Bijlage 2.1 - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Het vierde speerpunt ‘Energiesysteem van Drenthe’ heeft het meeste raakvlak met de ontwikkeling. De provincie richt zich op de volgende drie punten: 1 adequaat netwerk; 2 het energiesysteem van de toekomst; 3 waterstof als nieuwe energiedrager. De provincie wil voorbereid zijn op de uitdagingen van de toekomst. Zo wordt benoemd dat nieuwe hoogspanningsinfrastructuur en schakelstations nodig zijn. Conclusie De energietransitie-agenda 2020 - 2023 van de provincie Drenthe biedt ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van aansluitende elektriciteitsinfrastructuur voor een stabiel en betrouwbaar netwerk, waarmee de doelstellingen van de provincie behaald kunnen worden.
3.4
Rijksbeleid
3.4.1
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de 13 daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. In 2012 is een aantal onderwerpen toegevoegd aan het Barro, waaronder het onderwerp elektriciteitsvoorziening. Wat betreft de elektriciteitsvoorziening zijn bestaande hoogspanningsverbindingen opgenomen. Voor dit onderwerp is bepaald dat deze regels alleen gelden voor hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220kV. Deze verbindingen worden benoemd in het Barro. Ook de 380kVlijnverbinding Meeden-Zwolle, die door het plangebied loopt wordt hierin genoemd.
Voor deze verbindingen geldt: 1 een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding (als bedoeld in het Barro) bevat het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het gebruik als hoogspanningsverbinding toe; 2 een bestemmingsplan wijst geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan; 3 in afwijking van het tweede lid kan, na schriftelijk advies van de beheerder van het hoogspanningsnet, een ander tracé van de hoogspanningsverbinding worden aangewezen, mits de hoogspanningsverbinding als zodanig in het bestemmingsplan wordt gehandhaafd, het bestemmingsplan het gebruik van dat gewijzigde tracé toelaat en het tracé aansluit op het tracé van de hoogspanningsverbinding in de naastliggende bestemmingsplannen. Conclusie Voorliggend plan neemt het bestaande tracé van de gecombineerde bovengrondse 380/110kVlijnverbinding Meeden-Zwolle voor een gedeelte over. Alleen tussen de gemeentegrens Emmen-Coevorden en mast 121 vinden kleinschalige aanpassingen van dit tracé plaats. Deze bestemmingsplanwijziging vindt plaats op initiatief van TenneT en Enexis. TenneT is beheerder van het hoogspanningsnet en met schriftelijk advies van TenneT zijn wijzigingen mogelijk aan het hoogspanningstracé. Het project waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld vindt plaats in de gemeenten Emmen en Coevorden.
Daarbij wordt erop gelet dat het toekomstige tracé goed aansluit op het bestaande tracé in de geldende bestemmingsplannen. Hiermee voldoet dit bestemmingsplan aan de eisen die in het Barro gesteld worden aan bestemmingsplannen voor hoogspanningsverbindingen van 220kV en hoger. 31 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
3.4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Conclusie Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation, ondergrondse 110kVkabelverbindingen, een aanpassing aan een bestaande bovengrondse 380kV-lijnverbinding, een opstijgpunt (inclusief mofputten) en middenspanningsverbindingen mogelijk. Jurisprudentie 1 heeft aangetoond dat hoogspanningslijnen inclusief koppelpunten en stations, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden beschouwd. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven.
3.4.3
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie officieel vastgesteld. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet die naar verwachting op 1 juli 2023 in werking treedt en die het Rijk verplicht tot een strategische visie op de fysieke leefomgeving. In de NOVI geeft de Rijksoverheid een langetermijnvisie op de ruimtelijke inrichting en de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. De NOVI richt zich op vier prioriteiten: - ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - duurzaam economisch groeipotentieel; - sterke en gezonde steden en regio’s; - toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitgangspunten in de aanpak van de NOVI zijn het maken van slimme combinaties van functies, de kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen en het niet uitstellen of doorschuiven van beslissingen. De overheid streeft in de NOVI naar een geïntegreerde en gebiedsgerichte aanpak waarin samenwerking tussen overheden onderling en tussen overheden, maatschappelijke organisaties en burgers cruciaal is. De NOVI benoemt 21 nationale belangen en opgaven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Eén van deze belangen is het ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur.
Hoogspanningsverbindingen vanaf 110kV behoren tot het landelijk hoogspanningsnet en zijn onderdeel van dit nationale belang. Daarnaast is goed functionerend mobiliteitssysteem vereist voor het waarborgen en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor het vervoer van personen en goederen via wegen, spoorwegen, luchtruim, zee en vaarwegen. Ononderbroken netwerken voor heel Nederland en in verbinding met het buitenland moeten worden gewaarborgd. Dit belang overstijgt territoriaal het gemeentelijke, regionale en provinciale niveau.
1
ABRvS 24-02-2016, ECLI:NL:RVS:2016:465.
