Bijlage 1: Bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13
Tekst van het document
Voor het plangebied betekent dit dat bij nieuwe ontwikkelingen er op moet worden gelet dat: alleen water wordt aangelegd op plaatsen waar dit op natuurlijke wijze kan; water verbonden is met de rest van het watersysteem; er voldoende oeverbegroeiing is; afstromend regenwater schoon is en blijft; lozingen vanuit de riolering worden voorkomen. Daarbij is het belangrijk dat telkens bij een nieuw initiatief wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om ruimte voor water te realiseren binnen het stedelijke gebied of dat buiten het plangebied betere oplossingen zijn. Zodat de totale afwenteling langzamerhand kleiner wordt en de kwaliteit van het oppervlaktewater verbeterd. Bij nieuwe ontwikkelingen is het beter om niet te kiezen voor de aanleg van nieuwe waterpartijen.
26 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de planregels en verbeelding
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2
Toelichting op de verbeelding
Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. De ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.
5.3
Toelichting op de regels
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld en of waarvoor en op welke wijze de gronden wel gebruikt kunnen worden. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen. Met deze bouwregels worden de bouwmogelijkheden gereguleerd. Uitgangspunt bij het bouwen van hoofdgebouwen is dat hoofdgebouwen altijd binnen een bouwvlak worden gebouwd en voorgevels van deze hoofdgebouwen in de gevellijn. Dit betekend dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Verder worden in de bouwregels onder andere regels ten aanzien maximale bebouwing, bouwhoogtes, dakhelling opgenomen. Flexibiliteit Soms is het gewenst om af te wijken van de gestelde regels.
Hiervoor zijn in het bestemmingsplan flexibiliteitbepalingen opgenomen om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het toepassen van deze regelingen is geen automatisme. Voordat wordt besloten dat van de geldende regels in het bestemmingsplan kan worden afgeweken zal eerst bekeken worden wat de consequenties zijn van de bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (vastgesteld) 27
afwijking op de leefomgeving. In het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro; De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de omgevingsvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen. Bij toepassing van een afwijking en / of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven.
Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitsbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. Bij toepassing van een afwijking en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de volgende criteria: 1. Woonsituatie: Ten aanzien van de woonsituatie dient rekening gehouden te worden met het in stand houden en/ of garanderen van een goede woonsituatie, hierbij dient gelet te worden op: i. de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden; iv. het uitzicht; v. de aanwezigheid van voldoende privacy. 2. Straat- en bebouwingsbeeld: In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan: i. een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (landschappelijke inpassing); ii.
de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen; iii. gevelbeelden; iv. de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing; v. de hoogtedifferentiatie; vi. de situering van gebouwen op het perceel; vii. de geleding van de gebouwen indien de oppervlakte meer dan 1000 meter² bedraagt. 3. Cultuurhistorie i.
cultuurhistorische waarden en archeologische waarden;
4. Verkeersveiligheid
28 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
Ten waarborging van verkeersveiligheid dient rekening gehouden te worden met: i. verkeersaantrekkende werking, toename van de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte; ii. overlast door lawaai, stank en/of trillingen; iii. benodigde uitzichthoeken van wegen; iv. de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg; v. de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden; vi. de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte. 5. Sociale veiligheid Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is dient rekening gehouden te worden: i. de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek; ii. de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte wordt ingeperkt. 6. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding Ten aanzien van de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten: i. aanwezigheid van kwetsbare objecten; ii. de aanwezigheid en routering van vluchtwegen; iii. de bereikbaarheid van de bouwwerken; de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen. 7.
Milieusituatie: Ter waarborging en ter voorkoming van een milieukundig ongewenste situatie als gevolg van een ruimtelijke ingreep dient rekening gehouden te worden met: i. de mate van hinder voor de omliggende functies; ii. de gevolgen voor de externe veiligheid; iii. de gevolgen van de aanwezigheid van gevoelige functies voor de hinderlijke functies; iv. de gevolgen voor flora en fauna in relatie met de omgeving; v. de gevolgen voor de bodemkwaliteit; vi. de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit; vii. de situering van gebouwen ten opzichte van het water. 8. Gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen Ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken is het niet toegestaan op enig terrein zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, waarvan de toestand op dat moment overeenkomt met het plan, een situatie zou ontstaan die niet meer overeenkomt met het plan of waardoor een reeds bestaande afwijking van het plan zou worden vergroot. Figuur 6.1: Beoordelingscriteria afwijkingen en nader eisen De bevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk.
Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. Opzet regels De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels; Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3. Algemene regels; Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht: bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (vastgesteld) 29
5.3.1
Hoofdstuk1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Artikel 1 Begrippen De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Artikel 2 Wijze van meten De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogteen andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2
Hoofdstuk2 bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot gebruik of bouwen. Artikel 3 Wonen - Vrijstaand Binnen de bestemming Wonen-Vrijstaand wordt de mogelijkheid geboden voor de realisatie van één vrijstaande woning en de daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen), waarvan de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens, onder de woonbestemming te brengen. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak gebouwd worden. De voorgevel van de woning dient in de gevellijn te worden opgericht. De gezamenlijke oppervlakte van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 250 m2. De bouwhoogte van de woning mag maximaal 9 meter bedragen, de goothoogte maximaal 3,5 meter. De dakhelling bedraagt minimaal 30 graden. De afstand naar de zijerfscheiding bedraagt minimaal 3 meter.
