Bijlage 2.1 - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden blijft nagenoeg gelijk aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden De Wet natuurbescherming is van toepassing bij het kappen van 1 of meer bomen in een houtopstand buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van meer dan 10 are (0,1 hectare) of rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Voor het kappen van houtopstanden die vallen onder de Wet natuurbescherming bestaat een meldingsplicht bij het bevoegd gezag. Vaak zijn de Gedeputeerde Staten van de provincie het bevoegd gezag voor kapmeldingen van houtopstanden. In dit geval is het bevoegd gezag de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), omdat het over de kap van een houtopstand gaat voor aanleg, uitbreiding en inrichting van hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen.
50 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Naast de meldingsplicht is ook een herplantplicht opgenomen in de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat de te kappen houtopstand binnen 3 jaar na het uitvoeren van de werkzaamheden herplant moet worden. Het is soms mogelijk om de gekapte houtopstand op een andere locatie te herplanten, dit wordt compensatie genoemd. Dit is alleen mogelijk als er, onder andere, geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden, de herbeplanting plaatsvindt op ten minste dezelfde kwaliteit grond en wanneer de herbeplanting ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de gevelde houtopstand.
4.8.2
Resultaten
Soortenbescherming Om de consequenties van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, voor de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een QuickScan1 uitgevoerd (zie bijlage III). Op basis van de QuickScan is gesteld dat het voorkomen van enkele soorten aan de hand van de terreinkenmerken en het voorkomen van beschermde soorten in de omgeving niet op voorhand is uit te sluiten. Het gaat hierbij om de volgende soorten en functies: eekhoorn (verblijfplaatsen en foerageergebied); steenmarter (verblijfplaatsen en foerageergebied); boommarter (verblijfplaatsen en foerageergebied); das (verblijfplaatsen (gedeeltelijk aangetoond) en foerageergebied); grote bosmuis (verblijfplaatsen en foerageergebied); veldspitsmuis (verblijfplaatsen en foerageergebied); vleermuizen (verblijfplaatsen in bomen, foerageergebied en vliegroutes); nesten en/of functionele leefomgeving jaarrond beschermde vogelsoorten (nesten van buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil en ooievaar); poelkikker (voortplantingswater en landhabitat). Door het uitvoeren van soortgericht onderzoek en/of een aanvullend veldbezoek kan worden bepaald of bovengenoemde soorten en functies aanwezig zijn in het plangebied. Afhankelijk van de uitkomst van deze (aanvullende) onderzoeken kan een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig zijn.
Daarnaast kunnen maatregelen getroffen worden om effecten op bepaalde soorten te voorkomen, zoals een (periodieke) broedvogelcontrole in de periode maart-augustus voor het bouwrijp maken van het werkterrein of het nemen van maatregelen aangaande verlichting om effecten op vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied te voorkomen. De benodigde aanvullende onderzoeken zijn uitgevoerd en de aanbevelingen die hieruit volgen worden opgevolgd. Dassenburcht Ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van dassen is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage IV). De dassenburcht binnen het plangebied is een actief belopen burchtgedeelte met negen pijpen, waarvan twee belopen zijn en twee intensief worden belopen. De geschatte fysieke afmetingen van de dassenburcht zijn circa 100 bij 45 m (zie afbeelding 4.3). Dassenburchten zijn wettelijk beschermd. In artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt bepaald dat de vaste voorplanting- en verblijfsplaats van beschermde dieren (onder andere de das), niet beschadigd mag worden. Dit betekent dat de ecologische functionaliteit van de dassenburcht tijdens de werkzaamheden en na het realiseren van de plannen behouden moet blijven.
Alle functies die noodzakelijk zijn om een dassenburcht duurzaam ecologisch te kunnen laten voorbestaan, moeten dus behouden blijven, of als dat niet kan, worden gecompenseerd of gemitigeerd.
1
Tauw. (26 oktober 2021). Quickscan Hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk. Toetsing aan de Wet natuurbescherming, kenmerk R004-1280309VSX-V04-hgm-NL.
51 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
De belangrijkste voorwaarden in verband met de geplande werkzaamheden zijn: 1 zorgen voor voldoende rust op en rond de burcht. Overdag (vanaf 07.00 uur) geen incidentele verstorende activiteiten binnen 50 m van de burcht, ‘s nachts (vanaf 19.00 uur) binnen 200 m geen incidenteel verstorende activiteiten; 2 zorgen voor de aanwezigheid van voldoende dekking op de burcht; 3 zorgen voor de beschikbaarheid en bereikbaarheid van gevarieerd voedselaanbod (jaarrond); 4 zorgen voor uitwisselingsmogelijkheden met nabijgelegen dassenfamilies. De adviezen, zoals benoemd in het onderzoek, worden opgevolgd. Door het verleggen van het tracé van de 380kV-lijnverbinding om de dassenburcht heen (50 m afstand), het verbeteren van een veilige route voor de dassen naar het noorden, het aanbieden van een alternatief in de vorm van een kunstburcht en het naleven van alle genoemde voorzorgsmaatregelen zal de aantasting van de ecologische functionaliteit zoveel mogelijk voorkomen worden. Daarmee wordt een overtreding voorkomen van art 3.10 van de Wet natuurbescherming en tegemoetgekomen aan de voorzorg bepalingen van art 1.11 van de Wet natuurbescherming. In dit kader zal een ontheffing worden aangevraagd op de Wet natuurbescherming.
