Bijlage 1 Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36_Toelichting
Tekst van het document
Dit vanwege de doelstelling om een goed vestigingsklimaat te creëren. De stedenbouwkundige plannen gingen uit van een hoofdopzet met een groene, goed functionerende stedelijke kern, en een goede ordening van woon- en industriegebieden. Parallelweg Vanaf 1850 kwam de turfindustrie op gang in de omgeving van Emmen. Er werden kanalen gegraven en er kwamen steeds meer mensen in het veengebied wonen om er te werken. Hierdoor ontstonden er dorpen in het gebied en ondertussen werd Emmen ook steeds groter. In de jaren twintig van de vorige eeuw werden er vrijstaande villa’s gebouwd in het gebied rondom de Parallelweg. Het gebied lag grofweg tussen de huidige spoorlijn en de Emmerdennen. De spoorlijn Zwolle Stadskanaal is begin 1900 in gebruik genomen. De spoorlijn heeft grote invloed gehad op de stedenbouwkundige opzet van het oostelijk deel van het centrum van Emmen. De stedenbouwkundige hoofdstructuur die heden te onderscheiden is, is veelal een directe afgeleide van het oorspronkelijk wegenpatroon. De Parallelweg is echter een weg die al voor de aanleg van de spoorlijn aanwezig was. Daarom wordt de Parallelweg ook als een cultuurhistorisch waardevolle hoofdstructuur beschouwd. De spoorlijn heeft het trace van de Parallelweg gevolgd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft het herontwikkelen van een locatie (direct) nabij het centrum van BJZ.nu Bestemmingsplannen
26
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Emmen. Het plangebied zelf bevat geen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Echter is het plangebied wel gelegen langs cultuurhistorisch waardevolle hoofdstructuren. Middels de voorgenomen ontwikkeling is er derhalve geen (negatieve) invloed op de cultuurhistorische hoofdstructuur. 4.1.3
Monumenten
Beschermde monumenten worden gekenmerkt door een samenhangend en gaaf geheel van architectonische stijlkenmerken. Een monument kan representatief zijn voor een bepaalde bouwstijl, maar kan ook een rijke bouwgeschiedenis hebben met verwijzingen naar verschillende bouwstijlen. Voor zover de bouwgeschiedenis niet duidelijk afleesbaar is, kan zij door bouwhistorisch onderzoek aan het licht komen. Monumenten worden in hoge mate gewaardeerd om hun architectuurhistorische kwaliteit, waardoor zij belangrijk bijdragen aan de kwaliteit en de identiteit van hun omgeving. Een bouwplan voor een monument wordt getoetst aan het monumentenbeleid. Richtinggevend is hiervoor de redengevende omschrijving van het monument. Naast de toetsing aan het monumentenbeleid dat gericht is op het behouden van de historische kenmerken van het monument wordt het bouwplan voor wat betreft de welstandsaspecten getoetst aan de onderstaande criteria: toevoegingen aan, op of bij monumenten worden op herkenbare wijze vormgegeven. Hierbij vormen de historische stijlkenmerken van het monument de inspiratiebron; er is aandacht voor zorgvuldige detaillering en materiaalkeuze. Binnen het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of provinciale monumenten. 4.1.4
Conclusie
Op grond van de resultaten van het onderzoek zal een aanvullend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het aanvullende archeologisch onderzoek is middels een dubbelbestemming waarde archeologie 2 geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Tijdens de aanvraag omgevingsvergunning zal dit vervolgonderzoek plaatsvinden. Voor het vervolgonderzoek dient een programma van eisen te worden opgesteld welke dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. De vervangende nieuwbouw doet geen afbreuk aan de bestaande cultuurhistorische waarden. De Parallelweg betreft een historische infrastructuur. De voorgenomen bouwplannen doen geen afbreuk hieraan.
