CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan 'Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen' (toelichting, regels en bijlagen)

Commissie Wonen en Ruimte 9 september 2024, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan Emmen, Schoonebeek, oude nederzettingen31.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De agrarische randveenontginningen in historisch perspectief. De eerste kolonisten die zich permanent in het gebied vestigden troffen een nat en vrij onherbergzaam landschap aan. Hoewel een exact beeld van de oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid ontbreekt, mag er van worden uitgegaan dat in het beekdal van het Schoonebekerdiep vrij ondoordringbare

Impressie hoogveenlandschap (bij Fochteloo)

Impressie broekbos Bron: T. Spek Borger, 1984, pagina 385. 4 Minderhoud, 1980, pagina 40.

Uit onderzoek is gebleken dat de eerste kolonisten van hoogveengebieden zich vestigden op de overgang tussen het beekdal en het hoogveen.7 Loodrecht op de beek werden sloten gegraven waarbij rekening werd gehouden met het hoogste punt op het veen en de stroomrichting van de beek. Op deze manier maakte men gebruik van de natuurlijke afhelling van het veen. Hoogveen is immers koepelvormig en het water stroomde zo vanzelf van de veenkoepel af richting beek. Minderhoud, 1980, pagina 52. Elerie, 1982, pagina 23. 7 Zie Elerie, 1982, het veengebied tot 1850. 5 6

11

Groepjes boerderijen en stroken percelen in handen van familieleden: Hier de eigendomstructuur van Westeinde als voorbeeld. Bron: Elerie; Veengebied tot 1850.

Het landgebruik binnen de strokenverkaveling en recht van opstrek: Hier Westeinde als voorbeeld. Bron: Elerie; Veengebied tot 1850.

12

Uit de geomorfologische en de bodemkaart blijkt dat men zich bij Schoonebeek vestigde op de aanwezige dekzandruggen en –koppen in het overgangsgebied van beek naar veen (zie kaart op pag. 10 en 8). Onduidelijk is waarom men bepaalde dekzandruggen wel en andere niet heeft gekozen als eerste vestigingsplaats. De eerste kaarten van het gebied dateren uit de eerste helft van de 17e eeuw. Op de Pijnacker kaart uit 1638 en de kaart van Overijssel van Ten have uit 1649 wordt Schoonebeek vermeld. (zie Pijnacker kaart op pag. 10). Echter, beide kaarten geven alleen zeer algemene topografische informatie en gegevens over bijvoorbeeld de bebouwing- of verkavelingstructuur ontbreken. Pas vanaf de 17e eeuw geven grondschattingen en later ook de kadastrale en topografische kaarten een goed beeld van dergelijke structuren en daarmee de ontginningsgeschiedenis van het gebied. Zo laat de kaart uit de Hottingeratlas uit 1773 – 1794 buurtschapjes in een min of meer verspringende structuur zien. Op verschillende afstanden van het Schoonebekerdiep waren zo verschillende buurtschapjes te onderscheiden zoals Westeinde, met een vrij duidelijke lineaire structuur, Kerkeinde (huidige dorp Schoonebeek), Middendorp en Oosteinde (nu Oosterse Bos). Tussen Westeinde, nu Westerse Bos geheten, en de andere drie buurtschappen lag de Bargerbeek (zie kaart op pag. 10).

De ontginningsstructuur van de drie buurtschappen heeft bepaalde karakteristieken die enigszins doen denken aan die van een esdorp en andere die juist passen bij een (rand)veenontginning. Zo leek de oorspronkelijke bebouwingstructuur grofweg op die van een esdorp. De boerderijen lagen als kleine onregelmatige clustertjes met enkele erven bijeen.8 Deze clusters bestonden uit familie8

Elerie, 1982, pagina 72.

groepen die waarschijnlijk het resultaat waren van vroegere erfsplitsingen (zie tekening op pag. 12). Een dergelijke structuur leek meer op die van een esdorp dan die van een (rand)veenontginning waarbij de boerderijen naast elkaar langs de ontginningsas (weg of beek) lagen. Het verkavelingspatroon direct rondom de boerderijen was vrij onregelmatig en blokvormig en kwam min of meer overeen met die van een esdorp. Daarentegen leek de verkavelingstructuur wat verder van de boerderij juist helemaal niet op die van een esdorp en is dan ook conform de ‘normale’ patronen van een oude agrarische veenontginning. Zeer karakteristiek voor agrarische (rand)veenontginningen zoals die van de buurtschappen is de langgerekte strokenverkaveling. Hierbij lagen de boerderijen op hoevestroken die zich noordelijk uitstrekten richting het hoogveen en zuidelijk richting Schoonebekerdiep. Het recht van opstrek, het recht van de eigenaar om de onontgonnen gronden te ontginnen zolang deze in het verlengde liggen van de grenssloten van zijn in cultuur gebrachte gronden vormden zo de parallelle stroken. Deze parallelle stroken werden ‘opstrekk’nde ploats’n’ genoemd. Binnen de stroken was sprake van verschillende soorten agrarisch landgebruik welke in principe vergelijkbaar was met die van de Drentse esdorpen. Langs het Schoonebekerdiep lagen op de laagste gedeelten de hooilanden, herkenbaar

aan de veldnamen met het woord ‘maden’. Daarop aansluitend lagen op de iets hogere gronden de weilanden, de koelanden, waarop het droog genoeg was om het vee in de zomer te laten grazen. Vervolgens de boerderij met daaromheen een ruim erf en tuinakkers, goorns genoemd, en weidekampjes. Verder noordwaarts strekten zich de akkers, bouwlanden, uit op het veen (zie tekening op pag. 12). Doel van vroege randveenontginningen zoals die van Schoonebeek was dus het agrarisch gebruik van het veen en niet zoals bij de verveningen uit de negentiende en twintigste eeuw, het afgraven van het veen voor de commerciële turfwinning. Bij randveenontginningen werd alleen turf gestoken voor particulier gebruik. Hoewel de bovengeschetste gemengde bedrijfsvoering doet denken aan die van het esdorpenlandschap, waren er ook verschillen ten aanzien bedrijfsvoering, zowel wat betreft de akkerbouw als de veeteelt. Veenontginningen als Schoonebeek hadden niet de beschikking over hoger gelegen zandgronden, de esgronden, waarop akkers konden worden aangelegd. De akkers, bouwlanden, lagen in Schoonebeek niet op het zand maar op de hoger gelegen veengronden (zie tekening hieronder). Deze werden eerst ontwaterd door middel van greppels en vervolgens ontgonnen als bouwland. Hiervoor werden de akkers voortdurend

Verschil natuurlijke situatie en ontginning. Bron: T. Spek

13

Veldnamen bij Schoonebekerdiep op de chromotopografische kaart van ca. 1910

Westeindsche stukken 14

Kerke stukken

Middendorpsche stukken

Oosteindsche stukken

Westeindsche boeën

Oosteindsche boeën

zwaar bemest. Karakteristiek voor deze agrarische veenontginningen is dat de afwatering leidde tot een aanhoudende inklinking en oxidatie van het veen. Hierdoor daalde het maaiveld voortdurend, werd het veen weer natter en degenereerden de veenakkers. Op deze manier werd men gedwongen deze akkers op te geven en nieuwe aan te leggen, binnen de opstrek, verder op het veen. Zo konden oude bouwlandakkers bij de boerderijen verworden tot weiof hooiland. Dergelijke gedegenereerde akkers zijn in de buurtschappen herkenbaar aan de veldnaam ‘rusken’. Dit betekent natte, inferieure weidevegetatie

activiteiten op het veen. Hoewel op beperkte schaal al in de zeventiende eeuw veenboekweit werd verbouwd binnen de opstrek, kreeg de boekweitteelt onder invloed van hogere graanprijzen vooral vanaf 1750 een hoge vlucht. Op het veen, ook buiten de opstrek, werd op grote schaal de boekweitteelt toegepast; greppels werden aangelegd en grote delen van het veen regelmatig afgebrand om zo de bovengrond vruchtbaarder te maken. In Schoonebeek en omgeving vond deze expansie vooral plaats ten oosten van de Ellenbeek, het gebied waar nu Nieuw-Schoonebeek ligt. De Hottingerkaart (1773 – 1794) geeft de strokenverkaveling van greppels goed weer. Deze gronden werden in die tijd

werd de uiteindelijke grens tussen de toenmalige gemeentes Dalen en Emmen door middel van een Koninklijk Besluit pas op 17 mei 1847 vastgelegd. Na het besluit ontstond een ‘punt’ in de grens. Daarvoor liep de grens min of meer rechtdoor richting de Duitse grens (zie kaart hieronder).

Gemeente Emmen 1867: rechte grens met gemeente Dalen. Bron: Gemeente Atlas Drenthe

Hottingeratlas 1773 - 1794: Strokenverkaveling op het veen bij Nieuw-Schoonebeek. Veldnamen Westeinde. Bron: Elerie, Veengebied tot 1850 (zie tekening hieronder). Naast het regelmatig verplaatsen van de veenakkers is ook de opkomst van de veenboekweitteelt van belang geweest voor de expansie van agrarische

door de Schoonebeker boeren vooral verpacht aan Duitse kolonisten (zie Hottingeratlas hieronder). De veenboekweitexpansie met de voortdurende aanleg nieuwe akkers leidde tot veel grensconflicten tussen de Schoonebeker boeren en de boeren van Noord- en Zuidbarge. Na jaren van procederen

Ook ten aanzien van de veeteelt verschilde de bedrijfsvoering tussen de zandboeren en de veenboeren van Schoonebeek en omgeving. Dit betrof zowel de rundveehouderij als schapenhouderij. Omdat het oppervlakte akkerbouwland van de Schoonebeker veenboeren naar Drentse maatstaven relatief beperkt van omvang was, legden zij zich meer toe op veeteelt en dan met name de opfok van slachtossen. De toenemende vraag naar vlees uit de sterk groeiende steden van Europa was hier de reden voor. De runderen werden een deel van het jaar geweid op de gemeenschappelijke gronden ten oosten van de Ellenbeek, dus niet in het gebied rondom de buurtschappen waar het recht van opstrek gold. Of alle vier de buurtschappen ieder een eigen gemeenschappelijk weidegebied had is niet bekend.

15

Schoonebeek en omgeving; paars = gebied, geprojecteerd op de kaart van 2005, dat is verveend door middel van wijken.

Bron topograische kaart: Gemeente Emmen

16

Opmerkelijk is dat de topografisch kaarten alleen de namen ‘Westeindsche booën’ en ‘Oosteindsche booën’ vermelden en niet ‘Middendorpse of Kerkeinsche booën’ (zie kaart op pagina 14). In deze weidegebieden lagen de veeschuren (booën) waarin in de zomer de ossen ’s avonds door de booheren (veehoeders) werden gestald. Omdat het gezamenlijke weidegebieden betrof was daar geen recht van opstrek en was de verkavelingstructuur van deze weidegronden dan ook niet strookvormig. De oudste gegevens over de booën staan in de grondschattingen uit 1650 terwijl de oudste kartering dateert uit 1729.9 In 1752 kende de gemeenschappelijke marke van Schoonebeek 31 booën, terwijl aan de zuidzijde van het Schoonebekerdiep in het Bentheimse er 13 lagen. Hoewel de opfok van ossen door middel van booën ook elders in Drenthe en in Duitsland plaatsvond, is Schoonebeek in die zin uniek dat hier deze specialisatie lang, tot in de negentiende eeuw, heeft stand gehouden. De rundveehouderij door middel van booën was in de zeventiende eeuw nog relatief extensief. De booën kenden nog geen hooilanden en bijgebouwen voor de opslag van hooi. Voor wintervoeding was men nog volledig afhankelijk van de hooivoorraad van het moederbedrijf in Schoonebeek zelf. Omgekeerd was het moederbedrijf weer afhankelijk van de mest van runderen omdat in die tijd de schapenhouderij in Schoonebeek maar zeer beperkt was.

Na 1700 vond er een intensivering en verdere specialisatie van de rundveehouderij plaats. Dit werd mogelijk omdat de hooiproductie rondom de booën toenam nadat aparte hooilandjes (maochies) waren aangelegd en aparte opslagschuren opgericht. Hierdoor werd men minder afhankelijk van het stalvoer van het moederbedrijf en kon het vee langer rondom de booën verblijven. Doel was een verdere specialisatie. Weg van de opfok van magere ossen richting de 9

Elerie, 1982, pagina 67.

opfok van de veel duurdere stalossen. Deze laatste werden in de winter gestald en konden al in het vroege voorjaar op de markt worden verhandeld om daarna bij de consumptiecentra te worden vetgemest. Al in hetzelfde seizoen, in oktober, konden ze worden geslacht. De vetmestperiode was dus veel korter en dat betekende een aanzienlijke lagere kosten voor de vetweiderij in de buurt van de steden (consumptiecentra). De opfokgebieden zoals Schoonebeek namen nu de laatste, in verband met het gebrek aan veevoer lastige, laatste winterstalling voor hun rekening. Schoonebeek kon hierbij profiteren van het feit dat Denemarken, vanouds de leverancier van stalossen, als exporteur wegviel nadat eind zeventiende eeuw de handelspolitiek van de Republiek werd gewijzigd en de import van ossen zwaar werd belast. Dit betekende dat de jaarlijkse import van duizenden ossen vanuit Denemarken stil kwam te liggen en gebieden als Schoonebeek daarvan profiteerden. In tegenstelling tot de armere beekdalgronden van de zandgronden waren de weidegronden rond het Schoonbekerdiep relatief vruchtbaar en breed. Zo konden de boeren van Schoonebeek zich meer richtten op de opfok. De rundveehouderij bij het Schoonebekerdiep en dan met name in die gebieden waar men het vee gezamenlijk weidde, leidde ook tot grensconflicten met de Münsterse boeren.

Uiteindelijk werd er een conventie op 11 oktober 1784 gesloten waarin de grens tussen Groningen en Drenthe en het Munsterse gebied werd geregeld. Hierdoor kwamen een aantal Schoonebeker booën op Duits grondgebied te liggen. Naast de vetweiderij verschilde ook de schapenhouderij met die van de zandgronden elders in Drenthe. De boeren op de zandgronden richtten zich meer op de graanverbouw waarbij voor de mestproductie vooral schapen werden

gehouden op de gemeenschappelijke heidevelden. In tegenstelling tot de zandgronden was schapenhouderij bij Schoonebeek en omgeving geen zaak van gemeenschappelijk geweide kudden. De schaapskuddes werden op het veen ten noorden van de akkers gehoed. Daarnaast was de schapenhouderij bij Schoonebeek in vergelijking met de zandgronden ook beperkter. Pas in de negentiende eeuw groeide de schapenhouderij bij Schoonebeek en omgeving en kreeg het een wat duidelijker plaats in de bedrijfsvoering. Omstreeks 1850 bestond de gemiddelde bedrijfskudde in Schoonebeek uit ongeveer zestig tot honderd schapen.10 In de negentiende eeuw traden wederom een aantal belangrijke veranderingen op. Dankzij stijgende graan- en pachtprijzen gingen meer en meer Schoonbeker boeren over tot de verkoop van de veengronden ten oosten van de Ellenbeek. Deze werden verkocht aan Duitse kolonisten uit met name Münsterland. Rond 1805 vestigden zich dan ook de eerste Duitse bewoners. Zij richtten zich vooral op de veenboekweitteelt op het veen. Mede onder invloed van de verkoop van de veengronden, maar ook door de opkomst van de boekweitverbouw en modernisering van de landbouw verdween gaandeweg de booënexploitatie bij het Schoonebekerdiep. Begin negentiende eeuw werd Nieuw-Schoonebeek gesticht en deze gemeenschap bestond oorspronkelijk dan ook vooral uit Duitse bewoners.

Nieuw-Schoonebeek maakte, evenals OudSchoonebeek, in die tijd deel uit van de gemeente Dalen. In 1884 scheidde beiden zich af van deze gemeente en werd een eigen gemeente, gemeente Schoonebeek, gesticht. Ruim honderd jaar bleef Schoonebeek een aparte gemeente om in 1998 op te gaan in de gemeente Emmen. 10

Elerie, 1982, pagina 71. 17

1955; topografische kaart: verharde paden richting jaknikkers. Merendeel is aangelegd op historische paden of strokenverkaveling 18

Bron: Gemeente Emmen

Verveningen Vanaf 1850 kwamen de verveningen ten noorden van Schoonebeek in de toenmalige gemeente Emmen op gang. In 1860 – 1866 kwamen het Dommerskanaal en de Zuidersloot gereed ter ontsluiting van de venen op het grondgebied van de gemeente Emmen. De Zuidersloot vormde gedeeltelijk de grens tussen de gemeente Emmen en het grondgebied van Schoonebeek (toen nog gemeente Dalen). In 1884 kwam het Stieltjeskanaal gereed. In tegenstelling tot de gemeente Emmen, waar het veen systematisch en grootschalig is afgegraven, zijn de verveningen bij Schoonebeek altijd relatief beperkt geweest. Zo werkten er rond 1900 gemiddeld slechts vijftig personen in de vervening.11 Hoewel in 1919 door de boeren van OudSchoonebeek het veenschap ‘Het OudSchoonebeekerveen’ werd opgericht, werd er vooral voor eigen particuliere doeleinden huisbrandturf gestoken. In de jaren daarna werd Kanaal A vanuit het Stieltjeskanaal aangelegd en werd de turfstrooiselfabriek van de vervener A. Veldkamp, de N.V. Oud-Schoonebeker Turfstrooiselfabriek (later: N.V. Turfstrooiselfabriek en Veenderij A. Veldkamp) opgericht. Echter, slecht een relatief klein gedeelte van het Oud Schoonebekerveld en NieuwSchoonebekerveld is systematisch verveend door middel van wijken (zie kaart op pag. 16).

Al met al is de conclusie gerechtvaardigd dat de verveningen in Schoonebeek in vergelijking met Emmen een geringe economische rol hebben gespeeld. Echter, de invloed op het landschap is tot op de dag van vandaag nog herkenbaar. Omdat

11

De Jong, 1982 pagina 258.

sommige delen niet, andere gedeeltelijk en weer andere wel zijn verveend, kent het gebied namelijk veel verschillen in reliëf. Ook zorgt de combinatie van de oude smalle strookverkaveling met aanpalend gebieden met brede veenkoloniale wijken (brede sloten) voor een afwisselend landschap waarin de verschillende stadia van de veengeschiedenis wordt weerspiegeld. Aardoliewinning Naast de veenontginningen heeft ook de aardoliewinning zijn sporen nagelaten in het landschap. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1943, werd door de toenmalige Bataafse Petroleum Maatschappij een olieveld ontdekt van zestien bij vijf kilometer met een totale hoeveelheid van 170 miljoen kubieke meter olie.12 Tijdens de oorlog werd er weinig olie geproduceerd. Nadat in 1947 de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) werd opgericht kwam de oliewinning goed op gang. De oliewinning zorgde enerzijds voor veel werkgelegenheid. In de jaren tachtig van de vorige eeuw verzorgde de olie-industrie plus toeleveranciers samen ruim veertig procent van de Schoonebeker werkgelegenheid. De oliewinning had ook zijn effect op het landschap: ja-knikkers werden opgericht en er werd maar liefst 130 kilometer aan wegen aangelegd om de installaties te bereiken. De wegen volgden vooral de reeds bestaande verkavelingstructuur (zie kaart op pag.

18) waardoor de opstrekkende verkavelde percelen wel beter bereikbaar werden omdat de boeren de wegen vrij mochten gebruiken. De oliewinning had ook een ander neveneffect. Omdat de boeren huurinkomsten kregen van

12

de productielocaties op hun land is er altijd weinig belangstelling geweest om over te gaan tot ruilverkaveling. Hierdoor is veel van de oude verkavelingstructuur tot op de dag van vandaag nog herkenbaar. Dit betekent ook dat de agrarische sector langer kleinschalig is gebleven. Nadat de oliewinning in verband met de economisch onrendabele situatie in 1996 was stopgezet, is de winning dankzij de hoge olieprijs in 2011 weer opgestart. De winning vindt nu niet meer plaats door middel van ja-knikkers maar door stoominjectie. Deze installaties, te samen met de kilometers lange bovengrondse pijpleidingen, bepalen tegenwoordig mede het landschappelijke beeld. Dit is vooral het geval bij Westerse Bos waar de installaties en pijpleidingen in de directe omgeving van het buurtschap liggen. Conclusie Nadat de eerste kolonisten zich hadden gevestigd op de overgang tussen het beekdal van het Schoonebekerdiep en het grote hoogveengebied, het Bourtangerveen, is gebied rondom de buurtschappen ontgonnen door middel van het recht van opstrek. Dit heeft geleid tot de, voor een agrarische veenontginning zo karakteristieke, strokenverkaveling. Hoewel de bedrijfsvoering door de eeuwen heen regelmatig is veranderd is de strokenverkaveling tot op de dag van vandaag nog steeds herkenbaar.

Datzelfde geldt, soms in meer en soms in mindere mate, voor de bebouwing-, padenen groenstructuur rondom de buurtschappen. Omdat er per buurtschap verschillen zijn, zal in de volgende hoofdstukken dan ook specifiek de ruimtelijke structuur van de drie buurtschappen worden geanalyseerd.

De Jong, 1982, pagina 267. 19

Westerse Bos en omgeving

1773 - 1794 20

2005

Ruimtelijke structuur Westerse Bos in historisch perspectief 21

Bebouwingstructuur 1832

Bebouwingstructuur 1910

Stippellijn = grens plangebied bestemmingsplan

Bebouwingstructuur 2017 22

Bebouwing 2017: rode gebouwen = rijksmonumenten

4 De ruimtelijke structuur van Westerse Bos In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke structuur van Westerse Bos geanalyseerd. De ruimtelijke karakteristieken worden eerst apart beschreven en in hun cultuurhistorische context geplaatst. Op deze manier wordt inzicht gegeven in de verschillende aspecten van de historische ontwikkeling van de huidige ruimtelijke structuur. Vervolgens wordt totaalbeeld gegeven waarbij de samenhang tussen de verschillende karakteristieken wordt geschetst en conclusie worden getrokken ten aanzien van het huidige ruimtelijk beeld. Uiteindelijk worden een aantal ruimtelijke voorwaarden geformuleerd. De volgende ruimtelijke karakteristieken komen achtereenvolgens aan bod: * Beschermd dorpsgezicht * Bebouwingstructuur * Wegenstructuur * Verkavelingstructuur * Groenstructuur * Conclusies en ruimtelijke voorwaarden Beschermd dorpsgezicht Westerse en Oosterse Bos Zowel Westerse Bos als Oosterse Bos is sinds 1969 een beschermd dorpsgezicht. De toelichting bij het besluit van beide buurschappen is gelijk met uitzondering van de hieronder cursief geschreven tekst. De toelichting is als volgt geformuleerd: “OudSchoonebeek is één van de streekdorpen, die op de drentse veengronden in de zuid-oosthoek van de provincie tot ontwikkeling zijn gekomen.

De structuur van dit type nederzetting wijkt sterk af van de aanleg van de plaatsen, welke op de diluviale gronden zijn ontstaan, z.g. brinkdorpen. Het karakter van vele van de langgerekte streekdorpen is door alllerlei wijzigingen en vernieuwingen sterk veranderd, het dorpsbeeld heeft daarbij veel aan aantrekkelijheid ingeboet. Een gunstige uitzondering op deze ontwikkeling vormt Oud-Schoonebeek, waarvan een tweetal delen, de buurschappen ‘Oosterse Bos’en ‘Westerse Bos’ in oorspronkelijke staat bewaard is

gebleven. De hier aanwezige boerderijen behoren tot de mooiste die in dit gewest worden aangetroffen. De buurschap Westerse Bos, gelegen ten noorden van de Nieuw Amsterdamseweg, bestaat uit een aantal aan de Linthorst Homanlaan (opm.: straatnaam anno 2018: Westersebos) liggende boerderijen, waarvan vooral de nrs 5, 8-10, 12-14, 11-13, 17, 21, 23, 26-28 en 30 van bijzonder goede kwaliteit zijn. Vele van de onder deze nummers ressorterende opstallen zijn nog voorzien van met riet beklede topgevels en bestaan nog ten dele uit vakwerkbouw. De wijze waarop de hoeven aan beide zijden van de weg gesitueerd zijn, op zich ver landinwaarts uitstrekkende paralelle kavels, verleent aan de buurschap een voor het Drentse streekdorp typerend karakter. Voor het behoud van het aspect zijn de mede binnen de omgrenzing getrokken akkers onontbeerlijk”. Bebouwingstructuur De Hottingeratlas uit 1773 – 1794 laat zien dat Westerse Bos uit enkele naast elkaar liggende, clusters bebouwing bestond (zie pag. 24). In vergelijking met Middendorp en Oosterse Bos leek de bebouwing van Westerse Bos in die tijd het meest op de lineaire bebouwingstructuur die zo karakteristiek is voor historische agrarische veenontginningen. Echter bij een gebruikelijke lineaire structuur is de hoofdweg (of de beek) de ontginningsas waarlangs bebouwing staat op min of meer dezelfde rooilijn en met dezelfde nokrichting.

De Hottinger-atlas uit 1773 – 1794 geeft bij Westerse Bos daarentegen geen doorgaande weg direct langs de bebouwing weer. De kadastrale kaarten van 1832 zijn de eerste kaarten in Nederland waarbij de bebouwing en percelen op schaal zijn weergegeven. In 1832 bestond de bebouwing van Westerse Bos uit twee grote groepen boerderijen met daartussen een alleenstaande boerderij met schuur (zie pag. 22). Het oostelijke cluster zou ook als een verspringende

rij boerderijen kunnen worden omschreven. Echter, hoewel de boerderijen in het oostelijke deel meer op één lijn lijken te liggen, is niet echt sprake van één rooilijn. Bovendien hadden de boerderijen verschillende nokrichtingen. Van een ‘normale’ lineaire structuur was dus geen sprake. De bebouwingstructuur van het westelijke cluster doet denken aan die van een klein esdorp. Er is namelijk sprake van een losse structuur met één of enkele hoofdgebouwen (boerderijen) met meerdere bijgebouwen. Binnen en tussen de clusters zijn grote en kleine open ruimten en doorzichten. Zoals uit de analyse van hoofdstuk drie is gebleken, werden de boerderijen in deze clusters bewoond door groepjes familieleden. Voor geheel Westerse Bos gold dat er sprake was van grote variatie van de positionering van de gebouwen ten opzichte van elkaar en daarmee ook van nokrichtingen. In 1832 was er nog steeds geen bebouwing langs de Europaweg. Rond 1910 was de bebouwingstructuur in Westerse Bos zelf relatief weinig veranderd. Het westelijke deel was enigszins verdicht door de toename van het aantal schuren en boerderijen. Daarnaast waren er enkele boerderijen met schuren buiten de reeds bestaande clusters bijgekomen en op andere plaatsen boerderijen of schuren verdwenen (zie pag. 22). Echter, als geheel was de bebouwingstructuur van het buurtschap weinig veranderd.

Ook de korrel (omvang) van de gebouwen was vrijwel hetzelfde gebleven. Gegeven deze omvang bestond het merendeel van de bebouwing uit boerderijen met, in omvang verschillende, schuren. In 1910 was vooral de bebouwing buiten het buurtschap, namelijk langs de Europaweg, toegenomen. Ook in de periode 1910 – 1975 veranderde de hoofdstructuur van het buurtschap vrijwel niet. Zoals gebruikelijk in een agrarische omgeving werden er 23

Kadastrale kaart 1832

1773 - 1794 (kaart niet noord -zuid gericht)

pad als kadastraal perceel paden

24

Chromotopografische kaart 1910

Padenstructuur 1910; paden vanuit bebouwing

Paden- en wegenstructuur 2017

natuurlijk wel schuren of boerderijen veranderd of afgebroken en herbouwd. Na 1975 is er een aantal gebouwen, vooral schuren, toegenomen waarbij zowel de korrel als ligging van deze nieuwbouw afwijkt van de historische bebouwingstructuur. De omvang van deze schuren is namelijk niet alleen groter, zij zijn ook recht op de kavel geplaatst. Bovendien is een deel van deze schuren buiten de bestaande bebouwing geplaatst waardoor ze ook vrij prominent in het zicht staan. Vooral de omvangrijke schuren aan de zuidkant van Westerse Bos hebben geleid tot een verdichting van de voormalige open ruimte tussen het buurtschap en de Europaweg. Deze verdichting is verder versterkt door de recente nieuwbouw van oliewinningsinstallaties. Wat betreft de architectuur en het materiaalgebruik kan worden geconcludeerd dat de agrarische oorsprong nog steeds in de huidige bebouwing wordt weerspiegelt door de relatief grote omvang van het hoofdgebouw en een veelheid aan, in omvang en functie verschillende, bijgebouwen. Ook het materiaalgebruik weerspiegeld op veel plaatsen nog het historische karakter. Oorspronkelijk gebruikte men voor de bouw van de boerderijen en bijgebouwen materialen die voorhanden waren. De grote rieten kap, de topgevels van riet, hout of zelfs heideplaggen zijn hier voorbeelden van.

Evenals de versieringen van stro aan de zijgevels van schuren en schaapskooien en het gebruik van Bentheimer kalksteen. Bij de oudste boerderijen is het gebruik van vakwerk nog aanwezig. Van latere datum is het gebruik van dakpannen en baksteen. Van alle boerderijen is het merendeel tegenwoordig in gebruik als woonhuis. Bijzonder in Westerse Bos is de aanwezigheid van een oude hoge (voorraad)schuur bij de groep boerderijen in het westelijke deel van het buurtschap. Hier staat ook nog een restant van een aardappelopslagschuurtje. Het oudste type boerderij

van Drenthe, het hallenhuis, is ook te vinden in Westerse Bos. Het basiskenmerk van het hallenhuis is de vrijstaande gebintconstructie waarop het dak rust. Het woonhuis en het agrarische gedeelte, de deel, bevonden zich onder één dak waarbij er oorspronkelijk geen scheiding bestond tussen het woon- en het agrarische gedeelte. Karakteristiek voor het hallenhuis zijn ook de lage gootlijnen en grote dakvlakken van riet (vroeger stro). Bij de oudste boerderijen ligt de baanderdeur vaak richting de weg. Zo kon de boer immers gemakkelijk met het vee en materiaal naar het land. Van de drie buurtschappen kent Westerse Bos de meeste boerderijen, al dan niet met bijbehorende schuren, die een rijksmonumentale status hebben (zie pag. 22). Andere boerderijen zijn van latere leeftijd, soms uit de 20ste eeuw, en hebben dan ook meestal (gedeeltelijk) een pannen dak. Daarnaast zijn, zoals vaak bij boerderijen, in de loop der tijd heren verbouwingen geweest. Hierbij is in een aantal gevallen sprake van modern materiaalgebruik zoals kunststof kozijnen, asbest platen of moderne gevelstenen uit de 20ste eeuw. De ene keer is daarbij wel en de andere keer niet gebruik gemaakt van een historiserende stijl. Zo is de boerderij op Westerse Bos 8 een voorbeeld van een historiserende stijl herbouwd. Sommige boerderijen bij Schoonebeek en omgeving hebben Duitse karakteristieken.

Zo werd wel Bentheimer zandsteen gebruikt voor plinten, gevelstenen of waterputten. Westerse Bos kent ook een aantal opvallende typen boerderijen. Zo bestaan de dubbele boerderijen op huisnummers 8–10, op 11–13 en op 12–14 uit twee delen die aan elkaar vast zijn gebouwd. Al met al betekent dit dat de historische losse bebouwingstructuur waarbij de boerderijen met bijgebouwen in onregelmatige groepjes met

verspringende rooilijnen bij elkaar liggen vrij gaaf en herkenbaar aanwezig is. Deze structuur is echter voornamelijk waarneembaar in het buurtschap zelf. Dit in tegenstelling tot het visuele beeld van buitenaf richting het buurtschap. De grote nieuwbouwschuren en de NAM-locaties bepalen aan de zuidkant het beeld en belemmeren het zicht op de historische bebouwingstructuur van Westerse Bos. Daarnaast is door de toename van de bebouwing langs de Europaweg het zicht in de loop der tijd ook beperkter geworden. De historische situering waarbij vanaf het noorden (het veen) zicht was op het buurtschap, en andersom vanuit het buurtschap zicht op de omliggende landschap is nog vrij goed aanwezig. Aan de noordzijde van het buurtschap zijn de zichtlijnen op het landschap dan ook behouden gebleven en vanaf de Oldenhuis-Gratemaweg is nog steeds zicht op het buurtschap. Wegenstructuur De huidige Europaweg werd al in de Hottingeratlas uit 1773 – 1794 weergegeven. Daarnaast liepen er in die tijd twee paden vanaf Westerse Bos richting deze weg. Beide paden liepen evenwijdig aan de strokenverkaveling, terwijl het oostelijke pad eveneens aan beide zijden was beplant met bomen (zie kaart op pag. 24). De kadastrale kaarten van 1832 werden voor de eigendomsbelastingen gemaakt waardoor bepaalde topografische gegevens niet of minder duidelijk werden weergegeven.

Dit betekent bijvoorbeeld dat (voet)paden op de kaart werden gezet indien het pad een eigen perceelnummer had. Indien het geen eigen perceelnummer (= eigenaar) had, dan werd het niet op de kaart gezet. Uit de vermelding van het grondgebruik in de kadastrale legger kan dan een pad of weg worden herleid. Voor de reconstructie van de totale wegenstructuur is hier een combinatie van militaire, topografische en kadastrale kaarten 25

26

1930

1935

1955

1963

1975

1987

Bron: Gemeente Emmen

gebruikt. De kadastrale kaart van 1832 van Westerse Bos laat slechts aan de oostzijde van het buurtschap een oost – west gericht pad zien. De kaart uit 1910 geeft een uitgebreidere padenstructuur weer. Vanuit de verschillende clustertjes boerderijen liepen onverharde paden richting zowel de Europaweg als het veen. De padenstructuur liep hierbij evenwijdig aan de strookvormige verkavelingstructuur (zie kaart en tekening op pag. 24). Zoals al weergegeven op deze kadastrale kaart laten ook de topografische kaarten in het oosten van het buurtschap een stukje, oost – west gericht pad zien. Het pad liep ook in die tijd nog niet door richting de andere clusters boerderijen. Al met al was in die tijd de padenstructuur in lijn met de verkavelingstructuur noordwest – zuidoost gericht. Bijzonder detail is dat het aantal paden dat richting Europaweg liep in Westerse Bos hoger is dan in de twee andere

buurtschappen. Ook liepen er in Westerse Bos meerdere paden direct naast elkaar. In tegenstelling tot Westerse Bos kende Middendorp slechts één zo’n ‘dubbelpad’ met twee paden direct naast elkaar. Oosterse Bos kende geen dubbelpaden. In tegenstelling tot de beide andere buurtschappen liepen er rond 1910 ook al veel paden vanuit Westerse Bos richting het noordelijk gelegen veen. In de crisisperiode van de jaren dertig van de vorige eeuw is in het kader van de werkverschaffing een nieuwe, verharde oost – west georiënteerde, weg aangelegd die de verschillende cluster boerderijen met elkaar verbond (zie kaart op pag. 26). Hierbij volgde de weg aan de oostzijde het oorspronkelijke pad en werd de weg vervolgens westwaarts langs de reeds bestaande bebouwing geleid. Deze fasering in de tijd heeft geleid tot het bochtige tracé waarbij de passant een grote diversiteit aan

Westerse Bos; restant historisch pad richting veen

grotere en kleinere ruimten en doorzichten passeert met gevarieerde clustertjes van ‘verspringende’ bebouwing. Hiermee wijkt het tracé dus af van veel andere randveenontginningen waar de weg vóór of tegelijkertijd met de bebouwing als ontginningsas werd aangelegd. In 1930 was noord - zuid lopende weg, de huidige N853, verhard. De huidige Klaassensweg is na 1935 verhard. In tegenstelling tot de beide andere buurtschappen nam in de periode 1930 – 1935 het aantal paden in Westerse Bos richting het veen vrijwel niet meer toe. In Westerse Bos waren de paden namelijk al in vóór 1910 aangelegd. De vondst van het olieveld tijdens WOII leidde vooral na de oorlog tot grote infrastructurele werken in Schoonebeek en omgeving. In 1955 waren de Oldenhuis-Gratemaweg en, in het verlengde daarvan, de Valendisweg aangelegd. In tegenstelling tot de omgeving van de andere twee buurtschappen werden in Westerse Bos geen verharde wegen langs de bestaande perceelsgrenzen richting de jaknikkers aangelegd. De jaknikkers bij Westerse Bos werden in 1955 nog benaderd vanaf de N853 en Klaassensweg (zie kaart op pag. 26) In de periode 1955 – 1963 verdween vooral het een aantal onverharde paden richting Europaweg. Ten noorden van Westerse Bos was het aantal jaknikkers toegenomen. De toegang tot deze installaties vond deels plaats via de reeds bestaande paden.

In 1973 waren de paden richting de jaknikkers als verhard weergegeven. Omdat er meer jaknikkers in de directe omgeving van Westerse Bos stonden dan rondom de beide andere buurtschappen lagen hier ook meer wegen. Vergelijkbaar met de andere buurtschappen volgden deze verharde wegen ook hier de oude paden- en verkavelingstructuur. Met het verdwijnen van de jaknikkers, vooral na de tweede helft van de jaren tachtig zijn ook een aantal paden verdwenen. Echter, tot op de dag zijn er vanaf de Oldenhuis 27

Links: 1832; verkavelingstructuur met bebouwing

Rechts: 1910 verkavelingstructuur met bebouwing

Links: 2017; verkavelingstructuur met bebouwing 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=c228e7fe-21d2-470b-a23e-ae7168eda37b