Afbeelding 4.3 Overzicht van de bevindingen van het veldonderzoek
Grote bosmuis en veldspitsmuis De aanwezigheid van de grote bosmuis en veldspitsmuis kon op basis van de QuickScan niet worden uitgesloten. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage V)1. In het plangebied zijn beschermde functies aanwezig van grote bosmuis. In alle bosschages in het plangebied zijn grote bosmuizen aangetroffen. Indien er sprake is van het verwijderen van bosschages om te komen tot realisatie, wordt mogelijk een gedeelte van het leefgebied van grote bosmuis inclusief voortplantings- en rustplaatsen vernield. Wanneer het plan definitief is vastgesteld kan bepaald worden in welke mate de beoogde ontwikkeling effect heeft op de lokale populatie grote bosmuis. Aangaande het
1
Tauw. (7 januari 2022). Nader onderzoek naar grote bosmuis en veldspitsmuis in Veenoord-Boerdijk. Soortgericht onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, kenmerk R005-1280309VSX-V02-hgm.
52 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
eventueel vernielen van leefgebied van grote bosmuis dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1b en lid 1a aangevraagd te worden. De veldspitsmuis is niet aanwezig in het plangebied. Hierdoor zijn negatieve effecten door de beoogde ontwikkeling op veldspitsmuis uitgesloten. Inventarisatie nesten en boomholtes In januari 2022 heeft een aanvullende inventarisatie plaatsgevonden1 (bijlage XIV) om de eventuele aanwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogels en eekhoorns vast te stellen. Daarnaast zijn de locaties waar bomen worden gekapt geïnventariseerd op boomholtes die geschikt zijn voor boommarter, eekhoorn en vleermuizen. De resultaten van de aanvullende inventarisatie laten zich als volgt samenvatten: in totaal zijn er zes nesten aangetroffen die geschikt zijn als jaarrond beschermd vogelnest. Vijf nesten bevinden zich in bomen, één nest is in een hoogspanningsmast aangetroffen. Vanwege de geringe grootte van de nesten zijn wespendief, havik en ooievaar uitgesloten; eekhoornnesten zijn niet aangetroffen; de aangetroffen boomholtes kunnen gebruikt worden door boommarter, eekhoorn en vleermuizen, omdat een gedeelte is ingerot en hierdoor voldoende ruimte aanwezig is voor eventuele verblijfplaatsen. Ten aanzien van nesten dient aanvullend onderzoek plaats te vinden voor buizerd, sperwer, boomvalk, slechtvalk en ransuil.
Voor boommarter en vleermuizen dient eveneens nader onderzoek plaats te vinden. Aanvullend soortgericht onderzoek In 2022 heeft TAUW het aanvullend ecologisch onderzoek 2 uitgevoerd om de functie van het plangebied voor de hierboven benoemde beschermde soorten te bepalen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage XXII. De conclusies zijn hieronder opgenomen: er zijn beschermde functies aangetroffen van boommarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, buizerd, boomvalk en slechtvalk. Negatieve effecten op boommarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, boomvalk en slechtvalk kunnen niet worden uitgesloten. Afhankelijk van de uitvoeringsplanning kunnen ook negatieve effecten optreden op buizerd; bunzing is ook aangetroffen in het plangebied, echter is deze soort onder de beleidsregels van de RVO vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij RVO dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en effecten op populaties. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren en te compenseren. Daarnaast is het noodzakelijk het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen.
Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten. Draadslachtoffers Er is onderzoek uitgevoerd om de kans op extra draadslachtoffers te beoordelen ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen (bijlage XV). Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat: er geen negatieve effecten zijn te verwachten ten aanzien van vleermuizen; er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten ten aanzien van Vogelrichtlijngebieden en vogels. Flora Door de voedselrijke situatie in het plangebied en de bospercelen (getuige het voorkomen in groten getale van braam en brandnetel) is de aanwezigheid van overige beschermde flora uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde flora zijn uitgesloten.
1
Tauw. (8 maart 2022). Resultaten inventarisatie nesten en boomholtes voor aanleg hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk, kenmerk N004-1280309VSX-V01-hgm-NL.
2
Tauw. (25 oktober 2022). Soortgericht onderzoek NNON Veenoord-Boerdijk,, kenmerk R012-1280309VSX-V01-hgm-NL.
53 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Binnen het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Binnen de invloedssfeer van het project komen wel Natura 2000-gebieden voor (zie afbeelding 4.4). Het gaat hierbij om de volgende gebieden: - Bargerveen op circa 11,5 km afstand; - Mantingerzand, op circa 15,0 km afstand. Vanwege de afstand tot deze Natura 2000-gebieden leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot verstoring van deze gebieden. Wel kunnen de effecten van stikstofuitstoot tot in die Natura 2000-gebieden reiken. De bijdrage aan de stikstofdepositie van het project hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk is berekend voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (bijlage VII) met het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2021.1)1. AERIUS Calculator berekent voor de beoogde situatie een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. De toename van stikstofdepositie als gevolg van het projecteffect is met 0,00 mol/ha/jaar in omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten. Stikstofdepositie vormt daarmee geen knelpunt en negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De effecten als gevolg van stikstofdepositie hoeven daarmee niet nader beschouwd te worden en het uitvoeren van een ecologische voortoets is niet noodzakelijk.
Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist.