4.2
Ecologie
4.2.1
Algemeen
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. 4.2.2
Gebiedsbescherming
4.2.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Bargerveen' ligt op circa 12 kilometer afstand van het plangebied.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
27
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In voorliggend geval is voor de voorgenomen ontwikkeling een AERIUS-berekening (Bijlage 3) uitgevoerd voor het plangebied. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.2.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 130 meter van het plangebied. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedssfeer van de voorgenomen activiteit, wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.2.3
Soortenbescherming
4.2.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. In voorliggend geval is door BJZ.nu een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd aan de Parallelweg. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 4 van deze toelichting. Parallelweg Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten niet af. Mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten ambfibieën er een (winter)verblijfplaats. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, en gebruiken het vermoedelijk als (niet essentieel) foerageergebied. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren zal het gebouw moeten worden onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september - februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een BJZ.nu Bestemmingsplannen
28
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepaling (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een gedragscode. Eén van de voorwaarden van werken volgens een gedragscode is dat er gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode of onder toeziend oog van een ervaren ecoloog. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Nader onderzoek vleermuizen Voor het plangebied is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Bijlage 5). Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied is geen onderdeel van een essentieel foerageergebied. De geplande werkzaamheden resulteren niet in het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen verbodsbepalingen overtreden.
Het is daarom niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen bij Provincie Drenthe, aanvullende en compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht die stelt dat effecten redelijkerwijs zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt (art. 1.11 Wnb). 4.2.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Daarbij geldt voor alle bouwactiviteiten dat er voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden, waardoor: de aanvang van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot begin augustus) dient plaats te vinden; een week voor de werkzaamheden beginnen, het plangebied kort gemaaid dient te worden, zodat het plangebied ongeschikt wordt voor kleine zoogdieren en ze de kans krijgen om te vluchten; (wortel)schade aan de (oude) bomen wordt voorkomen en geen graafwerkzaamheden binnen de kroonprojectie van deze oude bomen kan plaatsvinden.
4.3
Fysieke veiligheid
4.3.1
Algemeen
Rijksoverheid stelt risiconormen op het gebied van veiligheid aan inrichtingen, ter bescherming van de omgeving. Naast de wet- en regelgeving mogen gemeenten invulling geven aan een eigen veiligheidsvisie. In de Beleidsnota externe veiligheid gemeente Emmen (april 2013) geeft de gemeente Emmen invulling aan deze beleidsruimte. In de gemeentelijke beleidsnota Externe Veiligheid zijn de ruimtelijke uitgangspunten van de structuurvisie verder uitgewerkt. In de Beleidsnota externe veiligheid heeft de gemeente Emmen gekozen voor een gebiedsgerichte benadering voor de vestiging van risicovolle activiteiten. Tevens is in het beleid een afwegingskader bij concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten om de kwetsbaarheid van een object of activiteit die niet rechtstreeks onder de begripsbepaling van het Bevi valt bepaald te beoordelen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met deze nota externe veiligheid. BJZ.nu Bestemmingsplannen
29
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Vanuit de Veiligheidsregio Drenthe en RUD Drenthe is richting gegeven aan het beoogde veiligheidsniveau van de gebouwen in en rondom het plangebied. Hierbij is getoetst aan bestaande regelgeving en normen voor (externe) veiligheid, bereikbaarheid, bluswatervoorziening, repressieve dekking en alarmsystemen welke onderdeel zijn van de veiligheidsketen. 4.3.2
Fysieke veiligheidssituatie
Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Hierin is het plangebied aangeduid met een rode ster.