32 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de NOVI, omdat het plan op integrale wijze een kwalitatief hoogwaardige bijdrage levert aan het verbeteren van de energie-infrastructuur en energiezekerheid biedt. Daarmee sluit het aan bij het nationale belang ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is. Hoewel de A37 wordt gekruist door de ondergrondse 110kV-kabelverbinding en de middenspanningsverbindingen zorgt dit niet voor het onderbreken van het wegennet. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet strijdig met het nationale belang.
3.4.4
Klimaatakkoord
Op 28 juni 2019 is het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het centrale doel is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49 % in 2030 ten opzichte van 1990. Het akkoord is opgesteld door het Klimaatberaad waarin voorzitters van de sectortafels en maatschappelijke organisaties, medeoverheden en niet-gouvernementele organisaties vertegenwoordigd zijn en bevat meer dan 600 afspraken om de doelstellingen te bereiken. Ook de nog lopende afspraken uit het Energieakkoord voor duurzame groei zijn integraal opgenomen in het Klimaatakkoord. Inmiddels is het Klimaatakkoord door een breed scala aan bedrijven en (branche)organisaties ondertekend. De afspraken in het Klimaatakkoord zijn opgesplitst in vijf pijlers (zie tabel 3.2).
Tabel 3.2 Pijlers en ambities van het Klimaatakkoord Pijler
Ambitie
gebouwde omgeving
3,4 Mton minder CO2-uitstoten dan in het referentiejaar door toenemend gebruik duurzame warmte en verbeterde isolatie
mobiliteit
stimuleren elektrisch personenvervoer; inzetten op duurzame energiedragers; verduurzaming logistiek; verduurzaming personenmobiliteit
industrie
59 % minder CO2-uitstoten dan in 1990 door systeemveranderingen op het gebied van energie en grondstoffengebruik
landbouw en landgebruik
3,5 Mton minder CO2-uitstoten bovenop eerdere afspraken, met name in de veehouderij en glastuinbouw. Overige maatregelen hebben betrekking op veenweidegebieden, landbouwbodems en vollegrondsteelt, bomen, bos en natuur en voedselverspilling, reststromen en biomassa
elektriciteit
84 TWh opwekking van hernieuwbare elektriciteit, onderverdeeld in 49 TWh Wind op zee en 35 TWh hernieuwbaar op land (>15 kW)
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft onder andere het realiseren van een nieuw hoogspanningsstation, (het gedeeltelijk gewijzigd) aanleggen van een bovengrondse 380kV-lijnverbinding, ondergrondse 110kV-kabelverbindingen, een opstijgpunt en kabelstroken voor ondergrondse middenspanningsverbindingen. Deze netaanpassing is nodig om de transportcapaciteit te verhogen en aan de groeiende vraag naar en aanbod van elektriciteit te kunnen voldoen. Dit is het gevolg van een toename in elektriciteitsverbruik en de toegenomen opwekking van duurzame energie. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied houdt op deze manier verband met in ieder geval drie pijlers. Elektrisch rijden uit de pijler 'Mobiliteit' en duurzame verwarming van woningen uit de pijler 'Gebouwde omgeving' leiden tot extra elektriciteitsverbruik. Verder wordt in de pijler 'Elektriciteit' gesproken over toenemende opwekking van hernieuwbare energie. Dit zal in grote mate decentraal worden ingevoerd op het hoogspanningsnet waardoor op veel plaatsen een grotere transportcapaciteit van het net noodzakelijk is. Dit plan sluit goed aan bij het Klimaatakkoord.
33 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
3.4.5
Elektriciteitswet 1998
De Elektriciteitswet 1998 stelt gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en heeft betrekking op de productie, het transport en de levering van elektriciteit. De mogelijkheden voor opwekking, levering en in- en uitvoer van elektriciteit en voor het gebruik van leidinggebonden elektriciteitswerken zijn hierin opgenomen, met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening. Voortkomend uit de Elektriciteitswet is de Netcode vastgesteld, waarin de voorwaarden voor de gedragingen van netbeheerders en afnemers staan. Rijkscoördinatieregeling De rijksoverheid kan bij projecten van nationaal belang de besluitvorming coördineren. Projecten op het gebied van energie-infrastructuur die van nationaal belang zijn, worden op grond van de Elektriciteitswet 1998 gecoördineerd door de minister van Economische Zaken en Klimaat. In de rijkscoördinatieregeling (RCR) worden de verschillende besluiten (vergunningen en ontheffingen) die voor een project nodig zijn tegelijkertijd en in onderling overleg genomen. Het gaat naast vergunningen en ontheffingen vaak ook om een rijksinpassingsplan.
Voor hoogspanningsprojecten geldt dat projecten die bijdragen aan uitbreidingen en verzwaringen van het landelijk hoogspanningsnet op een spanningsniveau van 220 kilovolt (kV) of hoger onder de RCR vallen. Op het project dat door het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de RCR in principe van toepassing. Het Ministerie van EZK heeft (in overleg met de andere betrokken partijen) op 15 april 20211 echter besloten om de RCR buiten toepassing te verklaring. Conclusie Op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Netcode is TenneT verantwoordelijk voor een veilig, betrouwbaar en doelmatig hoogspanningsnet in Nederland. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 moet Enexis onder andere de door haar beheerde netten in stand houden en aansluitingen aanbieden en realiseren voor degenen die daarom verzoeken. De voorgenomen ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door middel van dit bestemmingsplan voorziet in deze verantwoordelijkheden. De RCR is niet van toepassing op dit project.