Afbeelding 4.4 Voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000-gebieden met globale aanduiding plangebied (rode contour)
NNN-gebied Als de voorgenomen ontwikkeling binnen de grens van het NNN ligt dan is er mogelijk sprake van effecten op het NNN als gevolg van ruimtebeslag en/of verstoring. In dit geval ligt de voorgenomen ontwikkeling echter op circa 700 m van NNN-gebied en derhalve worden geen negatieve effecten op NNN-gebieden verwacht.
1
Tauw. (18 augustus 2022). Stikstofdepositie-onderzoek project hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk, kenmerk R0111280309LJP-V02-ssc-NL
54 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Houtopstanden In januari 2022 is door TAUW een bomeninventarisatie uitgevoerd1 (bijlage XVII). De te vellen houtopstand van circa 4,5 ha ligt buiten de bebouwde kom, en verspreid over de gemeente Emmen en de gemeente Coevorden. In dit geval is het bevoegd gezag de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), omdat het over de kap van een houtopstand gaat voor aanleg, uitbreiding en inrichting van een TenneT hoogspanningsstation van tenminste 220kV. De effecten worden daarom voor de gemeenten samen beschouwd, maar ook afzonderlijk wordt getoetst aan de beleidsregels per gemeente. In de gemeente Emmen is in beginsel geen kapmelding nodig voor het kappen van bomen. De gemeente Emmen hanteert de volgende beleidsregels voor het kappen van bomen: Geen kapmelding nodig, tenzij: het gemeentelijke grond betreft; het een monumentale boom betreft. De lijst met monumentale bomen in de gemeente Emmen is geraadpleegd en hieruit blijkt dat er geen monumentale bomen aanwezig zijn in het plangebied. Omdat de percelen van de bosschages in het plangebied geen gemeentelijke grond betreffen en er geen monumentale bomen aanwezig zijn is er geen kapmelding nodig bij de gemeente Emmen. Afbeelding 4.5 geeft de vlakken waar gekapt gaat worden weer op kaart. De te kappen bomen binnen deze vlakken dienen gecompenseerd te worden. Naast de meldingsplicht is ook een herplantplicht van toepassing.
Dit betekent dat de te kappen houtopstand binnen 3 jaar na het uitvoeren van de werkzaamheden herplant moet worden. Het is soms mogelijk om de gekapte houtopstand op een andere locatie te herplanten, dit wordt compensatie genoemd.
Afbeelding 4.5 Geïnventariseerde vlakken weergegeven op kaart
1
Tauw. (9 maart 2022). Bomeninventarisatie Veenoord-Boerdijk, kenmerk N005-1280309VSX-V01-evm-NL..
55 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.8.3
Conclusie
Uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken blijkt dat het voorkomen van enkele beschermde soorten en functies in het plangebied niet op voorhand is uit te sluiten. Er zijn geen beschermde flora-soorten aanwezig. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat het nemen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn (project van dwingende redenen van groot openbaar belang). RVO is het bevoegd gezag in het kader van de ontheffing voor de Wet natuurbescherming en zal beoordelen of de voorgestelde mitigerende maatregelen voldoende zijn voor het verlenen van de ontheffing. Daarnaast is RVO het bevoegd gezag om te borgen dat de mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. De uitgevoerde stikstofdepositieberekening onderbouwt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vanwege de ruime afstand tot NNN-gebieden (circa 700 m) en Natura 2000-gebieden (circa 11,5 km) vindt geen verstoring van deze gebieden plaats. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.
4.9
Water
De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.
4.9.1
Toetsingskader
De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor bestemmingsplannen. Omdat het beleid van het waterschap niet rechtstreeks doorwerkt in het bestemmingsplan is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat de gemeente vooroverleg met onder andere het waterschap moet voeren (artikel 3.1.1 Bro). Daarnaast staat ook expliciet beschreven dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding (artikel 3.1.6 b Bro). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied relevante wet- en regelgevingen en nota's. Waterschapsbeleid Vechtstromen Het plangebied van het bestemmingsplan valt onder het beheer van het Waterschap Vechtstromen. In de Watervisie 2050 van het waterschap worden drie belangrijke wateropgaven genoemd. Dit zijn de toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering, de waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
In het waterbeheerplan voor de periode 2016 -2021 is door het waterschap op hoofdlijnen vastgelegd hoe wordt omgegaan de ambities, de ontwikkelingen en opgaven om te zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het zuiveren van afvalwater. Momenteel wordt het nieuwe waterbeheerprogramma 2022 - 2027 voorbereid.
56 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Het Regionaal Waterprogramma 2022 - 2027 van de provincie Drenthe is vastgesteld op 15 december 2021. De provincie geeft in het Regionaal Waterprogramma op hoofdlijnen aan wat de provincie doet voor een klimaatbestendig watersysteem en een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Bovendien geeft het programma aan waar de provincie een kaderstellende rol heeft voor het waterbeheer door de waterschappen. Het Regionaal Waterprogramma is een zogenaamd verplicht programma onder de nieuwe Omgevingswet en hiermee voldoet de provincie aan Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW). In de Omgevingsvisie (2018) heeft de provincie haar ambitie voor een duurzaam en veerkrachtig watersysteem met een goede waterkwaliteit geformuleerd. Het gaat hierbij om: een zo groot mogelijke voorraad zoet grondwater van een goede kwaliteit, beschikbaar voor mens, landbouw en natuur en daarbij een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening; een robuust watersysteem, dat zodanig is ingericht dat de risico’s op wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven; een goede kwaliteit van het oppervlaktewater, gebaseerd op de normen van de KRW; een zodanige kwaliteit van het grondwater dat het zonder ingrijpende en kostbare zuivering geschikt is voor de bereiding van drinkwater.
Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening van de provincie Drenthe haar regels opgenomen voor de fysieke leefomgeving. 1 van de hoofdstukken in de omgevingsverordening (artikel 2.34) heeft betrekking op het thema water. De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat voldoende schoon grond- en oppervlaktewater biedt voor waterafhankelijke functies. Het watersysteem moet in staat zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, waardoor wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Ook moet het watersysteem voldoen aan de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW). Onderdelen van ons waterbeleid lenen zich voor dit hoofdstuk van deze verordening. Het gaat dan om bescherming van de beekdalen ('Nee tenzij beleid'), het afdwingen van bescherming voor waterbergingsgebieden en bescherming van grondwaterwinningsgebieden. Nationaal beleid Nationaal Waterplan (NWP2) Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016 - 2021, met een vooruitblik richting 2050. Dit plan is vastgesteld op 14 december 2015.
Er wordt ingezet op het robuust en toekomstgericht inrichten van het Nederlandse watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Er wordt gestreefd naar een integrale benadering waarin wateropgaven zoveel mogelijk in samenhang met andere thema’s worden ontwikkeld. Het Nationaal Waterplan gaat uit van een sterke relatie tussen ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke adaptatie. Water staat nooit los van de omgeving. Het raakt aan andere belangen. Er wordt gestreefd naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Hiervoor wordt de strategie inpassing, rivierverruiming, meekoppelen, integrale uitwerking en slimme combinaties toegepast. Het kader van de watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterwet Op 29 januari 2009 is de Waterwet vastgesteld. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de
57 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in 1 vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Daarnaast kent de Waterwet voor projecten zoals dijkversterkingen het projectplan dat een beschrijving geeft van het werk en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd. Bestuursakkoord Water Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) sloten in 2011 het Bestuursakkoord Water (BAW). Daarin is afgesproken om de doelmatigheid van het waterbeheer te vergroten. Minder bestuurlijke drukte, heldere verantwoordelijkheden, slim en kosteneffectief samenwerken staat centraal in deze afspraken, die lopen tot 2021. Op 31 oktober 2018 hebben de waterpartners aanvullende afspraken gemaakt op het Bestuursakkoord Water. Dit omdat nieuwe opgaven vragen om nieuwe afspraken. Het addendum bevat nieuwe en hernieuwde afspraken over de volgende onderwerpen. 1 de kansen van de informatiesamenleving; 2 de risico’s van digitale dreigingen; 3 het succes van regionale samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven; 4 implementatie van de Omgevingswet in de waterketen.
Doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor: 1 veiligheid tegen overstromingen; 2 een goede kwaliteit water; 3 voldoende zoet water. Europees beleid Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die alle lidstaten verplicht te zorgen voor schoon grond- en oppervlaktewater. De KRW geeft bijvoorbeeld aan welke planten en vissen in het water behoren voor te komen, wat het zuurstofgehalte daarbij moet zijn en hoeveel voedingsstoffen een bepaald type water maximaal mag bevatten voor een gezond waterleven. De provincie legt de doelen voor het oppervlaktewater vast.
4.9.2
Resultaten
Om bij de aanleg/verzwaring van het hoogspanningsstation rekening te houden met de waterhuishoudkundige belangen is een watertoets uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage VII. Bij de aanleg van hoogspanningsstations vindt TenneT het belangrijk dat het hoogspanningsstation zo min mogelijk effect heeft op de omgeving, dus ook op de waterhuishouding. Daarom worden er allerlei middelen toegepast om effecten hierop zo veel mogelijk te beperken. Binnen het hoogspanningsstation wordt riolering aangebracht, onder meer ten behoeve van het afvoeren van het afvalwater vanuit het CDG (centraal dienstengebouw) afkomstig van het toilet met wastafel, de uitstortgootsteen en een pantry. Verder zijn de volgende onderdelen relevant in relatie tot de ontwikkelingen (zie voor nadere toelichting de watertoets zoals toegevoegd in bijlage VII). Waterveiligheid Het hoogspanningsstation wordt toekomstbestendig gebouwd en opgehoogd. Hierdoor komt het hoogspanningsstation zelf niet onder water te staan bij hevige regenval en stroomt water af via de watergangen rondom de stations. Vanaf de transformatorhuisjes wordt hemelwater geloosd vanuit een opvangbak onder de transformatoren. Het geloosde water moet voldoen aan de eisen zoals opgesteld in het Activiteitenbesluit. Elke transformator wordt op een olie-waterscheider aangesloten. Het scheidingsprincipe van de olie-waterscheider werkt op het
58 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
verschil in dichtheid en heeft een eigen opslagput. Het schone, afgescheiden water uit deze put wordt leeggepompt naar open water. Watercompensatie Verharding Door het aanbrengen van verharding, of aanpassingen aan het watersysteem, kan wateroverlast ontstaan bij piekbuien. Voor de aanleg van het hoogspanningsstation worden verhardingen aangelegd. Deze verhardingen moeten worden gecompenseerd met waterberging in oppervlaktewater. In totaal wordt 57.519 m2 verharding toegevoegd. Dat betekent dat 5.752 m3 water geborgen moet worden binnen het plangebied. De berging in nieuw gecreëerd wateroppervlak mag gerekend worden als 1 m waterschijf boven op het nieuwe water. Dat is omgerekend minimaal 5.752 m2 aan waterberging. In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de watercompensatie door meerdere watergangen te creëren en een oppervlaktewaterpartij met natuurvriendelijke oevers te creëren aan de zuidkant van het station. In de watergang ten zuiden van het station is een oppervlak van circa 6.575 m2 ten behoeve van watercompensatie gerealiseerd. Deze waterberging voldoet dus aan de minimale waterberging die vereist is als gevolg van de toename in verhardingen Dempen watergangen Voor de ontwikkeling van het plan worden geen hoofdwatergangen gedempt. Op de stationslocatie liggen enkele kleine watergangen die niet staan aangegeven op de leggerkaart.