Afbeelding 4.3 Uitsnede risicokaart (Bron; Atlas Leefomgeving) Zoals op afbeelding 4.3 te zien is, liggen er rondom het plangebied verschillende risicovolle functies/inrichtingen. Voor het plangebied is het transport gevaarlijke stoffen over de spoorlijn van invloed. Voor het voorliggende bestemmingsplan is door AVIV adviseurs het externe veiligheidsrisico door het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Coevorden - Emmen berekend voor de bestaande en de toekomstige situatie. Het emplacement Emmen is kwalitatief beoordeeld. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de resultaten worden hierna benoemd. 4.3.3
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR10-6 . Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de herontwikkeling van de planlocatie. BJZ.nu Bestemmingsplannen
30
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Groepsrisico In zowel de huidige als de toekomstige situatie is geen sprake van een groepsrisico. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In paragraaf 4.3.3.1 wordt dit nader beschreven. Plasbrandaandachtsgebied Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Emplacement Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van emplacement Emmen. 4.3.3.1 Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a. b.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en; voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.
Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen van waaruit een vloeistofbrand kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. Beheersbaarheid c.q. bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1. Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met brandbare vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de brandbare vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een vloeistofbrand. Dit kan door het verminderen van de oppervlakte van de plas, het treffen van maatregelen waardoor de brandbare plas zich niet kan verplaatsen richting gebouwen of het treffen van hittebestendige voorzieningen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaande spoorweg en bestaande wegvakken betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. 2. Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang.
Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie cruciaal. Bij een dergelijk scenario is het zaak hulpdiensten snel te alarmeren waardoor er nog kans is om de brand te bestrijden. Na alarmering heeft de brandweer nog zo’n 10 minuten nodig om ter plaatse te komen en in totaal zo’n 17 minuten om te beginnen met de bestrijding. Tijdige alarmering is hierbij dus cruciaal. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Zelfredzaamheid BJZ.nu Bestemmingsplannen
31
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een vloeistofbrand is het vluchten van de ramplocatie. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een brandbare vloeistof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze brandbare vloeistof en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor het plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig dienen te zijn om in geval van calamiteit te kunnen vluchten. Advies Veiligheidregio Drenthe De veiligheidsregio Drenthe adviseert om een sloot parallel langs het spoor aan te brengen. Daarnaast adviseert men om gebruik te maken van thermisch gehard glas aan de westzijde van de woningen langs het spoor aan te brengen. 4.3.4
Inrichting en ontwikkeling
Zodra plannen ontwikkeld worden dient de brandweer in een vroeg stadium bij de plannen betrokken te worden om op basis van het beoogde veiligheidsniveau een advies te kunnen uitbrengen op de inrichting en ontwikkeling van het gebied. Hiervoor zijn bluswatervoorzieningen, waarschuwings- en alarmeringssystemen, bereikbaarheid en opkomsttijd van belang. 4.3.4.1 Bluswatervoorzieningen Bluswatervoorzieningen Voor het bestrijden van een brand is de brandweer afhankelijk van een goede bluswatervoorziening. Conform de Wet op de Veiligheidsregio’s moet een gemeente zorgen voor een openbare bluswatervoorziening. Bij locaties waar geen toereikende openbare bluswatervoorziening kan worden aangelegd, zal de eigenaar moeten zorgen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening in overleg met de brandweer. Vanaf 1 januari 2014 maakt de brandweer in Drenthe gebruik van tankautospuiten en tankwagens, aangevuld met vulpunten voor de tankwagens, als primaire bluswatervoorziening. In beginsel is er in voldoende mate voorzien in bluswatervoorzieningen waar de brandweer gebruik van kan maken. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt nader overleg gevoerd met de Veiligheidregio Drenthe en de Brandweer Drenthe over de invulling van de bluswatervoorzieningen.
