Bijlage 2: Bestemmingsplan Klazienaveen, De Doole (8 woningen) - Toelichting - Bijlagen
Tekst van het document
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Drenthe wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.
Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020 in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
3. METHODE
Op woensdag 18 maart 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving dat gelegen is aan de Broekweg te Klazienaveen. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.
Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING 4.1 Flora Het feitelijk plangebied is in cultuur gebracht. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. De bosschages worden extensief beheerd. Plaatselijk is hier een kruidachtige vegetatie. Beschermde planten komen alleen voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zandverstuivingen. Dergelijke ecotopen komen niet voor. Gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 18 maart 2020 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. De aanleg fan bijvoorbeeld de brug zal derhalve geen negatief effect hebben op de beschermde planten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan niet worden uitgesloten. In bomen in de bosschages zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen (zie figuur 3).
Figuur 3. Openingen in de bomen in het plangebied aan de Broekweg te Klazienaveen waarin verblijfplaatsen kunnen zitten van vleermuizen.
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
Vervolg figuur 3. Openingen in de bomen in het plangebied aan de Broekweg te Klazienaveen waarin verblijfplaatsen kunnen zitten van vleermuizen.
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020 De boom met de potentieel geschikte verblijfplaats wordt gerooid. Negatieve effecten op de verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. In het gebied komt bebouwing en rond het plangebied blijven lijnvormige landschapselementen aanwezig zoals bomen waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. Mogelijk worden eventueel aanwezige vliegroutes van vleermuizen wel beïnvloedt door de plannen. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen. Het plangebied zou van essentieel belang kunnen zijn voor vleermuizen. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve niet worden uitgesloten.
4.3 Overige zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen als uitwerpselen, holen of graafsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van internationaal beschermde grondgebonden zoogdieren. Voor de veldspitsmuis, waterspitsmuis en noordse woelmuis ontbreekt aan een dekkende kruidachtige (moeras)vegetatie. Het voorkomen van de veldspitsmuis, waterspitsmuis en noordse woelmuis kan derhalve worden uitgesloten. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht. Bovendien ontbreken in het plangebied en omgeving elementen als ruigten, struweel en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. In het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden, gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 18 maart 2020, van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. Mogelijk komt bosmuis en huisspitsmuis voor in de bosschages. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Drenthe.
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 18 maart 2020 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen in de te rooien bomen. Gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 18 maart 2020 zijn geen (oude) nesten van sperwer, boomvalk, havik, buizerd of ransuil vastgesteld. Tevens zijn geen roestplaatsen van ransuil aangetroffen. Negatieve effecten op nesten en eieren van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Het plangebied vormt mogelijk een essentieel onderdeel in het leefgebied van de huismus. Op woensdag 18 maart 2020 zijn rustende en foeragerende mussen aangetroffen in het plangebied. Tevens zijn kenmerkende putjes aangetroffen waarin mussen zandbaden nemen. Het dichte struweel kan leefgebied zijn. Op grond hiervan kunnen negatieve effecten op de huismus niet op voorhand worden uitgesloten.
Adviesbureau Mertens
11
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
Figuur 3. Leefgebied van de huismus in het plangebied aan de Broekweg te Klazienaveen (links; struweel waarin wordt gerust en gefoerageerd, rechts; putjes van zandbaden van de huismus). In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, fitis, roodborst, winterkoning, gaai, houtduif en zanglijster. Gedurende het veldonderzoek op woensdag 18 maart 2020 is gaai en merel vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken).
4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Rugstreeppad en heikikker komen niet voor rond het plangebied (zie Waarneming.nl, Creemers & Delft, 2009). Mogelijk komen aan de randen van het plangebied en in het bosje wel gewone pad en bruine kikker voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten is het plangebied geen essentieel leefgebied omdat in en direct rond het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Drenthe.
4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied aan de Broekweg te Klazienaveen, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten.
4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten.
Adviesbureau Mertens
12
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Adviesbureau Mertens
13
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE
Er is het voornemen voor de realisatie van woonbebouwing aan de Broekweg te Klazienaveen. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de aanwezigheid van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken).Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Drenthe. Verder kan de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied) en de huismus (leefgebied) niet worden uitgesloten, effecten op vleermuizen en de huismus kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang naar de verblijfplaatsen om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten.
Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist.