Deze watergangen worden gedempt in verband met de plaatsing en ophoging van het hoogspanningsstation. Het gaat hier om een totale lengte van circa 590 m. In het inpassingsplan worden de gedempte watergangen verlegd rondom het hoogspanningsstation om directe afwatering van het hoogspanningsstation te garanderen. Door het omleggen van de watergangen wordt een totaal 610 m aan nieuwe watergangen aangelegd met een vergelijkbaar profiel als de gedempte watergangen. Hierdoor wordt de werking van het systeem niet aangetast en wordt de lengte van de watergangen vergroot. Waterafvoer In overleg met het waterschap is besloten om de afwatering van het hoogspanningsstation plaats te laten vinden via het lagere peilvak via de afvoersloot parallel aan de snelweg. De capaciteit en doorstroming van deze watergangen is beter dan de watergang ten noorden van het projectgebied. De watergangen kunnen voldoende water afvoeren bij piekbuien naar zowel het zuidelijke als het noordelijke peilgebied. Kabels en leidingen In het plangebied worden kabels en leidingen aangelegd die van invloed kunnen zijn op waterbelangen. In de uitvoering van dit bestemmingsplan vinden enkele gestuurde boringen plaats die kruisen of binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen liggen.
Vanwege deze kruisingen zijn de gestuurde boringen meldingsplichtig en dienen ten minste veertien dagen voor aanvang gemeld te worden met daarin de volgende informatie: hoeveel spanning er op de kabel komt te staan; het aantal meters dat de kabel uit de insteek wordt aangelegd en; als het een gestuurde boring is, het aantal meters dat de kabel onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Grondwater en onttrekking Voor de realisatie van het hoogspanningsstation en de aanleg van de ondergrondse kabelverbindingen dient bronbemaling toegepast te worden om de werkzaamheden in de bodem te kunnen uitvoeren. Hiervoor is een watervergunning nodig voor het tijdelijk onttrekken van grondwater. Het bemalingsadvies is toegevoegd als bijlage XVI.
59 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Onderhoudsplicht De watergangen worden onderhouden door TenneT, afgezien van de hoofdwatergangen zoals aangegeven in de Legger. Deze hoofdwatergangen worden onderhouden door het Waterschap Vechtstromen.
4.9.3
Conclusie
Uit de uitgevoerde watertoets volgt dat het voornemen zonder zwaarwegende belemmeringen kan worden uitgevoerd. De in de watertoets benoemde adviezen worden opgevolgd en de benodigde vergunningen worden aangevraagd. De watercompensatie is vastgelegd in het landschapsplan, welke is opgenomen als bijlage I.
4.10
Bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand-still-beginsel.
4.10.1 Toetsingskader In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, zoals stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
4.10.2 Resultaten Historisch vooronderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is allereerst een historisch vooronderzoek (water)bodem uitgevoerd1 (zie bijlage VIII). Hierbij is het plangebied opgedeeld in verschillende gebieden. Dit historisch vooronderzoek is uitgevoerd voor zowel de land- als waterbodem. Op basis van dit onderzoek zijn een aantal locaties binnen het plangebied als verdacht aangemerkt. Zo zijn onder andere een aantal asbestverdachte gebieden aangemerkt waarvoor nader onderzoek gedaan dient te worden, en zijn gebieden aangemerkt als verdacht op PFAS in de toplaag waarnaar nader onderzoek moet worden gedaan. In dit onderzoek wordt advies gegeven over de benodigde onderzoeksstrategieën voor een verkennend (water)bodemonderzoek. Dit onderzoek moet verder inzicht geven in de aanwezige verontreiniging. Op basis van dit onderzoek worden in overleg met bevoegd gezag passende maatregelen genomen conform wet- en regelgeving om met eventuele verontreiniging om te gaan.
1
Tauw. (3 mei 2021). Historisch vooronderzoek (water)bodem NNON Locatie Veenoord Boerdijk kenmerk R001-1280309DKIV02-evm-NL.