Aangezien het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt kan voor nu uit worden gegaan dat er sprake is van voldoende bluswatervoorzieningen. 4.3.4.2 Waarschuwings- en alarmeringssysteem Op grond van de Wet op de veiligheidsregio’s (okt. 2010) is de Veiligheidsregio Drenthe, in geval van calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem. Als gevolg van deze taak zijn binnen de gemeente sirenes geplaatst op een zodanige wijze dat een optimale dekking gerealiseerd is binnen de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat voor het plangebied sprake is van een goed waarschuwings- en alarmeringssysteem. 4.3.4.3 Bereikbaarheid Het is belangrijk dat in geval van calamiteiten hulpverleningsdiensten direct ter plaatse kunnen komen en zonder beperkingen hulp kunnen verlenen. Om die reden dienen alle objecten in het plangebied via twee onafhankelijke wegen bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
32
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Het plangebied is middels twee onafhankelijke zijden via de Parallelweg en Veenkampweg te bereiken. Hoe invulling wordt gegeven aan de bereikbaarheid op het terrein zelf dient nog nader uitgewerkt te worden in afstemming met de VRD. 4.3.4.4 Opkomsttijd Het dekkingsplan van Veiligheidsregio Drenthe is vastgesteld in december 2013. Hierin staat beschreven dat het brandverloop tegenwoordig zo snel verloopt, dat drie zaken zeer belangrijk zijn om slachtoffers te voorkomen: 1. 2. 3.
het voorkomen van brand het ontdekken van brand het vluchten bij brand
Bij het vluchten bij brand heeft men een eigen verantwoordelijkheid of is men aangewezen op een BHV–organisatie. De brandweer heeft in beginsel als taak het houden van een brandscheiding ter voorkoming van branduitbreiding en het beschermen van niet-zelfredzame personen achter die scheiding. De brandveiligheidsmaatregelen zullen in de omgevingsvergunningfase nader worden uitgewerkt in overleg met de Veiligheidregio en brandweer Drenthe. De volgende BIObiz factoren zullen hier aanbod komen: bouwkundige voorzieningen, bijv. aanbrengen droge blusleiding installatietechnische voorzieningen, bijv. naast de verplichte woningrookmelders ook de mogelijkheid voor woningsprinklers organisatorische voorzieningen, bijv. goede BHV organisatie, vluchtplan voor de bewoners brandweeropkomsttijd, vrij houden van wegen / zo min mogelijk verkeersbelemmerende maatregelen inventaris, toepassen van moeilijk brandbaar materiaal zelfredzaamheid van de aanwezigen, toepassen veilige vluchtroutes 4.3.5
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.4
Milieu
4.4.1
Vormvrije m.e.r.
4.4.1.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd BJZ.nu Bestemmingsplannen
33
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.4.1.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 12 kilometer afstand van het plangebied.
Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000-gebied, aangezien er geen sprake is depositieresultaten boven de 0,00 mol. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. In Bijlage 9 is het ondertekende M.E.R. beoordelingsbesluit bijgevoegd. 4.4.1.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.4.2.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een BJZ.nu Bestemmingsplannen
34
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.4.2.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'.
Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in een gebied waar sprake is van een relatief grote functiemenging van woonpercelen, maatschappelijke percelen en andere centrumfuncties.
Tevens ligt het plangebied op relatief korte afstand van het spoor en centrumwegen, waar sprake is van een hoge verkeersintensiteit. Hierdoor is sprake van een menging van functies. Gelet op het vorenstaande wordt uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden in zowel het omgevingstype rustige woonwijk als in het gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
4.4.2.3 Situatie plangebied Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
35
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal milieubelastende functies. In de onderstaande tabel worden de omliggende functies, de bijbehorende milieucategorie en richtafstand en de afstand tot het plangebied weergegeven. De afstand is gemeten van het bouwvlak van de omliggende functie tot de grens van het plangebied. Adres
Functie
Milieucategorie
Grootste richtafstand in gemengd gebied 50 m 0m 0m 10 m 10 m 10 m
Afstand tot plangebied