In de bestemming zijn afwijkingen van de bouwregels opgenomen om het bestemmingsplan flexibeler te maken. 5.3.3
Hoofdstuk3 Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere bouwplannen. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Artikel 5 Algemene bouwregels
30 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers biedt. Tevens wordt in dit artikel, artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing verklaard met uitzondering van een zestal onderwerpen dit o.a in verband met de bereikbaarheid, beheer en gebruik van het openbaar gebied. Artikel 6 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval in strijd met dit bestemmingsplan zijn. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit wordt meegegeven. Toestemming voor afwijking gebeurt door het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen voor het 10 % vergroten van de bouwmogelijkheden voor goot- en nokhoogte, het bouwen van bijgebouwen in de voorgevel van het hoofdgebouw, het bouwen van het hoofdgebouw maximaal 5 meter achter de gevellijn en het bouwen met een minder steile dakhelling.
Daarnaast zijn ten aanzien van het gebruik afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten voor alle woningen of het uitoefenen van bed en breakfast. De omgevingsvergunningen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere bepaling in deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat niet 2 keer omgevingsvergunning kan worden verleend van eenzelfde bepalingen of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet cumulatief gebruikt mogen worden. Artikel 8 Algemene wijzigingsregels Het bestemmingsplan bevat in een aantal gevallen een mogelijkheid tot het wijzigen van het plan op basis van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6 Wro. De procedure van de wijzigingsbevoegdheid is geregeld in de Wro. Artikel 9 Overige regels Dit artikel regelt de van toepassingsverklaring van de parapluplannen Parkeernormen en Standplaatsen op het plangebied. 5.3.4
Hoofdstuk4 overgangs- en slotregels
Het laatste hoofdstuk "Overgangs en slotregels" bevat in Artikel 10 het overgangsrecht, zoals beschreven in het besluit Ruimtelijke Ordening. Artikel 11 is de slotregel. In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als regels van het bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13".
5.4
Handhaving
In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. Het college van de gemeente Emmen heeft het beleidsplan Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH) vastgesteld. Dit beleidsplan VTH beschrijft de visie en ambitie op het terrein van de gemeentelijke VTH-taken, waaronder ook valt het toepassen en naleven van de regels in het bestemmingsplan. Daarnaast geeft het beleidsplan VTH invulling aan de wettelijke plicht om vastgesteld VTH-beleid te hebben. bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (vastgesteld) 31
Voor wat betreft handhaving kan de gemeente onmogelijk continu alles controleren. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners en bedrijven de regels naleven en zij er alles aan doen om risico's en nadelige effecten voor de maatschappij te voorkomen. Risico's bepalen de inzet van de beschikbare capaciteit. Op basis van kennis en ervaring is vastgesteld welke bedrijfscategorieën en activiteiten het grootste risico vormen voor fysieke veiligheid, leefbaarheid, volksgezondheid, milieu en imago. Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan en worden ook toegepast bij de naleving van de regels van het bestemmingsplan.
32 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke betrokkenheid
6.1
Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro en zienswijzen
6.1.1
Overleg
Het college heeft het bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13 vrijgegeven voor overleg artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), Het concept- ontwerpbestemmingsplan is voor overleg verzonden naar verschillende overlegpartners. De ontvangen adviezen en reacties zijn gebundeld in de Nota van Beantwoording behorende bij het bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13 (zie Bijlage 6 Nota van Beantwoording). In deze nota is tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de verschillende overlegreacties opgenomen. Waar de adviezen en reacties leidden tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Voor de inhoud van de overlegreacties en het standpunt van het college wordt verwezen naar voornoemde nota. De Nota van Beantwoording maakt deel uit van het bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13.
6.2
Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13 en ontwerpbesluit hogere grenswaarde geluid heeft van 9 februari 2022 tot en met 22 maart 2022 ter inzage gelegen. Tegen het bestemmingsplan Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13 zijn geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (vastgesteld) 33
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan o.a. wordt verstaan de bouw van een woning of de uitbreiding van een gebouw van 1000 m2 of meer. De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval gedekt op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2014, als vastgesteld door de raad op 19 december 2013. Voor dit plan zijn (vooralsnog) door de gemeente geen aanvullende kosten voor onderzoek begroot en gemaakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is.
34 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (vastgesteld) 35
Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming
36 stgesteld)
bestemmingsplan "Erica, Verlengde Vaart ZZ naast nr 13" (va
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica projectnummer
210928
Pagina 2 van 27
TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Auteur Controle en vrijgave Versie rapport
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart ZZ 13 te Erica 210928 M. Oudshoorn R.J.W. Huls Versienummer: Datum: Reden vervallen: 1.0 22 juni 2021 Vigerende versie
Paraaf vrijgave
OPDRACHTGEVER Naam Adres
Dhr. G. Koelman Verlengde Vaart ZZ 13, 7887 EM ERICA
UITGEVOERD DOOR info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982
Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355
Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397
Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies. Eco Reest BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van ecologisch onderzoek. Dit onderzoek en advies is tot stand gekomen onafhankelijk van de belangen van de opdrachtgever en derden. Eco Reest BV is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en is gemachtigd gebruik te maken van de ontheffingen en correspondentie met bevoegde gezagen van het Netwerk Groene Bureaus met betrekking tot Wet natuurbescherming. DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een quickscan Wet natuurbescherming dat is uitgevoerd ter plaatse van Verlengde Vaart ZZ 13 te Erica, in opdracht van Dhr. G. Koelman. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen.
Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is, de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken en het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt. © 2021 Eco Reest BV. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Wijze van citeren: Eco Reest 2021 Erica_210928_Verlengde Vaart ZZ 13_QS We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 3 van 27
INHOUD 1.
INLEIDING ...................................................................................................................... 4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding en doel ...................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ........................................................................................................................... 4 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen .............................................................................. 5
2.
INVENTARISATIE EN EFFECTBEOORDELING ..................................................................... 8
2.1 2.2 2.3
Bronnenonderzoek ..................................................................................................................... 8 Veldinspectie .............................................................................................................................. 8 Toetsing ...................................................................................................................................... 8
3.
EFFECTBEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING ................................................................ 9
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2
Natura 2000 ................................................................................................................................ 9 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.............................................................................. 9 Mogelijke effecten ............................................................................................................................ 9 Effecten stikstofdepositie ............................................................................................................... 10 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................ 12 Ligging plangebied t.o.v. het NNN .................................................................................................. 12 Effectbeoordeling ........................................................................................................................... 13 Natuur buiten het NNN ............................................................................................................. 13 Ligging plangebied t.o.v. natuur buiten het NNN ........................................................................... 13 Effectbeoordeling ........................................................................................................................... 13
4.
EFFECTBEOORDELING SOORTENBESCHERMING ............................................................ 14
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
Voorselectie soortgroepen ........................................................................................................ 14 Flora ......................................................................................................................................... 14 Broedvogels .............................................................................................................................. 14 Vleermuizen ............................................................................................................................. 16 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................... 17 Vissen, amfibieën en reptielen .................................................................................................. 17 Overige soorten ........................................................................................................................ 18
5.
CONCLUSIE EN ADVIES.................................................................................................. 19
5.1 5.2 5.3 5.4
Gebiedsbescherming ................................................................................................................. 19 Soortenbescherming ................................................................................................................. 19 Advies en vervolgstappen ......................................................................................................... 20 Verantwoording ........................................................................................................................ 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN.......................................................................................................... 22 BIJLAGEN 1 2 3 4
Overzicht vrijgestelde soorten provincie Drenthe Lijst vogels met jaarrond beschermde nesten AERIUS-berekening aanlegfase AERIUS-berekening gebruiksfase
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 4 van 27
1. INLEIDING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en het doel van het onderzoek en het wettelijk kader. Daarnaast wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
1.1
Aanleiding en doel
Aanleiding tot het onderzoek is het voornemen om een deel van het kavel Emmen AG 1167, aan de westkant van het perceel Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica, te verkopen als bouwperceel waar in de toekomst een vrijstaande woning kan worden gerealiseerd. Voor het voornemen is een bestemmingsplanwijziging nodig. Omdat de ontwikkeling negatieve gevolgen kan hebben op beschermde natuurwaarden, is het voornemen getoetst aan de natuurwet- en regelgeving. Het doel van de quickscan Wet natuurbescherming is inzicht verkrijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden als gevolg van het plan. Indien negatieve effecten niet zijn te voorkomen, wordt geadviseerd omtrent de vervolgstappen.
1.2
Wettelijk kader
Voor de bescherming van natuurwaarden is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en houtopstanden. De volledige wetstekst is hier te vinden: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01. Daarnaast is, in het kader van gebiedsbescherming, ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) relevant. Aangezien voor voorliggend plan geen bomen worden gekapt, is het aspect beschermde houtopstanden niet relevant. De quickscan gaat uitsluitend in op de onderdelen gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) en soortenbescherming. Natura 2000 Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Vogelen/of Habitatrichtlijngebieden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor bescherming van habitattypen, habitats van soorten en leefgebieden van soorten en vogels. Vooraf is verplicht te beoordelen of plannen/projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben. Als uit de beoordeling (voortoets) blijkt dat geen effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project of handeling niet nodig. Zijn (significante) effecten niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling en/of een vergunning nodig.
Natuurnetwerk Nederland De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. Provincies wijzen gebieden aan die het NNN vormen. Via de provinciale verordeningen worden, in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden-, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 5 van 27
kenmerken en waarden van het NNN niet is toegestaan. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen. Soortenbescherming In hoofdstuk 3 van de Wnb is het onderdeel soortenbescherming is opgenomen. De beschermingsregimes ten aanzien van beschermde soorten zijn te onderscheiden in Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1 – 3.4), Habitatrichtlijnsoorten (art 3.5 – 3.9) en nationaal beschermde soorten (art 3.10 – 3.11). Daarnaast is in de Wnb een zorgplichtartikel (1.11) opgenomen ter bescherming van alle in het wild levende flora en fauna. De Wnb gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken met een ontheffing of een vrijstelling. De provincie Drenthe is bevoegd gezag voor het uitvoeren van de Wet natuurbescherming en heeft voor de implementatie een verordening opgesteld met daarin onder andere een lijst met de vrijgestelde soorten (zie bijlage 1).