60 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het historisch vooronderzoek is vervolgens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740), een verkennend bodemonderzoek naar asbest (NEN 5707), een verkennend onderzoek asbest en puin (NEN5897), een onderzoek naar de aard en samenstelling van dempingsmateriaal en een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage IX)1. Hierbij is de grond tevens geanalyseerd op de aanwezigheid van PFAS. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: - de gemeten gehalten aan PFAS bevinden zich onder de achtergrondwaarde. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek; - in het grondwater van peilbuis 535 is een matig verhoogde concentratie aan nikkel gemeten. Dit betreft een verhoogde achtergrondconcentratie die te relateren is aan het gebruik als landbouwgrond. Verder maximaal licht verhoogde gehalten gemeten in de bodem. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek; - ter plaatse van graafgat 578 is een gehalte aan asbest gemeten boven de 50 mg/kg d.s. Nader asbestonderzoek is noodzakelijk om het exacte gehalte aan asbest vast te stellen; - in het grondwater van peilbuis 651 is een matig verhoogde concentratie aan barium gemeten. Dit betreft een verhoogde achtergrondconcentratie die te relateren is aan het gebruik als landbouwgrond.
De exacte ligging van de peilbuizen en graafgaten is opgenomen in bijlage IX. Daarnaast is in een later stadium voor de deelgebieden C, en voor dammen, slootdempingen en watergangen verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage XXIII 2. Hierin is de exacte ligging van de onderzochte gebieden weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat er geen reden is voor vervolgonderzoek in de onderzochte deelgebieden.
4.10.3 Conclusie Op basis van het historisch vooronderzoek zijn een aantal locaties als verdacht aangemerkt. Deze locaties zijn verder onderzocht in het verkennend (water)bodemonderzoek inclusief asbest. Uit dit onderzoek blijkt dat één locatie verdacht is op asbest (deelgebied D2). Hiervoor is een nader asbestonderzoek benodigd zodat in overleg met bevoegd gezag passende maatregelen genomen kunnen worden. Dit zal conform de geldende wet- en regelgeving worden uitgevoerd. De resultaten worden verwerkt in het definitieve bestemmingsplan. Daarnaast is het plangebied verdacht op PFAS-houdende grond. De gemeten gehalten aan PFAS bevinden zich onder de achtergrondwaarde. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek. Eventuele vrijkomende grond kan worden afgevoerd naar een erkend verwerker of volgens de daarvoor geldende regels worden hergebruikt. Dit staat de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen op grond van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.11
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.
1
Tauw. (10 maart 2022). Verkennend (water)bodemonderzoek inclusief asbest NNON locatie Veenoord-Boerdijk, kenmerk R0061280309DKI-V02-hgm-NL.
2
Tauw. (23 augustus 2022). Verkennend (water)bodemonderzoek inclusief asbest NNON locatie Veenoord-Boerdijk, kenmerk R009-1280309DKI-V02-hgm-NL.
61 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Erfgoedwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016 - 2022 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd als er sprake is van een hoge trefkans of als het plangebied niet is gekarteerd.
4.11.2 Resultaten Vooronderzoek Voor het plangebied is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (bijlage X) om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen en adviezen te geven hoe met de verwachte archeologische waarden dient te worden omgegaan1. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Emmen hebben onderdelen van het projectgebied een hoge tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan (Buitengebied 2011) hebben deze zones de ‘Waarde - Archeologie 4’ gekregen. Ten zuiden van de A37 liggen tevens gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde. Deze gebieden hebben echter in het daar geldende bestemmingsplan (Nieuw-Amsterdam-Veenoord, Bedrijventerrein De Tweeling) geen dubbelbestemming archeologie gekregen. Volgens de beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen is hier echter ook ‘Waarde -Archeologie 4’ van toepassing. Volgens de beleidsregels is bij grondwerkzaamheden binnen zones met ‘Waarde -Archeologie 4’ archeologisch onderzoek verplicht, tenzij de omvang van het onderzoeksgebied kleiner is dan 1.000 m2 en de verstoringsdiepte minder dan 0,3 m-mv. Tot slot overlapt het plangebied met archeologische beekdalen die onderdeel zijn van het provinciale archeologiebeleid.
De provincie stuurt hier op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek, conform de gangbare, in de beroepsgroep geldende kwaliteitseisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
1
RAAP. (3 maart 2021). Netversterking Noord-Oost Nederland (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk gemeenten Emmen en Coevoerden; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. Kenmerk RAAPrap_4945_NTZV_20210224.
62 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Afbeelding 4.6 Gespecificeerde archeologische verwachtingenkaart
Op basis van bovengenoemd archeologisch beleid en gebiedskenmerken is in het vooronderzoek archeologie een gespecificeerde archeologische verwachting gedefinieerd voor het projectgebied (zie afbeelding 4.6). Hieruit blijkt dat in het projectgebied waardevolle archeologische resten aanwezig kunnen zijn, die bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Voor deze gebieden wordt een verdiepend veldonderzoek uitgevoerd op basis van het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) om de archeologische verwachting te toetsen. Op basis hiervan kan een goed onderbouwd advies worden gegeven over de omgang met eventueel aanwezig archeologische waarden. Waar nodig kunnen op basis van dit onderzoek mitigerende maatregelen of maatregelen ter behoud van de archeologische resten worden genomen. 63 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Inventariserend veldonderzoek Voor het plangebied is een inventariserend archeologisch veldonderzoek1 uitgevoerd (zie bijlage XI). De extensieve oppervlaktekartering in dit onderzoek heeft geen archeologische vondsten opgeleverd. De aanwezigheid van vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleine omvang of alleen een sporenniveau ter plaatse van de hoger gelegen zones kan niet worden uitgesloten maar de kans op een waardevolle archeologische vindplaats is klein. Daarom wordt geadviseerd om het resterende deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeenten Emmen. Voor de werkzaamheden ter plaatse van de beekdalen wordt een extensieve begeleiding geadviseerd (geel omlijnde gebieden in afbeelding 4.7). Dit houdt in dat bij het aantreffen van eventuele toevalsvondsten deze dienen te worden gemeld.