Hoofdstraat 18 Dierentuin 3.2 85 m Hoofdstraat 138 Hotel/restaurant 1 53 m Spoorstraat 7 Restaurant 1 44 m Boslaan 135 Buurthuis 2 78 m Prinsesselaan 6 Kerkgebouw 2 76 m Ten zuiden van het Transformatorhuis 2 0m plangebied Op basis van vorenstaande tabel kan geconcludeerd dat ter plaatse van de grondgebonden woningen aan de Parallelweg sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende milieubelastende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Opgemerkt wordt dat ten zuiden van het plangebied een transformatorhuis is gelegen. Op basis van het bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf - Nutsvoorziening'. Op basis van het bestemmingsplan is ter plaatse dus alleen een transformatorhuisje toegestaan. Het betreft een kleinschalig transformatorstation van maximaal < 10 mva. Een dergelijke bedrijfsactiviteit wordt ingedeeld in milieucategorie 2. De grootste richtafstand geldt voor het aspect geluid (30 meter). De bepalende afstand in gemengd gebied bedraagt 10 meter voor geluid. De dichtsbijzijnde woning ligt op meer dan 20 meter afstand van het transformatorhuis. Aan de richtafstand tot de woningen wordt dus voldaan. 4.4.2.4 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
36
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.4.3
Bodem
4.4.3.1 Algemeen Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.4.3.2 Situatie plangebied Voor het plangebied is door Klijn een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie”, juist is. Er zijn immers op de locatie geen licht verhoogde gehalten aangetroffen. De verhoogde gehalten liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de voorgenomen transactie en eventuele afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. Wel dient te worden vermeld dat alle boringen buiten de aanwezige bebouwing is geplaatst en dat de bodem onder de bebouwing niet is geanalyseerd.
4.4.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.4.4
Geluid
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeurswaarde. Ontheffing van de voorkeurswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. 4.4.4.1 Geluidsbronnen in en nabij het plangebied Voor het plangebied geldt dat deze is gelegen binnen de van rechtswege aanwezige geluidszones van: 1. Parallelweg; 2. Boslaan 3. Veenkampenweg; 4. Spoorstraat; 5. de spoorlijn Emmen - Zwolle. Deze geluidsbronnen hebben effect op de nieuwbouwplannen. Ten aanzien van de geluidsbronnen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 11.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
37
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.4.4.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Conform de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn de onderstaande wegen hiervan uitgezonderd: Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. De wegen in het plangebied Emmen, Centrum- Oost zijn gelegen in stedelijk gebied. Hiervoor gelden de volgende zonebreedtes (conform art. 74 lid 1 Wgh) a. in stedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken : 350 meter; 2. voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken : 200 meter. De afstanden zoals weergegeven worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Bij de realisatie van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen moeten de wettelijke grenswaarden in acht worden genomen. De voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeurswaarde wordt overschreden moet er onderzoek worden gedaan naar mogelijke bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Zijn maatregelen niet mogelijk dan kunnen Burgemeester en Wethouders ontheffing van de voorkeurswaarde verlenen.
Indien met maatregelen niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan voor woningen in binnenstedelijk gebied een hogere waarde worden vastgesteld van ten hoogste 63 dB. De gemeente dient het vaststellen van de hogere waarde met eigen argumenten te motiveren en de vastgestelde hogere waardes zo snel mogelijk inschrijven in het kadaster. Gelet op de goede ruimtelijke onderbouwing bij ontwikkelingen moet ook langs de 30km wegen worden aangeven hoe met uitbreidingsmogelijkheden van met name geluidgevoelige ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder wordt omgegaan (algemene afwijking hogere waarden of alleen uitbreiden met Wro-afwijking en dan voor iedere situatie apart hogere waarde vaststellen)en of daadwerkelijk voldaan wordt aan de wettelijke geluidsnormen ongeacht wat art. 74 lid 2 Wgh hierover aangeeft. In de omgeving van het plangebied komen ook 30 km/h wegen voor. In het kader van goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen in het kader van voorliggende ontwikkeling wel beschouwd. Om de geluidsbelasting te onderzoeken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Boslaan bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 55 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wgh.
De maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 61 dB. Met het nemen van gevelmaatregelen vanaf 28 dB kan een binnenniveau van 33 dB worden gerealiseerd voor het spoorweglawaai en het wegverkeerslawaai. Ten tijde van de vergunningverlening dient middels een bouwakoestisch onderzoek de binnenwaarde worden getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Hiermee kan dan ook een hogere waarde worden verleend van maximaal 55 dB voor de Boslaan. Voor alle woningen geldt dat er sprake is van een gevel waarin volgens de Miedema methodiek er sprake is van een geluidsklasse van goed tot redelijk goed. Aan de gemeente Emmen is de afweging of er ter plaatse van de locatie aan de parallelweg sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
38
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.4.4.3 Spoorweglawaai De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een spoorweg. De spoorlijn Emmen - Zwolle (traject 121) heeft van rechtswege een zone van 100 meter. Bij de realisatie /verbouw van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen deze zone moeten de wettelijke grenswaarden in acht worden genomen. De voorkeurswaarde voor railverkeerslawaai bedraagt 55 dB. Indien deze voorkeurswaarde wordt overschreden moet er onderzoek worden gedaan naar mogelijke bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Zijn maatregelen niet mogelijk dan kunnen Burgemeester en Wethouders ontheffing van de voorkeurswaarde verlenen. Indien met maatregelen niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde van 55 dB kan er in binnenstedelijk gebied een hogere waarde worden verleend tot 68 dB. De gemeente dient het vaststellen van de hogere waarde met eigen argumenten te motiveren en de vastgestelde hogere waardes zo snel mogelijk inschrijven in het kadaster. Aangezien het plangebied binnen de wettelijke zone van de spoorlijn Zwolle - Emmen ligt, is een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 11). Hierna wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeerslawaai bedraagt hoogstens 61 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 55 dB.
Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB uit de Wet geluidhinder. De maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 61 dB. Met het nemen van gevelmaatregelen vanaf 28 dB kan een binnenniveau van 33 dB worden gerealiseerd voor het spoorweglawaai. Ten tijde van de vergunningverlening dient middels een bouwakoestisch onderzoek de binnenwaarde worden getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Hiermee kan dan ook een hogere waarde worden verleend van maximaal 61 dB voor de spoorweg Zwolle-Emmen. Voor alle woningen geldt dat er sprake is van een gevel waarin volgens de Miedema methodiek er sprake is van een geluidsklasse van goed tot redelijk goed. Aan de gemeente Emmen is de afweging of er ter plaatse van de locatie aan de parallelweg sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.4.4 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen geluidgezoneerde industrieterreinen. Het bestemmingsplan ligt daarom niet binnen een van rechtswege aanwezige zone van een industrieterrein. Het aspect industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.
4.4.4.5 Gevolgen voor bestemmingsplan Als gevolg van het wegverkeerslawaai dient een hogere waarde worden verleend van maximaal 57 dB voor de Boslaan. Als gevolg van het railverkeerslawaai dient een hogere waarde te worden verleend van 62 dB voor de spoorweg Zwolle-Emmen. Verder wordt opgemerkt dat voor alle bronnen (spoor en weg) afzonderlijk er tenminste één gevel is die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Hiermee is er sprake van een geluidluwe gevel voor elke woning. In Bijlage 12 is het besluit hogere grenswaarde opgenomen. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
39
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.4.5
Lucht
4.4.5.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.4.5.2 Situatie plangebied Niet in betekende mate In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Om het vorenstaande aan te tonen kan een NIBM-berekening worden uitgevoerd. Om deze uit te voeren dient de verkeersgeneratie van het voornemen inzichtelijk te worden gemaakt. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: •
Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Emmen (Bron: CBS Statline);
•
Stedelijke zone: rest bebouwde kom
BJZ.nu Bestemmingsplannen
40
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Functie
Verkeersgeneratie per woningtype per weekdag (gemiddeld) 8,2 7,8
Aantal woningen 6 6
Verkeersgeneratie per weekdag 49,2 46,8
Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap De totale verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling komt neer op gemiddeld 96 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.
Hierna volgt een uitsnede van de NIBM-tool. Het aandeel aan vrachtverkeer is worst-case op 10% ingeschaald.
Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Gevoelige bestemmingen De te realiseren woningen worden in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, niet aangemerkt als 'gevoelige bestemming'. Het Besluit gevoelige bestemmingen behoeft geen nadere aandacht. Hierna wordt ingegaan op de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km² de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in de onderstaande tabel. Parameter
Achtergrondwaarde [µg/m3 ] 2021 Stikstofdio 10,27 xide No2 Zwevende 14,04 deeltjes PM10
BJZ.nu Bestemmingsplannen
Achtergrond-w Grenswaarde aarde [µg/m3 ] [µg/m3 ] 2030 6,27 40
Grenswaarde wet Milieubeheer 40
WHO Voldoet advieswaarde [ja/nee [µg/m3 ] 10 ja
11,56
40
15
40
ja
41
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Zwevende 8,07 5,70 25 25 5 ja deeltjes PM2,5 Uit voorgaande tabel blijkt voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijnstof (PM10 en PM2,5 ) ruimschoots wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Ten aanzien van alle genoemde stoffen wordt tevens voldaan aan de advieswaarden van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) met uitzondering van zwevende deeltjes PM2,5 . Echter wordt anno 2020 net niet voldaan aan de advieswaarde van de WHO. In de tabel is te zien dat er sprake is van een dalende trend en deze daling ook tot 2030 wordt verwacht. Voor het jaar 2030 wordt voor de achtergrondconcentratie NO2 en PM10 voldaan en voor PM 2,5 een achtergrondconcentratie van maximaal 5,7 ìg/m3 verwacht, waarmee het aannemelijk is dat in de nabije toekomst eveneens wordt voldaan aan de advieswaarden van de WHO. 4.4.5.3 Conclusie Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.4.6
Trillingshinder
4.4.6.1 Algemeen De Meet- en beoordelingsrichtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen" (SBR-B) bevat richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingshinder voor personen. De richtlijn maakt onderscheid in de functie van het gebouw en de aard van de trillingsbron en onderscheid in bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties. In de Richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van A1, A2 en A3: A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper. Voor de hoogte van de streefwaarden geldt in algemene zin dat A3 < A1 < A2. Er wordt voldaan aan de streefwaarden indien: De waarden van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of; De waarde van de maximale trillingssterkte van een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de ruimte (Vper) kleiner is dan A3. Voor de beoordeling van de trillingen door railverkeer in nieuwe situaties (o.a. nieuwbouw langs spoor) dienen volgens de SBR richtlijn deel B de streefwaarden uit onderstaande tabel aangehouden te worden. Trillingsbron
Dag- en avondperiode Nachtperiode A1 (Vmax) A2 (Vmax) A3 (Vper) A1 (Vmax) A2 (Vmax) A3 (Vper) Bedrijf 0,1 0,2 0,05 0,1 0,2 0,05 In dit geval is door WeBoost DATA een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke trillingshinder ten gevolge van de spoorlijn Zwolle - Emmen. De resultaten van en de conclusies van het onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage welke is opgenomen in Bijlage 13 van deze toelichting.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
42
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.4.6.2 Situatie plangebied De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder voor nieuwe situaties uit de SBR B-richtlijn (het beoordelingskader voor trillingshinder) in delen van het plangebied niet zijn uit te sluiten. Met name rond het wissel (zuidwestelijke hoek van plangebied) en rond de overweg (noordwestelijke hoek van het plangebied) dient rekening te worden gehouden met trillingen bij de ontwikkeling van nieuwe woningen. Op korte afstand van het spoor zullen zelfs in qua trillingen goed gebouwde woningen overschrijdingen optreden, zie afbeelding 4.4.
