CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.9 Bijlagen bij toelichting Natuurtoets

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Buffer zuid’, ‘MER Buffer zuid’ en ‘beeldkwaliteitsplan Buffer Zuid’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7C) (80708-2023)22.361 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.3.2

Das

De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse biotooptypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Die kunnen als beschutting en geleiding dienen. Belangrijke kenmerken van dassenhabitat zijn (BIJ12. 2017a): • Aanwezigheid van een groot voedselaanbod; • Voor de burchten een bodem die goed vergraafbaar is en die het regenwater snel kan afvoeren; • Aanwezigheid van voldoende dekking rond de burchten en de migratieroutes; • Weinig verstoring. Tijdens het veldbezoek zijn de bosjes onderzocht op de aanwezigheid van dassenburchten. Ook is er gelet op sporen zoals wissels, latrines, prenten of krabsporen. Zowel burchten als sporen zijn niet vastgesteld tijdens het veldbezoek. Het open akkerlandschap biedt weinig dekking voor dassen. Daarnaast worden de akkers intensief bewerkt. Vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen worden binnen het plangebied niet verwacht. De das kan hooguit foeragerend voorkomen binnen het plangebied. Effectbeoordeling

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

20

Projectgerelateerd

De intensief bewerkte akkers maken geen essentieel onderdeel uit van het foerageergebied van de das. Het plan biedt juist nieuw geschikt vochtig foerageergebied. Het plan tast het aanbod van foerageergebied niet aan; de das heeft ook grote foerageerafstand van meerdere kilometers. De werkzaamheden leiden niet tot de het beschadigen of vernietigen van vaste voortplantings- of rustplaatsen. Ook het doden van dassen is uitgesloten. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn uitgesloten.

5.3.3

Eekhoorn

Voorkomen De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van eekhoorns. Het open akkerlandschap maakt geen onderdeel uit van het leefgebied van de eekhoorn. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn zijn uitgesloten.

5.3.4

Grote bosmuis

Voorkomen De grote bosmuis wordt in Nederland vaak aangetroffen in opgaand loofbos met een goed ontwikkelde struiklaag. Het is een geode klimmer die voornamelijk op de grond leeft, maar ook tot hoog in bomen en struiken foerageert en schuilt. De soort wordt eveneens in hagen en andere hoogopgaande lijnvormige landschapselementen aangetroffen en soms in bebouwd gebied. Ook is de soort aangetroffen is grasvegetaties net als de bosmuis (Broekhuizen et al., 2016). De grote bosmuis is met een omvangrijke opmars bezig binnen het Nederlands-Duitse grensgebied. Binnen het plangebied is de soort alleen te verwachten binnen bosjes met een rijke ondergroei (zie Figuur 5-1). De open akkers maken geen onderdeel uit van het leefgebied van de soort.

Figuur 5-1: Potentiële leefgebieden van de grote bosmuis (rode kader) in de directe omgeving van het plangebied. Bron: Kadaster

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

21

Projectgerelateerd

Effectbeoordeling Er vinden werkzaamheden plaats aan bosjes die geschikt zijn als leefgebied voor de grote bosmuis. De vernatting van het gebied leidt mogelijk ook tot afname van geschiktheid van het leefgebied. Het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen is uitgesloten daarmee niet uit te sluiten. Gezien de mate waarin de grote bosmuis in de omgeving voorkomt, is van aantasting van de gunstige staat van instandhouding geen sprake als gevolg van het verdwijnen van het leefgebied binnen de bufferzone. In Figuur 5-2 staat op kaart aangegeven waar in de wijde omgeving potentieel leefgebied van de grote bosmuis aanwezig is en eventueel naar zou kunnen uitwijken. Om tijdens de werkzaamheden slachtoffers te voorkomen dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden waarbij vluchtroutes worden aangeduid.

Figuur 5-2. Potentiële leefgebieden van de grote bosmuis (rode kader) in de wijde omgeving van het plangebied. Bron: Streetsmart

Conclusie Het plan betekent mogelijk een beperkt verlies van geschikt leefgebied van de grote bosmuis afhankelijk van de mate van vernatting. Het oppervlakte verlies is dermate beperkt dat de gunstige staat van instandhouding niet wordt beïnvloed. In kader van de zorgplicht worden zekerheidshalve in paragraaf 5.10.2 voorzorgsmaatregelen voor grote bosmuis voorgesteld om slachtoffers te voorkomen.

5.3.5

Waterspitsmuis

Voorkomen Waterspitsmuizen worden aangetroffen bij schoon water, zowel vrij stromend als stilstaand, met een goed ontwikkelde watervegetatie en met oevers die ruig begroeid zijn. In Nederland bestaan de geschikte biotopen vaak uit smalle oeverzones. De territoria zijn smal en uitgerekt en hebben een lengte tot 250 meter (Broekhuizen et al., 2016). Het dichtstbijzijnde bekende leefgebied van de waterspitsmuis ligt op circa 2,5 km afstand van het onderzoeksgebied. De meeste agrarische sloten in het plangebied zijn niet permanent watervoerend en zeer voedselrijk. Bovendien zijn de oevers weinig begroeid en is er geen goed ontwikkelde watervegetatie.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

22

Projectgerelateerd

De waterspitsmuis wordt op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten. Met het plan wordt een waterrijk gebied ingericht dat voor de waterspitsmuis mogelijk aantrekkelijk is. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de waterspitsmuis zijn uitgesloten. Het plan biedt nieuw geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis.

5.3.6

Wild zwijn

Voorkomen In de NDFF zijn twee waarnemingen bekend van het wild zwijn. Binnen de provincie Drenthe geldt een zogenaamd nulstandbeheer ten aanzien van het wild zwijn, wat betekent dat het dier niet is toegestaan en moet worden afgeschoten. Populaties van het wild zwijn zijn binnen de provincie Drenthe uitgesloten. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van het wild zwijn zijn uitgesloten.

5.4

Vleermuizen

In de NDFF zijn waarnemingen bekend van laagvlieger in de omgeving van het plangebied. Daarnaast kunnen ook soorten als rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis foeragerend voorkomen. Vleermuizen verblijven ‘s zomers overdag in een zomerverblijfplaats of kraam- of paarverblijfplaats, ’s winters zoeken ze een winterverblijfplaats op waar ze de hele dag verblijven. Effectbeoordeling Er worden bomen gekapt gesloopt waardoor het vernietigen van rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet kan worden uitgesloten. Er worden geen lijnvormige elementen onderbroken die als vliegroute fungeren en er blijven bosjes en struweel beschikbaar als foerageergebied voor de verschillende vleermuissoorten. De voorziene inrichtingssituatie zal naar verwachting zelfs een impuls geven aan het foerageergebied. Indien er binnen het vleermuisactieve seizoen (grofweg van april tot november) in het donker wordt gewerkt, kan de inzet van verlichting leiden tot verstoring van foeragerende en/of doortrekkende vleermuizen. Het plan biedt met de natuurinrichting een verbetering van het foerageergebied voor vleermuizen. Conclusie Negatieve effecten gedurende de aanlegfase zijn op voorhand niet uitgesloten. In kader van de zorgplicht worden in paragraaf 5.10.1 mitigerende maatregelen voorgesteld.