3.4.6
Omgevingswet
Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) op 1 juli 2023 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Procedure Voor bestemmingsplannen geldt dat het oude recht van toepassing is op bestemmingsplannen waarvan de procedure van de terinzagelegging vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is gestart.
Op dit bestemmingsplan is derhalve de Omgevingswet nog niet van toepassing, omdat de officiële procedure van de terinzagelegging van dit bestemmingsplan plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2023. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in beginsel gewoon geldig blijft na 1 juli 2023 als onderdeel van het omgevingsplan.
1
Staatscourant 15 april 2021, Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Nummer: DGKE-WO/21089814.
34 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Conclusie Het huidige recht blijft van toepassing op de procedure voor het opstellen van dit bestemmingsplan, omdat het ontwerpbestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage wordt gelegd. Bij de invoering van de Omgevingswet gaat dit bestemmingsplan over in het omgevingsplan. Hiermee vormt de Omgevingswet geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.
35 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is in onderdeel C en D van de bijlage (de zogenaamde C- en Dlijst) aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. (kolom 2 in de C- en D-lijst) drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten die zowel voorkomen op de C-lijst, onder de drempelwaarde van de C-lijst blijven en niet voorkomen op de D-lijst. Indien dit het geval is zal een toets worden uitgevoerd, die ook wel vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt genoemd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese Hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r.
(kolom 2 'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. De onderdelen waaruit het project bestaat, zijn beschreven in paragraaf 1.3. Het realiseren van een hoogspanningsstation is niet opgenomen in de C- of D-lijst. Hiervoor hoeft derhalve geen vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Ten aanzien van hoogspanningsverbindingen en grondwateronttrekkingen is het volgende opgenomen in de C- en D-lijst, zie hiervoor tabel 4.1.
36 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Tabel 4.1 Categorieën uit het Besluit m.e.r. van toepassing op ontwikkeling
C15.1
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
activiteiten
gevallen
plannen
besluiten
de infiltratie van water in de
in gevallen waarin
de structuurvisie,
het besluit, bedoeld in de
bodem of onttrekking van
de activiteit
bedoeld in de artikelen
artikelen 6.4 of 6.5, aanhef en
grondwater aan de bodem
betrekking heeft op
2.1, 2.2 en 2.3 van de
onderdeel b, van de Waterwet,
alsmede de wijziging of
een hoeveelheid
Wet ruimtelijke
dan wel het besluit tot
uitbreiding van bestaande
water van 10
ordening, en het plan,
vergunningverlening bedoeld
infiltraties en onttrekkingen
miljoen m³ of meer
bedoeld in de artikelen
in een verordening van een
per jaar
3.1, eerste lid, 3.6,
waterschap
eerste lid, onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet D24.1
de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding
D24.2
de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding
in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1 een spanning van 150kV of meer; en 2 een lengte van 5 km of meer in een gevoelig gebied
de structuurvisie,
het plan, bedoeld in artikel 3.6,
bedoeld in de artikelen
eerste lid, onderdelen a en b,
2.1, 2.2 en 2.3 van de
van de Wet ruimtelijke
Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het
ordening, en het plan,
ontbreken daarvan van het
bedoeld in de artikelen
plan, bedoeld in artikel 3.1,
3.1, eerste lid, 3.6,
eerste lid, van die wet
in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1 een spanning van 150kV of meer; en 2 een lengte van 5 km of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage
de structuurvisie,
het plan, bedoeld in artikel 3.6,
bedoeld in de artikelen
eerste lid, onderdelen a en b,
2.1, 2.2 en 2.3 van de
van de Wet ruimtelijke
Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het
ordening, en de
ontbreken daarvan van het
plannen, bedoeld in de
plan, bedoeld in artikel 3.1,
artikelen 3.1, eerste lid,
eerste lid, van die wet of het
3.6, eerste lid,
besluit, bedoeld in artikel 6.5,
onderdelen a en b, van
onderdeel c, van de Waterwet
eerste lid, onderdelen a en b, van die wet
die wet
De bovengrondse hoogspanningsverbinding uit het voornemen blijft onder de drempelwaarden voor categorie D24.1 omdat de lengte van de verbinding circa 1,0 km bedraagt en niet door gevoelig gebied komt. De ondergrondse hoogspanningskabel uit het voornemen blijft onder de drempelwaarden voor categorie D24.2 omdat de spanning lager is dan 150kV en de kabel niet door gevoelig gebied komt. De precieze hoeveelheid te onttrekken grondwater is nog niet bekend, maar gezien de doorlatendheid van het type ondergrond (‘fijn zand’) wordt geschat dat deze hoeveelheid ruim onder de drempelwaarde van categorie C15.1 zit. Grondwateronttrekking maakt geen onderdeel uit van de D-lijst. Omdat (onderdelen van) het initiatief in de C- en D-lijst genoemd worden, maar op geen van beide lijsten boven de drempelwaarden uitkomen, geldt voor het initiatief een vormvrije m.e.r. beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit de stikstofdepositieberekening (paragraaf 4.8) dat een passende beoordeling niet nodig is, waardoor er geen rechtstreekse MER-plicht geldt.
