Bijlage 1 - Bestemmingsplan 'Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen' (toelichting, regels en bijlagen)
Tekst van het document
47
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Wonen - Voormalige agrarische bebouwing - Structuurbepalend; in andere bestemmingen, zoals de agrarische bestemmingen, hebben structuur- en beeldbepalende gebouwen of structuurbepalende gebouwen een 'specifieke bouwaanduiding - structuur- en beeldbepalend' en 'specifieke bouwaanduiding - structuurbepalend' op de verbeelding. 5.3.2
Monumenten
Tot deze categorie behoren monumenten, die op zichzelf en door de ligging ten opzichte van de structuuren beeldbepalende bebouwing een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van Westerse Bos, Middeldorp en Oosterse Bos. De monumenten zijn als structuur- en beeldbepalend beoordeeld. Planologische gevolgen De monumenten zijn aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan en in de dubbelbestemmingen 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'en 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' is hiervoor een regeling opgenomen ter bescherming van de hoofdvorm en de ligging; Daarnaast zijn de monumenten beschermd via andere wet- en regelgeving. 5.3.3
Overige bebouwing
Deze categorie bebouwing is minder bepalend voor de identiteit van het voormalige cultuurhistorisch waardevolle esdorp. Wel draagt de bebouwing bij aan het dorpse karakter en bestaan er per gebied specifieke ruimtelijke kenmerken. Bebouwingstype Latere kleinschalige toevoegingen buiten het esdorp; Woon- en bedrijfsbebouwing, veelal bijgebouwen zoals stallen. Planologische gevolgen In dit bestemmingsplan zijn standaard regels opgenomen ten aanzien van: 1. Locatie hoofdgebouw (rooilijn); 2. Oppervlakte bebouwing; 3. Goot en bouwhoogte; 4. Afstand tot zijerfscheiding; 5. Nokrichting. Bij een verzoek om afwijkingen en vervangingen wordt een afweging gemaakt aan de effecten op de beschreven ruimtelijke waarden van de omgeving. Bestemmingen Wonen - Vrijstaand; Wonen - Voormalige agrarische bebouwing.
48
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Tevens moet het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
6.2
Toelichting op de verbeelding
Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. De ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het Rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Gebruiksregels Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld en of waarvoor en op welke wijze de gronden wel gebruikt kunnen worden. Bouwregels In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen. Met deze bouwregels worden de bouwmogelijkheden gereguleerd. Uitgangspunt bij het bouwen van hoofdgebouwen is dat hoofdgebouwen altijd binnen een bouwvlak worden gebouwd en voorgevels van deze hoofdgebouwen in de gevellijn. Dit betekent dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Verder worden in de bouwregels onder anderen regels ten aanzien maximale bebouwing , bouwhoogtes, dakhelling opgenomen. Flexibiliteit Soms is het gewenst om af te wijken van de gestelde regels.
Hiervoor zijn in het bestemmingsplan flexibiliteitregels opgenomen om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De uitvoering van de flexibiliteitregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het toepassen van deze
49
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
regelingen is geen automatisme. Voordat wordt besloten dat van de geldende regels in het bestemmingsplan kan worden afgeweken zal eerst bekeken worden wat de consequenties zijn van de afwijking op de leefomgeving. In het bestemmingsplan zijn diverse flexibiliteitregelingen opgenomen, deze zijn: Afwijken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels; Nadere eisen; Algemene afwijkingsregels; Wijzigingsbevoegdheden. De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de Wet algemene regels omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten, zoals de milieuvergunning, de bouwvergunning, afwijkingen van het bestemmingsplan en de kapvergunning gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van een omgevingsvergunning Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen.
Bij toepassing van een afwijking en/of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in de onderstaande tabel is weergegeven. Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor het afwijken van de nadere eisen, de uitvoering van deze flexibiliteitsregels zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning. De bevoegdheid om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij het college van burgemeester en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere bestemming mogelijk. Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete situatie af te stemmen. In hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden.
Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot gebruik of bouwen. Ruimtelijke kwaliteitsverbetering Binnen diverse bestemmingen wordt bij de afwijkingen en wijzigingsregels als voorwaarde gesteld dat er sprake dient te zijn van 'ruimtelijke kwaliteitsverbetering' voordat de afwijking of wijziging verleend wordt. Bij de toets in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt per geval een ruimtelijke afweging gemaakt aan de hand van het rapport 'Bijlage 3' en de bijbehorende kaart (Bijlage 4) en Bijlage 5 (Cultuurhistorische waardering bebouwing en omliggend landschap). Opzet regels De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels;
50
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. De inhoud van de verschillende hoofdstukken wordt als volgt toegelicht: 6.3.1
Inleidende regels
In Hoofdstuk 1 worden diverse begrippen die in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten. Begrippen De begripsregels in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsregels. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Met uitzondering van de eerste twee begrippen (plan en bestemmingsplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt. Wijze van meten De regels over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen moeten worden, gemeten moeten worden. 6.3.2
Bestemmingsregels
In Hoofdstuk 2 worden artikelsgewijs de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. De enkelbestemmingen in dit plan zijn bestemmingen die recht doen aan het huidige gebruik op de percelen van het plangebied. Omdat het nu reeds geldende bestemmingsplan zeer gedateerd is, zijn de opgenomen bestemmingen niet altijd conform de oude bestemmingen. Wel werken de opgenomen bestemmingen het huidige actuele gebruik uit. Zodoende wijzigt er niets. In zijn totaliteit zijn er de onderstaande bestemmingen: 1. Agrarisch - Grondgebonden 1; 2. Agrarisch - Niet grondgebonden 1; 3. Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen; 4. Bedrijf - Mijnbouw 2; 5. Bos; 6. Detailhandel; 7. Groen; 8. Verkeer; 9. Water; 10. Wonen - Voormalige agrarische bebouwing; 11. Wonen - Voormalige agrarische bebouwing - Structuur- en beeldbepalend; 12. Wonen - Voormalige agrarische bebouwing - Structuurbepalend; 13. Wonen - Vrijstaand; 14. Wonen - Vrijstaand - Structuurbepalend. De onderstaande tekst bespreekt de bestemmingen afzonderlijk. Agrarisch - Grondgebonden 1 en Agrarisch - Niet grondgebonden 1 Alle agrarische bedrijven zijn onder deze bestemmingen gebracht. Het bestemmingsplan maakt een onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven.
Dit onderscheid wordt al sinds het jaar 2000 in de gemeente Emmen gemaakt en wordt in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Voor agrarische bedrijven is een regeling opgesteld waarbij de mogelijkheden zijn gekoppeld aan het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding is de exacte begrenzing van het bouwvlak
51
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
aangegeven. De voor 'Agrarisch - Grondgebonden 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een aantal grondgebonden agrarische bedrijven, de voor 'Agrarisch - Niet grondgebonden 1' aangewezen gronden indien het gaat om een niet-grondgebonden bedrijfsvoering. Wat onder een (niet-)grondgebonden bedrijf moet worden gerekend wordt door middel van de begrippen (Artikel 1) nader uitgewerkt. Voor beide bestemmingen geldt dat het alleen mogelijk is om gebouwen binnen het bouwvlak te bouwen. Er is één bedrijfswoning toegestaan, dan wel het aantal dat is aangegeven. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch - Niet grondgebonden 1' is een bedrijfswoning omgezet in een plattelandswoning. Er kan daar niet nog opnieuw een bedrijfswoning worden opgericht. De oppervlakte van de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken mag maximaal 250 m² bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte. Bedrijfsbebouwing mag worden opgericht tot een hoogte van maximaal 12 meter. De goothoogte bedraagt maximaal 4,5 meter. Aan de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing wordt geen maximum gegeven. Bijbehorende bouwwerken bij de woning dienen qua ligging en verschijningsvorm ondergeschikt te zijn aan de woning. Er kan overwogen worden om met afwijking de opsplitsing van de bedrijfswoning in twee wooneenheden toe te staan.
Paardenbakken zijn eventueel via een afwijking van de gebruiksregels planologisch te regelen. Het agrarische gebruik kan eventueel met verschillende functies worden verbreed, zoals Bed and Breakfast, detailhandel in eigen voortgebrachte producten, maatschappelijke functies, een stoeterij of bedrijfsactiviteiten uit de 'lichtere' milieucategorie 1 en 2 (Staat van inrichtingen). Voor al deze functies geldt dat ze ondergeschikt moeten zijn aan de agrarische hoofdfunctie en binnen de bestaande bebouwing moeten plaatsvinden. Met een wijziging van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders de agrarische bestemming wijzigen in de bestemming Wonen - Voormalige agrarische bebouwing, een maatschappelijke bestemming met wonen opslag en/of stalling of bedrijfsactiviteiten uit de 'lichtere' milieucategorieën 1 en 2 (Staat van inrichtingen). In zijn algemeenheid spelen de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, het landschap, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen een rol bij de afweging omtrent verlening van een afwijking of wijziging van het bestemmingsplan.
Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen Op basis van landschappelijke gebiedskenmerken zijn de agrarisch gronden die geen deel uitmaken van de agrarische bedrijfskavels opgenomen binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen'. Dit sluit aan bij de omliggende bestemmingen van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen. Het betreffen in hoofdzaak onbebouwde gronden. De bestemming is vrij globaal van karakter. Binnen de gebiedsbestemming komen belangrijke landschappelijke waarden voor, zoals houtwallen, die moeten worden beschermd. Hiervoor is in deze bestemmingen voorzien in een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken. Vanwege de globaliteit en flexibiliteit zijn niet alle elementen in de regels opgenomen maar maken ze deel uit van de gebiedsbestemmingen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de volgende elementen: Landbouwkundige elementen (een ontsluitingsweg van een agrarisch bedrijf); Recreatieve elementen (een wandelpad of een picknickplaats); Landschappelijke elementen zoals houtwallen en laanbeplanting; Waterlopen binnen agrarische gronden met in hoofdzaak een landbouwkundige functie. Het gaat hier om zaken die in hoofdzaak of zelfs uitsluitend dienst doen ten behoeve van de basisfuncties van een gebied. Uiteraard zullen de bestaande elementen worden gehandhaafd.
Door de globale opzet kunnen ook nieuwe elementen worden ingepast, voor zover ze passen binnen de betreffende bestemming. Bedrijf - Mijnbouw 2 Binnen de gemeente Emmen zijn verder verschillende locaties voor olie- en gaswinning aanwezig. De in dit plangebied vallende locaties (twee stuks) zijn op de verbeelding aangegeven met de bestemming 'Bedrijf Mijnbouw 2'. Voor de locaties geldt dat de oppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing met 25 procent mag toenemen. Met een afwijking zijn nieuwe gebouwen te realiseren. Met wijziging is de bestemming van
52
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
de locaties bij bedrijfsbeëindiging om te zetten naar de bestemming 'Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen'. Bos Binnen het plangebied liggen meerdere kleine bospercelen. De bosgronden zijn tevens bestemd voor recreatief medegebruik van fiets- en voetpaden, brandgangen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming bos mogen geen gebouwen en of andere bouwwerken worden opgericht. Er geldt een omgevingsvergunningstelsel voor o.a. het rooien van bomen. Detailhandel In de dorpen komt nauwelijks detailhandel voor. Slechts op één locatie is daarvan sprake. Op de locatie is hiervoor de bestemming 'Detailhandel' opgenomen. De bestemmingsomschrijving laat vrij om welke vorm het van detailhandel gaat. Voorts is ter plaatse ook een bedrijfswoning toegestaan. Groen De op de verbeelding voor Artikel 9 Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor openbare groenvoorziening, (erf)toegangswegen, fietsstroken, voetpaden, voorziening ten behoeve van de waterhuishouding en nutsvoorzieningen. Voorzieningen ten behoeve van sport- en speelgelegenheden en andere bouwwerken mogen binnen deze bestemming opgericht worden. Binnen de bestemming 'Groen' zijn geen bouwmogelijkheden opgenomen. Verkeer De voor 'Artikel 10 Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, woonstraten en wegen ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende percelen, toegangswegen en inritten.
Binnen deze bestemmingen zijn voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, sport en speelgelegenheden, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen eveneens toegestaan. Water De voor 'Artikel 11 Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de in het plangebied voorkomende watergangen, met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, oevers en groenvoorzieningen. Wonen Bij 'Artikel 15 Wonen - Vrijstaand' en 'Artikel 16 Wonen - Vrijstaand - Structuurbepalend' gaat het om woningen die voorheen geen agrarische bedrijfswoningen betroffen. Een deel van de gebouwen is gewaardeerd als structuurbepalend. Alle hoofdgebouwen die structuurbepalend zijn, moeten binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. Bijbehorende bouwwerken dienen ruimtelijk ondergeschikt te zijn aan hoofdgebouwen. Dit vertaalt zich in goot- en bouwhoogte, oppervlakte en ligging. Zo dienen bijbehorende bouwwerken minimaal 3 meter achter de gevellijn (de naar de weg gekeerde gevels) van de woning te worden opgericht. Wanneer het stedenbouwkundig- en cultuurhistorisch inpasbaar is kan deze afstand met een afwijking verkleind worden. De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 6 meter bedragen, de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen.
Om landschappelijke redenen en/of om nadelige effecten voor omwonenden te voorkomen mag de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens maximaal 3,5 meter bedragen. Binnen de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om toe te staan dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens verhoogd wordt. Het zelfstandig bewonen van bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan. De bouwhoogte van een ander bouwwerk buiten het bouwvlak mag maximaal 3 meter bedragen. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag in principe 2 meter bedragen, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen aangrenzend aan openbaar gebied. De maximale hoogte bedraagt hier 1 meter. Voor de oppervlakte van gebouwen geldt dat deze ten hoogte 250 m² mag bedragen, dan wel de bestaande
53
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
oppervlakte, mits niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bebouwd wordt. De bouwhoogte van de woning mag maximaal 9 meter bedragen, de goothoogte maximaal 3,5 meter (dan wel de bestaande hoogten). De dakhelling bedraagt minimaal 35 graden. De afstand naar de zijerfscheiding bedraagt minimaal 3 meter, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. Binnen de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om toe te staan dat de goothoogte van de woning verhoogd wordt, mits de woning in hoofdzaak het karakter behoudt van één bouwlaag met kap. Daarnaast kan worden afgeweken van de bestaande nokrichting. Wonen - Voormalige agrarische bebouwing Bij 'Artikel 12 Wonen - Voormalige agrarische bebouwing' 'Artikel 13 Wonen - Voormalige agrarische bebouwing - Structuur- en beeldbepalend', en 'Artikel 14 Wonen - Voormalige agrarische bebouwing Structuurbepalend' gaat het om woningen met kenmerken van een voormalig agrarisch bedrijf / woonboerderij. Een deel van de gebouwen is gewaardeerd als structuur/beeldbepalend. Een ander deel als structuurbepalend. Het gebruik is in deze bestemming in hoofdzaak gericht op wonen. Bijzonder gebruik ten aanzien van wonen zijn op de verbeelding specifiek aangeduid. Het gaat dan om een handel- en reparatiebedrijf en op twee plaatsen een caravanstalling.
Alle hoofdgebouwen die structuur- en beeldbepalend en structuurbepalend zijn, moeten binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. Alle voormalige agrarische gebouwen en bijgebouwen die structuur- en beeldbepalend zijn, zijn aangeduid als 'karakteristiek'. Bijbehorende bouwwerken dienen ruimtelijk ondergeschikt te zijn aan hoofdgebouwen. Dit vertaalt zich in goot- en bouwhoogte, oppervlakte en ligging. Zo dienen bijbehorende bouwwerken minimaal 3 meter achter de gevellijn (de naar de weg gekeerde gevels) van de woning te worden opgericht. Wanneer het stedenbouwkundig- en cultuurhistorisch inpasbaar is kan deze afstand met een afwijking verkleind worden. De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 6 meter bedragen, de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen. Om landschappelijke redenen en/of om nadelige effecten voor omwonenden te voorkomen mag de hoogte van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens maximaal 3,5 meter bedragen. Ook is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om toe te staan dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens verhoogd wordt. Het zelfstandig bewonen van bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m².
Bij de vervanging van verouderde bijbehorende bouwwerken, waardoor er sprake is van een toename van de ruimtelijke kwaliteit, kan bij afwijking een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken worden toegestaan (saneringsregeling). De bouwhoogte van een ander bouwwerk buiten het bouwvlak mag maximaal 3 meter bedragen. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag in principe 2 meter bedragen, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen aangrenzend aan openbaar gebied. De maximale hoogte bedraagt hier 1 meter. Ten behoeve van de woonfunctie mag in principe in totaal (hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken) 250 m² bebouwd worden, dan wel de bestaande oppervlakte wanneer deze meer bedraagt. De bouwhoogte van de woning mag maximaal 9 meter bedragen, de goothoogte maximaal 3,5 meter (dan wel de bestaande hoogten). De dakhelling bedraagt minimaal 35 graden. De afstand naar de zijerfscheiding bedraagt minimaal 3 meter, dan wel de bestaande afstand wanneer die minder is. 6.3.3
Dubbelbestemmingen
Dubbelbestemmingen worden opgenomen als meerdere functies onafhankelijk van elkaar op dezelfde plaats voorkomen. In feite betreft het hier twee (of meer) afzonderlijke bestemmingen voor één (deel van een) gebied. Daar waar een dubbelbestemming is gelegen, geldt zowel de bepaling van de betreffende (hoofd)bestemming als de bepaling zoals gesteld in de dubbelbestemming. Aan een dubbelbestemming bestaat behoefte, wanneer een bestemming onvoldoende recht doet aan de functies/gebruiksdoelen die op de betrokken gronden toelaatbaar (moeten) zijn of wanneer ruimtelijk relevante belangen veilig moeten worden gesteld die niet of onvoldoende met een bestemming kunnen worden gewaarborgd.
54
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Dubbelbestemmingen hebben voorrang op de hoofdbestemmingen. Dit betekent dat regels van bestemmingen alleen van toepassing zijn als deze niet strijdig zijn met regels die horen bij dubbelbestemmingen. Door deze dubbelbestemmingen worden afwegingen opgelegd aan onderliggende (hoofd) bestemmingen. In de bestemmingsomschrijving van de dubbelbestemming worden niet alle doeleinden opnieuw genoemd maar alleen die waarvoor de dubbelbestemming is opgenomen. Het plangebied Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen kent vier dubbelbestemmingen te weten: 1. 2. 3. 4.
'Leiding - Gas' 'Leiding - NAM leiding (boven- en ondergronds)'; 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'; 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit'.
Leiding - Gas De bestaande (hoofd)aardgastranspotleiding is bestemd als 'Leiding - Gas'. Dit betreft een ondergrondse leiding. Leiding - NAM De bestaande boven- en/of ondergrondse leidingen ten behoeve van de oliewinning in de omgeving van Schoonebeek vallen onder de dubbelbestemming 'Leiding - NAM leiding'. Dit kunnen zowel onder- als bovengrondse leidingen betreffen. Het bestemmingsplan kan gewijzigd worden voor de vergroting, verkleining of verwijdering van de bestaande tracés van de leidingen. Waarde - Beschermd dorpsgezicht en Waarde - Ruimtelijke kwaliteit Zoals reeds aangegeven, realiseert dit bestemmingsplan dat de cultuurhistorische waarden in het plangebied worden geborgd. Zoals immers ook in paragraaf 1.1 (Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan) van deze toelichting is vermeld, is één van de doelen van dit plan bescherming te bieden aan de cultuurhistorische waarden in Oosterse Bos, Westerse Bos en Middendorp. In het kader hiervan is in 2018 door Bureau Scholtens een cultuurhistorische analyse uitgevoerd van de drie nederzettingen. In deze analyse zijn alle cultuurhistorische waarden in het gebied geanalyseerd, gewaardeerd en in kaart gebracht. Inclusief de begrenzing van de beschermde dorpsgezichten Oosterse Bos en Westerse Bos.
Voor een volledige beschrijving van dit onderzoek, inclusief een beschrijving van de historisch-ruimtelijke ontwikkeling en de huidige ruimtelijke opzet en karakter van het gebied, wordt verwezen naar het rapport van Bureau Scholtens. Het rapport is als Bijlage 3 (Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos - Het landschap en de buurtschappen in historische perspectief) bij de regels gevoegd. De 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' is, samen met de bestemming 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' de juridische vertaling van de rapportage van Bureau Scholtens. De bestemmingsomschrijvingen verwijzen beide naar de analyse van Bureau Scholtens en geeft daarbij aan dat gronden bestemd zijn voor behoud, herstel en versterking van de karakteristieke dorpsgezichten. Voor de bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' geldt dat daarop aanvullend ook wordt verwezen naar de aanwijzing van de gebieden als beschermd dorpsgezicht. De verwijzingen worden vervolgens onder andere uitgewerkt door de bouwregels, specifieke gebruiksregels en twee vergunningplichten. Eén vergunningplicht bepaalt dat niet zondermeer mag worden gesloopt, de ander bepaalt dat het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden niet zonder meer is toegestaan. In de systematiek van het plan wordt onderscheid gemaakt in: 1. 2. 3. 4.
Rijksmonumenten; gemeentelijke monumenten; karakteristieke panden; structuurbepalende (bij)gebouwen.
De eerste drie typen gebouwen zijn op de verbeelding aangeduid en de bouwregels bepalen dat zulke gebouwen de karakteristieke hoofdvorm, bestaande uit goot- en bouwhoogten, de kapvorm, nokrichting, gevelindeling en oppervlakte van gebouwen en van andere bouwwerken, moet worden gehandhaafd alsmede de bestaande ligging. Ook is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen dat strak aansluit op het
55
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
betreffende bestaande gebouw. Door de systematiek van de regels van de enkelbestemmingen die bepalen dat hoofdgebouwen alleen in het bouwvlak kunnen worden gebouwd, is scherp afgebakend waar gebouwen zijn toegestaan en waar niet. Type vier van gebouwen (structuur- en beeldbepalende bijgebouwen) zijn als 'karakteristiek' aangeduid op de verbeelding en de bescherming hiervoor volgt uit de verwijzing zoals opgenomen in de bestemmingsomschrijving. 6.3.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de regels bevat regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen. Anti-dubbeltelregel Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere bouwplannen. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal regels voor ondergeschikte bouwonderdelen voor o.a. kroonlijsten, en gevelversieringen. Algemene gebruiksregels Voorts bevatten de algemene regels ook algemene gebruiksregels. De algemene gebruiksregels bepalen dat het strijdig is om gronden en bebouwing te gebruiken indien dat gebruik betrekking heeft op het houden van vee, met inbegrip van paarden, en/of het opslaan van mest en indien dat gebruik leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse.
Vervolgens is met behulp van de begrippen bepaald wat onder de bestaande stikstofdepositie-situatie gerekend moet worden. Algemene afwijkingsregels Bij uitzondering kan door middel van een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken van de in het plan gegeven regels. Een van die uitzonderingen betreft het mogelijk maken van een bed & breakfast-voorziening. De opgenomen regeling is een vertaling van het gemeentelijke beleid: Nota verblijfsrecreatie. Tot slot bevatten de algemene afwijkingsregels ook een mogelijkheid om de uitoefening van een aan-huis-gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten toe te staan. Beide regelingen zijn bewust opgenomen in de algemene afwijkingsregels in plaats van de specifieke bestemmingen: in elke bestemming zijn de afwijkingen mogelijk. Algemene wijzigingsregels Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om onder voorwaarden de bestemmingsgrenzen op beperkte schaal te verschuiven of bouwvlakken beperkt te vergroten. Overige regels De overige regels bestaan uit de 'Van toepassingverklaring'. Deze van toepassingsverklaring bepaalt dat twee andere plannen, naast het onderhavige bestemmingsplan, van toepassing blijven. Reden hiervoor is dat door middel van deze systematiek die plannen niet in zijn geheel hoeven te worden overgezet in dit onderhavige bestemmingsplan.
56
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
6.3.5
Overgangs- en slotregels
Het laatste hoofdstuk 'Overgangs- en slotregels' bevat Artikel 27 in het overgangsrecht, als beschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 28 is de slotregel. In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als regels van het bestemmingsplan 'Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen'.
6.4
Handhaving
In dit bestemmingsplan heeft actueel beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader van het bestemmingsplan voor gemeente als publiek beter toepasbaar geworden. Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en publiek ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen heeft het beleidsplan Vergunningverlening Toezicht en Handhaving (VTH) vastgesteld. Dit beleidsplan VTH beschrijft de visie en ambitie op het terrein van de gemeentelijke VTH-taken, waaronder ook valt het toepassen en naleven van de regels in het bestemmingsplan. Daarnaast geeft het beleidsplan VTH invulling aan de wettelijke plicht om vastgesteld VTH-beleid te hebben. Wat betreft handhaving kan de gemeente onmogelijk continu alles controleren. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners en bedrijven de regels naleven en zij er alles aan doen om risico's en nadelige effecten voor de maatschappij te voorkomen. Risico's bepalen de inzet van de beschikbare capaciteit. Op basis van kennis en ervaring is vastgesteld welke bedrijfscategorieën en activiteiten het grootste risico vormen voor fysieke veiligheid, leefbaarheid, volksgezondheid, milieu en imago.
Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan en worden ook toegepast bij de naleving van de regels van het bestemmingsplan.
57
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
58
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en vooroverleg Vanaf maandag 9 januari tot en met 19 februari 2023 heeft het conceptontwerpbestemmingsplan voor inspraak voor een ieder ter inzage gelegen. Ook is het plan voor vooroverleg aan de wettelijke overlegpartners toegezonden. De ontvangen inspraak- en vooroverlegreacties die zijn binnengekomen, zijn in de Nota van beantwoording samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. Waar deze reacties tot wijziging van het plan leiden, is dit in de Nota aangegeven en het plan is daarop aangepast. De Nota is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Procedure In het kader van de te voeren planologische procedure heeft het ontwerp van het bestemmingsplan van 18 oktober tot en met 28 november 2023 ter inzage gelegen in het stadhuis van Emmen. Het plan was ook raadpleegbaar op de website van de gemeente Emmen (www.emmen.nl) en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het ontwerp van het bestemmingsplan is daarnaast voor overleg toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Tijdens de inzagetermijn kon iedereen een zienswijze indienen over het bestemmingsplan. De gemeente ontving vijf zienswijzen. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de 'Nota van beantwoording zienswijzen' die als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan is een conserverend plan waarmee geen grote kosten zijn gemoeid. Op basis daarvan mag dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht.
59
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen vastgesteld
bestemmingsplan Bijlagen bij de regels
Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen vastgesteld 15-05-2024
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de regels
5
Bijlage 1
Toelichting aanwijzing beschermd dorpsgezicht Westerse Bos
6
Bijlage 2
Toelichting aanwijzing beschermd dorpsgezicht Oosterse Bos
8
Bijlage 3 Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos - Het landschap en de buurtschappen in historische perspectief
10
Bijlage 4
Waardering ruimtelijke structuur Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos
74
Bijlage 5
Cultuurhistorische waardering bebouwing en omliggend landschap
78
Bijlage 6
Landschappelijk inpassingsplan Oostersebos 15
99
3
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
4
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Bijlagen bij de regels
5
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Bijlage 1 Toelichting aanwijzing beschermd dorpsgezicht Westerse Bos
6
-
•<--[
•
TOELICHTING b i j het b e s l u i t t o t v a s t s t e l l i n g van- een beaobermd d o r p s g e z i c h t ex a r t i k e l 20 van de Monumentenwet i n de gemeente OUD SCH00NEBEEK(Westerse Bos), gemeente Schoonebeek. Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde k a a r t ( R i j k s d i e n s t voor de Monumentenzorg t e k . n r , 049 ) met een s t i p p e l l i j n omgrensde gebied. a
Oud-Schoonebeek i s een van de streekdorpen, d i e op de Drentse veengronden i n de zuid-oosthoek van de p r o v i n c i e t o t o n t w i k k e l i n g z i j n gekomen. De s t r u c t u u r van d i t type nederz e t t i n g w i j k t s t e r k a f van de aanleg van de p l a a t s e n , welke op de d i l u v i a l e gronden z i j n ontstaan, de z.g. brinkdorpen. Het k a r a k t e r van v e l e van de langgerekte streekdorpen i s door a l l e r l e i w i j z i g i n g e n en vernieuwingen s t e r k veranderd,het dorpsbeeld h e e f t d a a r b i j v e e l aan a a n t r e k k e l i j k h e i d ingeboet. Een gunstige u i t z o n d e r i n g op deze ontwfklseling vormt OudSchoonebeek, waarvan een t w e e t a l delen, de buurschappen "Oosterse Bos" en "Westerse Bos" i n o o r s p r o n k e l i j k e s t a a t bewaard i s gebleven. De h i e r aanwezige b o e r d e r i j e n behoren t o t de mooiste d i e i n d i t gewest worden aangetroffen. De buurschap Westerse Bos, gelegen ten noorden van de Nieuw Amsterdamseweg, bestaat u i t een a a n t a l aan de L i n t h o r s t Homanlaan liggende b o e r d e r i j e n , waarvan v o o r a l de n r s . 5, 8-10, 12-14, 11-13, 17, 21, 23, 26-28 en 30 van b i j z o n d e r goede k w a l i t e i t z i j n .
Vele van de onder deze nummers r e s s o r terende o p s t a l l e n z i j n nog v o o r z i e n van met r i e t beklede t o p gevels en bestaan ten dele nog u i t vakwerkbouw. De v/ijze waarop de hoeven aan beide z i j d e n van de weg g e s i t u e e r d z i j n , op z i c h v e r landinwaarts u i t s t r e k k e n d e p a r a l l e l l e k a v e l s , v e r l e e n t aan de buurschap een voor het Drentse streekdorp typerend k a r a k t e r . Voor het behoud van het aspect z i j n de mede binnen de omgrenzing getrokken akkers onontbeerlijk. I n het vigerende u i t b r e i d i n g s p l a n i n hoofdzaak voor de gemeente Schoonebeek i s aan de buurschap Westerse Bos de be— stemming van "cultuurmonument" gegeven, een maatregel, d i e p a r a l l e l l o o p t met het d o e l dat door de onderhavige a a n w i j z i n g t o t beschermd dorpsgezicht wordt beoogd.
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Bijlage 2 Toelichting aanwijzing beschermd dorpsgezicht Oosterse Bos
8
TOELICHTING b i j bet b e s l u i t t o t v a s t s t e l l i n g van een beschermd d o r p s g e z i c h t ex a r t i k e l 20 van de Monumentenwet i n de gemeente OUD SCHOONEBEEK(Oosterse Bos), gemeente Schoonebeek. Het beschermde d o r p s g e z i c h t omvat het op bijgevoegde k a a r t ( R i j k s d i e n s t voor de Monumentenzorg tek.nr.O^-^) met een s t i p p e l l i j n omgrensde gebied. Oud-Schoonebeek i s een van de streekdorpen, d i e op de Drentse veengronden i n de zuid-oosthoek van de p r o v i n c i e t o t o n t w i k k e l i n g z i j n gekomen. De s t r u c t u u r van d i t type nederz e t t i n g w i j k t s t e r k af van de aanleg van de p l a a t s e n , welke op de d i l u v i a l e gronden z i j n o n t s t a a n , de z.g. b r i n k d o r p e n . Het k a r a k t e r van v e l e van de langgerekte streekdorpen i s door a l l e r l e i w i j z i g i n g e n en vernieuwingen s t e r k veranderd, het dorpsbeeld h e e f t d a a r b i j v e e l aan a a n t r e k k e l i j k h e i d ingeboet. Een gunstige u i t z o n d e r i n g op deze o n t w i k k e l i n g vormt OudSchoonebeek, waarvan een t w e e t a l d e l e n , de buurschappen "Oosterse Bos" en "Westerse Bos" i n o o r s p r o n k e l i j k e s t a a t bewaard i s gebleven. De h i e r aanwezige b o e r d e r i j e n behoren t o t de mooiste d i e i n d i t gewest worden a a n g e t r o f f e n .
De buurschap Oosterse Bos, n o o r d e l i j k van de Hoofdstraat gelegen, komt i n k w a l i t e i t overeen met het Westerse Bos. Een v i j f t a l hoeven aan de Vos van S t e e n w i j k l a a n , de n r s . 4-, 11, 13, 15 en 17 vormen h i e r a l s g r o e p e r i n g een p r a c h t i g dorpsbeeld. De akkers t e r w e e r s z i j d e n , d i e e n e r z i j d s r e i k e n t o t aan de Hoofdstraat en a n d e r z i j d s z i c h een eindweegs landinwaarts u i t s t r e k k e n , omvatten de i n een krans van b e p l a n t i n g gelegen ops t a l l e n op een zodanige w i j z e dat de buurschap z i c h d u i d e l i j k a l s een z e l f s t a n d i g gegeven i n het open v e l d m a n i f e s t e e r t . Deze akkers z i j n d e r h a l v e e s s e n t i e e l t e achten voor het b e e l d . In het vigerende u i t b r e i d i n g s p l a n i n hoofdzaak voor de gemeente Schoonebeek i s aan de buurschap Oosterse Bos de bestemming van " c u l t u u r monument" gegeven, een maatregel, d i e p a r a l l e l l o o p t met het d o e l dat door de onderhavige a a n w i j z i n g t o t beschermd d o r p s g e z i c h t wordt beoogd.
bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen
Bijlage 3 Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos - Het landschap en de buurtschappen in historische perspectief
10
Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos Het landschap en de buurtschappen in historisch perspectief
Een cultuurhistorische analyse in het kader van het bestemmingsplan
De inventarisatie en analyse van het landschap en de buurtstructuren vond plaats in het kader van de actualisering van het bestemmingsplan Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos en is verricht in opdracht van: Gemeente Emmen, Team Ruimtelijke Ontwikkeling Postbus 30001 7800 RA Emmen De inventarisatie en analyse is verricht door:
Bureau Scholtens
Landschapsonderzoek en advies
Mw drs ing L.M. Scholtens Hoogeveenseweg 21 9435 TC Bruntinge Tel. 0593 552805 In samenwerking met: Dhr ing. J.K. Veurink, Gemeente Emmen
Februari 2018
Inhoudsopgave 1. Inleiding
5
2. De aard- en bodemkundige ondergrond
7
3. De ontginningsgeschiedenis van het gebied
11
4. Ruimtelijke structuur Westerse Bos in historisch perspectief 21 Bebouwingstructuur 23 Wegenstructuur 25 Verkavelingstructuur 29 Groenstructuur 31 Conclusies en ruimtelijke voorwaarden 33 5. Ruimtelijke structuur Middendorp in historisch perspectief Bebouwingstructuur Wegenstructuur Verkavelingstructuur Groenstructuur Conclusies en ruimtelijke voorwaarden
35 37 39 43 45 47
6. Ruimtelijke structuur Oosterse Bos in historisch perspectief Bebouwingstructuur Wegenstructuur Verkavelingstructuur Groenstructuur Conclusies en ruimtelijke voorwaarden
49 51 55 57 59 61
6. Lijst met monumentale en waardevolle bomen en groensructuur
62
7. Literatuur
63
Topografische kaart 2005 Bron: Gemeente Emmen
1. Inleiding Het huidige landschap rondom de drie buurtschappen Westerse Bos, Middendorp en Oosterse Bos is het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling. Voor de vorming van het landschap van de buurtschappen en hun omgeving zijn vooral de laatste twee ijstijden, het Saalien en Weichelien, en de warmer wordende periode daarna, het Holoceen, van belang geweest. Daarnaast heeft de mens, afhankelijk van de wensen en beschikbare technische mogelijkheden in een bepaalde tijd, het landschap aangepast en veranderd. Iedere tijdsperiode heeft zo zijn eigen karakteristieken aan het landschap toegevoegd. Hierbij werd het voorgaande soms geheel maar vaak ook slechts gedeeltelijk uitgewist. Het resultaat is dat het huidige landschap een gelaagd landschap is met, naast elkaar, elementen en structuren uit verschillende tijdsperiodes. In cultuurhistorisch opzicht is het dus een rijk landschap. Het landschap rondom de buurtschappen is ook een dynamisch landschap. Wanneer de kaart van 2014 naast die van 1900 wordt gelegd, wordt duidelijk welke ingrijpende ontwikkelingen in een relatief korte periode hebben plaatsgevonden. Zo zijn delen van het hoogveen afgegraven en is Schoonebeek rondom het voormalige Kerkeinde sterk uitgebreid. Ook heeft de oliewinning tot op de dag van vandaag invloed op de inrichting van het landschap.
Dit betekent dat het gebied naast oude ook jonge landschappen kent en ook op dit moment is er nog steeds sprake van een grote mate van dynamiek.
Voordat het veen werd ontgonnen en daarna op bepaalde plaatsen werd afgegraven lagen de drie buurtschappen op de overgang van een groot veengebied, het Bourtanger veen, en het beekdal van het Schoonebekerdiep. Historisch geografisch wordt het gebied rondom Schoonebeek gerekend tot het veenlandschap. Hierbij wordt een onderscheid wordt gemaakt tussen het oudere agrarische veenontginningslandschap en het jongere vervenings- of turfwinningslandschap. Het oude veenontginningslandschap is ontstaan in de Middeleeuwen en had tot doel de ontginning van het veen ten behoeve van de landbouw. Het jongere verveningslandschap is rondom Schoonebeek vooral in de 20ste eeuw ontstaan en had turfwinning als doel. Hiervoor werd het veen soms gedeeltelijk soms geheel afgegraven. Schoonebeek kent ook een mengvorm van beide ontginningen; het oude agrarische veenlandschap dat later deels is vergraven voor de winning van turf. Dit betekent dat het landschap rondom Schoonebeek ook een grote variatie heeft. Doel van dit rapport is om, gegeven de gelaagdheid, dynamiek en variatie van het landschap, inzicht te geven in de karakteristieken die het landschap van de drie buurtschappen en hun omgeving hebben bepaald en nog steeds bepalen. In hoofdstuk twee zal dan ook de basis van het huidige landschap, de vorming van de aard- en bodemkundige ondergrond, worden besproken.
Op deze manier wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de natuurlijke
omstandigheden van het gebied. Oorspronkelijk was er namelijk een grote samenhang tussen de plaatselijke natuurlijke gesteldheid en het menselijk ingrijpen; de wijze van ontginnen, bodem gebruik, verkavelen, wonen, wegen aanleg etc. In hoofdstuk drie wordt vooral ingegaan op de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied zoals dat door de mens in samenhang met de plaatselijke omgevingsfactoren zoals bodem, reliëf, water, vegetatie etc. is ontstaan. Zo wordt de algemene cultuurhistorische context van het landschap in beeld gebracht. In de hoofdstukken vier t/m zes zullen voor Westerse Bos, Middendorp en Oosterse bos de ruimtelijke karakteristieken worden beschreven en in hun cultuurhistorische context worden geplaatst. Per buurtschap worden de bebouwing-, verkaveling-, wegen- en groenstructuur en de visuele samenhang tussen deze structuren apart beschreven en in de cultuurhistorische context geplaatst;. Op deze manier wordt inzicht verkregen in de huidige en historische opbouw van deze drie buurtschappen. Inzicht in de landschappelijke en dorpskarakteristieken biedt de gemeente en initiatiefnemers de mogelijkheid verantwoorde overwegingen te nemen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit rapport dient dan ook als beoordelingskader én inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Fasen in de ijsbedekking tijdens het Saalien en Weichselien Legenda
Schoonebeek en omgeving
Bron: Atlas van de Vecht
Afb. 1 Saalien; 190.000 BP
Afb. 2 Saalien; 180.000 BP
Afb. 3 Saalien; 150.000 BP
Afb. 4 Saalien; 140.000 BP
Afb. 5; kaart beneden: Weichselien; 30.000 BP
2. De aard- en bodemkundige ondergrond Voor de vorming van het landschap van Schoonebeek en omgeving zijn twee geologische periodes van belang, te weten het Pleistoceen, en dan vooral de laatste twee ijstijden het Saalien en Weichselien, en de periode daarna, het warmer wordende Holoceen. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (370.000 – 130.000 BP1 ), breidde het ijs vanuit Scandinavië zich in verschillende fases in zuidelijke richting uit tot over Noord-Nederland. In deze periode werd ten noorden van Schoonebeek de Hondsrug en de Hunzelaagte gevormd. Daarnaast had de uitbreiding van de ijskap ook grote gevolgen voor de loop van de rivieren in Nederland en Duitsland en daarmee ook het Schoonebekerdiep.2 Rivieren als de Rijn, Vecht, Weser, Lippe en Elbe, die voor die tijd naar het noorden en noordwesten hadden gestroomd, werden nu geblokkeerd door de ijsmassa’s. Hierdoor werden ze gedwongen om langs de ijsrand te lopen waardoor hun stroom richting het westen verschoof (zie afb.1). Er ontstonden kilometers brede maar ondiepe rivierdalen langs de ijsrand, ook wel ‘oerstroomdalen’ genoemd. Het huidige Schoonebekerdiep lag in die tijd aan de noordzijde van het oerstroomdal van de Vecht. Deze liep vanuit Duitsland richting het huidige Alkmaar en vandaar nog honderden kilometers door in het huidige Noordzeegebied.
Nadat het stroomdal van de Vecht was gevormd breidde de ijskap zich in een volgend stadium nog verder zuidwaarts uit en drukte het zand en grind voor zich uit waardoor stuwwallen werden gevormd. Een dergelijke stuwwal ontstond bij het huidige Nordhorn. Toen de ijskap zich nog verder zuidelijk uitbreidde werden de eerder gevormde stuwwallen overreden en daarmee afgevlakt (zie afb. 2). 1 BP = Before Present = voor 1950 2
Cultuurhistorische Atlas van de Vecht, pag. 22 – 25.
Ongeveer 150.000 geleden kwam de ijskap in Midden-Nederland tot stilstand en waren de stuwwallen van Nijmegen en de Veluwe gevormd (zie afb. 3). In tegenstelling tot Nederland breidde het ijs zich daarna in Duitsland nog verder uit om uiteindelijk pas tegen de hoge flanken van Sauerland en het Rijndal bij Düsseldorf tot stilstand te komen (zie afb. 4). Al met al werd het hele oerstroomdal van de Vecht en daarmee dus ook het Schoonebekersdiep bedekt met een dikke laag ijs. Echter, in de zomer liep het smeltwater vanaf het ijsoppervlak via spleten en gaten naar beneden waar het zich concentreerde in smeltwaterstromen, ook wel subglaciale rivieren genoemd. Een dergelijke subglaciale rivier volgde min of meer het oude oerstroomdal van de Vecht. Aan het eind van het Saalien, toen het warmer werd en het landijs ging smelten, ontstonden grote smeltwaterstromen van vele kilometers breed die zand en grind meevoerden. Het huidige Vechtdal was in die tijd dan ook vele malen breder en strekte zich veel verder noordwaarts uit, tot en met het huidige Schoonebekerdiep. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.000 BP) bereikte het landijs Nederland niet. In deze ijstijd werden koude perioden afgewisseld met minder koude perioden waardoor de oerstroomdalen uit het Saalien de ene keer weer werden uitgediept en de andere keer weer werden opgevuld met zand.
In de koudste periodes was in Nederland sprake van een poolwoestijnvlakte en in de ‘warmere’ periodes heerste hier een toendraklimaat. De Noordzee lag grotendeels droog. In de koude, droge periodes werd de waterstroom uit Duitsland zo klein dat de geulen en zandbanken
van het oerstroomdal van de Vecht droog kwamen te liggen. Tijdens het smeltseizoen concentreerde zich het smeltwater zich in een veel kleinere stroom. Zo ontstonden in het ooit veel bredere oerstroomdal van de Vecht kleinere laagten die uiteindelijk de dalen van de huidige Vecht, Regge, Schoonebekerdiep, Reest en Dinkel werden (zie afbeelding 5).3 Door de koude en droogte verstoof de wind veel zand waarbij vooral het fijnere zand over grote afstanden werd verplaatst. Hierdoor werd een dik pakket zwakgolvend (stuif)zand, ook wel dekzand genoemd, afgezet. Aan het eind van het Weichelien (en daarmee ook het Pleistoceen) was in het gebied rondom Schoonebeek dan ook sprake van een vrij open steppegebied met een zwak golvend terrein van dekzandkopjes en –ruggen en beekdalen zoals onder andere het beekdal van het Schoonebekerdiep. Vanaf het begin van het Holoceen (10.000 BP – thans), de warmer wordende periode waarin we ons nu nog bevinden, is de bovengenoemde Pleistocene ondergrond overdekt geraakt met jongere afzettingen. In de periode tussen 9000 en 5500 v. Chr. steeg onder invloed van het warmer wordende klimaat en daarmee smeltende ijskap de zeespiegel heel snel, met ongeveer 60 – 75 cm per eeuw. Hierdoor kwam rond 6500 v. Chr. het huidige Nederland aan zee te liggen 4. Door de stijgende zeespiegel steeg ook de grondwaterstand.
In lager gelegen gebieden werd dit proces versterkt door de aanvoer van kwelwater uit hogere delen van het land. Hierdoor ontstonden vooral langs de kust en de rivierdelta van de Rijn en Maas moerassen en vond veenvorming plaats. Naarmate de zeespiegel verder steeg breidden deze (veen)moerassen zich verder landinwaarts uit. Niet alleen langs de kust maar ook in hoog Nederland 3 4
Cultuurhistorisch Atlas van de Vecht, pag. 34 – 36. Atlas van Nederland in het Holoceen, pagina 42 - 44.
Bodemkaart Lichtbruin (code Hn): veldpodzolgronden Groen (code Zg): beekeerdgronden Rose (code W): moerige gronden = overgang hoog naar laag Bron bodemkaart: Stiboka
Dikke zwarte lijn: grens veenkoloniaal gebied
AHN-kaart; hoogteverschillen door verschillen in zowel aardkundige ondergrond als ontginningsgeschiedenis.
Paarsblauw (code Vc): Broekveen/Zeggeveen. Bron: Gemeente Emmen
kon zich lokaal veen ontwikkelen en dan met name in gebieden met een slechte afwatering of veel kwel. In het noorden van de tegenwoordige gemeente Emmen lag een dergelijk gebied (zie afb. 6). Afb. 6 Situatie rond 5500 v. Chr. bruin = veen donkergeel = stuwwallen grijs = beekdalen Bron: Atlas Holoceen
Deze veengroei was dus niet zozeer een direct gevolg van de zeespiegelstijging maar veel meer van een slechte afwatering. Hoewel in de periode 9000 – 5500 v. Chr. in grote delen van hoog Nederland dus nog geen sprake van (sterke) veengroei, veranderde het landschap wel en dan vooral de begroeiing. Van een open steppelandschap veranderde het via een landschap met dennenberkenbossen in een landschap met gemengde bossen waar veel lindes en eiken groeiden. In de lagere, nattere beekdalen zoals het Schoonebekerdiep en de veenbeekjes Barger- en Ellenbeek ontwikkelden zich broekbossen met wilg en els en laagveen (zeggeveen). In de periode tussen 5500 en 3850 v. Chr. steeg de zeespiegel verder, zij het aanzienlijk minder snel (zie afb. 7). Rond 3850 v. Chr. had de kustlijn, die door de zeespiegelstijging steeds meer landinwaarts was verschoven, zijn meest oostelijke ligging bereikt. 5 5
In deze periode zorgde de combinatie van de stijging van zeespiegel en daarmee grondwaterstand en de verslechtering van de lokale afwatering voor een toenemende veenvorming, ook in het gebied waar nu de gemeente Emmen ligt. Hierbij was sprake van een zichzelf versterkend proces; hoe meer veen er groeide, hoe slechter de afwatering werd en dat bevorderde weer de veengroei. Naarmate het veen dikker werd, kwam het boven het grondwater te liggen en werd het alleen nog gevoed door voedselarme regenwater. In deze voedselarme omgeving kreeg de groei van veenmosveen (=hoogveen) de overhand. Doordat veenmosveen regenwater kan vasthouden, kan het onafhankelijk van het grondwaterpeil groeien. Met een groeisnelheid tussen de tien tot twintig centimeter per eeuw en een watergehalte van 80% tot 90% ontstond ten noorden van het Schoonebekerdiep in de loop der tijd een metersdik vrijwel onbegaanbaar veengebied, het Boertangerveen. Aan de rand van dit veengebied, bij het Schoonebekerdiep waar de afwatering beter was, lagen broekbossen en laagveen. Rond 3850 v. Chr. was het gebied ten noorden Af. 7 Situatie rond 3850 v. Chr. bruin = veen donkergeel = stuwwallen
Bron: Atlas Holoceen
van Schoonbeek dan ook bedekt met een laag hoogveen. Ook in de eeuwen daarna zette de veengroei door en vormden zich in de loop der eeuwen metershoge veenkoepels met een doorsnede van enkele kilometers. Daar waar deze koepels, ook wel veenkussens genoemd, elkaar raakten, ontstonden afwateringsbeekjes op het veen. De Barger- en Ellenbeek die afwaterden op het Schoonebekerdiep waren dergelijke beekjes op het veen. De hoogvenen hebben zich tot in de (vroege) Middeleeuwen uitgebreid waarbij de (toppen van de) veenkussens plaatselijk een dikte van tien meter bereikten. Daarna is de omvang van het veen in Nederland teruggelopen door vooral menselijke activiteiten zoals afwatering, agrarische veenontginningen en turfwinning. Al met al is het natuurlijke hoogveenlandschap in Nederland vrijwel geheel verdwenen. Ten oosten van Schoonebeek ligt nog een restant, het natuurgebied Bargerveen, van het oorspronkelijk hele grote hoogveengebied, het Bourtanger veen. Het veen rondom de drie buurtschappen is vanaf de Middeleeuwen voor agrarische doeleinden ontgonnen en in een later stadium soms niet, soms gedeeltelijk en soms geheel afgegraven.
Dit betekent dat er her en der nog veenlagen aanwezig zijn die in hoogte verschillen door inklinking, vertering door veenbranden, het al dan niet opbrengen van mest en het afsteken van turf(strooisel) voor eigen gebruik (zie bodemkaart en AHN-kaart op de pagina hiernaast). Dit in combinatie met bos(stroken) en bomenrijen of singels zorgt voor een uniek kleinschalig landschap met her en der (micro)reliëf als gevolg van de verschillen in zowel de ondergrond als de ontginningsgeschiedenis.
Atlas van Nederland in het Holoceen, pagina 46 - 49
Geomorfologische kaart: Geel = code 3K14 of 3L5 = Dekzandruggen Licht groen = code 2M14 = Dekzandvlakte vervlakt door veen of overstromingsmateriaal Donkergroen = 1R4 = Beekdalbodem met veen
Bron: Alterra
Fragment Pijnacker kaart. Bron: Atlas Maior. 10
Hottingeratlas 1773 - 1794
3. De ontginningsgeschiedenis van het gebied De eerste kolonisten Uit archeologische vondsten is gebleken dat met name in het mesolithicum (9000 – 4900 v. Chr.) jagers en vissers in het gebied hebben rondgetrokken.1 Ook is in 1894 tijdens het turfsteken een opslagplaats met zes bronzen voorwerpen uit de late Bronstijd (ca. 800 v. Chr.) gevonden. Echter, zowel in het Mesolithicum als de Bronstijd was geen sprake van permanente bewoning. Onderzoek heeft uitgewezen dat de eerste permanente bewoning dateert uit de Middeleeuwen. Wanneer de eerste bewoners zich precies in het gebied vestigden en waar zij vandaan kwamen is echter niet bekend. Volgens Minderhoud werd Schoonebeek voor het eerst in een oorkonde van 26 mei 1341 vermeld.2 Borger beaamt deze eerste officiële vermelding, maar geeft tevens aan dat al rond het jaar 1150 ene Godfried van Schoonebeek en zijn broer Hendrik in het Westfälisches Urkundenbuch als domheren in Munster werden genoemd.3 Omdat er weinig schriftelijk materiaal is wordt in de literatuur meestal de oorsprong van Schoonebeek in termen van “vanaf de 11e eeuw” beschreven. Ook over het antwoord op de vraag waar de eerste bewoners vandaan kwamen en of Schoonebeek vanaf het begin van de occupatie op dezelfde locatie is blijven liggen verschillen tot op de dag van vandaag de meningen.
Minderhoud veronderstelt op basis van een oorkonde uit 1276 en een uitspraak uit 1315 over een beweidinggeschil dat de oorspronkelijke bewoners zeker geen Drenten van de zandgronden zijn geweest maar mogelijk, dus niet met zekerheid te zeggen, Saxo-Friezen.4 Duidelijk is volgens hem wel dat vanaf de 14e eeuw een grote groep kolonisten uit het Bentheimse land in Schoonebeek neerstreek. Hij baseert zijn mening op het boerderijtype in Schoonebeek (Hallehuis
vakwerkbouw) en op de familienamen die beide op Bentheimse kolonisten wijzen.5 Andere auteurs gaan er daarentegen vanuit dat de eerste bewoners van Schoonebeek juist wel uit bestaande Drentse esdorpen kwamen als gevolg van de toenemende bevolkingsdruk aldaar.6 Volgens Elerie lijkt het grondgebruik en bedrijfsvoering van Schoonebeek namelijk op die van de esdorpen. Latere studies sluiten zich aan bij één van beide meningen. De conclusie is dat aangenomen mag worden vanaf de 11e eeuw het gebied permanent is bewoond, waarbij onduidelijk is waar de eerste bewoners precies vandaan kwamen.
Archeologisch Bureauonderzoek Emmen, pagina 30. 2 Minderhoud, 1980, pagina 40.
3
1
broekbossen lagen met onder andere wilg en els en zegges (grassen) als ondergroei (zie foto broekbos). Ten noorden van het Schoonebekerdiep lag het grote hoogveenmoeras, het Boertangerveen. In deze voedselarme, natte omgeving groeiden vrijwel geen bomen en was dus sprake van een open boomloos landschap (zie foto hoogveen). Het oppervlaktewater van dit hoogveenmoeras werd via een fijnmazig netwerk van slenken afgevoerd richting de veenbeekjes Zwarte beek, Bargerbeek en Ellenbeek die vervolgens weer afwaterden op het Schoonebekerdiep aan de rand van het veen.