Adviesbureau Mertens
14
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport april 2020
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Literatuur Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348. Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368. Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584. Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1260. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84. SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.
Website www.ravon.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.netwerkecologischemonitoring.nl www.verspreidingsatlas.nl
Adviesbureau Mertens
15
Wageningen
BIJLAGEN
1. PLANGEBIED
N▲
2. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
VLEERMUIZEN EN HUISMUS BROEKWEG TE KLAZIENAVEEN
Eindrapport
VLEERMUIZEN EN HUISMUS BROEKWEG TE KLAZIENAVEEN
rapportnummer 2020.3625 oktober 2020 In opdracht van: Synchroon BV Postbus 431 3500 AK Utrecht
Adviesbureau Mertens B.V.
Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2020. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................................... 2 1.3 DE PLANNEN ............................................................................................................................................. 2 1.4 VRAAGSTELLINGEN VAN HET ONDERZOEK .................................................................................................. 3 1.5 OPBOUW VAN DIT RAPPORT ....................................................................................................................... 3
2. ECOLOGIE.......................................................................................................................................................... 4 2.1 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 4 2.2 HUISMUS .................................................................................................................................................. 5
3. METHODE........................................................................................................................................................... 6 3.1 OMVANG ONDERZOEK ............................................................................................................................... 6 3.2 VELDONDERZOEK VLEERMUIZEN................................................................................................................ 7 3.3 VELDONDERZOEK HUISMUS ....................................................................................................................... 8 3.4 OVERIGE .................................................................................................................................................. 8
4. RESULTATEN .................................................................................................................................................... 9 4.1 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 9 4.2 HUISMUS ................................................................................................................................................ 11
5. CONCLUSIES ................................................................................................................................................... 13
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 14
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 15 1 BEGRIPPEN ............................................................................................................................................ 16 2 VOORWAARDEN .................................................................................................................................... 18 3 ONDERZOEKS OMSTANDIGHEDEN .................................................................................................... 19
Adviesbureau Mertens
1
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
1. INLEIDING 1.1 Inleiding
Er is het voornemen voor de realisatie van woonbebouwing aan de Broekweg te Klazienaveen (zie figuur 1 voor de globale ligging). Deze plannen zouden van negatieve invloeden kunnen zijn op vleermuizen en de huismus (Adviesbureau Mertens, 2020). Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens BV te Wageningen gevraagd om een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen en de huismus en om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd.
N▲
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Broekweg te Klazienaveen. 1.2 Het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Broekweg te Klazienaveen en is sinds het verkennend onderzoek niet wezenlijk gewijzigd. In het plangebied ontbreekt het aan opstallen. Voor een verdere omschrijving van dit gebied wordt verwezen naar het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2020). 1.3 De plannen De plannen zijn sinds het verkennend onderzoek niet gewijzigd. Voor een omschrijving van de plannen wordt dan ook verwezen naar het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2020).
Adviesbureau Mertens
2
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
1.4 Vraagstellingen van het onderzoek Vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus) kunnen in potentie kunnen voorkomen (Adviesbureau Mertens, 2020). Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk worden de volgende vraagstellingen onderzocht: 1. Welke soorten vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus) komen voor in of in nabijheid het onderzoeksgebied aan de Broekweg te Klazienaveen? 2. Wat is de verspreiding en het terreingebruik van de vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus) in of nabij het onderzoeksgebied aan de Broekweg te Klazienaveen?
1.5 Opbouw van dit rapport Na een korte uitleg over vleermuizen en de huismsu wordt in hoofdstuk 3 de werkwijze van het onderzoek weergegeven. In hoofdstuk 4 wordt de aanwezigheid en de verspreiding weergegeven. In hoofdstuk 5 worden conclusies gegeven en worden aanbevelingen gedaan. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 2 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven. Aangezien onderhavig rapport een voortzetting is van het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2020), kunnen beide rapporten niet los van elkaar worden gelezen.