In de gebruiksfase kunnen mogelijk rusten verblijfplaatsen verloren gaan wanneer er holten aanwezig zijn in de te kappen bomen. Er dient een holten check te worden uitgevoerd voor de te kappen bomen. Mocht blijken dat er holten aanwezig zijn dan is nader vleermuisonderzoek noodzakelijk. Het plan biedt verbetering van het foerageergebied voor vleermuizen.

5.5

Amfibieën

De NDFF bevat waarnemingen van de heikikker en poelkikker buiten het plangebied, in het Bargerveen. Voor bastaard-, meer-, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Wel zijn in het kader van de zorgplicht mitigerende maatregelen opgenomen voor algemeen voorkomende amfibieën in paragraaf 5.10.1.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

23

Projectgerelateerd

5.5.1

Heikikker

Voorkomen De heikikker is buiten het onderzoeksgebied waargenomen in het Bargerveen. De heikikker komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren (pH = 5.0-6.0) en is meer zuurtolerant dan de bruine kikker. Verzuurt het water verder of vervuilt het, dan verliest het water haar voortplantingsfunctie. Waterhabitat is vaak relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zon beschenen water. Heidevennen en wateren op hoogen laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. Het is de schralere tegenhanger van de bruine kikker (BIJ12b. 2017). Voortplantingswater en landhabitat van de heikikker zijn gelegen in het Bargerveen. De agrarische sloten zijn ongeschikt als voortplantingswater aangezien deze te voedselrijk zijn. In deze sloten werden tijdens het veldbezoek dan ook geen larven aangetroffen of jonge exemplaren. Daarnaast zijn de kale akkers ongeschikt als overwinteringsgebied voor de soort. De heikikker wordt op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten. Het plan met veel water biedt nieuw geschikt leefgebied voor de heikikker. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker zijn uitgesloten. Het plan biedt nieuw leefgebied voor de heikikker.

5.5.2

Poelkikker

De poelkikker is buiten het onderzoeksgebied waargenomen in het Bargerveen. De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. Ook wordt de soort gemeld uit halfnatuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen en op ruderaal terrein. De larven leven in de bovenste waterlagen en in snel opwarmende ondiepe oeverzones. De poelkikker is in kleinere wateren en vaak in voedselarmere situaties meer te vinden dan de meerkikker (BIJ12, 2017c). De agrarische sloten zijn niet permanent watervoerend en zeer voedselrijk. In de sloten werd ook geen kooractiviteit van groene kikkers vastgesteld tijdens het veldbezoek. De akkers zijn ongeschikt als winterverblijfplaats voor de soort. De poelkikker wordt binnen het plangebied uitgesloten op basis van habitatgeschiktheid. Het plan met veel water biedt nieuw geschikt leefgebied voor de poelkikker. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de poelkikker is uitgesloten. Het plan biedt nieuw leefgebied voor de poelkikker.

5.6

Reptielen

De NDFF bevat waarnemingen van de adder, gladde slang en de levendbarende hagedis, buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige reptielen worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten.

5.6.1

Adder

Voorkomen De adder is binnen zijn verspreidingsgebied een bewoner van halfopen tot open leefgebieden, met een rijke vegetatiestructuur. In Nederland komt de adder voor op de hoge zandgronden en in 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

24

Projectgerelateerd

hoogveenlandschappen. De voorkeurshabitat bestaat uit ‘hoogveengebieden met vennen’ en ‘heideterreinen’ (bron: www.nederlandsesoorten.nl). De open akkers binnen het plangebied zijn ongeschikt als leefgebied voor de adder. De soort wordt op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de adder zijn uitgesloten.

5.6.2

Gladde slang

Voorkomen De gladde slang wordt in Nederland in hoogveenrestanten aangetroffen. De soort is gebonden aan het Bargerveen. De akkers zijn ongeschikt als leefgebied voor de gladde slang. De soort wordt op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten binnen het plangebied. Het plan met veel water en oevers biedt op termijn mogelijk nieuw geschikt leefgebied voor de gladde slang. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de gladde slang zijn uitgesloten. Het plan biedt op termijn mogelijk nieuw geschikt leefgebied voor de gladde slang.

5.6.3

Levendbarende hagedis

Voorkomen De voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis bestaat uit heide en hoogveen. De levendbarende hagedis is een zon minnende soort die hoog opschietende kruiden mijdt. Ook de levendbarende hagedis is gebonden aan de habitats binnen het Bargerveen. Binnen de invloedsfeer van het project wordt de levendbarende hagedis niet verwacht. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van de levendbarende hagedis zijn uitgesloten.

5.7

Vissen

Op basis van de NDFF komt enkel één waarneming van een Grote Modderkruiper naar voren, verder zijn er geen waarnemingen van beschermde vissoorten binnen het onderzoeksgebied. Alle andere beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens.

5.7.1

Grote modderkruiper

Voorkomen De grote modderkruiper (paragraaf 3.2/HR) heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De grote modderkruiper kan zelfs in drooggevallen wateren enige tijd overleven in de modder. De soort is in staat extreme habitat te bewonen waar de meeste andere vissoorten vaak niet in kunnen overleven. Ook komt de grote modderkruiper voor in waterplantrijke boerensloten8.

8

https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnus-fossilis-Versie-2.0-oktober2021.pdf; geraadpleegd december 2021 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

25

Projectgerelateerd

RAVON heeft in 2017 voor heel Drenthe gekeken naar de aanwezigheid van grote modderkruiper middels eDNA onderzoek9. De conclusie uit dit onderzoek is dat het gebied Nieuw-Schoonebeek in slechte staat is als zijnde leefgebied voor Grote Modderkruiper. Op basis van dit onderzoek is naar voren gekomen dat de grote modderkruiper in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat aanwezig is, de conclusie uit het onderzoek is dat dit een relictpopulatie betreft. De betreffende watergang is ook de enige binnen het plangebied welke als geschikte sloot (ondiepe sloten met waterplanten) kan worden aangeduid als leefgebied voor de grote modderkruiper. Het voorkomen van de grote modderkruiper kan op voorhand niet worden uitgesloten. Effectbeoordeling Tijdens de werkzaamheden worden nieuwe watergangen gegraven en een aantal huidige sloten worden verdiept en verbreed. De sloten die verbreed/verdiept worden zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Door werkzaamheden aan de watergangen kunnen mogelijke voortplantings- of rustplaatsen tijdelijk worden beschadigd of vernield en kunnen hierbij grote modderkruipers worden gedood. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote modderkruiper gedurende de uitvoering is daarmee op voorhand niet uit te sluiten.