Afbeelding 4.4 Beoordeling trillingen aan de SBR B-richtlijn (Bron: Weboost) De trillingen zijn relatief hoog door het wissel en de overweg in de nabijheid van delen van de kavels, waarbij vooral goederentreinen voor hoge trillingen zorgen. Omdat overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder niet overal zijn uit te sluiten, dient in delen van het plangebied rekening te worden gehouden met trillingen bij de verdere ontwikkeling van de woningen. Hierbij zijn vijf zones te identificeren, zie afbeelding 4.5 (grotere versie is in Bijlage 13 te vinden). Per zone gelden verschillende adviezen:
BJZ.nu Bestemmingsplannen
43
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
Afbeelding 4.5 Stappenplan voorkomen trillingshinder (Bron: Weboost) Met bovenstaand stappenplan is een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van trillingen te garanderen in het gehele plangebied. Meest effectief en robuust is het afveren van de funderingen van de woningen. Hiervoor dienen de woningen met een dubbele fundering te worden uitgevoerd. Met deze maatregel zijn overschrijdingen in alle woningen in het plangebied weg te nemen, maar deze maatregel kost tussen de € 11.000 en € 25.000 per woning. Andere maatregelen, zoals maatregelen aan het spoor of in de bodem, zijn gezien de hoge kosten niet doelmatig. Bij de verdere uitwerking van de planvorming (omgevingsvergunning) zal een specifiekere uitwerking en BJZ.nu Bestemmingsplannen
44
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
toelichting omtrent trillingen aan de RUD Drenthe ter beoordeling moet worden aangeboden. 4.4.6.3 Conclusie Gelet op de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat het aspect trillingshinder geen belemmering vormt voor voorliggende ontwikkeling. Bij het ontwerp van de woningen zal rekening worden gehouden met de fundering. Meest effectief en robuust is het afveren van de funderingen van de woningen. Hiervoor dienen de woningen met een dubbele fundering te worden uitgevoerd. Met deze maatregel zijn overschrijdingen in alle woningen in het plangebied weg te nemen. Voor andere maatregelen wordt verwezen naar Bijlage 13 hoofdstuk 5.
4.5
Waterparagraaf
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze waterparagraaf wordt beschreven hoe het huidige waterhuishoudkundig systeem voor hetplangebied is ingericht, welke fysieke omstandigheden voor het gebied gelden en of speciale functies voor het plangebied gelden. Naast een beschrijving van de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en de stedelijke wateropgave heeft het wateradvies van het waterschap een duidelijke plaats gekregen. 4.5.1
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. 4.5.1.1 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.
Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
45
Emmen, Centrum-Oost, Parallelweg 36 vastgesteld
4.5.1.2 Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. 4.5.2
Wateraspecten plangebied
Het plangebied ligt in het stroomgebied Rijn- Oost en valt onder het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen. Het waterbeleid voor dit gebied is vastgelegd in het Waterbeheerplan van waterschap Vechtstromen en in het waterplan van de gemeente Emmen. 4.5.2.1 Grondgebruik De omgeving van het plangebied is grotendeels ingericht als centrumgebied, met ruimte voor aanverwante functies zoals woningen, kantoren, bedrijvigheid en verschillende vormen van maatschappelijke voorzieningen. Het plangebied bestaat uit een verouderd kantoorgebouw met omliggende verharding en groen. In de beoogde situatie worden 12 grondgebonden woningen met bijbehorende parkeerplaatsen, groen en een ontsluitingsweg gerealiseerd. Er is sprake van een afname van verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Echter dient er toch aandacht te worden besteed aan infiltratie van hemelwater. 4.5.2.2 Bodemopbouw en hoogteligging De kern Emmen ligt grotendeels op de Hondsrug. De maaiveldhoogtes variëren sterk. De hoogste delen van het gebied hebben een maaiveldhoogte van NAP + 24,00 m, de laagste delen liggen rond NAP + 20,00 m. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland ligt het plangebied op circa NAP + 22,00 m. De bodem in en om het gebied bestaat overwegend uit zandgronden. 4.5.2.3 Grondwater Er is binnen het plangebied geen sprake van grondwateroverlast. 4.5.3