Adviesbureau Mertens
3
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
2. ECOLOGIE
2.1 Vleermuizen Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die zich voeden met insecten. Per nacht wordt een grote hoeveelheid voedsel gegeten. Vleermuizen zijn aangewezen op een grote diversiteit aan ecotypen, die een groot en constant voedselaanbod opleveren. Daarnaast zijn vleermuizen afhankelijk van landschapselementen. Aan de hand van landschapselementen (bomenlanen, huizenrijen, houtwallen e.d.) kunnen vleermuizen zich oriënteren door middel van het uitzenden van geluiden. Open landbouwgebieden zijn daarom bijvoorbeeld onaantrekkelijk voor vleermuizen. Vleermuizen verblijven overdag, gedurende het zomerseizoen, in kleine ruimten als spouwmuren of gaten in bomen. Afhankelijk van de soort, bewonen vleermuizen bomen of gebouwen. Alleen de grootoorvleermuis maakt gebruik van zowel bomen als gebouwen. Vooral vrouwtjes zitten veel bij elkaar, in een kolonie. Hier worden de jongen in groot gebracht. Als de schemering valt vliegen de vleermuizen uit en gaan via vaste routen, de vliegrouten, naar de foerageerplaatsen. Soms liggen foerageerplaatsen en kolonies wel meer dan 10 km uit elkaar. Op de foerageerplaatsen wordt gedurende de gehele nacht gefoerageerd. Bij het aanbreken van de dag vliegen de vleermuizen via de vliegrouten weer terug naar de kolonie. Tegen de herfst breekt het paarseizoen aan. De jongen worden in het daarop volgende voorjaar geboren.
De vleermuizen leven in de herfst nagenoeg niet meer in kolonies, maar solitair. Voor de paring worden paarplaatsen gebruikt die vaak afwijken van de kolonieplaatsen. Vaak worden in de herfst ook andere soorten en aantallen vleermuizen aangetroffen. Een voorbeeld hiervan is de ruige dwergvleermuis. Daarnaast worden in de herfst vaak andere foerageerplaatsen gebruikt, de vleermuizen zijn immers niet meer gebonden aan de kolonieplaats. Kort na het paarseizoen tot enkele maanden later, als de winter aanbreekt, trekken de vleermuizen naar ruimten met een stabiel microklimaat als (ijs)kelders, grotten, bunkers of dikke bomen om daar door middel van de winterslaap de winter door te brengen. Vleermuizen gebruiken in de winter dus eveneens verblijfplaatsen, wanneer zij hun winterslaap houden. Slechts zeer sporadisch komen de winterverblijfplaatsen overeen met de zomerverblijfplaatsen. Doordat vleermuizen voor hun oriëntatie gebruik maken van echolocatie zijn vleermuizen gevoelig voor ingrepen in het landschap. Oriëntatie vindt plaats aan de hand van opgaande elementen als bijvoorbeeld bomenlanen en houtwallen. Verlies daarvan resulteert in verminderde oriëntatiemogelijkheden. Oriëntatie is noodzakelijk om van kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en om voedsel te vinden.
Bij de afweging van de effecten van ruimtelijke ingrepen in natuur en landschap spelen derhalve opgaande elementen een belangrijke rol. Vleermuizen worden meer en meer betrokken bij de besluitvorming rond ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Dit is ook verplicht: alle soorten zijn nationaal en internationaal wettelijk beschermd via de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn.
Adviesbureau Mertens
4
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
2.2 Huismus Vogels komen doorgaans overal in Nederland voor waar enige beschutting is en waar mogelijkheden zijn om te nestelen. Er zijn vogels die ieder jaar een nest bouwen om daarin te broeden. Er zijn daarnaast vogels die jaarrond een zelfde nest gebruiken om in te slapen en te broeden (bijvoorbeeld huismussen) en er zijn vogels die jaarlijks terugkeren naar hun nestplaats om het nest opnieuw te gebruiken om daarin te broeden (bijvoorbeeld gierzwaluwen). De huismus is een standvogel die jaarrond in een gebied verblijft. Mussen zijn sociale vogels en leven dan ook in groepen. De hele dag onderhouden ze sociale contacten door voortdurend te tjilpen. In de directe nabijheid van de nestplaats zoeken huismussen hun voedsel, dat voornamelijk uit bessen en zaden bestaat, op de grond. Daarbij hippen ze op een karakteristieke manier, als een stuiterende pingpongbal, in het rond. Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Het nest wordt gemaakt in holten van bomen, in nestkasten, onder dakpannen en in gaten en kieren van gebouwen. Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en (honden- en katten)haren. De stand van de huismus is in de afgelopen twintig jaar meer dan gehalveerd. Ook in omliggende landen gaat het aantal huismussen achteruit.