1.3
Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen
Huidige situatie plangebied Het plangebied ligt betreft een deel van kadastraal perceel Emmen AG 1167 direct ten westen van Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (figuur 1.1). Het betreft een agrarisch perceel dat ten tijde van het veldbezoek in gebruik is als grasland. In het plangebied is geen oppervlaktewater, opgaand groen en bebouwing aanwezig. Het perceel wordt aan de noordkant begrensd door de straat Verlengde Vaart Z.Z met daarachter de Verlengde Hoogeveensche Vaart. Aan de oostkant van het plangebied is een woning met tuin aanwezig. Aan de westzijde is een greppel/watergang met daarachter een houtsingel aanwezig. Ten zuiden van het perceel is een bosje en een watergang aanwezig. De omgeving bestaat uit agrarisch gebied (vooral grasland) en glastuinbouw. Figuren 1.2 tot en met 1.5 geven een impressie van het plangebied.
Figuur 1.1 Plangebied (rode asterisk) met in de inzet ingezoomde luchtfoto (Google Maps) (bron achtergrondkaart: ArcGIS).
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 6 van 27
Figuur 1.2 Overzicht plangebied, gezien in zuidelijke richting.
Figuur 1.3 Links: (droge) greppel en houtsingel aan westzijde plangebied, rechts: watergang ten oosten van perceel.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 7 van 27
Figuur 1.4 Impressie bosperceel en watergang ten zuiden van plangebied.
Voorgenomen ontwikkelingen De opdrachtgever is voornemens het plangebied (figuur 1.1) als bouwperceel te verkopen. Op termijn zal er een vrijstaande gasloze woning gerealiseerd worden. Hiervoor is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Het perceel zal rechtsreeks op de Verlengde Vaart Z.Z. worden ontsloten. Er vinden geen werkzaamheden in de naastgelegen greppel, watergangen, houtsingel en bosperceel plaats. Op dit moment is onbekend op welke termijn er een woning wordt gerealiseerd. De werkzaamheden vinden uitsluitend overdag (tussen zonsopkomst en -ondergang) plaats.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 8 van 27
2. INVENTARISATIE EN EFFECTBEOORDELING Het onderzoek heeft bestaat uit het raadplegen van beschikbare bestaande bronnen aangevuld met een veldinspectie van het plangebied.
2.1
Bronnenonderzoek
Voorafgaand aan het veldbezoek is gestart met een bureaustudie naar het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. Dit bronnenonderzoek heeft bestaan uit het op 9 juni 2021 opvragen van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2021) van de afgelopen vijf jaar. Hierin is een overzicht opgevraagd van de ontheffingsplichtige soorten in de Wet natuurbescherming binnen een straal van een kilometer rond het plangebied. Bij het gebruik is rekening gehouden met de juridische houdbaarheid van de gegevens (3-5 jaar). Oudere waarnemingen kunnen worden gebruikt om de ecologische potenties in te schatten. Verder is gebruik gemaakt van bestaande literatuurgegevens en verspreidingsatlassen (Broekhuizen et al., 2016; Dietz et al., 2011; Uchelen, 2010, ravon.nl en verspreidingsatlas). Ten aanzien van gebiedsbescherming is aan de hand van (provinciale) kaartenviewers nagegaan of het plangebied in/nabij beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en/of het NNN) ligt.
2.2
Veldinspectie
Het plangebied en de directe omgeving zijn vervolgens onderzocht door een ecoloog van Eco Reest. Het veldbezoek vond overdag plaats op 10 juni 2021 (droog, zonnig, windkracht 2 Bft, temperatuur 20°C) is uitgevoerd. Het bezoek is erop gericht om te beoordelen of in het plangebied en de directe omgeving potentiële leef- en groeiplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn.
2.3
Toetsing
Voor het onderdeel gebiedsbescherming (H3) is ten aanzien van Natura 2000 een voortoets uitgevoerd, waarin is beoordeeld of (significant) negatieve effecten op de beschermde waarden (instandhoudingsdoelen) van Natura 2000-gebieden zijn te verwachten, en of er een diepgaandere beoordeling noodzakelijk is. Voor de regels ten aanzien van het NNN is bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en of vervolgonderzoek nodig is. Voor het onderdeel soortenbescherming (H4) is op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek beoordeeld welke beschermde soorten (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voornemen bepaald of en zo ja, welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Indien sprake is van negatieve effecten is advies gegeven over de te nemen vervolgstappen.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 9 van 27
3. EFFECTBEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING 3.1
Natura 2000
3.1.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden betreft Bargerveen op circa 6,3 kilometer afstand (zie figuur 3.1). Andere Nederlandse Natura 2000-gebieden liggen op meer dan twintig kilometer. Op circa 12,5 kilometer ligt het Duitse Natura 2000-gebied Dalum-Wietmarscher Moor und Georsdorfer Moor.
Figuur 3.1 Globale ligging plangebied (zwarte marker) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Bargerveen (Bron: AERIUS Calculator, 2021).