Deze extensieve begeleiding zal ook van toepassing zijn ter plekke van de nieuwe mast 119B (ten westen van het nieuwe hoogspanningsstation), omdat hier werkzaamheden plaats zullen vinden. Dit deel van het plangebied is in het onderzoek echter niet onderzocht. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Dit is vastgelegd in de planregels behorende bij dit plan.
Afbeelding 4.7 Gebieden waarvoor extensieve begeleiding wordt geadviseerd
4.11.3 Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn gebieden bepaald met een (hoge) archeologische waarde. Voor graafwerkzaamheden in deze gebieden is archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd om een advies te kunnen vormen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden. Uit dit
1
ADC ArcheoProjecten. (23 december 2021). Netversterking Noord-Oost Nederland (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden; Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek en deels karterend booronderzoek. Kenmerk 5630.
64 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
onderzoek blijkt dat de kans op archeologische vindplaatsen als laag kan worden ingeschat. Voor de werkzaamheden ter plaatse van de beekdalen wordt een extensieve begeleiding geadviseerd. Hiervoor dient voorafgaand aan het veldwerk een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. De voorgenomen ontwikkeling kan daarmee uitgevoerd worden zonder zwaarwegende maatregelen. Een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie wordt opgenomen voor de gebieden die geel omlijnd zijn op afbeelding 4.7. Daarnaast zal ter plekke van mast 119B een dubbelbestemming worden opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat eventuele archeologisch waarden beschermd worden. Vanuit de extensieve begeleiding volgt de verplichting tot het opstellen van een PvE. Voor de overige delen van dit bestemmingsplan blijven de vigerende dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie gelden, waarbij voor de uitvoering van dit bestemmingsplan geen onderzoeksverplichting geldt ten aanzien van deze archeologische dubbelbestemmingen. Dit is geborgd in de bestemmingsplanregels.
4.12
Landschap en cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de planvorming rekening te worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving.
4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016 - 2023 een overgangsregeling opgenomen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.
Cultuurhistorisch Kompas Drenthe (CHK) In de Provinciale Omgevingsverordening heeft de provincie Drenthe kernkwaliteiten benoemd, die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap, rust en natuur. Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten.
65 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Wat 'significant' (een term uit artikel 2.6 lid 4 Omgevingsverordening) is, wordt bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Een ontwikkeling leidt dus niet tot significante aantasting, wanneer rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Twee doelstellingen staan centraal in het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe: herkenbaar houden van de cultuurhistorie; versterken van de ruimtelijke identiteit. Dit doet de provincie door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen vanuit samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten, met respect en durf. Daarin is ruimte voor inspiratie en eigen afwegingen van partners. Als kernkwaliteiten worden de thema’s en gebieden aangewezen zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaarten voor de kernkwaliteiten archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap (en de beschermingszone radioastronomie en landbouwgebied), waarbij voor Kernkwaliteit landschap geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de Omgevingsvisie omschreven.
Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn: - wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie; - maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 10 ‘Emmen en haar venen - planmatige ontwikkeling’. Bepalend voor dit deelgebied is de stad Emmen als naoorlogse groeikern op de rand van de Hondsrug met een omringend veengebied.
In dit deelgebied wil de provincie specifiek sturen op: het behouden van de kenmerkende stedenbouwkundige concepten van de naoorlogse wijken van Emmen als representanten van opeenvolgende fasen in het denken over wonen en de stad; bij nieuwe ontwikkelingen van Emmen consequent vasthouden aan het wijkontwerp als totaalbeeld en als uitdrukking van een vernieuwend denkbeeld over de wijze van wonen; het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing; het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug; het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan bebouwing langs de slingerende oost-west georiënteerde wegen. Cultuurhistorische waardenkaart Emmen en de Erfgoednota 2017 - 2022 In 2016 is de Cultuurhistorische waardenkaart Emmen opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart is een instrument dat in werking en uitstraling in de eerste plaats gericht is op het ruimtelijke beleidsveld. Het plangebied is gelegen binnen het ‘randveenontginningslandschap’ (Ermerveen). De waardering op historisch-geografisch gebied is laag tot gemiddeld. Dit komt mede door de ruilverkavelde beekdalen en randveenontginningen.
Uit de kaart behorende bij de Erfgoednota 2017 - 2022 blijkt dat er in het plangebied geen structuren of objecten aanwezig zijn die behoren tot het erfgoed van de gemeente Emmen.
4.12.2 Resultaten In het plangebied liggen geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten en is geen sprake van beschermde stads- of dorpsgezichten.