Op grond hiervan is de soort geplaatst op de Rode lijst van bedreigde diersoorten (LNV, 2009, 2017). De oorzaken zijn waarschijnlijk divers. Vermoedelijk speelt de afname van met kruiden begroeide overhoekjes en braaklandjes een rol. Daarin komen insecten voor die de mussen voor hun jongen nodig hebben. Vooral in binnensteden is er nog weinig braakland over en de afstand van de binnensteden tot zulke terreinen aan de rand van steden wordt steeds groter door groeiende steden. Misschien speelt ook de renovatie van oude steden een rol doordat het moeilijker wordt om nesten te maken in de nieuwe daken. Daarnaast worden de predatie door huiskatten en sperwers als oorzaken van de achteruitgang genoemd. Wikipedia.nl, vogelbescherming.nl, gierzwaluw.com.
Adviesbureau Mertens
5
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
3. METHODE 3.1 Omvang onderzoek Conform het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2020) is onderzoek uitgevoerd naar vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Het vleermuisinventarisatie-protocol van het Netwerk Groene Bureaus (2017) stelt dat: Vleermuizen Voor (kraam)verblijven en vliegroutes van vleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode 15 mei – 15 juli, 2 x 2 uur (i.v.m. laatvlieger 2 x ’s avonds en i.v.m. dwergvleermuis 1 x ‘s ochtends), periode tussen veldbezoeken tenminste (10) 20 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. Voor zwermplaatsen in het kader van winterverblijfplaatsen van vleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode 1 aug - 10 sep., 2 x 2 uur, tussen 0:00 - 2:00, periode tussen veldbezoeken tenminste (5) 10 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. Voor paarverblijf- & zwermplaatsen van vleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode (15 jul) 15 aug - 1 okt (1 nov), 2 x 2 uur (i.v.m.
laatvlieger minimaal 1x ’s avonds), (0 min) 60 min na (zo mogelijk later, rond middernacht), periode tussen veldbezoeken tenminste (10) 20 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. Huismus Het Kennisdocument huismus (Bij 12, 2017a) stelt dat voor de aanwezigheid of afwezigheid van de huismus: twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei te worden uitgevoerd of, vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Daarbij moet het onderzoek worden uitgevoerd bij: goede omstandigheden (b.v. geen regen, harde wind en/of kou), op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied), op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend), met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
Adviesbureau Mertens
6
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020 Gelet op de aard en omvang van het gebied zijn acht onderzoeksronden uitgevoerd op 6, 26 april, 17 mei, 4, 18 juni, 4 juli, 23 augustus en 11 september 2020 met een totale onderzoeksomvang van ongeveer 26 uur. In onderstaande paragrafen wordt per soortgroep de inventarisatiemethode weergegeven. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de methode per soortgroep, de inventarisatieduur en de bezoekdata. In bijlage 3 worden de omstandigheden weergegeven. Tabel 1. Overzicht inventarisatieronden naar de aanwezigheid van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen ter plaatse van en direct rond Broekweg te Klazienaveen. Datum
Vleermuizen
Vogels
Voorjaar/voorzomer (foerageer-, kolonieplaatsen en vliegroutes) - 6 april 2020 - 26 april 2020 - 17 mei 2020 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 4 juni 2020 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 18 juni 2020 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 4 juli 2020 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Voorherfst (foerageerplaatsen, balts- en paarplaatsen) - 23 augustus 2020 Balts-, paar-, foerageer- en overwinteringsplaatsen - 11 september 2020 Balts-, paar-, foerageer- en overwinteringsplaatsen
Leefgebied huismus Leefgebied huismus Leefgebied huismus Leefgebied huismus
-
3.2 Veldonderzoek vleermuizen Vleermuizen zijn geïnventariseerd door middel van batdetector-onderzoek (Petterson D-240). Met de batdetector worden de, voor mensen onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen omgezet naar de voor het menselijk oor hoorbare geluiden. Soorten kunnen door de geluiden (frequentie, ritme en klank) en zichtbeelden worden onderscheiden. Door interpretatie hiervan kan tevens het gedrag afgeleid worden en kunnen onder andere verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen worden opgespoord. Op 17 mei, 4, 18 juni en 4 juli 2020 werd geïnventariseerd naar de aanwezigheid van kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen van vleermuizen. De onderzoeksronden op 23 augustus en 11 september 2020 waren gericht op de inventarisatie van balts-, paar- en foerageerplaatsen. Omdat de onderzoeksronden op 23 augustus en 11 september 2020 doorliepen tot na middernacht was het mogelijk om ook onderzoek te doen naar gedrag dat wijst op eventuele overwinterende vleermuizen (zwermen). De methode voor het inventariseren van vleermuizen voldoet aan het Inventarisatie Protocol van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2017) en de kennisdocumenten van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (Bij 12, 2017a,b). Van laatvlieger is geen kennisdocument beschikbaar. De onderzoeken vonden plaats bij geschikte omstandigheden.