37 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Voor dit project is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, die is opgenomen in bijlage XII. Hierin is geconcludeerd dat het project geen grote negatieve gevolgen heeft voor het milieu. De aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is aangeboden aan de gemeente (bevoegd gezag). De gemeente heeft besloten dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn en dat een MER niet noodzakelijk is. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit van de gemeente Emmen is opgenomen in bijlage XIX.
4.2
Geluid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen.
4.2.1
Toetsingskader
Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) die per 1 januari 2007 van kracht is geworden, verplicht gemeenten lokaal geluidsbeleid ten aanzien van de Hogere Waarde procedure op te stellen. De wet geeft handvatten voor het ontwikkelen, opstellen en uitvoeren van lokaal geluidbeleid. De Wgh is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: - gezoneerde bedrijventerreinen; - spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); - wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven). Ten aanzien van de ontwikkeling van het hoogspanningsstation is de Wgh van toepassing, voor de overige ontwikkelingen in dit plan geldt dat de Wgh niet van toepassing is. Activiteitenbesluit milieubeheer Voor inrichtingen (type A en B) in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) gelden voor het aspect geluid regels uit het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit bevat standaardwaarden die van toepassing zijn voor de meeste inrichtingen. Hoogspanningsstations worden gezien als Wm-inrichting (type C) als: 1 de transformatoren niet in een gesloten gebouw zijn ondergebracht; en 2 het maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen 200 MVA of meer is. Het hoogspanningsstation dat mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan heeft een maximaal elektrisch vermogen van meer dan 200 MVA en de transformatoren bevinden zich niet in een gesloten gebouw.
Het hoogspanningsstation wordt daarom gezien als Wm-inrichting (type C). Hiervoor gelden geen standaardwaarden, maar is een omgevingsvergunning milieu noodzakelijk. Geluid afkomstig van de inrichting wordt in deze vergunningprocedure beoordeeld. Hoogspannings- en middenspanningsverbindingen worden niet beschouwd als Wm-inrichting, zijn geen geluidgevoelige functie in de zin van de Wgh en veroorzaken geen geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar deze verbindingen is daarom niet noodzakelijk.
4.2.2
Resultaten
Aanlegfase Voor de aanleg van het hoogspanningsstation, de (reconstructie van de) bovengrondse 380kV-lijnverbinding, de 110kV-kabelverbindingen, het opstijgpunt en de middenspanningsverbindingen vinden de nodige werkzaamheden plaats. Deze werkzaamheden en het hierbij in te zetten materieel
38 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
veroorzaken een bepaalde geluidsbelasting op de omgeving. De meeste geluidbelasting wordt veroorzaakt door de aanleg van het hoogspanningsstation. Omdat de dichtstbijzijnde woning (Boerdijk 66) op circa 360 m afstand ten oosten ligt van het hoogspanningsstation (exclusief toegangsweg) zijn deze effecten beperkt. De werkzaamheden vinden (grotendeels) overdag plaats, waardoor hinder ’s nachts tot een minimum beperkt zal zijn. De woning aan de Boerdijk 66 ligt op circa 90 m van de toegangsweg, nabij de op- en afrit van de A37. In de overige richtingen bevinden de woningen zich op een afstand van tenminste 490 m tot het hoogspanningsstation. De effecten treden alleen op tijdens de aanlegfase. Het gaat hierbij om tijdelijk geluid veroorzaakt door bijvoorbeeld vrachtverkeer, bemaling, graven en boren. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (artikel 8.3) en voor overige activiteiten in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) (artikel 4:6). Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden. Hierdoor is er geen sprake van onaanvaardbare milieu- of omgevingseffecten voor het thema geluid in de aanlegfase.
Gebruiksfase In de gebruiksfase is er een aantal onderdelen van het hoogspanningsstation dat geluid produceert en mogelijk overlast voor de omgeving kan veroorzaken: - vijf transformatoren van 77/90 MVA; - vier transformatoren van 370 MVA; - noodstroomaggregaat (NSA) in het centraal dienstgebouw; - 31 vermogensschakelaars (12 schakelaars 380kV en 19 schakelaars 110kV). In opdracht van TenneT is een onderzoek verricht naar de in de omgeving optredende geluidsniveaus ten gevolge van het voorgenomen hoogspanningsstation. Uit het onderzoek 1 (zie bijlage II) blijkt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen voldaan kan worden aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Dit geldt zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus (enkel veroorzaakt door het schakelen met vermogensschakelaars). Gelet op voornoemde punten kan worden gesteld dat sprake is van een toelaatbare en toepasbare situatie. Het voorgenomen hoogspanningsstation is deels gelegen binnen de geluidszone van industrieterrein ‘De Tweeling’, maar maakt geen onderdeel uit van het industrieterrein. Omdat het in de toekomst opgestelde elektrische vermogen op het hoogspanningsstation meer dan 200 MVA bedraagt dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld te worden.