3.1.2 Mogelijke effecten Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer et al. 2014, 2006) kan de relevante categorie woningbouw in relatie tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden mogelijk leiden tot: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring (licht, geluid, optisch), trillingen en mechanische effecten. Als aanvulling hierop kan ook sprake zijn van verzuring/vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied ligt, is geen sprake van de directe effecten oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten. De mogelijke effecten beperken zich zodoende tot externe werking. Indien voor de beoogde woning heiwerkzaamheden worden uitgevoerd, is sprake van trillingen. Het trillingseffect als gevolg van heiwerkzaamheden reikt echter tot circa 50 meter (Gemeente Utrecht, Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 10 van 27
2003). Aangezien Natura 2000-gebieden op meer dan zes kilometer afstand liggen, is geen sprake van verstoring als gevolg van trillingen. Gezien de beperkte omvang van eventueel benodigde bronbemaling en de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden (>6 km), is geen sprake van verdrogingseffect. Verontreiniging is gezien de uitvoeringswijze en het toekomstige gebruik (bewoning) ook niet aan de orde. Op basis van bekende verstoringsafstanden tot maximaal 1.500 meter (Vegte et al., 2014; Broekmeyer et al. 2014 en Krijgsveld et al., 2008) en de afstanden tot de meest nabij gelegen Natura 2000gebieden (>6 kilometer), is geen sprake van verstoring op Natura 2000-gebieden. Ook ontbreken ecologische relaties tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden. De aangewezen habitattypen en broedvogels van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Bargerveen zijn gebonden aan zeer specifieke biotopen in hoogveen-, moeras-, en heidegebieden (Min LNV, 2021). Gezien de habitateisen van de doelsoorten en de terreinkenmerken van het plangebied (grasland en nabij verstoringsbronnen bebouwing/wegen/opgaand groen) worden deze soorten niet in het plangebied verwacht. Het Bargerveen is daarnaast aangewezen als slaap- en rustplaats voor de niet-broedvogels kleine zwaan en toendrarietgans. Deze soorten foerageren in de ruime omgeving van het Natura 2000-gebied.
Kleine zwaan foerageert bij voorkeur op akkers en natte ondergelopen (cultuur)graslanden met korte vegetatie en in het najaar ook op het water. Toendrarietgans foerageert voornamelijk in akkergebieden en graslandgebieden (Min LNV). Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en besloten ligging geen geschikt foerageergebied voor deze soorten. In de ruimere omgeving zijn wel diverse waarnemingen in omliggende agrarisch gebied (NDFF, 2021). Gezien de ruime afstand tot deze foerageergebieden en tussenliggend afschermend gebied (opgaand groen, bebouwing, wegen) is geen sprake van verstoring op deze foerageergebieden. Door de voorgenomen ontwikkeling kan in de aanleg- en/of gebruiksfase stikstofdepositie ontstaan. Stikstofdepositie kan tot vele kilometers ver reiken en negatieve (verzurende/vermestende) effecten hebben op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Voor het betreffende plan zijn stikstofdepositieberekeningen gemaakt om inzichtelijk te maken of sprake is van (tijdelijke) stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en), zie hieronder bij effecten stikstofdepositie.
3.1.3 Effecten stikstofdepositie Toetsingskader Voor het stikstofaspect is het rekenmiddel AERIUS Calculator (versie 2020) voorgeschreven om de te verwachten stikstofdepositie (NOx) te berekenen. Voor ontwikkelingen waarbij géén sprake is van (toename van) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is geen vergunning nodig. In dat geval kan het plan worden vastgesteld en uitgevoerd zonder verdere vervolgstappen met betrekking tot Natura 2000-gebieden. Voor ontwikkelingen waarbij de depositie >0,00 mol/ha/jaar is, zijn significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten en zijn vervolgstappen zoals een diepgaandere beoordeling (voortoets), saldering, een passende beoordeling en/of een vergunning nodig. Uitgangspunten berekeningen Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn drie bronnen van stikstofoxiden relevant: gebouwemissies, emissie door verkeersbewegingen als gevolg van de werkzaamheden en het toekomstige verkeer bij bewoning en emissie door inzet van mobiele werktuigen voor uitvoering van de werkzaamheden. Daarbij is onderscheid te maken tussen emissie afkomstig van de tijdelijke bouwwerkzaamheden (aanlegfase) en de toekomstige situatie (gebruiksfase). Hieronder zijn de uitgangspunten voor de berekeningen beschreven.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 11 van 27
Aanlegfase - Mobiele werktuigen: Op dit moment is de uitvoeringswijze voor bouw van de woning nog niet bekend. De te verwachten emissie is zodoende afgeleid van de inzetlijst van een vergelijkbaar bouwproject (Eco Reest BV, 2021). Dit referentieproject betreft realisatie van een gebouw van circa 530 m2 bvo . Voor de AERIUS-berekening zijn de volgende werktuigen, aantal draaiuren en vermogen ingevoerd: o graafmachine: 375 kW, 80 uur; o hijskraan: 200 kW, 120 uur; o betonstorter: 200 kW, 40 uur; o trekker: 215 kW, 240 uur; o vrachtwagen/kipper: 330 kW, 8 uur. De emissie is op basis van de draaiuren-methode berekend (RIVM, 2020). Voor de emissiefactor is uitgegaan van inzet van werktuigen met een bouwjaar vanaf 2014. De bijbehorende belasting en emissiefactor voor de werktuigen zijn overgenomen uit AERIUS Calculator. De totale emissie als gevolg van de werktuigen, op basis van totale draaitijd, betreft 44,2 kg NOx (zie tabel 1). De werktuigen zijn met bovengenoemde kenmerken gekoppeld aan een vlakbron ter plaatse van het plangebied, in de categorie mobiele werktuigen, bouw en industrie. Hierbij zijn voor de uittreedhoogtes en spreiding de standaardwaarden aangehouden die AERIUS Calculator voor de betreffende werktuigen geeft. Tabel 3.1 Emissie inzet mobiele werktuigen gedurende aanlegfase (o.b.v. totale draaitijd).
