Bijlage 3 bij RA21.0019 Verzelfstandigingsrapport Openbaar Onderwijs Emmen (RIS.10091)
Tekst van het document
3. Sturing en samenspel We onderscheiden drie vormen van sturing en samenspel in de besturingsfilosofie: - De visie op leidinggeven door bestuur en management; - Het samenspel in de beleidsvorming en de bedrijfsvoering; - De sturing en samenspel tussen onderwijs en bedrijfsvoering. Hieronder zullen we dit achtereenvolgens beschrijven, waarbij we de focus leggen op de onderlinge taken en rollen. a. Taken en rollen: leidinggeven bestuur en management Leidinggevenden vervullen een belangrijke rol in het ontwikkelen van de organisatie en het zichtbaar centraal stellen van de onderwijsvisie. Dit laat zich zien in de samenwerking tussen scholen, de verbinding tussen bestuur en schoolorganisatie, bovenschoolse in- en externe samenwerkingen en processen. Het leiden en aansturen van een dergelijke organisatie vraagt om te kunnen focussen op de kerntaak en coöperatieve en collegiale samenwerking. Persoonlijk leiderschap, eigen verantwoordelijkheid (eigenaarschap) en samenwerking stimuleren we. Hierbij sturen we op resultaat, coachen we op ontwikkeling en faciliteren we om te kunnen laten focussen op eigen kerntaak. We vervullen daarmee de randvoorwaarden, zodat (onderwijs- en bedrijfsvoering) teams hun werk optimaal kunnen doen. Het college van Bestuur bepaalt hierbij de kaders op bestuursniveau.
De bovenschoolse directeuren zijn verantwoordelijk voor vertaling en implementatie van beleid, sturen primair op hoofdlijnen, effecten en resultaten binnen de kaders van OOE. Zij zijn gericht op sturing, monitoring en signalering van onderwijskwaliteit, resultaten en onderwijsontwikkeling. De bovenschoolse directeuren geven leiding aan een aantal locatiedirecteuren. De locatiedirecteuren sturen primair op kwaliteit van onderwijs op hun locatie en stimuleren de ontwikkeling van medewerkers en de schoolorganisatie. Zij leggen verantwoording af aan de bovenschoolse directeur op schoolniveau. De bovenschoolse directeuren leggen vervolgens weer verantwoording af aan het College van Bestuur. Zij leveren data-analyses aan en worden hierbij ondersteund door de stafmedewerker (adviseur kwaliteit en passend onderwijs). De directeur bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor het voeren van een gezonde bedrijfsvoering en onder zijn leiding ontwikkelen de beleidsadviseurs het bovenschoolse beleid van OOE in samenspraak met de bovenschoolse directeuren. De directeur bedrijfsvoering voert risicoanalyses uit en zorgt voor een goede planning &control cyclus; dit alles binnen de bedrijfsvoering. Bovenschoolse directeuren De bovenschoolse directeur is verantwoordelijk voor een efficiënte en effectieve uitvoering en implementatie van het vastgestelde beleid.
De bovenschoolse directeur informeert het College van Bestuur actief als zich in de uitvoering van een besluit belangrijke problemen of risico’s voordoen, zoals de onmogelijke uitvoering van een besluit of een noodzakelijk andere aanpak. Aan de voorkant is de bovenschoolse directeur betrokken bij de ontwikkeling van het beleid en geeft hierbij input aan de beleidsadviseur, waarbij de bovenschoolse directeur weer gevoed wordt vanuit de locatiedirecteuren. Naast de horizontale verantwoordelijkheid voor het totale OOE, is de bovenschoolse directeur verticaal (hiërarchisch) verantwoordelijk voor een aantal locaties. In een zogeheten matrixorganisatie worden verbindingen gemaakt die de onderlinge dialoog tussen alle actoren versterkt. We willen zoveel mogelijk samenwerking faciliteren tussen onderwijs en ondersteuning. Voor het onderwijs proberen we daarom de coördinatielast zo klein mogelijk te maken en een slagvaardig managementteam te vormen waar uitwisseling vanzelfsprekend is. Daarom kijken we naar het gebied van een locatie en een mix van scholen qua grootte, aansturing, complexiteit en opgaves. Ook hierin stimuleren we vaste eenheden en flexibele eenheden, waarbij de locatiedirecteuren samenwerking en uitwisseling zoeken op het gebied van specifieke opgaven.
Directeur bedrijfsvoering Voor de totstandkoming van de beleidsvorming en voor een adequate en correcte bedrijfsvoering is de directeur bedrijfsvoering verantwoordelijk. De beleidsadviseurs doen voorstellen voor beleidsontwikkeling. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor advisering aan het College van Betsuur op het gebied van financiën, personeel, ICT, huisvesting, inkoop en facilitair en de bedrijfsvoering in zijn algemeenheid. De directeur bedrijfsvoering analyseert de dienstverlening en doet verbetervoorstellen. De directeur bedrijfsvoering geeft leiding aan de medewerkers verbonden aan het Bestuurskantoor. Directieteam Het College van Bestuur, de bovenschoolse directeuren en de directeur bedrijfsvoering vormen samen het directieteam. b. Taken en rollen: beleidsvorming Voor de vormgeving van het Openbaar Onderwijs Emmen (OOE) is een belangrijke bouwsteen de verdeling van de rollen en taken rondom beleidsvorming. Beleid wordt enerzijds bepaald door wet- en regelgeving en soms eigen beleid vanwege bestuurlijke nut en/of noodzaak. Beleid is altijd een samenspel tussen de leidinggevenden in het onderwijs en de beleidsadviseurs als specialist en adviseur. Beleidsadviseur De beleidsadviseur is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van up-to-date beleid en het voorbereiden van de besluitvorming.
De adviseur is samen met de directeur bedrijfsvoering verantwoordelijk voor het actueel houden van kengetallen, bedrijfsvoering en risicoanalyse. Zij zorgen dat hun kennis op gebeid van wet- en regelgeving up-to-date is. Zij leveren de kengetallen aan die de basis vormen voor de managementrapportage-gesprekken tussen College van Bestuur en de bovenschoolse directeuren. De adviseur zorgt voor voldoende afstemming met de onderwijsinhoudelijke en bestuurlijke visie van het directieteam en andere belanghebbenden. Afstemmingsmomenten hierover vinden plaats in allerlei vormen van overleg. De adviseurs adviseren het College van Bestuur en de bovenschoolse directeuren. c. Taken en rollen: Bedrijfsvoering De bedrijfsvoering is ondergebracht in een zogenaamd Bestuurskantoor. Het wordt gekenmerkt door vraaggericht werken om het primaire proces (naar behoefte) te ondersteunen en ontzorgen van bestuur en de scholen. Een toekomstbestendige, slimme en wendbare bedrijfsvoering is de norm. Een organisatie die anticipeert op ontwikkelingen in het onderwijs en in de maatschappij, die snel inspeelt op actuele vraagstukken en nieuwe inzichten en daarvoor effectieve oplossingen biedt. Met het uiteindelijke resultaat een flexibele aanpak gekoppeld aan de vraagstukken binnen Openbaar Onderwijs Emmen. De bedrijfsvoering wordt slim, slank, soepel en samen ingevuld.
Slim, slank en soepele inrichting betreft ook de vraag of we dit zelf doen of dat we bedrijfsvoeringstaken uitbesteden. We doen dit in elk geval wanneer bestuur overstijgende samenwerking gewenst is, het een duidelijke meerwaarde heeft om dit zelf te doen en wanneer het gunstiger is om het zelf uit te voeren qua prijs-/kwaliteitsverhouding. Voor het Bestuurskantoor geldt dat we deze zo efficiënt, effectief en slagvaardig mogelijk inrichten met integrale beleidsadviseurs met specialistische aandacht bijvoorbeeld richting de vertaling van specifieke wet- en regelgeving en in samenspel met onderwijs. Hierbij ondersteunen ze het College van Bestuur en het onderwijs. De inzet van de middelen staan met dit inrichtingsprincipe ten dienste aan het onderwijsproces, daarmee brengen we zoveel mogelijk middelen naar het primaire proces
Centraal waar dit kan, decentraal waar dit moet.
3
Inrichtingsprincipes voor organisatie ontwerp Openbaar Onderwijs Emmen
1. Kwaliteit van onderwijs – professionaliteit personeel Met stip op 1: de kwaliteit van het onderwijs en kwaliteit van personeel. De belangrijkste bijdrage daaraan leveren de mensen in de klas met hun professie. Met het stimuleren van initiatief, eigen verantwoordelijkheid en samenwerking stimuleren we de duurzame inzetbaarheid van de medewerkers. We bieden mogelijkheden voor inhoudelijke en professionele ontwikkeling, waarbij de ontwikkeling ingezet kan worden in de school (vast team) en buiten de school (flexibele teams in expertgroepen en dergelijke). Door middel van kwaliteitsgesprekken wordt de dialoog gezocht over de kwaliteit van het onderwijs en wordt in een continu verbeterproces gekeken welke acties op school (in team) worden ondernomen. Om de bovenschoolse eenheden van de organisatie te bepalen staat daarom span-of-support centraal, waarbij we uitgaan van leiderschap, betrokkenheid en de inzet van de benodigde competenties. 2. Focus op de kerntaak We faciliteren de medewerkers optimaal in het uitoefenen van hun vak. Dit doen we op een zodanig effectieve en efficiënte wijze dat we zoveel mogelijk geld hebben om in de klassen en in het onderwijs aan de kinderen te kunnen stoppen. Dat verplicht ons tot procesoptimalisatie, keuzes welke medewerker welke taken het beste kan doen uit kwaliteitsoverwegingen, verminderen van werkdruk of vanuit prijsoverwegingen.
De taken die we uitvoeren, doen we niet voor niks. Ergens moeten deze belegd worden. We kijken waar we dit het beste kunnen doen met als uitgangspunt: focus op de kerntaak. En waar we dit slimmer kunnen organiseren laten we dat natuurlijk niet na. 3. Slagvaardige en adequate ondersteuning Het Bestuurskantoor levert een bijdrage aan de verder professionalisering van het onderwijs. Dit leidt tot meer en beter inzet van middelen in het primaire proces (in de klas – voor de kinderen). Er wordt nagedacht over een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering en benutting van gebouwen en ondersteunende diensten. Vanuit een gedragen visie wordt gewerkt naar efficiency en ontzorging binnen de organisatie vanuit de gedachte: ieder doet wat hij/zij goed in is!
Doorontwikkeling Openbaar Onderwijs Emmen Om uitvoering te geven aan de besturingsfilosofie en om voorbereid te zijn op de zelfstandige stichting, dient Openbaar Onderwijs Emmen zich door te ontwikkelen in 2021-2025. Hiervoor nemen we de verworvenheden mee uit het werken met clusters (Duurzaam en Sterk 2016-2020) en gaan we verder door ontwikkelen op basis van de verworven inzichten voor de toekomst. We maken gebruik van de inzichten en opbrengsten uit de tussenevaluatie in 20182019 en de eindevaluatie in 2020. Op basis van de (tussen)evaluatie is naar voren gekomen dat er behoefte is aan aanscherping voor het werken met clusters, noodzaak vanuit efficiency en beheersbaarheid (financieel) en behoefte aan nog meer uniformiteit, eenduidigheid en slagvaardigheid. Tegelijkertijd dient te worden gekeken naar span of support en de bestuurlijke opdrachten die er voor de komende periode (2021-2025) liggen.
Eind 2018 heeft er een tussenevaluatie plaatsgevonden met betrekking tot het werken in clusters. Dit onderzoek is uitgevoerd door CMO STAMM en door Mercuri Urval. De verschillende geledingen zijn hierbij betrokken. In 2020 heeft de eindevaluatie plaatsgevonden in combinatie met een voorstel voor de doorontwikkeling van OOE met de volgende actoren en op de volgende wijze Clusterdirecteuren -> regelmatige bijeenkomsten over structuurvisie, vragenlijst Locatiedirecteuren -> vragenlijsten + diepte-interview Onderwijsteams Medewerkers bestuurskantoor GMR Sociale partners (DGO) Wethouder Er is een zorgvuldig proces geweest met alle betrokkenen om te komen tot deze notitie. In de afgelopen 4 jaar is regelmatig met de clusterdirecteuren gesproken over doorontwikkeling en werd unaniem de mening gedeeld dat na 2020 Openbaar Onderwijs Emmen (OOE) door moet ontwikkelen naar minder clusters en naar meer uniformiteit en slagvaardigheid.
Organisatieontwerp 2021-2025 Aanleiding voor aanpassing in de structuur De aanleiding om voorstellen te doen voor aanpassingen in de structuur is opgebouwd uit meerdere factoren. De verzelfstandiging, de ontwikkeling van het aantal locaties en de (tussen)evaluatie van Duurzaam en Sterk, waar werken in clusters op is gebaseerd, zijn hiervan de belangrijkste. Verzelfstandiging In 2018 heeft het college besloten de gang naar verzelfstandiging in te zetten. Aanleiding was hiervoor onder meer een meer heldere en exclusieve aansturing en een college van bestuur met slechts 1 belang: het openbaar onderwijs Emmen. In het verzelfstandigingsproces wordt gekeken naar de aansturing en structuur van het bestuurskantoor ook in relatie tot de samenwerking met het onderwijsveld. Ontwikkeling van het aantal locaties Het Openbaar Onderwijs Emmen wil zorgen voor krachtige onderwijsvoorzieningen in de dorpen en wijken waar we gevestigd zijn. Dit betekent dat we streven naar uiteindelijk toegroeien naar één school in elke wijk of dorp van de gemeente Emmen (waar OOE reeds is gevestigd). Inmiddels is gebleken dat door besluitvorming van nieuwbouw en fusies, de verwachting is dat tussen 2021-2025 er nog 27 locaties zijn waarvan 12 locaties klein zijn: minder dan 120 leerlingen. Werken in clusters 2016-2020 Voor Openbaar Onderwijs Emmen is in 2016 gekozen voor het werken in 10 clusters.
De belangrijkste reden hiervoor was dat vanaf 2008 de krimp was ingezet en veel van onze locaties steeds minder leerlingen hadden. De constatering was dat de kwaliteit en de organisatie van de school onder druk kwam te staan aangezien er formatief steeds minder ruimte kwam voor directie. De aanwezige experts moesten ingezet worden voor lesgevende taken en kon er op deze wijze niet maximaal ingezet worden. Er is toen nadrukkelijk gekozen voor het vormen van grotere onderwijseenheden waardoor gezamenlijke expertise (interne begeleider, reken-, taal-, lees coördinatoren, cultuurcoaches, et cetera) op clusterniveau gedeeld en ingezet konden worden. Uiteindelijk leidde dit tot efficiëntere inzet van personeel en middelen. Ook was de bedoeling om
door samenwerking het denken op locatieniveau te doorbreken en hierdoor mobiliteit te vergroten. De locaties blijven in stand (brinnummer) vanwege de bekostiging, maar ook vanuit de gedachte dat in elk dorp/wijk (daar waar openbaar onderwijs is) minimaal 1 openbare school in stand blijft. (Tussen)evaluatie In 2018 is een tussenevaluatie geweest en in 2020 een eindevaluatie met doorontwikkeling van de clusters. Vanuit de tussenevaluatie is aanbevolen om de clusters door te ontwikkelen op basis van de onderstaande 5 belangrijkste conclusies: 1. Er is meer samenwerking tussen scholen, uitwisseling van werkwijzen, middelen en expertise heeft een vlucht genomen; 2. Er is een betere organisatiebrede aanpak en een betere verbinding tussen het bovenschoolse beleid en de praktijk; 3. Het werken in onderwijsteams, zoals bedoeld in 2016, is onvoldoende uitgewerkt. Het locatie denken is wel meer losgelaten; 4. Rol- en taakverdeling en aansturing door de clusterdirecteuren is zeer divers; 5. Betere samenwerking met bestuurskantoor en een goede dienstverlening. Vanuit de evaluatie in 2020 zijn de volgende 5 belangrijkste conclusies getrokken: 1. Verder inzetten op een organisatiebrede aanpak; 2. Bevorder de uitwisseling tussen scholen verder en stuur meer eenduidig en helder aan; 3.
Verbeter de duidelijkheid tussen de rol- en taakverdeling van de cluster- en locatiedirecteur en de beleidsadviseur; 4. Laat het principe onderwijsteams en clusters als sturingsmechanisme los; 5. Investeer in een goede afstemming tussen onderwijs en ondersteuning en behoud hierbij de ontwikkeling dat beleid en onderwijs veel dichter bij elkaar zijn gekomen. Doorontwikkeling na 2020: inrichtingsprincipes Op basis van de aanleiding en deze conclusies alsmede op basis van de besturingsfilosofie en de bestuurlijke prioriteiten op kwaliteit en personeel uit het Bestuurlijk Koersplan komen we tot onderstaande invulling van de organisatie en structuur van Openbaar Onderwijs Emmen. 1. Elk dorp of wijk heeft een eigen openbare school (voor zover mogelijk en niet onder de bekostigingsgrens van 23 leerlingen/opheffingsnorm). Daarnaast gaan we zoveel mogelijk uit van een kwalitatieve grens van 4 groepen (circa 80 leerlingen). Voor instandhouding onder dit leerlingaantal van 80 leerlingen is gebaseerd op andere criteria, bijvoorbeeld laatste school in het dorp. Dit betekent dat scholen met een leerlingenaantal tussen de opheffingsnorm en de kwalitatieve grens het uitgangspunt dat bekeken wordt per situatie op welke wijze kinderen goed onderwijs kunnen krijgen. 2.
We zetten verder in op een organisatie brede aanpak door het uitgangspunt “centraal wat kan, decentraal wat moet” verder uit te werken. De kaders (wat) worden centraal vastgesteld, maar in de vertaling (hoe) kan in overleg ruimte worden gegeven. Hierdoor ontstaat meer uniformiteit en eenduidigheid en kan de focus vooral liggen op de kerntaak. 3. We laten de clusters en onderwijsteams los. Er wordt gewerkt vanuit Openbaar Onderwijs Emmen als geheel. De bovenschoolse directeuren zijn samen met het College van Bestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en personeel op bestuursniveau. Zij zijn in het directieteam (met de directeur Bedrijfsvoering) gezamenlijk verantwoordelijk voor het opstellen, de vertaling en de implementatie van het beleid.
4. We gaan in de periode 2021-2025 werken met vier grotere eenheden om de samenwerking en uitwisseling tussen de scholen te bevorderen en een meer eenduidige aansturing mogelijk te maken. We maken de span of support vanuit de bovenschoolse directeuren groter en streven hierbij naar een span of support voor de bovenschoolse directeur van maximaal 8 locaties. Daarnaast laten we het principe 1 school met 1 locatiedirecteur in stand, maar bieden we maatwerk voor aansturen van 2 locaties (kleiner dan 120 leerlingen) waar wenselijk en mogelijk om uiteindelijk toe te groeien naar minder locaties. We gaan werken in een matrixorganisatie, waarbij de dialoog centraal staat. 5. De bovenschoolse directeuren zijn samen met het College van Bestuur primair verantwoordelijk voor het opstellen van de onderwijskaders op OOE-niveau en verantwoordelijk voor de implementatie en vertaling van beleid. De bovenschoolse directeuren zijn onderling vervangbaar. 6. De bovenschoolse directeuren zijn verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit, onderwijsontwikkeling en de onderwijsresultaten op bestuursniveau. Zij zorgen voor dataanalyses en de bovenschoolse monitoring en leggen hierover verantwoording af aan het College van Bestuur. Zij worden hierbij ondersteund door de adviseurs kwaliteit en passend onderwijs. 7.
De directeur bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor advisering op het gebied van financiën, personeel, ICT, huisvesting, inkoop en facilitair en adequate en correcte bedrijfsvoering. De directeur bedrijfsvoering zorgt voor risicoanalyses op gebied van bedrijfsvoering. De directeur bedrijfsvoering is leidinggevende voor de medewerkers op het bestuurskantoor. 7. De locatiedirecteur onderwijskundig leider is en met name verantwoordelijk voor kwaliteit van onderwijs (zicht op onderwijs en resultaten en de onderwijsontwikkeling) en kwaliteit van personeel (professionaliteit) gebaseerd op uniforme en eenduidige kaders en criteria op zijn/haar locatie. Dit alles past binnen het kwaliteitsbeleid zoals vastgesteld op bestuursniveau. De locatiedirecteur is aanspreekpunt voor ouders, voert de inzetbaarheids- en kwaliteitsgesprekken met de medewerkers op de locatie. 8. Het College van Bestuur is verantwoordelijk voor zowel onderwijs en de bedrijfsvoering. Het College van Bestuur geeft leiding aan de vier bovenschoolse directeuren en de directeur bedrijfsvoering. De strategisch adviseur functioneert als een bestuurssecretaris en ondersteunt het College van Bestuur in het aanleveren van bestuursrapportages voor de RvT en de stukken aan de GMR.
Bijlage 3
Statuten
Artikel 1.
Naam
1
De naam van de stichting is: Openbaar Onderwijs Emmen
2
Zij heeft haar zetel in de gemeente Emmen na 1 januari 2022.
Artikel 2.
Begripsbepaling
In deze statuten wordt verstaan onder: a De gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Emmen; b
Stichting: Openbaar Onderwijs Emmen
c
De scholen: de openbare scholen voor primair onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs die onder het bestuur van de stichting vallen;
d
Gemeente: de gemeente Emmen;
e
College van B&W: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente als bedoeld onder d;
f
WPO: de Wet op het primair onderwijs
g
GMR: de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de stichting;
h
College van bestuur: het bevoegd gezag van de stichting;
i
Raad van toezicht: de intern toezichthouder van de stichting.
Artikel 3.
Doel en middelen
1
De stichting heeft ten doel het geven van openbaar onderwijs aan de scholen (basisscholen, speciaal onderwijs en speciaal voorgezet onderwijs) die onder haar gezag vallen, met inachtneming van artikel 46 van de WPO.
2
De stichting heeft ten doel het bieden van onderwijs en opvang in de leeftijd van 0 tot 20 jaar.
3
De stichting heeft geen winstoogmerk.
4
Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd door: a
rijksbekostiging;
b
vergoedingen voor de door de stichting verleende diensten;
c
subsidies, giften en donaties;
d
hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving;
e
hetgeen op andere wijze verkregen wordt binnen de kaders van wet- en regelgeving.
Artikel 4.
Visie en grondslag
De stichting zorgt voor openbaar onderwijs: a Dat bijdraagt aan de ontwikkeling van de leerlingen vanuit de kernwaarden van het openbaar onderwijs: gelijkwaardigheid, vrijheid en ontmoeting en geeft hier op actieve wijze invulling aan; b
Dat toegankelijk is voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing;
c
Dat wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing;
d
Waarvoor personeel op gelijke voet benoembaar is.
Artikel 5.
College van Bestuur; samenstelling, benoeming, schorsing en ontslag, belet en ontstentenis
1
De stichting wordt bestuurd door een college van bestuur, bestaande uit ten hoogste twee natuurlijke personen.
2
Het college van bestuur wordt benoemd door de raad van toezicht conform het bepaalde in artikel 17c lid 3 van de WPO. De raad van toezicht benoemt de voorzitter van het college van bestuur. Indien het college van bestuur slechts uit één persoon bestaat, is deze persoon automatisch voorzitter en draagt de naam bestuurder.
3
Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt gelet op de aanwezigheid van algemeen bestuurlijke kwaliteiten, kennis en ervaring met het onderwijs en affiniteit met de doelstelling van de stichting. Daarnaast wordt rekening gehouden met een spreiding van deskundigheden en achtergronden. Deze zaken worden door de raad van toezicht in algemene zin vastgesteld in een profielschets. De raad van toezicht kan - indien overgegaan moet worden tot de vervulling van een vacature - besluiten tot een aanvulling dan wel een nadere detaillering van de vereiste kwaliteiten en eigenschappen van de leden van het college van bestuur.
4
De leden van het college van bestuur worden benoemd voor een periode gelijk aan de duur van hun arbeidsovereenkomst.
5
De raad van toezicht is belast met het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden, bezoldiging en kostenvergoedingen van de leden van het college van bestuur.
6
Het college van bestuur kan onderling vaststellen welk lid met welke taak meer in het bijzonder zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle leden van het college van bestuur voor het gehele bestuur onverlet.
7
Een lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad van toezicht met inachtneming van het bepaalde in de cao voor bestuurder in het PO. De schorsing van de bestuurder vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman.
8
De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ontslaan. Het betreffende lid wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de raad van toezicht te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman.
9
Het college van bestuur defungeert: a
door zijn overlijden;
b
door zijn vrijwillig aftreden (bedanken);
c
door zijn ontslag door de rechtbank;
d
door zijn ontslag verleend door de raad van toezicht, en
e
door het verstrijken van de duur van zijn arbeidsovereenkomst;
f
door toetreding tot het college van B&W dan wel toetreding van de gemeenteraad in de gemeente waarin de scholen van de stichting zijn gevestigd.
10 In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallig college van bestuur behoudt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur wordt het college van bestuur waargenomen door één persoon die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen. Gaat de raad van toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het college van bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt aangewezen.
Artikel 6.
College van Bestuur; taken en bevoegdheden
1
Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt de bestuurder zich naar het belang van de stichting, het belang van het openbaar onderwijs en het belang van de samenleving.