Afbeelding 4.1 laat de toekomstige geluidzone voor het hoogspanningsstation zien. Binnen de geluidzone bevinden zich geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Het vaststellen van de voorgestelde geluidzone kent derhalve geen bezwaren van geluidstechnische aard.
1
Peutz. (22 maart 2022). Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het geprojecteerde 380/110kV station Veenoord Boerdijk (VOB380-110), kenmerk FA 21881-2-RA-001.
39 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Afbeelding 4.1 Geluidzone rond hoogspanningsstation
Laagfrequent geluid Hoogspanningsstations (transformatoren) produceren laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden de 125 Hz. De genoemde installaties bezitten relatief veel geluidenergie bij 100 Hz en hogere harmonischen daarvan (200 Hz en volgende veelvouden van 100 Hz). Dit houdt direct verband met de netfrequentie van 50 Hz. De bijdrage van 50 Hz aan het totale geluidniveau in dB(A) is over het algemeen niet relevant. Dit geldt ook voor de frequenties buiten de 100 Hz en hogere harmonischen. In het kader van laagfrequent geluid zijn voor hoogspanningsstations derhalve alleen de geluidniveaus bij 100 Hz van belang. Deze frequentie vormt het overgangsgebied tussen laagfrequent geluid en 'normaal geluid'. Daardoor worden de laagfrequente geluidniveaus bij hoogspanningsstations al beperkt door de normstelling in dB(A) (hoge geluidniveaus bij 100 Hz zullen al snel leiden tot een overschrijding van de norm in dB(A)). Voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat nog geen wettelijke grondslag. In bijzondere gevallen kan bij klachten en bezorgdheid over laagfrequent geluid aansluiting worden gezocht bij de Vercammencurve. De Vercammen-curve is een richtlijn voor laagfrequent geluid op basis van (geobjectiveerde) hinder. Dit is echter geen wettelijke norm.
De Vercammencurve sluit aan bij de binnen woningen op grond van de Wet geluidhinder toelaatbare geluidniveaus. In nagenoeg alle situaties waarin de Vercammencurve wordt gehanteerd, wordt uitgegaan van de curve behorend bij een toelaatbaar binnen niveau van 25 dB(A). Uit jurisprudentie1 volgt dat dit een geaccepteerde methode is om de hinder vanwege laagfrequent geluid te beoordelen. In dit geval worden bij 100 Hz geluidniveaus verwacht van 39 dB (lineaire waarden; overeenkomend met ten hoogste 25 dB(A)). Op basis van de berekeningen wordt verwacht dat bij 100 Hz geluidniveaus kunnen optreden van ten hoogste 33 à 42 dB (lineaire waarden; overeenkomend met ten hoogste 14 à 23 dB(A)). Het betreft hier de op de gevels van de woningen invallende geluidniveaus.
1
ABRvS 13-05-2020, ECLI:NL:RVS:2020:123
40 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Op grond van het onderzoek wordt gesteld dat ten gevolge van het project binnen woningen niet of nauwelijks sprake zal zijn van laagfrequent geluid. De zogenaamde Vercammencurve zal niet worden overschreden.
4.2.3
Conclusie
Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot grote nadelige gevolgen met betrekking tot geluid. Gedurende de aanlegfase kan tijdelijk sprake zijn van overlast door bouwlawaai. Bij de voorbereiding van de uitvoering door de te selecteren aannemer zal aandacht zijn voor de maximaal toegestane geluidsbelasting, waardoor geen onevenredige geluidsoverlast zal optreden. Voor de gebruiksfase geldt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen voldaan kan worden aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus, waardoor sprake is van een toelaatbare en toepasbare situatie. Daarnaast geldt dat binnen de woningen niet of nauwelijks sprake is van laagfrequent geluid. De Vercammencurve wordt niet overschreden. Voor de voorgenomen ontwikkeling dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld te worden. Het vaststellen van een dergelijke zone is mogelijk zonder daarbij op bezwaren van geluidstechnische aard te stuiten. De geluidszone wordt in de regels van het bestemmingsplan opgenomen als gebiedsaanduiding. De ondergrondse 110kV-kabelverbindingen, bovengrondse 380kV-lijnverbinding en ondergrondse middenspanningsverbindingen zijn niet geluidsgevoelig en veroorzaken geen geluidhinder.
Daarom is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk ten aanzien van deze onderdelen van voorliggend plan. Gelet op voornoemde punten is er geen sprake van grote nadelige gevolgen met betrekking tot het thema geluid.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.
41 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.3.1
Toetsingskader
De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevings- en gebiedstype. Het project dat mogelijk wordt gemaakt met deze bestemmingsplanwijziging ligt in een ‘gemengd gebied’1. Gemengde gebieden betreffen onder andere gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, gebieden met matige tot sterke functiemenging en gebieden met lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met een stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit, tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies, gelegen buiten betreffend perceel.