Werktuig Uitvoeringsduur Belasting Vermogen Emissiefactor Omrekenfactor (uren) (%) (kW) (gr/KWh) (gr-kg)
Emissie (kg NOx/jr)
Graafmachine
80
69%
375
0,8
0,001
16,6
Hijskraan
120
69%
200
1
0,001
16,6
Betonmixer
40
69%
200
1
0,001
5,5
Trekker
40
55%
200
0,9
0,001
4,0
Vrachtwagen/kipper
8
24%
330
2,5
0,001
1,6 44,2
Totale emissie
Aanlegfase - verkeer: Het aantal transportbewegingen is afgeleid van een vergelijkbaar bouwproject (Eco Reest BV, 2021) dat gepaard gaat met 75 zware vrachtbewegingen. Voor het lichte verkeer is uitgegaan van een werkperiode van een jaar (260 werkdagen) waarbij er dagelijks vijf voertuigen (busjes/personenauto’s) het plangebied aandoen. Dit resulteert in 2.600 lichte verkeersbewegingen (260 dagen*5 voertuigen*2 verkeersbewegingen). Deze aantallen verkeersbewegingen (zie tabel 3.2) zijn als jaartotaal per categorie (licht/zwaar verkeer) gekoppeld aan een lijnbron in de categorie wegverkeer - buitenweg. Hierbij zijn de standaardwaarden gehanteerd die AERIUS geeft voor de emissiefactor en uitstoothoogte. Het werkverkeer is via de Verlengde Vaart Z.Z., de Slingerweg, Tuindershof, Tuinderslaan tot aan de dichtstbijzijnde ontsluitingsweg, de N853 (Vierslagenweg), ingetekend. Vanaf dit punt kan, gezien de verkeersintensiteit (Rijksoverheid - NSL Monitoring), gesteld worden dat het tijdelijke werkverkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Tabel 3.2 Aantal en type verkeersbewegingen gedurende aanlegfase. Type
Verkeersbewegingen
Uitgangspunten
Licht verkeer
2.600
O.b.v. 5 voertuigen per dag gedurende bouwperiode van 12 mnd (260 werkdagen)
Zwaar vrachtverkeer
75
O.b.v. referentieproject (Eco Reest BV, 2021)
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 12 van 27
Gebruiksfase - bebouwing/bewoning: De toekomstige woning zal conform het Bouwbesluit niet worden aangesloten op het aardgasnetwerk en naar verwachting met zonnepanelen/warmtepomp worden verwarmd. Zodoede is geen sprake van stikstofemissie als gevolg van bebouwing. Voor nieuwbouw wordt geen ammoniakemissie berekend (BIJ12, 2021). Het emissiekental voor grondgebonden gasloze woningen ten gevolge van andere oorzaken dan gebruik van een cv-ketel (wo. eventuele houtkachel, sfeerverwarming, bbq) is gesteld op 0,44 kg/jr per woning (Hoekstra et al, 2018). Voor de nieuwbouw is zodoende in het midden van het plangebied een puntbron met een emissie van 0,44 kg NOx/jr ingetekend in de categorie ‘woningen’ met een ongeforceerde uitstoothoogte van acht meter. Gebruiksfase - verkeer: Voor de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW (2018). Voor de toekomstige woning is -worst case- het maximale kengetal van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal voor een vrijstaand koophuis aangehouden. Deze verkeersbewegingen zijn als licht verkeer aangemerkt. Aanvullend is in de berekening rekening gehouden met wekelijks twee vrachtwagens (vier vrachtbewegingen) voor leveranties/vuilophaal en dergelijke. Dit betreft een worst case scenario, aangezien CROW aangeeft dat in de kencijfers vrachtverkeer reeds is verwerkt.
De aantallen verkeersbewegingen zijn per categorie (licht/zwaar verkeer) gekoppeld aan een lijnbron in de categorie wegverkeer - buitenweg. Hierbij zijn de standaardwaarden gehanteerd die AERIUS geeft voor de emissiefactor en uitstoothoogte. Het lichte verkeer is via de Verlengde Vaart Z.Z., Verlengde Vaart N.Z en de Dikkewijk W.Z. tot aan de dichtstbijzijnde ontsluitingsweg N853 (Vierslagenweg) ingetekend. Het zware vrachtverkeer is (evenals het werkverkeer) is via Verlengde Vaart Z.Z., de Slingerweg, Tuindershof, Tuinderslaan tot de N853 (Vierslagenweg) ingetekend. Vanaf deze punten kan, gezien de verkeersintensiteit (Rijksoverheid – NSL Monitoring), gesteld worden dat het extra verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. De berekening voor de aanlegfase is gezien de vroegst mogelijke start voor het rekenjaar 2021 uitgevoerd, waarbij (worst case) er vanuit is gegaan dat alle werkzaamheden in een jaar worden uitgevoerd. De gebruiksfase is voor het rekenjaar 2022 berekend. Rekenresultaten en conclusie De AERIUS-berekeningen voor de voorgenomen woningbouw laten zien dat, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase, géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol/ha/jr). De AERIUS-berekeningen zijn als bijlage 3 (aanlegfase) en bijlage 4 (gebruiksfase) toegevoegd.
Het plan heeft daarmee geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het plan kan zodoende worden vastgesteld en voor uitvoering geldt geen ten aanzien van het stikstofaspect geen vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000.
3.2
Natuurnetwerk Nederland
3.2.1 Ligging plangebied t.o.v. het NNN Op de kaart in figuur 3.2 is te zien dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en een ecologische verbindingszone ligt. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 3,3 kilometer afstand.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 13 van 27
Figuur 3.2 Ligging plangebied (rode marker) ten opzichte van het NNN (groene vlakken) en ecologische verbindingszones (groene lijnen) (Bron: Provincie Drenthe, 2020/2018b).
3.2.2 Effectbeoordeling Gezien de ruime afstand (>3 kilometer), de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling (woningbouw) en het tussenliggende gebied (bebouwing, opgaand groen, wegen) dat een afschermende werking heeft, is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde.
3.3
Natuur buiten het NNN
3.3.1 Ligging plangebied t.o.v. natuur buiten het NNN In het Drentse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in bijzonder provinciale natuurgebieden en ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe, 2018a).
3.3.2 Effectbeoordeling In Drenthe is momenteel één gebied aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied: Landgoed Overcingel in Assen. Dit gebied ligt in Assen, op ruim 38 kilometer afstand. Ook ligt het plangebied niet in/nabij ganzenrustgebieden. In Drenthe is alleen het Leekstermeer als ganzenrustgebied aangewezen. Dit gebied ligt op circa 59 kilometer afstand van het plangebied (Provincie Drenthe, 2018a). Gezien de grote afstanden tot deze gebieden en het tussenliggende afschermende gebied, is geen sprake van negatieve effecten. Vervolgstappen ten aanzien van natuur buiten het NNN zijn niet aan de orde.
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 14 van 27
4. EFFECTBEOORDELING SOORTENBESCHERMING 4.1
Voorselectie soortgroepen
Vanwege de eigenschappen van het plangebied zijn niet op alle beschermde soortgroepen effecten te verwachten. Aangezien het plangebied uitsluitend uit grasland zonder bebouwing en opgaand groen bestaat, zijn verblijfsplaatsen van gebouw- en boombewonende vogels en vleermuizen binnen het plangebied op voorhand uitgesloten. Daarnaast ontbreekt binnen het plangebied oppervlaktewater, zodat aanwezigheid van vissen en (voortplantingsbiotoop van) amfibieën en libellen is uitgesloten.
4.2
Flora
Het veldbezoek is in de optimale periode uitgevoerd om met voldoende zekerheid uitspraken te doen ten aanzien van het voorkomen van beschermde flora. Het plangebied betreft agrarisch grasland dat ten tijde van het veldbezoek gemaaid is. In de berm aan de voorzijde van het plangebied staat een (geknotte) haag van zwarte els en groeien soorten als lijsterbes, braam, grote brandnetel, kleefkruid, hondsdraf, zachte ooievaarsbek, klaproos, ridderzuring, boerenwormkruid, rode klaver en duizendblad. Het opgaand groen in de houtsingel en het bosperceel ten zuiden van het plangebied bestaat onder meer uit zomereik, zwarte els, vlierbes en ruwe berk met in de kruidenlaag onder andere fluitenkruid, zevenblad, braam en vingerhoedskruid. Beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Beschermde flora wordt gezien de veldwaarnemingen, de terreinkenmerken (agrarisch grasland, (matig) voedselrijk) en de bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van flora zijn niet aan de orde.
4.3
Broedvogels
Het veldbezoek is in de optimale periode (in het broedseizoen) uitgevoerd om met voldoende zekerheid uitspraken te doen ten aanzien van het voorkomen van broedvogels. Tijdens het veldbezoek zijn in en in de nabijheid van het plangebied buizerd, boerenzwaluw, koolmees, houtduif, pimpelmees, nijlgans en tjitjaf gehoord/waargenomen. Jaarrond beschermde soorten (categorie 1-4 soorten) In het plangebied ontbreken bebouwing en bomen. Het plangebied is daarmee ongeschikt als (potentiële) nestlocatie voor vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie bijlage 2). In de directe omgeving is tijdens het veldbezoek buizerd aangetroffen. Buizerd Tijdens het veldbezoek zijn in de directe omgeving van het plangebied twee buizerds waargenomen die alarmerend gedrag vertoonden. In het bosperceel ten zuiden van het plangebied is een horst in een zwarte els aangetroffen (zie figuur 4.1). Er zijn geen jongen in en sporen onder (prooiresten, uitwerpselen) het nest aangetroffen. Gezien het moment van het veldbezoek (in broedseizoen) in combinatie met het gedrag van de aanwezige buizerds, is het nest naar verwachting wel in gebruik. De buizerd geeft de voorkeur aan afwisselend landschap, waar bossen afgewisseld worden door open terrein en waar weilanden en houtwallen of andere houtopstanden te vinden zijn. Buizerds komen ook voor in en nabij stedelijke omgevingen.