Mitigerende maatregelen in de uitvoeringsfase zijn nodig om doding en tijdelijke beschadiging van leefgebied te voorkomen. Conclusie Overtreding van de verbodsbepalingen (doding en tijdelijke aantasting van verblijfplaats) voor de grote modderkruiper (par. 3.2) is niet uit te sluiten tijdens de uitvoering. Mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering zijn nodig. In paragraaf 5.10.3 zijn deze maatregelen beschreven. Deze maatregelen geven tevens invulling aan de zorgplicht voor overige aanwezige vissoorten.

5.8

Vogels

Op basis van verspreidingsgegevens kunnen verschillende vogelsoorten voorkomen binnen het plangebied. In deze paragraaf is onderscheid gemaakt tussen broedvogels zonder een jaarrond beschermd nest en broedvogels met een jaarrond beschermd nest (buizerd).

5.8.1

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Voorkomen Het struweel aan de randen van akkers is geschikt als broedlocatie voor verschillende (algemene) broedvogelsoorten o.a. zwartkop, spotvogel, winterkoning, merel, grasmus, geelgors, fitis en tjiftjaf. In de sloten kan de wilde eend en een soort als de blauwborst broeden. Op de akkers kunnen o.a. kieviten en scholeksters broeden. Effectbeoordeling Op basis van de Wnb zijn alle broedvogels beschermd onder het beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen verstorende effecten optreden op broedvogels. Het gaat hierbij om akkers, struweel en begroeide oeverzones die voldoende dekking bieden voor broedende vogels. Wanneer de werkzaamheden (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb. Het plan met veel water, oevers en landnatuur biedt nieuw geschikt leefgebied voor diverse vogelsoorten.

9

Instandhouding grote modderkruiper in Drenthe; Actualisatie verspreiding en strategie tot instandhouding van de soort. Stichting RAVON, Nijmegen (2018). 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

26

Projectgerelateerd

Conclusie Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten. In paragraaf 5.10 worden mitigerende maatregelen voorgesteld om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Het plan met nieuwe natuur biedt voor diverse vogelsoorten geschikt leefgebied.

5.8.2

Jaarrond beschermd nest en rustplaatsen

Voorkomen Tijdens het veldbezoek werd een buizerd vliegend boven één van de bosjes waargenomen, zie figuur 5-3. In dit bosje is een territorium van de buizerd niet uitgesloten. In het noordelijke deel van hetzelfde bosje is een kippenren aanwezig. Hier staan enkele naaldbomen die geschikt zijn als roestplaats voor de ransuil/kerkuil. Er werden onder deze bomen enkele braakballen van uilen aangetroffen, zie figuur 5-4Figuur 5-4. Bij het bosje nabij NAM-locatie 109 (aan de oostzijde van het plangebied, tegen de Duitse grens) is een mogelijk jaarrond beschermd nest aanwezig, recent zijn nog waarnemingen bekend dat dit nest wordt gebruikt als verblijfplaats door een torenvalk (zie figuur 5-5).

Figuur 5-3: Potentieel territorium van de buizerd met in het noordelijke deel van het bosje roetsplaats van kerkuil/ransuil (rode kader). Bron: Kadaster

Figuur 5-4: Braakbal van een kerkuil/ransuil. Foto: RHDHV. 2019.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

27

Projectgerelateerd

Figuur 5-5. Locatie van een mogelijk jaarrond beschermd nest (rode stip) op NAM-locatie SCH109 (rood omcirkeld) (bron: correspondentie met Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.).

Effectbeoordeling Het uitgangspunt voor de voorgenomen ingreep is dat er geen bomen worden gekapt ter plaatste van de jaarrond beschermde nesten. Bij de werkzaamheden gaat het territorium van de buizerd en torenvalk niet verloren. In de wijde omgeving van de buffer blijft tijdens en na de realisatie voldoende foerageergebied beschikbaar. Wanneer tijdens het broedseizoen binnen de verstoringsafstand van de buizerd of torenvalk wordt gewerkt zijn negatieve effecten niet uitgesloten. De verstoringsafstand voor deze soorten is vastgesteld op 75 meter (BIJ12d. 2017). De werkzaamheden hebben geen permanente effecten op roestplaatsen van uilen. De uilen zijn kunnen bij eventuele verstoring tijdelijk uitwijken naar bos/struweel in de omgeving. Conclusie Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten voor de buizerd en torenvalk. In paragraaf 7.2 worden mitigerende maatregelen voorgesteld om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van de buizerd te voorkomen. Permanent negatieve effecten op de roestplaatsen voor uilen zijn uitgesloten.

5.9

Ongewervelden

De NDFF bevat waarnemingen van de aardbeivlinder en de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige ongewervelden worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten.

5.9.1

Aardbeivlinder

De aardbeivlinder heeft een voorkeur voor vochtige tot droge graslanden en heiden, extensief begraasde terreinen (bron: vlinderstichting.nl). De waarnemingen van de aardbeivlinder zijn gedaan ten noorden van de Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat. De akkers en agrarische graslanden binnen het plangebied zijn ongeschikt als voortplantingsplaats voor de aardbeivlinder. Effectbeoordeling Binnen agrarisch gebruikte percelen komt de aardbeivlinder niet voor. De buffer heeft geen negatieve effecten op de soort. Figuur 5-6 geeft een deel van het leefgebied (specifiek kruidenrijke graslanden en droge heide) van de aardbeivlinder weer. Binnen dit gebied zijn echter geen werkzaamheden voorzien. Het plan met vochtige graslanden biedt nieuw geschikt leefgebied voor de aardbeivlinder.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

28

Projectgerelateerd

Figuur 5-6. Leefgebied van de aardbeivlinder (rode kader). Bron: Kadaster

Conclusie De aanwezigheid van de aardbeivlinder in het plangebied is uitgesloten. In kader van de zorgplicht worden zekerheidshalve in paragraaf 5.10.4Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. wel voorzorgsmaatregelen voor ongewervelden voorgesteld. Het plan met vochtige graslanden biedt nieuw geschikt leefgebied voor de aardbeivlinder

5.9.2

Grote weerschijnvlinder

Voorkomen In de NDFF zijn drie waarnemingen bekend van de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied in het Bargerveen. De vlinders voeden zich eerst vooral met honingdauw en sap van bloedende bomen en leven hoog in de bomen. De grote weerschijnvlinder is een weinig mobiele vlinder, maar er liggen soms vele kilometers tussen de boom waar de vlinders vliegen en de plek waar de rups zich ontwikkelt. De habitat van de soort bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Het open akkerlandschap voldoet niet aan de habitateisen van de grote weerschijnvlinder. Het plan met vochtige graslanden biedt nieuw geschikt leefgebied voor de weerschijnvlinder. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van grote weerschijnvlinder zijn uitgesloten. Het plan biedt nieuw geschikt leefgebied voor de weerschijnvlinder.

5.10

Mitigerende en voorzorgsmaatregelen aanlegfase

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan in de aanlegfase negatieve effecten kan hebben op onderstaande krachtens de Wnb beschermde soorten en soortgroepen: • Verschillende soorten vleermuizen (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, art. 3.5), foerageergebied. • •

Verschillende soorten grondgebonden zoogdieren (Beschermingsregime soorten Andere soorten, art. 3.10), foerageer- en leefgebied. Verschillende soorten amfibieën (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, art. 3.5 en Andere soorten, art. 3.10), leefgebied.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

29

Projectgerelateerd

•

Broedvogels (Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, art. 3.1) kunnen mogelijk broeden en rusten binnen de planlocatie.

In de onderstaande paragraaf staan de maatregelen samengevat om overtreding van de Wnb te voorkomen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de overige soortgroepen is uitgesloten.

5.10.1 Algemene maatregelen aanlegfase In verband met de zorgplicht dienen onderstaande algemene maatregelen te worden getroffen in de aanlegfase: • Opslagplaatsen van materieel moeten zoveel mogelijk centraal worden gehouden en afgeschermd worden met amfibieënschermen net als de aanvoerroutes. Hiermee wordt voorkomen dat amfibieën onder het materieel kruipen om te schuilen of te overwinteren en de aanvoerroutes worden gebruikt als opwarmingsplaatsen. • Steilranden in ontgravingen en depots zijn zeer geschikte nestplaatsen voor oeverzwaluw. Deze steilranden moeten daarom voorkomen worden tijdens de werkzaamheden. Bulten zand/ grond moeten dus worden afgeplat, zodat er geen steile randen zijn. Hiermee wordt voorkomen dat werkzaamheden in het voorjaar stil komen te liggen door nesten van oeverzwaluwen. Deze nesten mogen niet verstoord worden. • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten (vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien ook in de schemering en het donker wordt gewerkt moet gebruik worden gemaakt van (amberkleurig) licht dat zoveel mogelijk naar beneden is gericht.

• Bij voorkeur worden de werkzaamheden zoveel mogelijk geclusterd in de tijd, zodat er steeds delen van het plangebied niet verstoord worden; • De werklocaties worden circa 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden ongeschikt gemaakt door de vegetatie te maaien met de maaibalk afgesteld op ongeveer 10 cm boven maaiveld en maaisel af te voeren. Na het verwijderen van de vegetatie, bij voorkeur binnen de minst kwetsbare periode (oktober), mogen minimaal 1-2 dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dieren die zich hebben verstopt in hun hol, krijgen zo de kans om het gebied te verlaten. Vervolgens wordt de vegetatie ongeschikt (kort) gehouden gedurende de periode dat werkzaamheden uitgevoerd worden of wordt het gebied dagelijks verstoord zodat voorkomen wordt dat hervestiging kan optreden; • Werkzaamheden zo uitvoeren dat kleine (zoog)dieren de kans hebben om te vluchten naar veilige gebieden. Dus bijvoorbeeld van binnen naar buiten maaien. De werkzaamheden ook niet richting een doodlopend punt aan werken. • Behoud de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van het werkgebied. Het behouden van stroken met ruigte vegetatie die in verbinding staan met gebieden geven kleine (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden.

• De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en werkt één richting op. Als er meerder machines tegelijkertijd aan het werk zijn moeten die niet naar elkaar toe werken zodat dieren opgesloten raken. Zo wordt onnodige verstoring van dieren, planten en gevoelige habitattypen voorkomen. • De werkzaamheden moeten door een deskundig ecoloog worden begeleid. Dit houdt in dat een ecoloog betrokken moet zijn bij de planning en uitvoering van de beheerwerkzaamheden. De ecoloog stelt vast of en wanneer er sprake is van kwetsbare periodes van soorten en vegetaties. Voor aanvang van de werkzaamheden controleert een deskundig ecoloog het gebied op eventueel aanwezige beschermde soorten. • Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog;

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

30

Projectgerelateerd

5.10.2 Grote bosmuis Risicovolle werkzaamheden: - Kampen bomen •

•

•

Het bouwrijp maken (kappen bomen, verwijderen vegetatie, graven bosbodem en frezen stobben) van de locatie vindt plaats buiten de voortplantingsperiode van de grote bosmuis, dus buiten de periode van maart tot oktober. Dit dient in stappen uitgevoerd te worden. Eerst dienen de bomen en vegetatie verwijderd te worden waarna minimaal 2 dagen gewacht dient te worden met het graven en frezen in de bosbodem. Door twee dagen te wachten hebben grote bosmuizen de kans de locatie te verlaten en ander geschikt leefgebied te zoeken. Door het bouwrijp maken wordt de locatie ongeschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Er wordt tevens buiten het broedseizoen gewerkt. Het afgraven van de bosbodem en frezen van stobben vindt op een laag tempo plaats in de richting van te handhaven leefgebieden van grote bosmuis. Hierdoor krijgen eventueel achtergebleven grote bosmuizen de gelegenheid om te vluchten. Op basis van de twee bovenstaande mitigerende maatregelen dient zodra de uitvoeringswijze en planning bekend is vluchtroutes te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.

5.10.3 Vissen Risicovolle werkzaamheden: - Dempen/vergraven van watergangen In verband met de zorgplicht dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vissen: • Bij het dempen van een watergang wordt het waterpeil in de sloot eerst verlaagd en daarna wordt het water rustig één richting uitgedreven naar een naastliggende sloot, opdat aanwezige vissen en amfibieën kunnen ontsnappen en daarna afgedamd zodat vissen niet weer terugzwemmen. • Indien bij het dempen niet richting open water gewerkt kan worden, is het afvangen van de vissen door een erkend ecoloog aanbevolen. De ecoloog loopt de op de kant uitgespreide bagger na op de vissen, salamanders, zoetwatermosselen, kikkers en waterinsecten na, spoelt de modder uit de kieuwen (om stikken te voorkomen) en verzamelt deze in de grote waterbak om ze dan op een plek waar niet gewerkt wordt weer uit te zetten. • Bij leegpompen van een watergang worden vissen en amfibieën tijdig weggevangen door een erkend ecoloog en elders uitgezet. De pomp moet visvriendelijk afgeschermd zijn, zodat er geen vissen en andere dieren in de pomp terecht komen. • Het afdammen, dempen, vergraven of leegpompen van delen van watergangen wordt bij voorkeur uitgevoerd in de periode tussen 1 september en 1 november, dus na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën.

• Verder vinden werkzaamheden in de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur boven het vriespunt ligt en er geen ijs aanwezig is in de watergang. De temperatuur mag echter ook niet te hoog zijn, deze moet beneden de 25º C zijn. Bij koude temperaturen zijn vissen inactief en bij hele warme temperaturen kan er al snel zuurstofgebrek ontstaan.

5.10.4 Vogels Binnen het plangebied kunnen verschillende broedvogelsoorten voorkomen. Extra aandacht gaat uit naar jaarrond beschermde nesten. Bij de werkzaamheden dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vogels: • Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, moet het werkterrein vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels door vegetatie kort te maaien en kort te houden tot de 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

31

Projectgerelateerd

•

•

•

werkzaamheden aanvangen. Het is wel van belang dat in deze periode de locatie ongeschikt gehouden wordt voor broedvogels door in deze de vegetatie kort te houden en continue door te werken, met name na een periode zonder werkzaamheden kunnen er toch ineens broedvogels opduiken. De ecoloog dient het werkterrein regelmatig te inspecteren. Indien nodig (als de ecoloog territoriale vogels waarneemt) worden de percelen geweidesleept tot aanvang van de werkzaamheden en als er een paar dagen niet gewerkt wordt. Het werkgebied en de omgeving wordt binnen het broedseizoen gecontroleerd op territoriale vogels en broedgevallen door een deskundig ecoloog. Indien broedgevallen worden vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden moeten aanvullende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn afhankelijk van de soort en de locatie waar de soort is aangetroffen. Maatregelen worden getroffen in overleg met de ecoloog. Werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van jaarrond beschermde nesten moeten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de soort. Indien dit niet mogelijk is, zijn aanvullende maatregelen nodig. Te denken valt aan het werken buiten de verstoringsafstand van de betreffende soort en deze verstoringsafstand in het veld te uit te zetten. Voorbeeld: De gevoelige periode van de buizerd loopt van februari t/m augustus en de verstoringsafstand is 75 meter (BIJ12.

2017). In het winterhalfjaar wordt zoveel mogelijk gewerkt na zonsopkomst en vóór zonsondergang voor in verband met rustende wintergasten (toendragrietgans en kleine zwaan). Indien toch in het donker of schemering wordt gewerkt, moet het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt blijven en zoveel mogelijk naar beneden gericht worden.

5.10.5 Aardbeivlinder Binnen het leefgebied van de aardbeivlinder zijn geen werkzaamheden voorzien. Uit voorzorg zijn maatregelen benoemd. Risicovolle werkzaamheden - Grondverzet; met grondverzet wordt bedoeld: graafwerkzaamheden, transporten voor aan- en afvoer van grond, rooien/kappen van struwelen/bomen en toepassen van grond. - Dempen en vergraven van sloten - Transporten ten behoeve van de werkzaamheden Figuur 5-6 geeft een deel van het leefgebied van de aardbeivlinder weer. Binnen dit gebied (specifiek kruidenrijke graslanden en droge heide) mogen geen werkzaamheden met groot materieel worden uitgevoerd.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

32

Projectgerelateerd

6

Conclusies natuurtoets

Natura 2000-gebieden: • Het bestemmingsplan Buffer zuid tast de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Bargerveen, Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen niet aan. • Voor het Natura 2000-gebied Bargerveen betekent het bestemmingsplan Buffer zuid een verbetering van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Bargerveen vanwege het hydrologisch herstel. Daarnaast is er sprake van een blijvende afname in stikstofdepositie als gevolg van het plan. De tijdelijke stikstofdepositiebijdrage in de aanlegfase is dermate beperkt (en tijdelijk) dat dit niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen (en leefgebied). De tijdelijke verstoring door de werkzaamheden is dermate gering, dat deze het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt voor de aangewezen broedvogels en nietbroedvogels. • Bij Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek is de tijdelijke stikstofdepositiebijdrage in de aanlegfase is dermate beperkt en tijdelijk dat dit niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Daarnaast is er sprake van en blijvende afname in stikstofdepositie als gevolg van het plan.

Natuurnetwerk Nederland: • Het bestemmingsplan Buffer zuid zorgt voor realisatie en invulling van de nieuwe natuur binnen het NNN en heeft een positief effect op het NNN. Soortenbescherming: • Het bestemmingsplan Buffer Zuid met natuurinrichting betekent voor diverse bijzondere en beschermde soorten potentieel een geschikt nieuwe standplaats of leefgebied; • In het plangebied komen nu enkele beschermde soorten voor, het betreft vleermuizen die hier foerageren, de bosmuis (leefgebied in bospercelen), grote modderkruiper, de buizerd en torenvalk (beide met jaarrond beschermde mesten) en algemene broedvogels; • In de aanlegfase is een aantal maatregelen nodig om verstoring van soorten te voorkomen (zie hiervoor paragraaf 5.10).

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

33

Projectgerelateerd

Bronvermelding BIJ12. 2017a Kennisdocument Das Meles meles Versie 1.0, juli 2017 BIJ12. 2017b Kennisdocument Heikikker Rana arvalis Versie 1.0, juli 2017 BIJ12. 2017c Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae Versie 1.0, juli 2017 BIJ12. 2017d Kennisdocument Buizerd Buteo buteo Versie 1.0, juli 2017 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 1-432. Ministerie van Economische Zaken, 2013. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Bargerveen PDN/2013033 Provincie Drenthe. 2017 Beheerplan Bargerveen. Uniek en grenzeloos hoogveen. Status: Definitief februari 2017 Websites - Geraadpleegd in november 2021. Gebiedendatabase SynBioSys, Ministerie van Economische Zaken, Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), reeks van 01-01-2011 t/m 01-11-2021, https://www.nederlandsesoorten.nl/ https://www.sovon.nl/ www.ravon.nl/ https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/groene-glazenmaker http://www.zoogdiervereniging.nl

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

34

Projectgerelateerd

A1

23 mei 2022

Bijlage 1. Stikstofdepositieberekening Buffer Zuid Bargerveen (25 maart 2022)

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

35

RAPPORT Stikstofdepositieonderzoek Buffer Zuid Bargerveen

Klant:

Prolander

Referentie: BE3102IBRP2111251123 Status:

Definitief/00

Datum:

1 april 2022

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

George Hintzenweg 85 3068 AX Rotterdam Industry & Buildings Trade register number: 56515154 +31 88 348 90 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Stikstofdepositieonderzoek Buffer Zuid Bargerveen Ondertitel: Referentie: BE3102IBRP2111251123 Status: 00/Definitief Datum: 1 april 2022 Projectnaam: Buffer Zuid Bargerveen Nieuw Schoonebeek Projectnummer: BE3102 Auteur(s): LvdB, SJ Opgesteld door: LvdB, SJ

Gecontroleerd door: SvL Goedgekeurd door: SJ Datum: 1 april 2022

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

i

Project gerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

2

Wettelijk kader stikstofdepositie

4

3

Stikstofdepositiebronnen beoogde situatie

6

3.1

Stikstofemissie vanuit verkeer

6

3.1.1 3.1.2 3.1.3

Verkeersaantrekkende werking Verkeer in het plangebied Verlegde Stheemanstraat

6 10 11

4

Stikstofdepositiebronnen referentiesituatie

12

4.1

Vaststellen van referentiesituatie

12

4.2

Gebied als referentiesituatie

14

4.3

Stikstofemissie vanuit voormalig bemeste landbouwgronden

15

4.3.1

Huidige Stheemanstraat

16

5

Verschilberekening

17

6

Aanlegfase

18

7

Conclusie

20

Bijlagen Verkeersintensiteiten Buffer-Zuid Overzicht gewassen op landbouwgronden 2021 Benodigde inzet materieel aanleg/bouwfase AERIUS uitdraai -

verschilberekening tussen beoogde- en referentiesituatie

-

verschilberekening tussen aanleg- en referentiesituatie

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

ii

Project gerelateerd

1

Inleiding

Algemeen De provincie Drenthe is voornemens om aan de zuidzijde van het Natura 2000-gebied Bargerveen een bufferzone in te richten om de waterhuishouding in het Bargerveen te herstellen. De bufferzone Bargerveen-Zuid (hierna: Buffer Zuid) betreft een 500 meter brede en 4,5 kilometer lange strook tussen de Kerkenweg en de Duitse grens. In de bufferzone worden enkele recreatieve voorzieningen aan de Kerkweg en Stheemanstraat in Nieuw-Schoonenbeek gerealiseerd. Als gevolg van de voorgenomen bufferzone zullen bemeste landbouwgronden uit bedrijf worden genomen en veranderen verkeerstromen, mede door het verplaatsen van de Stheemanstraat 500 meter in zuidelijke richting. Dit kan een mogelijk effect hebben op de emissies in dit gebied en de daaruit voortvloeiende depositie van stikstof. Als onderdeel van de plantoets voor een bestemmingsplan wordt in deze rapportage de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschouwd. Daarbij worden de effecten op stikstofdepositie in de (permanente) beoogde situatie en de aanleg(fase) van de bufferzone separaat onderzocht. Met de emissies uit de referentiesituatie (huidig gebruik landbouwgronden) wordt de stikstofdepositie in de beoogde situatie van Buffer Zuid gecompenseerd middels intern salderen.

Details veranderingen Na herinrichting zal het 220 ha grote waterbuffer als nieuwe natuur te bezichtigen zijn voor recreanten te voet, met de auto en per fiets. Daartoe worden tevens nieuwe recreatieve voorzieningen aangelegd in het plangebied. De gebieden voor recreatieve doeleinden omvatten: • Ecolodges • Fiets- en wandelpaden inclusief bermen • Een horecaonderneming met een speeltuin • Parkeervoorzieningen Voor de volgende wijzigingen in de beoogde situatie worden de effecten op stikstofdepositie in kaart gebracht: • Verkeersbewegingen naar horecaonderneming en ecolodges • Verkeersbewegingen naar natuurgebied • Nieuwe locatie van de Stheemanstraat (naar het zuiden) In de bestaande situatie worden ook bepaalde activiteiten beëindigd. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: • Bemeste landbouwgronden • Inzet landbouwwerktuigen op voormalig bemeste landbouwgronden. De aanleg(fase) van de bufferzone bestaat uit: • Aanleg waterbuffer zijnde hoofdzakelijk grondverzet • Bouw horecaonderneming, ecolodges fiets- en wandelpaden en parkeervoorzieningen • Verlegging Stheemanstraat

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

1

Project gerelateerd

Vrijstellingen onderzoek Vrijstellingen op het inzichtelijk maken van de effecten van stikstofdepositie voor aanleg en/of bouwfase gelden niet voor de onderhavige situatie omdat sprake is van een plantoets voor een bestemmingsplan. Een deel van de toekomstige activiteiten is wel vrijgesteld van het inzichtelijk maken van de effecten van stikstofdepositie. Dit betreft het groenonderhoud aan de waterbuffer omdat vanuit de Wnb een vrijstelling geldt voor beheersactiviteiten ten behoeve van natuurgebieden. Dit wordt daarom in deze studie buiten beschouwing gelaten. Situering plangebied Het plangebied is weergegeven in Figuur 1.1. Deze bestaat uit een langgerekt waterbekken met aan de zuidzijde de verlegde Stheemanstraat. Aan deze weg bevinden zich verschillende kleine parkeerkoffers, van waaruit Buffer Zuid bereikt kan worden. In het zuidoosten is in paars het gebied gemarkeerd waar het horecagebouw met parkeerterrein is voorzien. Het gebied wordt doorkruist door verschillende fiets- en wandelpaden.

Figuur 1.1 Overzicht ligging Buffer Zuid (bufferzone Bargerveen, bron Royal HaskoningDHV). Links onderin (paarse vlak) is de ligging van het horecagebouw voorzien)

In Figuur 1.2 is het nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied ‘Bargerveen’ weergegeven, waarop mogelijk een stikstofdepositie-effect te verwachten is.

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

2

Project gerelateerd

Figuur 1.2 Plangebied (wit vlak), Duitsland (donkergrijs) en locatie Natura 2000-gebied ‘Bargerveen’ (groen). Figuur is noordgeörienteerd. Bron: AERIUS Calculator 2020.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de vigerende Nederlandse wetgeving rond stikstofdepositie. Hoofdstuk 3 bevat een overzicht van de stikstofemissies door activiteiten in de beoogde situatie, terwijl hoofdstuk 4 de emissiebronnen in de referentiesituatie beschrijft. In hoofdstuk 5 worden de emissiebronnen samengevat en de rekenresultaten van AERIUS getoond met de bijbehorende modelinstellingen. De rapportage wordt afgesloten met een conclusie in hoofdstuk 5.

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

3

Project gerelateerd

2

Wettelijk kader stikstofdepositie

Wel of geen vergunningplicht en referentiesituatie Uit artikel 2.7 van de Wnb volgt dat voor projecten/plannen getoetst moet worden of binnen Natura 2000gebieden significant negatieve effecten kunnen optreden. Als dit het geval is, geldt een vergunningplicht voor deze activiteiten in het kader van Wnb. Voor situaties waarbij door intern salderen geen toename is in stikstofdepositie (en er dus geen significant negatieve effecten kunnen optreden) geldt er geen vergunningplicht1. Geen toename in stikstofdepositie wordt beoogd door het salderen met de landbouwgronden. Als referentiesituatie wordt daartoe de meest recente feitelijke situatie gehanteerd waarin de landbouwgronden nog als zodanig in gebruik waren. Dit is het jaar 2021. Gesaldeerd mag worden met het gehele plangebied omdat de emissies ook in het gehele plangebied kunnen optreden in de referentiesituatie (zijnde de landbouwgronden). Vrijstelling Wnb-vergunningplicht voor bouwactiviteiten Aanleg, verandering en sloop van bouwwerken of werken is niet vergunningplichtig. Op basis van de Wnb, artikel 2.9a en het Besluit natuurbescherming (Bnb) artikel 2.5. Dit geldt echter niet voor de onderhavige situatie omdat sprake is van een plantoets voor een bestemmingsplan.

Provinciale richtlijnen voor salderen met bemeste landbouwgrond Voor het salderen met bestaande landbouwgrond hebben de provincies specifieke richtlijnen opgesteld. Op de website Bij12.nl staan deze uitgewerkt onder de vraag 20 en 21 van de provinciale beleidsregels salderen.2 Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: 1. Het perceel kon op de relevante referentiedatum legaal bemest worden op grond van de meststoffenregelgeving en het bestemmingsplan; 2. Het perceel heeft sinds de referentiedatum de agrarische bestemming behouden; 3. Het is aannemelijk dat het perceel op en sinds de referentiedatum agrarisch in gebruik was (bijvoorbeeld met luchtfoto’s, RVO-data, MINAS-data, verklaringen van grondgebruikers, of anderszins); 4. De toegestane emissie van bemesting is ten opzichte van de referentiedatum niet toegenomen (dit kan op basis van objectieve algemene gegevens, zie kamerbrief 3); 5. Na het salderen met een bemest perceel wordt dit perceel niet verder bemest.

De referentiesituatie wordt gevormd door de emissie die was toegestaan op de referentiedatum, tenzij op latere datum van rechtswege of middels een gewijzigde toestemming een lagere emissie is toegestaan; In de praktijk wordt de referentiesituatie niet bepaald door wat er op de referentiedatum aan bemesting was toegestaan, maar door wat er in de huidige situatie volgens de actuele gebruiksnorm (norm voor dierlijke meststoffen, stikstofgebruiksnorm en fosfaatgebruiksnorm) en aanwendingstechnieken is toegestaan. Hiervoor hebben de provincies op bij12.nl regionale gemiddelde emissiekentallen beschikbaar gesteld die zijn afgeleid van de INITIATOR-data van het RIVM. Daarnaast wordt in dit onderzoek gebruikt gemaakt van de data die beschikbaar is op de (pro-functie) van de website boerenbunder.nl. Relevante stappen voor Buffer Zuid De emissies in de beoogde situatie worden intern gesaldeerd met vermeden emissies bij activiteiten op voormalige landbouwgrond. Deze stikstofdepositie zal als referentiesituatie dienen in een 1

Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak zet voorwaarden voor intrekken natuurvergunning op een rij, 20 januari 2021, geraadpleegd op 29 april 2021, via URL: https://www.raadvanstate.nl/@124110/voorwaarden-intrekken-natuurvergunning/ 2 https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/veelgestelde-vragen/ 3 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/02/18/beantwoording-kamervragen-omtrent-beweiden-en-bemesten 1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

4

Project gerelateerd

verschilberekening tussen beoogde situatie en referentiesituatie. Waar het bij intern salderen gaat om salderen binnen de begrenzing van één plan of locatie, spreekt men van extern salderen wanneer wordt gesaldeerd één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één plan of locatie.4 Omdat de voormalige landbouwgrond binnen de grenzen van het plan ligt, is er sprake van intern salderen. Indien de verschilberekening aantoont dat er geen toename in stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied is, dan vormt stikstofdepositie geen belemmering voor het aanvragen van een nieuw bestemmingsplan.

4

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR600909 Hoofdstuk 2 Toelichting algemeen - Beleidsregels salderen Algemeen

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

5

Project gerelateerd

3

Stikstofdepositiebronnen beoogde situatie

Bij de activiteiten in het plangebied van Buffer-Zuid zullen vanaf 2023 stikstofemissies vrijkomen ten gevolge van verkeersbewegingen van wegverkeer. Voor verwarming van het horecagebouw en de ecolodges wordt aangenomen dat deze zonder verbranding van fossiele brandstoffen zal worden gerealiseerd, mede vanwege het bouwvoorschrift om gasloos te bouwen. Emissies van kunstwerken en gemalen treden eveneens niet op omdat deze elektrisch worden bedreven.

3.1

Stikstofemissie vanuit verkeer

In het verkeersrapport5 zijn de verkeersstromen voor verkeersaantrekkende werking in detail beschreven. In het bestemmingsplan Buffer Zuid zijn 99 parkeerplaatsen voorzien, verdeeld over de volgende parkeervoorzieningen: ◼

75 parkeerplaatsen in de zuidwestelijke hoek voor bezoekers van het restaurant (dit kunnen bezoekers voor enkel het restaurant zijn, maar ook bezoekers die naast het restaurant ook het natuurgebied bezoeken);

◼

Drie parkeerkoffers van elk acht parkeerplaatsen (in totaal 24 parkeerplaatsen) verspreid langs de (verlegde) Stheemanstraat voor bezoekers aan het natuurgebied.

De beoogde 75 parkeerplaatsen voor het restaurant zijn precies voldoende voor de parkeerbehoefte van het restaurant. De parkeerplaatsen in de parkeerkoffers zijn enkel bedoeld voor bezoekers van het natuurgebied. Eventueel parkeren ten behoeve van de ecolodges zal niet plaatsvinden binnen het plangebied (niet op de parkeerkoffers en ook niet op de Stheemanstraat). Bij wijze van ‘worst-case’ wordt daar ten behoeve van dit onderzoek wél vanuit gegaan (dicht bij het Natura 2000-gebied).

3.1.1

Verkeersaantrekkende werking

Vrachtwagens en personenauto’s die als aantrekkend verkeer naar het terrein komen en op het terrein rijden veroorzaken emissies van NOx en NH3. Voor het modelleren van deze verkeersaantrekkende werking zijn eerst de rijroutes bepaald met bijbehorende verkeersintensiteiten per wegvak. Daarna is gekeken in welke wegvak van de rijroute het verkeer opgaat in het autonome verkeer. Alle wegvakken waarvoor dit niet het geval is, zijn ingevoerd in het AERIUS-model. Het verkeersrapport vormt de basis voor het bepalen van de verkeersstromen. In Bijlage 1 is in meer detail beschreven hoe de rijroutes en bijbehorende verkeersintensiteiten zijn bepaald voor het horecapunt. Figuur 3.1 toont de rijroutes waarover verkeerbewegingen plaatsvinden in de beoogde situatie. De nummers voor wegvakken in Tabel 3.1 en Tabel 3.2 verwijzen naar Figuur 3.1.