4.3.2
Resultaten
Een hoogspanningsstation is in de handreiking opgenomen onder 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen'. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën op basis van het aantal MVA van de transformatoren. Op het hoogspanningsstation worden in totaal negen transformatoren geplaatst. Het gaat om vijf transformatoren van 77/90 MVA en vier transformatoren van 370 MVA. Omdat het totale transformatorvermogen van het hoogspanningsstation > 1.000 MVA is, valt het hoogspanningsstation in milieucategorie 5.1. Hiervoor zijn richtafstanden opgenomen voor geluid (500 m) en gevaar (50 m). Het betreft een openluchtinstallatie. Wel worden gebouwen neergezet voor de bediening en komen er om de transformatoren heen scherfwanden te staan. Het gebied kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied1, gelet op onder andere de ligging langs de N376 (Boerdijk) en A37 (hoofdinfrastructuur). Omdat de locatie van het hoogspanningsstation onder ‘gemengd gebied’ valt, kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap worden verminderd. Op basis van de VNG-publicatie betekent dit dat voor geluid een richtafstand kan worden aangehouden van 300 m en voor gevaar 30 m. De dichtstbijzijnde woning (Boerdijk 66) bevindt zich op circa 360 m van het hoogspanningsstation. Daarmee valt de woning buiten de richtafstanden voor geluid en gevaar.
Vanuit het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.2). Uit dit onderzoek blijkt dat het voornemen niet leidt tot een overschrijding van de wettelijk vastgestelde geluidsniveaus. Het hoogspanningsstation is zelf niet milieuhindergevoelig.
1
Uitspraak 201710271/1/R1 Raad van State, 14 november 2018: een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
42 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Ondergrondse hoog- en middenspanningsverbindingen, bovengrondse hoogspanningslijnen en opstijgpunten vallen niet onder de functies die milieuhinder veroorzaken en zijn daarom niet opgenomen in de handreiking. Daarnaast zijn hoog- en middenspanningsverbindingen, bovengrondse hoogspanningslijnen en opstijgpunten niet milieuhindergevoelig. Eventueel in de omgeving aanwezig zijnde milieuhinder veroorzakende bedrijven of functies vormen enerzijds geen belemmering voor de realisatie van de benodigde verbindingen en de ontwikkeling van deze bedrijven of functies wordt anderzijds niet belemmerd door de benodigde verbindingen.
4.3.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
4.4
Trillingen
4.4.1
Toetsingskader
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Trillingen bewegen zich door de bodem en gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn schade aan gebouwen en hinderbeleving. Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook zijn schade of verstoring van trillingsgevoelige apparatuur. In tegenstelling tot de Wet geluidhinder bij geluid, bestaat in Nederland nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillingen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Research (hierna: SBR) meet- en beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen.
4.4.2
Resultaten
De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats (onder andere tijdelijke heiwerkzaamheden) die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. De bodem in en rondom het projectgebied bestaat voornamelijk uit zandgronden. Dit zijn weinig trillingsgevoelige grondsoorten. In de regel wordt voor dit soort gronden nader onderzoek aanbevolen voor woningen of andere trillingsgevoelige objecten binnen 100 m van de trillingsbron. Op meer dan 250 m van de trillingsbron zijn voor zandgronden de effecten van trillingen verwaarloosbaar. Gezien de afstand van het werkterrein (exclusief toegangsweg) tot de dichtstbijzijnde woning (Ermerveen 1, circa 280 m van mast 121) is de verwachting dat trillingen op deze afstand geen negatief effect hebben. Voor bedrijven geldt een richtafstand van circa 20 - 30 m van de trillingsbron voor trillinghinder. De minimale afstand tussen bestaande bedrijven en trillingsbronnen voor de werkzaamheden bedraagt ongeveer 700 m. Derhalve worden ook hiervoor geen noemenswaardige negatieve effecten verwacht.
4.4.3
Conclusie
Het aspect trillingen vormt, gelet op de afstand van de trillingsbron tot trilling gevoelige objecten, geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
43 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.5
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
4.5.1
Toetsingskader
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan 1 of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht.
4.5.2
Resultaten
Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor een nieuw hoogspanningsstation, opstijgpunt, ondergrondse 110kV-kabelverbindingen, 380kV-lijnverbinding en middenspanningsverbindingen. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer (periodiek onderhoud en reparaties zorgen voor enkele beperkte vervoersbewegingen). De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van bovengenoemde onderdelen genereren tijdelijk extra verkeer. Vanwege het tijdelijke karakter van de werkzaamheden kan op voorhand geconcludeerd worden dat de grenswaarden voor de relevante componenten ook in de aanlegfase niet overschreden worden. Emissies in de gebruiksfase zijn verwaarloosbaar. Het hoogspanningsstation wordt elektrisch verwarmd en heeft bij regulier gebruik geen stookinstallaties of productieprocessen waarbij emissies vrijkomen. Het hoogspanningsstation bevat wel een diesel noodstroomaggregaat (NSA). Dit NSA wordt periodiek getest en ingezet bij calamiteiten. Vanwege de aard en omvang van het NSA gaat het hierbij slechts om een tijdelijke en geringe verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling leidt ook niet tot een significante toename van verkeer (enkel voor periodiek onderhoud en reparaties).