De buizerd maakt in verreweg de meeste gevallen gebruik van bestaande nesten en kraaiennesten die vervolgens verder uitgebouwd worden tot een plat, omvangrijk nest (horst). Bij uitzondering bouwt buizerd zelf een nest. In een territorium zijn Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 15 van 27
vaak twee of drie horsten aanwezig, die in de loop der jaren rouleren qua gebruik. Buizerd is aangemerkt als een categorie 4-soort, een soort die ieder jaar naar hetzelfde nest terugkeert (zie bijlage 2). Het nest is van februari tot en met augustus in gebruik. De soort heeft een gevarieerd foerageergebied; bossen, open plekken, weilanden en akkers. Het jachtterritorium strekt zich tot enkele kilometers rond het nest uit (BIJ12, 2017). In het bosperceel en houtsingel worden geen werkzaamheden uitgevoerd. De nestlocatie en (potentiële) zitposten blijven zodoende behouden. Werkzaamheden en toekomstige bewoning kunnen verstoring veroorzaken. Het plangebied ligt echter met een afstand van circa 150 meter buiten de verstoringsafstand van 75 meter voor buizerd (BIJ12, 2017), zodat geen sprake is verstoring van de nestlocatie. Het plangebied kan onderdeel uitmaken van het foerageergebied van buizerd. Gezien het beperkte oppervlak (ca. 0,2 ha), ligging nabij verstoringsbronnen (bebouwing, wegen) en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de (ruime) omgeving van het plangebied, is geen sprake van aantasting van essentieel leefgebied. Vervolgstappen ten aanzien van buizerd zijn niet aan de orde.
Figuur 4.1 Buizerdnest (rode stip) in bosperceel ten zuiden van plangebied (rode arcering).
In de (ruime) omgeving zijn enkele andere soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) bekend en/of kunnen worden verwacht, waaronder roek en huismus. Gezien de afstand tot bekende nestlocaties en tussenliggend afschermend gebied (opgaand groen, bebouwing) is geen sprake van aantasting en verstoring van nestlocaties. Het plangebied vormt gezien de terreinkenmerken en het
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 16 van 27
beperkte oppervlak (0,2 ha) in relatie tot geschikt leefgebied in de omgeving geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Vervolgstappen ten aanzien van soorten met jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde. Jaarrond beschermde soorten (categorie 5 soorten) Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn diverse categorie 5-soorten (zie bijlage 2) waargenomen dan wel te verwachten, waaronder boerenzwaluw, koolmees en pimpelmees. Deze soorten kunnen in het opgaand groen en in/rond de bebouwing in de directe omgeving van het plangebied tot broeden komen. Hier vinden geen werkzaamheden plaats, zodat de nestplaatsen behouden blijven. De werkzaamheden en het toekomstige gebruik kunnen mogelijk verstoring veroorzaken. Deze categorie 5 soorten bezitten voldoende flexibiliteit om elders tot broeden te komen. In de omgeving van het plangebied zijn in de bospercelen, het agrarisch gebied en in/rond de woningen en erven voldoende alternatieven aanwezig. Ook kan het plangebied na ontwikkeling geschikt(er) zijn als leefgebied voor deze soorten. Vervolgstappen ten aanzien van soorten met jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde. Overige broedvogels, zonder jaarrond beschermde nesten Het plangebied biedt geen geschikt broedgelegenheid voor broedvogels vanwege het ontbreken van bebouwing en opgaand groen.
Grondbroedende vogels worden gezien de terreinkenmerken, het agrarische gebruik en nabijheid van verstoringsbronnen (opgaand groen, bebouwing en wegen) ook niet verwacht. In de directe omgeving kunnen wel diverse soorten vogels (zonder jaarrond beschermde nestplaatsen) in het aanwezige opgaand groen, oevers en in/rond de bebouwing tot broeden komen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Verstoring van broedgevallen is toegestaan zolang dit geen wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding heeft. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, zodat geen sprake is mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels. Het plangebied kan deel uitmaken van het foerageergebied van diverse vogels. Tijdens het veldbezoek zijn boerenzwaluw en nijlgans foeragerend waargenomen. Gezien het beperkte oppervlak van het plangebied en de terreinkenmerken betreft het geen essentieel foerageergebied. In de directe omgeving zijn in het opgaand groen, bospercelen en agrarische percelen voldoende beschikbaar alternatief foerageergebied beschikbaar.
4.4
Vleermuizen
Verblijfplaatsen Vanwege de afwezigheid van bebouwing en bomen is aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten (zie ook 4.1). In de aanwezige bomen in de directe omgeving van het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen, in de vorm van holtes, spleten of loszittende schorsdelen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is zodoende uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroute De straten, het kanaal en het opgaand groen in de omgeving van het plangebied vormen lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen. De werkzaamheden zorgen niet voor aantasting van deze potentiële vliegroutes. Het opgaand groen blijft behouden en de werkzaamheden vinden uitsluitend overdag plaats. In de gebruiksfase wordt geadviseerd lichtverstrooiing
Quickscan Wet natuurbescherming Verlengde Vaart Z.Z. 13 te Erica (kenmerk: 210928 v1.0)
Pagina 17 van 27
richting de omgeving te voorkomen/beperken, onder andere door laag geplaatste/naar beneden gerichte (sfeer)verlichting rond de woning te plaatsen. Vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen zijn zodoende niet aan de orde. Foerageergebied Het plangebied kan onderdeel uitmaken van het van het foerageergebied van diverse vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Aangezien de werkzaamheden overdag plaatsvinden en de locatie en omgeving na ontwikkeling voldoende geschikt blijven als foerageergebied is verder onderzoek naar het voorkomen van foerageergebieden van vleermuizen niet noodzakelijk. Wel wordt, evenals bij vliegroutes, geadviseerd om in de toekomstige situatie lichtverstrooiing richting de omgeving te voorkomen/beperken.