Omdat het onderzoek is uitgevoerd bij geschikte omstandigheden in een geschikte periode is het onderzoek goed uitgevoerd en geeft een goed beeld.
Adviesbureau Mertens
7
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
3.3 Veldonderzoek huismus Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus) zijn gedurende vier inventarisatiemomenten in het voorjaar / de voorzomer geïnventariseerd (6, 26 april, 17 mei en18 juni 2020). Alle bezoeken werden uitgevoerd in de avond- of ochtendschemering. Het is van belang om rond de schemering waarnemingen te doen, omdat vogels dan het meest actief zijn. Het gebied geïnventariseerd op nesten, sporen en territoriaal gedrag van vogels met vaste nestplaatsen (huismus). Het vogel- onderzoek is uitgevoerd conform de kennisdocumenten van huismus (Bij 12, 2017a).
3.4 Overige Naast huismus zijn er vogels waarvan het wenselijk om deze te inventariseren. In het stedelijk gebied betreft dit bijvoorbeeld de spreeuw en gekraagde roodstaart. Dergelijke soorten staan op de lijst 5 van de van de “Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep” (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Conform de uitleg van lijst 5 waarop de dergelijke vogels staan wordt gesteld dat “nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen” (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b). In de uitleg wordt verder aangegeven dat categorie 5-soorten extra onderzoek vragen, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. In de uitleg wordt daarnaast aangegeven dat categorie 5-soorten wel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Gedurende de verschillende onderzoeksronden is derhalve direct geïnventariseerd op dergelijke soorten.
Adviesbureau Mertens
8
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
4. RESULTATEN 4.1 Vleermuizen Voorjaar/voorzomer (foerageerplaatsen, kolonieplaatsen en vliegroutes) In het voorjaar / de voorzomer zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn foeragerend aangetroffen. Van laatvlieger zijn enkele dieren foeragerend aangetroffen. Er zijn geen kolonies of vliegroutes vastgesteld. Er zijn gedurende onderhavig onderzoek geen aanwijzingen van de aanwezigheid van verblijfplaatsen. Dit is ook uitgesloten omdat de gewone dwergvleermuis en laatvlieger jaarrond uitsluitend gebouwbewonend zijn. In figuur 2 zijn de waarnemingen weergegeven.
N▲
Legenda Foeragerend = Laatvlieger = Gewone dwergvleermuis Figuur 2. Waarnemingen van vleermuizen in het voorjaar / de voorzomer van 2020 in het gebied van de Broekweg te Klazienaveen. Adviesbureau Mertens
9
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
Overwinteringsplaats Doordat er zowel in de het voorjaar/ de voorzomers als in de voorherfst relatief weinig vleermuizen werden vastgesteld (ook niet zwermend in de zwermperiode voorafgaand aan overwintering) en de gewone dwergvleermuis en laatvlieger jaarrond uitsluitend gebouwbewonend zijn, kan het voorkomen van overwinterende vleermuizen in en direct rond het plangebied worden uitgesloten. Voorherfst (foerageer-, balts- en paarplaatsen) Er zijn in de voorherfst alleen gewone dwergvleermuizen foeragerend aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen van het voorkomen van balts- of paarplaatsen. In figuur 3 worden de waarnemingen weergegeven.
N▲
Legenda Foeragerend = Gewone dwergvleermuis Figuur 3. Waarnemingen van vleermuizen in de voorherfst van 2020 in het gebied van de Broekweg te Klazienaveen.
Adviesbureau Mertens
10
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020 Belang foerageergebied Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen dient het plangebied en directe omgeving niet gezien te worden als belangrijk (primair) foerageergebied. 4.2 Huismus Er zijn geen territoria / nesten aangetroffen van huismus. Dit was ook uitgesloten omdat huismus uitsluitend gebouwbewonend is. Wel zijn enkele foeragerende en badderende huismussen aangetroffen in het noordoosten van het plangebied. Gedurende de realisatie van de plannen zullen er voldoende badderplaatsen zijn in en rond het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieve foerageerplaatsen. Na realisatie van de plannen wordt het plangebied (de tuinen) weer leefgebied voor de huismus. Negatieve effecten op de huismus worden derhalve uitgesloten.