In het plangebied liggen de huidige concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de wettelijke grenswaarden zoals vastgesteld in de Wet milieubeheer (zie tabel 4.2). Het project beïnvloedt niet in betekenende mate de luchtkwaliteit omdat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase gering en tijdelijk is en de huidige achtergrondwaarden in het projectgebied ruim onder de grenswaarden liggen. 44 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Tabel 4.2 Wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden(bron: www.atlasvoordeleefomgeving.nl) Luchtkwaliteit 2020 (μg/m3)
Luchtkwaliteitsgrenswaarden jaargemiddelde (µg/m3)
fijnstof fractie PM2.5
7
25
fijnstof fractie PM10
14
40
stikstofdioxide (NO2)
11
40
Stof
Op het aspect stikstof wordt in paragraaf 4.8 (natuur) nader ingegaan. Hieruit blijkt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen te verwachten zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Daarnaast is gekeken naar de bijdrage van het extra verkeer. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NIBM-tool (niet-in-betekende-mate). Bij een weekdaggemiddelde van 740 voertuigbewegingen wordt de grens voor NIBM in NO2 in μg/m3 niet overschreden (zie afbeelding 4.2). Aangezien dit aantal dermate hoog is en niet realistisch is om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren, kan worden gesteld dat de ontwikkeling niet-in-betekende-mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 4.2 NIBM-tool
45 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Zwavelhexafluoride (SF6) Binnen het hoogspanningsstation wordt SF6 gebruikt als isolatiemiddel. SF6 is een broeikasgas dat wordt gebruikt als isolatiegas en blusmedium in vermogensschakelaars. Het SF6 wordt toegepast in de vermogensschakelaars (onderdeel van de transformatorvelden om de verbindingen in en uit te kunnen schakelen). Momenteel is er geen technisch betrouwbaar alternatief voor het gebruik van SF6 als vlamdovend medium in circuitonderbrekers, welke geschikt zijn voor spanningen van 220kV en hoger. Voor stroomonderbrekers geschikt voor spanningen van 110/150kV zijn andere brandblusmiddelen zoals olie en lucht technisch mogelijk, deze worden echter vanwege hun relatieve dure ontwerp- en onderhoudsbehoeften, niet langer aangeboden door de belangrijkste fabrikanten. Verschillende fabrikanten zijn begonnen met het ontwikkelen van 110/150kV stroomonderbrekerbasis op vacuümonderbrekingtechnologie. De ontwikkelingen dekken echter nog niet de specificaties die vereist zijn voor algemeen gebruik in het elektriciteitsnet van TenneT. Er moet nog worden geconcludeerd of TenneT het gebruik van SF6 in stroomonderbrekers niet kan weglaten op de middellange termijn.
Waar schakelinstallaties met SF6 worden toegepast zal altijd sprake zijn van enige SF6 lekkage naar de buitenlucht, bijvoorbeeld als gevolg van installeren, uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, fabricagefouten of veroudering van de installatie. Vanzelfsprekend tracht men om SF 6-verlies tijdens het gebruik van de installaties zo laag mogelijk te houden (richtlijn is 0,5 % per jaar). Op Europees niveau is besloten dat de elektriciteitssector nog wel (zij het onder aangescherpte regels) gebruik kan maken van SF6. Voor een aantal andere sectoren is het gebruik inmiddels verboden. In Nederland wordt de toepassing van SF6 strikt gemonitord, zodat de overheid kan nagaan of de markt zich daadwerkelijk inspant om de toepassing van SF6 zoveel mogelijk te beperken. In het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen streeft TenneT naar minimalisatie van de SF 6 lekkage.
4.5.3
Conclusie
Het plan heeft geen wezenlijke blijvende verkeersaantrekkende werking. Daarnaast stoten de bovengrondse 380kV-lijnverbinding, de ondergrondse 110kV-kabelverbindingen, het opstijgpunt en de middenspanningsverbindingen geen vervuilende stoffen uit. Het hoogspanningsstation kan in de gebruiksfase een tijdelijke en geringe verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaken door het inschakelen van het noodstroomaggregaat. Eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit is lokaal en van tijdelijke aard. Het plan draagt niet in een betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico.
1
In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
46 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.
4.6.1
Toetsingskader
Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (1 op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan.
Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.
4.6.2
Resultaten
Het nieuwe hoogspanningsstation, het opstijgpunt, de bovengrondse 380kV-lijnverbinding, de ondergrondse 110kV-kabelverbindingen en de middenspanningsverbindingen vallen niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het betreffen geen risicovolle inrichtingen en geen (beperkt) kwetsbare objecten. Derhalve is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van de plannen. De ontwikkelingen zorgen verder niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen (plaatsgebonden risico en groepsrisico) of een toename van de effecten van een mogelijk incident. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Aan de noordoostzijde van het nieuwe hoogspanningsstation ligt een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Het nieuwe hoogspanningsstation ligt binnen het invloedsgebied van deze hogedruk aardgastransportleiding, maar is voor externe veiligheid verder niet relevant. Het nieuwe hoogspanningsstation is namelijk geen verblijfsobject voor personen, waardoor het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord. Wel dient er voldaan te worden aan de NEN 3654 ‘wederzijdse beïnvloeding van buisleidingen en hoogspanningssystemen’. Dit onderdeel wordt door TenneT en Enexis afgestemd met de leidingbeheerder.