66 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Voor aardkundige waarden geldt een generieke bescherming vanuit de provinciale Omgevingsverordening. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), aangewezen in de provinciale Omgevingsverordening. De CHS verbindt alle elementen, structuren en gebieden die in hun onderlinge samenhang van provinciaal belang worden geacht. Voor dit gebied staan twee provinciale doelstellingen centraal: - herkenbaar houden van de cultuurhistorie; - versterken van de ruimtelijke identiteit. Initiatiefnemers hebben hier onder andere ‘de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen’. Voor het plangebied geldt dat dit is gelegen binnen de begrenzing van: - esdorpenlandschap; - beekdal; - veenkoloniën. Het plangebied ter plekke van het beoogde hoogspanningsstation heeft de bestemming ‘agrarisch met waarden - kleinschalige veenontginningen’. De gronden zijn onder andere bestemd zijn voor ‘behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden’. In het landschapsplan staat omschreven hoe de ontwikkeling van het nieuwe hoogspanningsstation aansluit bij de bovengenoemde landschappen en bijbehorende kernkwaliteiten (bijlage I)1. Het gedeelte ten zuiden van de A37 krijgt onder andere een groenbestemming.
Deze groenbestemming is onderdeel van de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein ‘De Tweeling’.
4.12.3 Conclusie Het plan voorziet niet in de wijziging of wezenlijke aantasting van beeldbepalende of belangrijke (cultuurhistorische) landschapselementen. Door middel van het landschapsplan wordt ervoor gezorgd dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de structuur, elementen en kenmerken van het landschap en deze waar mogelijk versterkt. Daarom vormen de aspecten landschap en cultuurhistorie geen belemmering voor dit plan.
4.13
Kabels en leidingen
De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.13.1 Toetsingskader De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn.
1
Movares: Station Veenoord-Boerdijk Inventarisatie en analyse landschappelijke inpassing.
67 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. TenneT en Enexis, initiatiefnemers van het voornemen waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld, beschouwen haar ondergrondse kabels als planologisch relevant. Gezien het groot maatschappelijk belang van de kabels en omdat er grote problemen ontstaan als de kabels niet meer werken of niet gerealiseerd kunnen worden, is het wenselijk/noodzakelijk deze in het bestemmingsplan op te nemen.
4.13.2 Wettelijke grondslag Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen is niet wettelijk vastgelegd of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. TenneT beschouwt bijvoorbeeld alle ondergrondse hoogspanningskabels als planologisch relevant (dit wordt ondersteund door de Elektriciteitswet en de bepalingen in het NOVI). Ook Enexis Netbeheer beschouwt de ondergrondse 20kVmiddenspanningsverbinding die deel uitmaakt van dit plan als planologisch relevant.
4.13.3 Resultaten TenneT en Enexis dragen er zorg voor dat voor de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation, het opstijgpunt, de ondergrondse 110kV-kabelverbinding, de bovengrondse 380kV-lijnverbinding en de middenspanningsverbindingen tijdig met relevante kabel- en leidingbeheerders wordt afgestemd over de uit te voeren werkzaamheden in het plangebied. De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied worden daarbij tijdig geïnventariseerd. Ten behoeve van het project wordt hierover tijdig afgestemd met de verantwoordelijke netbeheerders. De kabels en leidingen worden waar mogelijk gekruist door middel van een open ontgraving en waar nodig door middel van een persing of gestuurde boring. Alvorens de aanleg plaatsvindt wordt een KLIC-melding gedaan. In het plangebied ligt een planologisch vastgelegde aardgastransportleiding. Aangezien voorliggend bestemmingsplan komt te gelden in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen is het niet noodzakelijk om bestaande planologisch relevante kabels en leidingen op te nemen in voorliggend bestemmingsplan. De ondergrondse 110kV-kabelverbinding, de bovengrondse 380kV-lijnverbinding en de middenspanningsverbindingen gelden in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen.
Daarbij blijft de huidige planologische regeling van deze kabels en leidingen behouden, met als aanvulling dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van de hoog- of middenspanningsverbindingen zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt mogelijk gemaakt.
68 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.13.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kruist meerdere kabels- en leidingen. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met relevante kabel- en leidingbeheerders. TenneT neemt daarnaast passende tijdelijke maatregelen ten behoeve van het functioneren van de eigen verbindingen tijdens de aanlegfase. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarnaast worden door middel van voorliggend plan zowel de nieuwe ondergrondse 110kV-kabelverbindingen van TenneT als de middenspanningsverbindingen van Enexis planologisch beschermd. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.14
Ontplofbare oorlogsresten
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.
4.14.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.
4.14.2 Resultaten Voor het plangebied is een bureauonderzoek ontplofbare oorlogsresten (OO) uitgevoerd1 om vast te stellen of in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is (zijn) geweest bij oorlogshandelingen waardoor er mogelijk OO in de bodem zijn achtergebleven (zie bijlage XIII). Voor het bureauonderzoek zijn onder andere literatuur, gemeentelijke en provinciale archieven, Nederlands Instituut Militaire Historie, Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Explosieven Opruimingsdienst en luchtfoto’s geraadpleegd. Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het plangebied niet verdacht is op OO. Wel hebben er in de directe omgeving diverse oorlogshandelingen plaatsgevonden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze oorlogshandelingen hebben geleid tot achtergebleven OO in het gebied.
4.14.3 Conclusie Op basis van het bureauonderzoek OO kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet verdacht is op OO. Derhalve kunnen de voorgenomen ontwikkelingen regulier, zonder vervolgstappen op het gebied van OO worden gerealiseerd. Het aspect OO vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
1
Bombs Away (24 februari 2021). Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (Conventionele Explosieven) Netversterking Noordoost-Nederland, Locatie Veenoord-Boerdijk (VOB), gemeente Emmen en Coevorden. Kenmerk 20P258.
69 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1 het bebouwen van de gronden; 2 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.