2
De bestuurder heeft al die taken en bevoegdheden die niet bij of krachtens deze statuten aan anderen zijn toegekend.
3
Het college van bestuur formuleert concrete doelstellingen, daarbij rekening houdend met de belangen van hen die bij die scholen zijn betrokken en rekening houdend met de eisen die de samenleving aan onderwijs stelt. Het college van bestuur legt in het jaarverslag verantwoording af over de mate waarin de doelstellingen worden gehaald.
4
Het college van bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen. Voor het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt, is voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig.
5
Het college van bestuur heeft in ieder geval voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: a
het vaststellen van het strategisch meerjarenplan;
b
het vaststellen van de begroting en meerjarenbegroting;
c
het vaststellen van de jaarrekening en het jaarverslag;
d
het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en het bedrag van € 100.000,- overschrijden;
e
de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek;
f
ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers in dienst van de stichting;
g
een aanvraag tot faillissement of van surséance van betaling;
h
(het doen van een voorstel tot) opheffing of afsplitsing van (een deel van) door de stichting in stand gehouden scholen;
i
het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen;
6
Ieder lid van het college van bestuur zorgt voor voortdurende persoonlijke ontwikkeling in relatie tot de totale benodigde deskundigheid van het college van bestuur.
7
Het functioneren van het college van bestuur wordt periodiek door de raad van toezicht beoordeeld.
Artikel 7.
College van Bestuur; werkwijze
1
In de vergaderingen van het college van bestuur heeft ieder lid van het college van bestuur één stem. Alle besluiten van het college van bestuur worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
2
In het geval de stemmen staken brengt het college van bestuur de raad van toezicht hiervan onverwijld schriftelijk op de hoogte. Binnen drie weken na ontvangst van deze schriftelijke mededeling overlegt de voorzitter van de raad van toezicht met het college van bestuur over het voorgenomen besluit. Na dit overleg neemt het college van bestuur alsnog een besluit. Indien dan alsnog de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.
3
Het college van bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden van het college van bestuur in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden van het college van bestuur zich vóór het voorstel heeft
verklaard. Van elk buiten de vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 4
Elk lid van het college van bestuur, alsmede elk lid van de raad van toezicht, is bevoegd een vergadering van het college van bestuur bijeen te roepen. Bij een eenhoofdig college van bestuur is elk lid van de raad van toezicht bevoegd het college van bestuur voor overleg op te roepen waarbij besluitvorming plaatsvindt zoals in het reglement bedoeld in lid 7 van dit artikel beschreven staat.
5
De vergaderingen van het college van bestuur zijn besloten voor zover het college van bestuur niet anders beslist.
6
Van het verhandelde in de vergaderingen van het college van bestuur worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door de voorzitter van de vergadering ondertekend.
7
Het college van bestuur regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de wijze van vergaderen en de wijze van besluitvorming. Het reglement dient vooraf te worden goedgekeurd door de raad van toezicht.
Artikel 8.
Vertegenwoordiging
1
Het college van bestuur alsmede ieder lid van het college van bestuur afzonderlijk vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de WPO niet anders voortvloeit.
2
Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van volmacht aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
Artikel 9.
Toezicht op het Bestuur
1
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren in strijd met de WPO bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 48 lid 11 van de WPO.
2
De raad van toezicht houdt toezicht op het college van bestuur. Dit geschiedt op de wijze en binnen de kaders als omschreven in deze statuten, de WPO en het reglement zoals bedoeld in artikel 11 lid 10.
3
De raad van toezicht is in ieder geval belast met de taken als omschreven in artikel 17c van de WPO.
Artikel 10.
Raad van toezicht
1
Onverminderd het bepaalde ten aanzien van de gemeenteraad in deze statuten, en de WPO is het toezicht op het beleid van het college van bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting opgedragen aan een raad van toezicht. De raad van toezicht bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven natuurlijke personen.
2
De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad. Benoeming geschiedt met inachtneming van een profielschets waarin de noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van de raad van toezicht worden beschreven.
3
De raad van toezicht doet aan de gemeenteraad een voordracht voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht, waarbij: a
Eén lid op bindende voordracht van de GMR benoemd wordt conform artikel 17a lid 2 WPO;
b
Een derde deel maar niet meer dan de helft van het aantal leden op bindende voordracht van de oudergeleding van de GMR benoemd worden conform artikel 48 lid 12 sub b WPO;
c
Het resterende aantal leden op voordracht van de raad van toezicht benoemd worden.
4
De raad van toezicht stelt bij reglement een procedure vast voor de voordracht als bedoeld in lid 3 van dit artikel. De profielschets als bedoeld in lid 2 van dit artikel maakt deel uit van dit reglement.
5
De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftreden geschiedt volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk.
De in een tussentijdse vacature benoemde neemt op het rooster de plaats in van degene in wiens vacature hij werd benoemd. 6
Voor de voorzitter van de Raad van Toezicht wordt een separate profielschets opgesteld en een benoemingsprocedure gevolgd.
7
Eventuele bezoldiging van leden van de raad van toezicht en onkostenvergoedingen aan leden van het college van bestuur en de raad van toezicht geschieden op basis van een door de raad van toezicht vastgesteld - en op hoofdlijnen in het jaarverslag openbaar gemaakt - reglement. Jaarlijks wordt door het college van bestuur uitdrukkelijk in de jaarrekening verantwoord welke bedragen op grond van deze regeling zijn uitgegeven.
8
Het college van bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van de stichting die deze mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting. De door de raad van toezicht aangewezen leden van de raad hebben te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten en terreinen.
9
De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen.
10 Een lid van de raad van toezicht defungeert door: a
overlijden;
b
vrijwillig aftreden (bedanken);
c
het verstrijken van de termijn vermeld in het rooster van aftreden;
d
ontslag verleend door de rechtbank;
e
ontslag hem verleend door de raad van toezicht bij besluit genomen met algemene stemmen van in functie zijnde leden van de raad van toezicht met uitzondering van het betrokken lid van de raad van toezicht;
f
toetreding tot het college van B&W dan wel toetreding van de gemeenteraad in de gemeente waarin de scholen van de stichting zijn gevestigd;
g
verklaring in staat van faillissement;
h
verlening van surseance van betaling;
i
ondercuratelestelling.
11 In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallige raad van toezicht houdt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door de gemeenteraad is of wordt aangewezen. De gemeente dient zo spoedig mogelijk nadat deze situatie is ontstaan hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Gaat de gemeenteraad niet binnen twee weken nadat zij van de gemelde situatie op de hoogte zijn gesteld tot een zodanige aanwijzing over dan wordt de raad van toezicht waargenomen door de persoon die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt aangewezen. 12 Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. 13 Conform de code voor goed bestuur als bedoeld in artikel 171 WPO heeft de raad van toezicht een klankbordfunctie naar het college van bestuur. Artikel 11. 1
Raad van toezicht; werkwijze
In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
2
De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld.
3
Elk lid van de raad van toezicht is bevoegd een vergadering van de raad van toezicht bijeen te roepen.
4
De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig uur. De vergaderingen worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, bij voorkeur in de gemeente waar de scholen zijn gevestigd, te bepalen door degene die de vergadering bijeenriep, dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten.
5
Een lid van de raad van toezicht kan zich door een ander lid van de raad van toezicht ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen. Eén lid van de raad van toezicht kan slechts één medelid ter vergadering vertegenwoordigen.
6
De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht; bij zijn afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding.
7
De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden.
8
Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.
9
Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door de voorzitter van de vergadering ondertekend.
10 De raad van toezicht regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de wijze van vergaderen en de wijze van besluitvorming. 11 In ieder geval bevat het reglement als bedoeld in lid 10 een opsomming van besluiten waarbij het college van bestuur de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig heeft, onverlet het bepaalde in artikel 6 lid 5.
Artikel 12.
Boekjaar, jaarstukken
1
Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar.
2
Het college van bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Na de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht wordt de begroting vervolgens vastgesteld door het college van bestuur.
3
Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, behoudens verlenging van deze termijn, na goedkeuring van de raad van toezicht, met ten hoogste vijf maanden op grond van bijzondere omstandigheden maakt het college van bestuur een jaarrekening en een jaarverslag op over dat boekjaar. Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met bepaalde in artikel 6 lid 3 en legt het college van bestuur verantwoording af over het bepaalde in artikel 4 (specifieke kenmerken openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs). Bij het opmaken van de jaarrekening houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 5 lid 5 en 10 lid 7 (bezoldiging en onkostenvergoeding leden college van bestuur en leden raad van toezicht).
4
Na de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht wordt het jaarverslag en de jaarrekening vervolgens vastgesteld door het college van bestuur. Het college van bestuur zendt binnen twee weken na vaststelling daarvan een afschrift naar de gemeenteraad. De gemeenteraad kan het verzoek indienen om met het college van bestuur te spreken over het jaarverslag en de jaarrekening.
5
De jaarrekening wordt namens het college van bestuur ondertekend door de voorzitter van het college van bestuur en namens de raad van toezicht door de voorzitter van de raad van toezicht.
6
De raad van toezicht draagt jaarlijks het college van bestuur op de jaarrekening te doen onderzoeken door een door de raad van toezicht aangewezen gecertificeerde accountant.
Artikel 13.
Statutenwijziging
1
Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.
2
Het besluit tot statutenwijziging wordt genomen in een voltallige vergadering van het college van bestuur. Is de vergadering niet voltallig, dan zal een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen. Deze vergadering vindt plaats niet eerder dan twee en niet later dan vier weken gerekend vanaf de oorspronkelijke vergadering, ongeacht het aantal aanwezigen.
3
Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks steeds te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee weken.
4
Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Elk lid van het college van bestuur is bevoegd deze akte te doen passeren.
5
De leden van het college van bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Artikel 14.
Ontbinding en vereffening
1
Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Het bepaalde in artikel 13 lid 2 is van overeenkomstige toepassing op een besluit van het college van bestuur tot ontbinding van de stichting.
2
Voorts is de gemeenteraad, in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren in strijd met de WPO als bedoeld in artikel 48 lid 11 van de WPO, bevoegd zo nodig de stichting te ontbinden.
3
Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de vereffening belast.
4
De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister.
5
De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast.
6
Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden "in liquidatie".
7
Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door de wet bepaalde termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Artikel 15.
Juridische fusie en juridische splitsing
1
Het college van bestuur is bevoegd te besluiten tot juridische fusie en juridische splitsing van de stichting. Een dergelijk besluit is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht.
2
Het bepaalde in artikel 13 lid 2 is van overeenkomstige toepassing op besluiten van het college van bestuur tot fusie en splitsing.
Artikel 16.
Overgangs- en slotbepalingen
1
In afwijking van het bepaalde in artikel 10, vijfde lid eindigt de zittingstermijn van twee leden van de eerste raad van toezicht na twee jaar. De raad van toezicht maakt het aftreden van deze leden zichtbaar in het rooster bedoeld in artikel 10, vijfde lid.
2
In alle gevallen waarin de bepalingen van deze statuten in strijd blijken te zijn met de wet, prevaleert de wet.
3
In alle gevallen waarin deze statuten niet voorzien, beslist het college van bestuur.
Bijlage 4 Reglement raad van toezicht Preambule De Raad van Toezicht past de Code Goed Onderwijsbestuur toe zoals deze is opgesteld door de PO-Raad. Dit reglement vormt een nadere uitwerking van deze code en hetgeen bepaald is in de statuten. Artikel 1.
Begripsbepaling
In dit reglement wordt verstaan onder: a Reglement: het reglement van de raad van toezicht van de stichting; b
College van bestuur: het college van bestuur van de stichting;
c
Raad van toezicht: de raad van toezicht van de stichting;
d
Scholen: de openbare scholen voor primair onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs die onder het bestuur van de stichting ressorteren;
e
Statuten: de statuten van de stichting;
f
Stichting: Openbaar Onderwijs Emmen.
Artikel 2.
Eindverantwoordelijkheid van de Raad van toezicht
De raad van toezicht is verantwoordelijk voor de hem bij wet en statuten toegekende bevoegdheden. Artikel 3.
Inhoud reglement
Het reglement bevat regels over: a. De taak en de werkwijze van de raad van toezicht b. De relatie tussen college van bestuur en raad van toezicht c. De regeling van huishoudelijke zaken van de raad van toezicht. Artikel 4.
Vaststelling reglement
1
De raad van toezicht stelt het reglement vast.
2
Alvorens het reglement vast te stellen dan wel te wijzingen stelt de raad van toezicht het college van bestuur en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in de gelegenheid advies uit te brengen.
3
Het reglement, alsmede een wijziging daarvan treedt in werking op de dag volgend op de dag waarop de raad van toezicht het reglement, dan wel een wijziging heeft vastgesteld.
Artikel 5.
Taken van de raad van toezicht
De raad van toezicht oefent de onderstaande taken uit : a Het houden van integraal toezicht (artikel 6 t/m 8); b
Het geven van advies (artikel 10);
c
Het werkgeverschap van de leden van het college van bestuur (artikel 11);
d
Het afleggen van verantwoording (artikel 12).
Artikel 6.
Toezicht houden
Om toezicht op alle aspecten van de stichting te kunnen realiseren werkt de raad van toezicht met een toezichthoudend instrumentarium dat bestaat uit: a een toezichtskader waarin het integrale toezicht beschreven is; b
de controle en het advies van de onderwijsinspectie;
c
de controle en het advies van een aangewezen externe accountant;
d
twee keer per jaar een gesprek met de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad;
e
zo nodig de in te roepen deskundigheid van derden;
f
een gereglementeerde vergaderwerkwijze met informatievoorziening, mening-, besluit- en oordeelsvorming en evaluatie van het toezicht;
g
het zelfstandig inwinnen van informatie.
Artikel 7.
Onderwerpen van toezicht
1
Het toezicht van de raad van toezicht richt zich op strategie, de doelen en het beleid van de stichting en de resultaten daarvan. De raad van toezicht toetst de beleidsvoornemens en uitkomsten op haalbaarheid en effectiviteit, aan de hand van de gestelde doelen.
2
De raad van toezicht bespreekt ten minste eenmaal per jaar:
3
a
De invulling van de maatschappelijke taak van de stichting;
b
De strategie van de stichting;
c
De mogelijke risico’s die de scholen lopen op bedrijfsmatig en onderwijskundig vlak;
d
De risicobeheersing en controlesystemen binnen de stichting;
De raad van toezicht toetst of het college van bestuur bij zijn beleid en bij de uitvoering van de bestuurstaken rekening houdt met de maatschappelijke positie en functie van de stichting.
Artikel 8.
Informatievoorziening
1
De raad van toezicht is verantwoordelijk voor zijn informatievoorziening.
2
De raad van toezicht bepaalt over welke informatie hij wil beschikken en bespreekt dit met het college van bestuur. Het verstrekken van informatie door het college van bestuur geschiedt op gestandaardiseerde wijze op basis van een na overleg tussen raad van toezicht en college van bestuur bepaalde cyclus van planning en control.
3
Het college van bestuur informeert de raad van toezicht in ieder geval over:
4
a
Belangrijke interne en externe ontwikkelingen;
b
Belangrijke wijzigingen op het terrein van wet- en regelgeving;
c
Ernstige problemen of conflicten binnen de stichting;
d
Calamiteiten die gemeld zijn bij de gerechtelijke autoriteiten;
e
Onderwerpen waarover naar verwachting (negatieve) publiciteit in de media te verwachten is.
De raad van toezicht kan desgewenst op eigen gezag en wijze informatie bij derden inwinnen en heeft daartoe toegang tot de documenten en voorzieningen van de stichting.
Artikel 9. 1
Werkwijze van de raad van toezicht
Onverminderd het bepaalde in de statuten over de vergaderwijze en de besluitvorming richt de raad van toezicht zijn vergaderingen als volgt in: a
De raad van toezicht vergadert in aanwezigheid van het college van bestuur tenzij de aard van de bespreking zich tegen de aanwezigheid van het college van bestuur verzet in het geval als bedoeld in artikel 16.
b
De vergadering kent een toezichthoudend en besluitvormend deel en een deel informatiedeling, mening- en oordeelsvorming.
2
3
de voorzitter: a
is binnen de statutaire verantwoordelijkheden van de raad van toezicht in het bijzonder verantwoordelijk voor de voortgang van de werkzaamheden van de raad van toezicht en van het besluitvormingsproces van de raad van toezicht;
b
overlegt periodiek met het college van bestuur.
Besluitvorming: a
Ieder lid heeft één stem; besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen.
b
Bij het staken van de stemmen is het voorstel verworpen
c
Besluitvorming mag ook buiten de vergadering om, mits alle leden: i
Hiermee akkoord zijn
ii
Alle leden een stem hebben uitgebracht
iii
Het besluit in de eerstvolgende vergadering wordt meegedeeld en in de notulen wordt vermeld.
Artikel 10.
Adviseren
1
De raad van toezicht fungeert als klankbord voor het college van bestuur.
2
De voorzitter van de raad van toezicht treedt op als aanspreekpunt voor het college van bestuur.
3
De voorzitter, eventueel aangevuld met andere leden van de raad van toezicht en het college van bestuur overleggen periodiek met elkaar.
Artikel 11.
Werkgeverschap
1
De raad van toezicht treedt op als werkgever van het college van bestuur.
2
De raad van toezicht stelt voor de leden van het college van bestuur een profielschets vast, waarin in ieder geval algemeen bestuurlijke kwaliteiten omschreven staan en affiniteit met het openbaar onderwijs genoemd is. De raad van toezicht toetst in ieder geval tijdens een vacature of deze profielschets bijgesteld moet worden. Het voorstel tot vaststelling van de profielschets, alsmede iedere wijziging daarvan wordt om advies voorgelegd aan het college van bestuur en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.
3
De raad van toezicht stelt – met inachtneming van het advies van het college van bestuur en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad - een regeling vast voor de werving en selectie van de leden van het college van bestuur.
4
De voorzitter van de raad van toezicht, aangevuld met een van de leden van de raad van toezicht, voert gesprekken met de afzonderlijke leden van het college van bestuur op basis van de vastgestelde gesprekkencyclus van de stichting onverminderd het vermelde in een door de raad van toezicht vast te stellen beoordelingskader en beoordelingsprocedure.
5
De raad van toezicht geeft in een bijlage van dit reglement aan welke regelingen voor het college van bestuur van toepassing zijn betreffende de bezoldiging en rechtspositie.
Artikel 12.
Verantwoording
De raad van toezicht legt jaarlijks in een verslag verantwoording af over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden van de raad van toezicht, zoals genoemd in de statuten en dit reglement. Dit verslag maakt deel uit van het jaarverslag van de stichting
Artikel 13.
Benoeming leden van de raad van toezicht
1
De raad van toezicht stelt voor de voorzitter van de raad van toezicht, alsmede voor de leden van de raad van toezicht een profielschets op.
2
De raad van toezicht toetst in ieder geval tijdens een vacature of deze profielschets bijgesteld moet worden. Het voorstel tot vaststelling van de profielschets, alsmede iedere wijziging daarvan, wordt voor advies voorgelegd aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.
3
De raad van toezicht stelt – met inachtneming van het advies van het college van bestuur en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad – een regeling vast voor de werving en selectie van de leden van de raad van toezicht.
4
De voorzitter van de raad van toezicht voert gesprekken met de afzonderlijke leden van de raad van toezicht op basis van de vastgestelde gesprekkencyclus van de stichting onverminderd het vermelde in een door de raad van toezicht vast te stellen beoordelingskader en beoordelingsprocedure.
5
Van het lidmaatschap van de raad van toezicht zijn uitgesloten: a
Personen in dienst van de stichting;
b
Personen die als gemeenteraadslid zijn van een gemeente op wier grondgebied een openbare school van de stichting staat;
c
Personen die lid zijn van het college van B & W van een gemeente op wier grondgebied een openbare school van de stichting staat;
d
Personen die lid zijn van een medezeggenschapsraad van een tot de stichting behorende school;
e
Personen die lid zijn van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de stichting;
f
Personen die lid zijn van het college van bestuur van de stichting.
Artikel 14.
Deskundigheid
De raad van toezicht houdt zijn kwaliteit en deskundigheid op peil door middel van deskundigheidsbevordering en vermeldt de activiteiten op dit terrein in het verslag zoals genoemd in artikel 12. Artikel 15.
Commissies
De raad van toezicht kan commissies instellen bestaande uit leden van de raad van toezicht en/of externe deskundigen, die onder verantwoordelijkheid van de raad van toezicht belast kunnen worden met aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de raad van toezicht behoren. Een commissie is verantwoording schuldig aan de raad van toezicht. Artikel 16.
Evaluatie
1
De raad van toezicht evalueert ten minste eenmaal per jaar – in aanwezigheid van het college van bestuur de relatie tussen de raad van toezicht en college van bestuur.
2
De raad van toezicht evalueert ten minste eenmaal per jaar – buiten aanwezigheid van het college van bestuur – zijn eigen functioneren als toezichthoudend orgaan. De raad van toezicht bespreekt het resultaat van de evaluatie met het college van bestuur.
Artikel 17.
Vergoedingen aan de raad van toezicht
1
De raad van toezicht stelt op voorstel van het college van bestuur een regeling vast voor de uitbetaling van vacatiegeld en onkostenvergoeding voor de leden van de raad van toezicht.
2
In het jaarverslag wordt vermeld welke bedragen op grond van de in het eerste lid van dit artikel genoemde regeling in het boekjaar zijn uitbetaald.
Artikel 18.
Rooster van aftreden
1
De leden van de raad van toezicht treden af overeenkomstig een rooster dat als bijlage aan dit reglement is toegevoegd.
2
De in het eerste lid van dit artikel genoemde bijlage bevat in ieder geval de naam van elk lid van de raad van toezicht, het tijdstip waarop het lidmaatschap van het lid is aangevangen, alsmede het tijdstip waarop het lidmaatschap eindigt.
Artikel 19.
Tegenstrijdig belang
1
Wanneer de stichting een tegenstrijdig belang heeft met een of meer leden van de raad van toezicht kan het betrokken lid van de raad van toezicht niet deelnemen aan vergaderingen van en besluitvorming binnen de raad van toezicht zolang het tegenstrijdige belang aanwezig is.
2
Om een tegenstrijdig belang te voorkomen, mag een lid van de raad van toezicht niet: a
Als advocaat, procureurgemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de stichting, dan wel ten behoeve van de wederpartij van de stichting;
b
Als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de stichting of in die hoedanigheid deelnemen aan het decentraal georganiseerd overleg;
c
Als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de stichting;
d
Rechtstreekse of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: i
Het aannemen van werk ten behoeve van de stichting;
ii
Het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de stichting;
iii
Het doen van leveranties aan de stichting;
iv
Het verhuren van roerende zaken aan de stichting:
v
Het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de stichting;
vi
Het van de stichting onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen.
Artikel 20.
Inwerkingtreding en geldigheidsduur
Dit reglement treedt in werking met ingang van 01 - 01 -2022 en geldt voor onbepaalde tijd. Artikel 21.
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het reglement raad van toezicht Openbaar Onderwijs Emmen. Artikel 22.
Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement raad van toezicht niet voorziet, beslist de raad van toezicht, na advies van het college van bestuur. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van toezicht op <datum, na verkregen advies van het college van bestuur op<datum> en het positieve advies van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad op <datum>.
Bijlage 5 Reglement college van bestuur Preambule Het College van Bestuur past de Code Goed Onderwijsbestuur toe zoals deze is opgesteld door de PO-Raad. Dit bestuursreglement vormt een nadere uitwerking van deze code en hetgeen bepaald is in de statuten. Artikel 1.
Begripsbepaling
In dit reglement wordt verstaan onder: a Reglement: het reglement van het college van bestuur van de stichting; b
Stichting: Openbaar Onderwijs Emmen
c
Statuten: de statuten van de stichting;
d
College van bestuur: het college van bestuur van de stichting;
e
Raad van toezicht: de raad van toezicht van de stichting;
f
Directieoverleg: het overleg van de bestuurder, de bovenschools directeuren en de directeur bedrijfsvoering;
g
Scholen; de openbare scholen voor primair onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs die onder het bestuur van de stichting ressorteren;
h
Bovenschools directeur: De functionaris verantwoordelijk voor de aansturing van een aantal scholen binnen de stichting;
i
Directeur bedrijfsvoering: De functionaris verantwoordelijk voor de aansturing van het bestuurskantoor binnen de stichting;
j
Locatiedirecteur: De functionaris die een school aanstuurt binnen de stichting.
Artikel 2.
Eindverantwoordelijkheid van het college van bestuur
Het college van bestuur is verantwoordelijk voor de statutair en wettelijk aan hem toegekende verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van het openbaar onderwijs en het belang van de samenleving. Artikel 3.
Inhoud reglement
Het reglement bevat regels over: a De taak en werkwijze van het college van bestuur; b
De relatie tussen college van bestuur, raad van toezicht en het directieoverleg;
c
De regeling van huishoudelijke zaken van het college van bestuur .
Artikel 4.
Vaststelling reglement
1
Het college van bestuur stelt het reglement vast na goedkeuring van de raad van toezicht.
2
Alvorens het reglement vast te stellen dan wel te wijzingen stelt het college van bestuur de medezeggenschapsraad in de gelegenheid advies uit te brengen.