4.6.3
Conclusie
Gezien het feit dat het bestemmingsplan geen externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengt voor gevoelige functies in de nabijheid van het plangebied en het feit dat het bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van nieuwe kwetsbare objecten in de nabijheid van risicovolle bronnen of transportroutes vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
47 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.7
Magneetvelden
4.7.1
Toetsingskader
Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voorkomen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microTesla (µT) wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC). Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd en in bestaande situaties nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT op voor publiek toegankelijke plaatsen wordt deze nergens overschreden. De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbinding. Bovengrondse hoogspanningsverbindingen Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies (Ministerie van VROM, d.d.
3 oktober 2005, verduidelijking d.d. 4 november 2008) uitgebracht voor bovengrondse hoogspannings-verbinding waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 µT. Dit komt erop neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 µT te plaatsen. Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid ziet op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 µT conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden. Hoogspanningsstations en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bovenbeschreven beleidsadvies (0,4 µT) geldt alleen voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen en hoogspanningsstations geldt een geadviseerde blootstellingslimiet van 100 µT conform Aanbeveling 1999/519/EG van de Europese Unie.
De Nederlandse Rijksoverheid heeft deze geadviseerde blootstellingslimiet overgenomen. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze blootstellingslimiet volgens het RIVM nergens overschreden (zie ook https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/magneetvelden). In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden. Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (voorheen VROM) in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het hoogspanningsnet (zoals opstijgpunten).
48 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
4.7.2
Resultaten
Bestaande en toekomstige bovengrondse hoogspanningsverbinding Voor de bestaande bovengrondse 380/110kV-lijnverbinding geldt een indicatieve magneetveldzone van 2 x 110 m aan weerszijden van het hart van de hoogspanningsverbinding (bron: https://geodata.rivm.nl/netkaart.html). Deze indicatieve magneetveldzone is bedoeld als eerste toets of er gevoelige bestemmingen zijn die dermate dicht bij de hoogspanningslijn zijn gelegen dat deze blootgesteld zouden kunnen worden aan een jaargemiddelde magneetveldsterkte hoger dan 0,4 µT. Dit zou het geval kunnen zijn als er gevoelige bestemmingen binnen de indicatieve magneetveldzone liggen. Nieuwe bovengrondse 380kV-lijnverbindingen worden gerealiseerd om het hoogspanningsstation aan te sluiten op de bestaande 380/110kV-lijnverbinding (tussen mast 119A en het hoogspanningsstation, en tussen mast 121 en het hoogspanningsstation). De bovengrondse 110kV-lijnverbinding wordt uit de masten verwijderd. De huidige conceptberekeningen tonen aan dat er wel woningen binnen de magneetveldcontour liggen, maar dat er geen nieuwe woningen aan worden toegevoegd. Het beleid TenneT is er daarnaast op gericht om te voorkomen dat er bij wijzigingen aan het hoogspanningsnet nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldcontour komen te vallen.
Ondergrondse 110kV-kabelverbindingen en hoogspanningsstation Om ongerustheid over magneetvelden bij bewoners te voorkomen heeft TenneT in het verleden bij diverse hoogspanningsstations en ondergrondse kabelverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat de contour van 0,4 microtesla (jaargemiddeld) voor ondergrondse kabelverbindingen op minder dan 25 m uit het hart van de kabel ligt. Voor hoogspanningsstations geldt dat deze contour op minder dan 40 m van het hek van een hoogspanningsstation (en opstijgpunten) ligt. De dichtstbijzijnde woningen (Boerdijk 68 en Ermerveen 1) liggen op ruim 250 m van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding. Het hoogspanningsstation ligt op circa 350 m van de dichtstbijzijnde woning (Boerdijk 66). Het is dus ten aanzien van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding en het hoogspanningsstation uitgesloten dat woningen worden blootgesteld aan magneetveldsterkten hoger dan 0,4 µT.
4.7.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande analyse is het uitgesloten dat er als gevolg van de bestaande en toekomstige 380kV-lijnverbinding, het hoogspanningsstation en de ondergrondse 110kV-kabelverbindingen gevoelige bestemmingen worden blootgesteld aan magneetveldsterkten hoger dan 0,4 µT. Hiermee wordt voldaan aan de aanbevelingen op Europees niveau en het voorzorgsbeleid zoals vastgelegd in het beleidsadvies van het ministerie van VROM uit 2005. Daarmee vormt het aspect magneetvelden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.
4.8
Natuur
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur.
4.8.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden.
49 | 80
ACT TWB | 125549/23-000.103 | Definitief 02
Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1- 4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden.