Wettelijk gelden onderstaande bewaartermijnen voor de personeelsdossiers van oud werknemers: 1 jaar: Alle informatie die te maken heeft met sollicitatiegegevens. Sollicitatiebrief of sollicitatieformulier Curriculum vitae (cv) Referenties Correspondentie met de sollicitant Getuigschriften VOG Psychologisch onderzoek en assessments

2 jaar: Het overgrote deel van de werknemersgegevens in het personeelsdossier. De aanstellingen Correspondentie over benoemingen, promotie/demotie en ontslag Afspraken over het lidmaatschap van de MR Verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken Verslagen in het kader van de Wet verbetering poortwachter Correspondentie met de bedrijfsarts en het UWV over ziekteverzuim en re-integratie Verslagen over probleemsituaties(inclusief financiële problemen) 5 jaar: Loonbelastingverklaringen (ook als deze zijn vervangen door nieuwe) Kopie van het identiteitsbewijs 7 jaar: De salarisadministratie en gegevens die fiscaal van belang zijn. Persoonlijke gegevens ex-werknemer (stamkaart) Datum van indiensttreding Salarisadministratie Arbeidsvoorwaarden (aanvullende arbeids- en salarisafspraken) Arbeidsvoorwaarden over samenleving Uitgangspunten voor de overdracht personeelsdossiers Openbaar Onderwijs Emmen De dossiers van alle medewerkers die op 1 januari 2022 in dienst van Openbaar Onderwijs Emmen worden overgedragen aan de stichting. De overdracht wordt door het bestuur van Openbaar Onderwijs Emmen aangekondigd in een nieuwsbrief over de verzelfstandiging Uitgangspunt bij de overdracht is dat de huidige dossiers 1 op 1 worden overgedragen. Medewerkers hebben te allen tijde het recht hun dossier in te zien.

In het kader van de overdracht biedt Openbaar Onderwijs Emmen deze mogelijkheid nogmaals aan Op grond van de AVG hebben medewerkers de mogelijkheid om onderdelen van hun dossier te laten verwijderen. Onderdelen die noodzakelijk/ van belang zijn om het (opvolgend) werkgeverschap uit te oefenen kunnen niet verwijderd worden. In dit kader bevat een personeelsdossier minimaal de volgende onderdelen en worden deze onderdelen ook overgedragen aan de stichting: – ID-bewijs – Loonbelastingverklaring – Formulier NAW en bankgegevens – VOG (mee eens: ik kan me daarnaast, voorstellen dat het opvolgend bestuur een actuele VOG opvraagt bij de werknemers) – Diploma’s – Aktes – Overzicht Diensttijd – Overzicht Jubilea – Correspondentie over benoeming(en), arbeidsvoorwaarden, promotie/demotie en ontslag – Verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken vanaf 1-1-2019 – Afspraken over het lidmaatschap van de MR – Lopende verzuimdossiers – Correspondentie met de bedrijfsarts en het UWV over ziekteverzuim en re-integratie – Verslagen, e-mails, brieven , onderzoeksrapportages etc. betrekking hebbend op met de werknemers besproken probleemsituaties en ingezette verbeterinspanningen

Bijlage 13 Treasurystatuut 1. Inleiding Onderwijsinstellingen ontvangen rijksbekostiging voor het geven van onderwijs. De rijksbekostiging wordt maandelijks uitgekeerd volgens een vastgesteld betaalritme. Met de rijksbekostiging worden de kosten gedekt en uitgaven gefinancierd voor de korte én de lange termijn. Onderwijsinstellingen moeten dus waarborgen inbouwen voor een gezonde bedrijfsvoering op korte en lange termijn. Onderwijsinstellingen hebben daarvoor te allen tijde voldoende liquide middelen nodig. Het treasurystatuut legt vast hoe instellingen omgaan met het vermogensbeheer van geldmiddelen. Openbaar Onderwijs Emmen legt met dit treasurystatuut vast volgens welke procedures besluiten tot stand komen en aan welke richtlijnen de bij beleggingen betrokken personen zich moeten houden. Het statuut is van toepassing op de publieke en private middelen. Het ministerie van OCW stelt ten aanzien van beleggingen als uitgangspunt dat publiek geld wordt verstrekt ten behoeve van het primaire proces van onderwijsinstellingen, namelijk het verzorgen van onderwijs en onderzoek. Dit proces mag niet in gevaar worden gebracht door het aangaan van risico’s die daar niet direct betrekking op hebben. Daarbij worden de overige liquide middelen die niet zijn afgescheiden van publieke middelen gelijk gesteld aan publieke middelen.

Het ministerie heeft de kaders voor beleggen en belenen van liquide middelen vastgelegd in de Regeling beleggen, lenen en derivaten door instellingen voor onderwijs en onderzoek OCW 2016. Het treasurybeleid vindt plaats binnen de kaders van de deze regeling. Bij vaststelling van dit statuut, door het college van bestuur, zal vervolgens periodiek een treasuryplan opgesteld worden waarin een stappenplan wordt opgenomen om te komen tot een praktische invulling van het gekozen treasurybeleid. De accountant controleert het treasurystatuut als onderdeel van de jaarlijkse controle van het jaarverslag. 2. Uitgangspunten en richtlijnen en limieten 2.1 Uitgangspunten Het treasurybeleid van Openbaar Onderwijs Emmen maakt onderdeel uit van het financiële beleid van Openbaar Onderwijs Emmen. Het treasurybeleid vindt plaats binnen de kaders van de Regeling beleggen, lenen en derivaten door instellingen voor onderwijs en onderzoek OCW 2016. Bij het aantrekken respectievelijk uitzetten van alle benodigde respectievelijk overtollige middelen wordt gehandeld overeenkomstig de in deze regeling gestelde verplichtingen. 2.2 Risico uitgangspunten Het treasurybeleid is gericht op het uitsluiten dan wel minimaliseren van het debiteurenrisico, het renterisico en het interne liquiditeitsrisico. Het debiteurenrisico is de kans dat belegde middelen niet worden terugontvangen van debiteuren.

Dit risico wordt beperkt door te beleggen bij marktpartijen die voldoen aan de in de eerdergenoemde regeling ”Beleggen en belenen” vermelde voorwaarden. Het renterisico wil zeggen het gevaar verbonden aan de veranderingen in de rentestructuur. Enerzijds bestaat dit uit het risico dat bij teveel uitgezette resp. opgenomen leningen nadeel wordt ondervonden van een

rentestijging resp. rentedaling. Anderzijds bestaat dit uit het risico dat bij teveel langlopend uitgezette resp. opgenomen leningen niet kan worden geprofiteerd van een rentestijging resp. rentedaling. Het renterisico dient te worden afgedekt door het opbouwen van een evenwichtige beleggingsportefeuille in relatie tot de geldende rentestructuur en de verwachtingen ten aanzien van de renteontwikkeling. Het interne liquiditeitenrisico is de kans dat opbrengsten worden gemist dan wel kosten worden gemaakt door wijzigingen in de geprognotiseerde financieringsbehoefte en investeringsplannen. Met name de interne informatieverstrekking en de planning van projecten in de investeringssfeer spelen hierbij een belangrijke rol. Goede interne afspraken en een regelmatige actualisatie van de prognoses van de financieringsbehoefte zullen het liquiditeitenrisico beperken. 2.3 Richtlijnen en limieten Algemeen Het betreft hier richtlijnen voor het beleggen en belenen van publieke middelen en voor overige middelen, voor zover deze in de administratie niet zijn afgescheiden van de publieke middelen en voor zover het college van bestuur hiervoor geen aparte richtlijnen heeft vastgesteld. Richtlijnen en limieten t.a.v.

financiering Het aantrekken en uitzetten van alle voor de instelling benodigde respectievelijk overtollige middelen dient plaats te vinden op basis van een actuele prognose van de financieringsbehoefte en een actuele rentevisie. Bij het aantrekken van langlopende geldleningen worden offertes gevraagd bij minimaal 3 partijen. Richtlijnen en limieten t.a.v. uitzettingen Bij het uitzetten van overtollige gelden mogen transacties worden afgesloten met de volgende geldnemers:  financiële instellingen of door financiële instellingen uitgegeven papier met minimaal een AA-rating, afgegeven door tenminste twee erkende rating agencies  de obligatie uitgevende instelling moet een vergunning hebben en moet gevestigd zijn in een EU/EER lidstaat met minstens een AA-rating. Deze laatste rating is niet van toepassing indien het waardepapieren betreft met een solvabiliteitsratio van 0 procent  rechtspersonen voor wier papier een solvabiliteitsratio van 0% geldt  financiële instellingen, met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met het gestelde onder het eerste punt, voor zover vastgelegd en onderbouwd door de instelling.

Als beleggingsinstrumenten van niet voor lopende betalingen benodigde publieke en overige middelen zijn toegestaan:  waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0% geldt  waardepapieren bij financiële instellingen in lidstaten in vormen waarvan de hoofdsom bij opname intact is  met inachtneming van bovenstaande voorwaarden mag belegd worden in staatsobligaties en financiële obligaties uitgegeven door een EU/EER lidstaat  voor waardepapieren met een looptijd langer dan 3 maanden gelden bovenstaande richtlijnen en limieten. Voor waardepapieren korter dan 3 maanden geldt een lagere eis qua rating van minimaal A-1 (+). Indien de belegging/obligatie is gekocht op het moment dat wel wordt voldaan aan de Regeling beleggen en belenen (bijvoorbeeld de kredietrating), maar door een rating verlaging niet meer voldoet aan de kredietratingeis leidt dit niet direct tot een overtreding van de regeling. Op dat moment moet “goed huisvaderschap” worden gepleegd, hetgeen inhoudt dat de obligatie op basis van risico moet worden gevolgd. Indien bijvoorbeeld de resterende looptijd nog beperkt is kan overwogen worden om de obligatie in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=0061d52f-56fb-484d-a3c5-2a56625ebb9d