N▲
Legenda Foeragerend / Badplaats = Huismus Figuur 4. Waarnemingen van huismus in het voorjaar van 2020 in het gebied van de Broekweg te Klazienaveen.
Adviesbureau Mertens
11
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020 Overige vermeldenswaardige vogels Overige vermeldenswaardige vogels zoals spreeuw en gekraagde roodstaart zijn niet vastgesteld gedurende onderhavig onderzoek.
Adviesbureau Mertens
12
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
5. CONCLUSIES
Er is het voornemen voor de realisatie van woonbebouwing aan de Broekweg te Klazienaveen. Op grond hiervan is een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het gebruik van vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen in en direct rond dit gebied. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in en direct rond het plangebied gewone dwergvleermuis, laatvlieger en huismus foerageren en vliegen. Laatvlieger komt beperkt voor. Er zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Doordat gewone dwergvleermuis, laatvlieger en huismus uitsluitend gebouwbewonend zijn, kan het voorkomen van verblijfplaatsen ook worden uitgesloten omdat in en direct rond het plangebied geen gebouwen zijn gelegen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen de vleermuizen er blijven foerageren en vliegen. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en huismus en door / direct rond het plangebied lopen geen vliegroutes van vleermuizen. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageergebieden en -plaatsen aanwezig. De gewone dwergvleermuis en huismus zijn daarnaast beperkt verstoringsgevoelig. Er zijn geen territoria of nesten van andere vermeldenswaardige vogels vastgesteld gedurende het onderzoek.
Negatieve effecten op vleermuizen, huismus vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en andere vermeldenswaardige vogels worden derhalve uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hiermee rekening gehouden te worden.
Adviesbureau Mertens
13
Renkum
Vleermuizen en huismus Broekweg te Klazienaveen. Eindrapport oktober 2020
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Adviesbureau Mertens, 2020. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Broekweg te Klazienaveen. Wageningen, 1-15. Bij 12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument huismus, Utrecht. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2017. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie Economische zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 2016, 1-34. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag.
Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisinventarisatie-protocol; Introductie, toelichting en tabel. Odijk.
Adviesbureau Mertens
14
Renkum
BIJLAGEN
1 BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
2 VOORWAARDEN
Adviesbureau Mertens BV (ingeschreven in het handelsregister onder nummer 09110429) richt zich op de inventarisatie van natuur- en landschapswaarden en de eventuele effecten van plannen of projecten op deze waarden. Vaak wordt daarom getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Dieren en planten kunnen zich vestigen na onderzoek en ook is er een mogelijkheid, dat ondanks onderzoek dieren zich verborgen houden of dat planten niet zijn opgekomen in een bepaald jaar doordat het bijvoorbeeld een droog of koud voorjaar is. Ook komt het zeer soms voor dat wilde dieren zich anders gedragen in bepaalde situaties zoals op plaatsen waar veel mensen komen, waar veel geluid is of veel lichtverstrooiing. Daarom heeft Adviesbureau Mertens BV een inspanningsverlichting en geen resultaatverplichting bij inventarisaties. Adviesbureau Mertens BV is niet aansprakelijk voor het zich verborgen houden, nadien vestigen of verplaatsen van soorten. Zoals bovenstaand weergegeven wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Een plan of project wordt met de grootste zorg getoetst door Adviesbureau Mertens BV. De geldende interpretatie van de wet- en regelgeving is aan verandering onderheving en sinds de decentralisatie van bevoegde gezagen treden er ook regionale verschillen op. Adviesbureau Mertens BV is niet verantwoordelijk voor veranderde interpretatie van de wet- en regelgeving.
Na verrichtte werkzaamheden worden projecten soms overgedragen of wordt er op een andere manier invulling gegeven aan de uitvoering. Adviesbureau Mertens BV is niet aansprakelijk voor gevolgschade, of schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens afkomstig van Adviesbureau Mertens BV. De opdrachtgever vrijwaart Adviesbureau Mertens BV voor aansprakelijkheid van derden als gevolg van deze toepassingen. Omdat dieren en planten zich verplaatsen, zich kunnen vestigen na onderzoek en de geldende interpretatie van wet- en regelgeving aan verandering onderhevig is, is een onderzoek twee jaar geldig. Na twee jaar dient een onderzoek en/of advies geactualiseerd te worden. De opdrachtgever is hiervoor zelf verantwoordelijk. De interpretatie van wet- en regelging kan zijn gewijzigd na advies, de situatie kan veranderd zijn en daarnaast dient voldaan te worden aan de Zorgplicht van bijvoorbeeld de Wet natuurbescherming. Tijdig maar in ieder geval voorafgaand van start van eventueel fysieke werkzaamheden dient de initiatiefnemer / uitvoerder zich daarom opnieuw op de hoogte te stellen van eventueel aanwezige natuur- en landschapswaarden in en rond een plangebied en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Voor uitvoer dienen natuur- en landschapswaarden en eventueel gewijzigde situaties in kaart gebracht te worden en dient nagegaan te worden hoe hiermee moet worden omgegaan. Adviesbureau Mertens BV is niet aansprakelijk voor indirecte en/of gevolgschade, waaronder mede wordt verstaan gederfde winst en schade als gevolg van bedrijfstagnatie. Inzake schadevergoeding geldt bij een toerekenbare tekortkoming van Adviesbureau Mertens BV een aansprakelijkheidsbedrag van maximaal drie maal de opdrachtwaarde.
3 ONDERZOEKS OMSTANDIGHEDEN
Duur (uur) Temperatuur (OC)
Neerslag (mm)
Wind (bft)
Datum (2020)
Tijd (uur)
- 6 april 2020 - 26 april 2020 - 17 mei 2020 - 4 juni 2020 - 18 juni 2020
08.30-10.30 08.00-10.00 20.00-00.00 03.00-05.00 20.30-00.30
2 2 4 2 4
16 14 17 14 17
Geen Geen Geen Geen* Geen*
2 2 2 2 2
- 4 juli 2020
20.30-00.30
2
21
Geen*
2
- 23 augustus 2020
22.00-02.00
4
22
Geen*
3
- 11 september 2020 22.00-02.00 * Niet gedurende onderzoek
4
18
Geen
2
Stikstofdepositie-onderzoek plan woningbouw De Doole te Klazienaveen 7 januari 2021
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
Verantwoording Titel
Stikstofdepositie-onderzoek plan woningbouw De Doole te Klazienaveen
Opdrachtgever
Gemeente Emmen
Projectleider
Natalie Sluis
Auteur
Laura Korll
Tweede lezer
Josien Wolterink - Kuipers
Projectnummer
1275687
Aantal pagina’s
12 (exclusief bijlagen)
Datum
7 januari 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/12
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2
Wettelijk kader ........................................................................................................................... 5
3
Opzet onderzoek ....................................................................................................................... 6
4
Uitgangspunten aanlegfase ....................................................................................................... 7
5
6
7
4.1
Mobiele werktuigen ............................................................................................................ 7
4.2
Vrachtverkeer en personenvervoer .................................................................................... 9
Uitgangspunten gebruiksfase .................................................................................................. 10 5.1
Verwarmen ....................................................................................................................... 10
5.2
Verkeersgeneratie ............................................................................................................ 10
Modellering .............................................................................................................................. 11 6.1
Mobiele werktuigen .......................................................................................................... 11
6.2
Wegverkeer ...................................................................................................................... 11
Resultaten en conclusie .......................................................................................................... 12
Bijlage 1
AERIUS berekening aanlegfase
Bijlage 2
AERIUS berekening gebruiksfase
3/12
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
1 Inleiding Gemeente Emmen heeft ingenieursbureau TAUW gevraagd het stikstofdepositie-onderzoek uit te voeren voor het bestemmingsplan woningbouw De Doole te Klazienaveen. Gemeente Emmen is voornemens om acht woningen te realiseren gelegen aan De Doole, ten zuidwesten van Klazienaveen. Van deze acht woningen worden er vier vrijstaande woningen en vier twee-ondereen kappers gerealiseerd. De uitvoering zal plaatsvinden in 2021 en zal circa 8 maanden duren. Naar verwachting worden de woningen in 2022 in gebruik genomen. Zowel tijdens de realisatie (de aanlegfase) als na realisatie (de gebruiksfase) van activiteiten of projecten kunnen er bronnen zijn die stikstofoxiden (NOx) en eventueel ammoniak (NH3) emitteren. De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. Wanneer blijkt dat het plan meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden is er sprake van een in potentie significant effect en kan het plan niet zondermeer worden vastgesteld. Figuur 1.1 toont de ligging van plangebied en de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving.
De meest nabije stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn gelegen op 3,1 km van het plangebied in Natura 2000-gebied Bargerveen. Hoofdstukken 2 en 3 beschrijven kort het wettelijk kader en de onderzoeksopzet. In hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 worden alle emissieberekeningen gegeven, voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Hoofdstuk 6 geeft uitgangspunten voor modellering weer. Hoofdstuk 7 tot slot geeft de resultaten en de conclusie.
Figuur 1.1 Planlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden (groen / blauw / mosterdgeel) en stikstofgevoelige habitats en leefgebieden (licht en donkerpaars)
4/12
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
2 Wettelijk kader In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Een bestuursorgaan stelt een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, uitsluitend vast, indien de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. Een plan kan alleen worden vastgesteld als de stikstofdepositie op geen enkel relevant en voor stikstofdepositie gevoelig hexagoon1 toeneemt. Bij (wijziging van) plannen wordt het planeffect bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bij plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het nieuwe plan.
Wanneer er sprake is van een toename in stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets of passende beoordeling onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het plan en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten.
1
AERIUS berekent de depositiebijdrage op een hexagoon (een zeshoek met een oppervlak van 1 hectare). Een
relevant hexagoon is een hexagoon welke (deels) overlapt met stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden. 5/12
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
3 Opzet onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2020. In de berekeningen wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. De referentiesituatie (huidige situatie) is niet berekend, omdat er in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig is. Het plangebied bestaat uit een grasveld waar geen stikstofemissie plaatsvindt. In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om:
Verkeersbewegingen en mobiele werktuigen in de aanlegfase
Verkeersbewegingen van en naar de locatie in de gebruiksfase
Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: 1.
Berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van de aanlegfase
2.
Berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van de gebruiksfase
6/12
Kenmerk
R001-1275687LKR-V02-nja-NL
4 Uitgangspunten aanlegfase De werkzaamheden in de aanlegfase bestaan uit:
Bouwrijp maken van de bouwkavels (ca 1,2 hectare)
Bouw van acht nieuwe woningen. Het gaat hierbij om vier vrijstaande woningen en vier tweeonder-een kappers
De periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd wordt geschat op 8 maanden. De verwachting is dat de aanlegfase plaatsvindt in 2021 en dat de woningen in 2022 worden opgeleverd. Al het in te zetten materieel met een verbrandingsmotor (diesel-, benzine- of LPG aangedreven) zorgt voor de emissie van stikstofoxiden (NOx) en daarmee voor een bepaalde bijdrage aan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Naast de inzet van mobiele werktuigen worden vrachtwagens ingezet voor de aan- en afvoer van materiaal en personenauto’s en busjes voor de arbeiders / personeel.
4.1
Mobiele werktuigen
Aangezien de ontwikkeling zich nog in de planfase bevindt en nog geen aannemer(s) bekend zijn, is nog niet bekend welke diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen in de aanlegfase ingezet zullen worden. Daarmee is ook over bedrijfstijden, bouwjaar en vermogen van de werktuigen geen specifieke informatie beschikbaar. De benodigde informatie voor het uitvoeren van de AERIUS berekening is een inschatting door specialisten van TAUW, op basis van verzamelde informatie van soortgelijke stikstofdepositie-onderzoeken. Het aantal bedrijfsuren en het vermogen is een conservatieve inschatting. Er is voor de berekening uit gegaan van moderne STAGE IV klasse werktuigen (bouwjaar vanaf 2014). Tabel 4.1 geeft de diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen welke in de aanlegfase worden ingezet met bijbehorende kentallen. In tabel 4.2 wordt de totale NOx en NH3 emissie gegeven. De deellast- en emissiefactoren2 zijn overgenomen uit AERIUS versie 2020 en zijn afkomstig uit TNO-rapport 2020 R11528 (Ligterink et al., 2020) en bijbehorende Excelbestand3. Deze deellast- en emissiefactoren gelden bij typische belasting van werktuigen4.