5 RHDHV (2021), “Stikstofdepositieonderzoek naar gebruiksfase recreatieve activiteiten op Buffer Bargerveen-Zuid”, Auteurs:

Govert Nieuwhof, Sjoerd Hoekstra, kenmerk: BE3120MINT210721. 1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

6

Project gerelateerd

Figuur 3.1 Genummerde wegvakken waarover verkeer rijdt van en naar Buffer-Zuid

Naast de verkeersstromen uit het verkeersrapport zijn nog enkele verkeerstromen toegevoegd, omdat de verkeerstudie louter focust op de herkomst van het verkeer, niet de bestemming. Bovendien zijn enkele verkeersstromen niet in detail meegenomen. Onderstaande uitgangspunten betreffen daarom ruim aangehouden, worst-case’ aannamen ten behoeve van dit onderzoek: 1 Voor gasten van de tien ecolodges zijn dagelijks 10 parkeerplekken voorzien die allemaal elke dag door één auto bezet worden. Aangenomen wordt dat elke auto tweemaal daags de parkeerplaats verlaat. Daardoor vinden er 40 vervoersbewegingen per dag plaats die als rijroute gebruikmaken van de nieuwe Stheemanstraat, Kerkweg en de Europaweg. In het verkeersplan is aangenomen dat deze parkeergelegenheden ergens gerealiseerd worden buiten het plangebied van Buffer Zuid. In deze studie is aangenomen dat dit direct grenzend aan het plangebied zal zijn (worst-case). 2 Voor personeel worden dagelijks vijf personenauto’s voorzien die via de Europaweg en Kerkweg naar het horecagebouw rijden. Daarmee genereren zij dagelijks 10 verkeersbewegingen. 3 Voor bevoorrading van het restaurant is tweemaal per week een vrachtwagen voorzien. Dat levert 104 vrachtwagens per jaar op, die totaal zorgen voor 208 vervoersbewegingen per jaar via de rijroute kerkenweg → Europaweg, wat gelijk staat aan 0,6 vervoersbewegingen per dag.

Daarmee vinden er dagelijks 450 vervoersbewegingen per auto plaats en jaarlijks 208 vervoersbewegingen per vrachtwagen van- en naar het plangebied. In Tabel 3.1 is per wegvak de toename aan verkeersbewegingen weergegeven inclusief een toelichting op de herkomst van deze verkeersbewegingen.

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

7

Project gerelateerd

Tabel 3.1 Verkeersintensiteiten per wegvak inclusief toelichting

Wegvak 1)

Straatnaam

Extra verkeersintensiteit a.g.v. Buffer Zuid

Toelichting

[voertuig-bewegingen per etmaal]

1

Dordseweg (N862)

100

Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Emmen (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen

125

Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Emmen (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen Verkeer met herkomst Klazienaveen (25 verkeersbewegingen)

Verkeer met herkomst Klazienaveen (25 verkeersbewegingen)

2

3

Dordseweg (N862)

Kerkenweg vanaf Boôvenen richting Weiteveen

Verkeer met herkomst Amsterdamscheveld (25 verkeersbewegingen)

25

Regionale verkeersstromen Geen Lokale verkeersstromen Verkeer met herkomst Weiteveen (25 verkeersbewegingen) Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Coevorden (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen

4A

Kerkenweg richting NieuwSchoonebeek

150+0,6=150,6 1)

Verkeer met herkomst Nieuw-Schoonebeek (25 verkeersbewegingen) Extra verkeersstromen Personeel horecapunt Buffer-Zuid (10 verkeersbewegingen) Gasten ecolodges (40 verkeersbewegingen) Vrachtwagen horecapunt Buffer-Zuid (0,6 verkeersbewegingen)

4B

Kerkenweg richting kruispunt Boôvenen

150

Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Emmen (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen Verkeer met herkomst Klazienaveen (25 verkeersbewegingen) Verkeer met herkomst Amsterdamscheveld (25 verkeersbewegingen) Verkeer met herkomst Weiteveen (25 verkeersbewegingen) Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Coevorden (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen Verkeer met herkomst Schoonebeek (25 verkeersbewegingen)

5

Europaweg (N863)

150+0,6=150,6 1)

Extra verkeersstromen Personeel horecapunt Buffer-Zuid (10 verkeersbewegingen) Gasten ecolodges (40 verkeersbewegingen) Vrachtwagen horecapunt Buffer-Zuid (0,6 verkeersbewegingen)

6

7

Europaweg (N863)

Boôvenen

0

125

Geen Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Emmen (75 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen Verkeer met herkomst Klazienaveen (25 verkeersbewegingen) Verkeer met herkomst Amsterdamscheveld (25 verkeersbewegingen)

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

8

Project gerelateerd

Wegvak

Straatnaam

1)

Extra verkeersintensiteit a.g.v. Buffer Zuid

Toelichting

[voertuig-bewegingen per etmaal] Regionale verkeersstromen Verkeer met herkomst Duitsland (125 verkeersbewegingen) Lokale verkeersstromen 8

Stheemanstraat

190

Verkeer met herkomst Middendorp (25 verkeersbewegingen) Extra verkeersstromen Gasten ecolodges (40 verkeersbewegingen)

1.

Deze getallen worden apart ingevoerd in AERIUS: 150 voertuigbewegingen door personenauto’s per etmaal en 208 voertuigbewegingen per jaar door vrachtwagens.

Op basis van de verdeling van het verkeer van-en naar Buffer Zuid over de verschillende bestemmingen en rijroutes zoals beschreven in bijlage 1, is de toename van de verkeersintensiteit op verschillende wegvakken berekend voor het rekenjaar 2023. In Tabel 3.2 is voor de verschillende wegvakken in Figuur 3.1 weergegeven hoeveel de totale toename van de verkeersintensiteit door Buffer-Zuid bedraagt t.o.v. de autonome ontwikkeling in 2023 volgens gegevens uit het Drents verkeersmodel. Tabel 3.2 Verkeersintensiteiten per wegvak en toename t.o.v. bestaande situatie Verkeersintensiteit autonome ontwikkeling

Wegvak 1)

Straatnaam

Totale toename verkeersintensiteit a.g.v. Buffer Zuid [mvt/etmaal]

[aantal verkeersbewegingen per etmaal] Drents Verkeers model

Drents Verkeers model

Lineaire interpolatie

2018

2030

2023

Toename t.o.v. autonome ontwikkeling [%]

2023

1

Dordseweg (N862)

100

1.800

2.000

1.883

5%

2

Dordseweg (N862)

125

1.850

2.100

1.954

6%

3

Kerkenweg vanaf Boôvenen richting Weiteveen

25

550

800

654

4%

4A

Kerkenweg richting NieuwSchoonebeek

150,6

500

900

667

23%

4B

Kerkenweg richting kruispunt Boôvenen

150

500

900

667

23%

5

Europaweg (N863)

150,6

2.800

2.350

2.613

6%

6

Europaweg (N863)

0

1.600

1.500

1.558

0%

7

Boôvenen

125

750

1150

917

14%

Stheemanstraat

190

200

300

242

79%

8 1)

Zie Figuur 3.1

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

9

Project gerelateerd

Voor verkeersaantrekkende werking is recent in een RvS-uitspraak6 de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 20207 aangehaald als methodiek voor verkeersaantrekkende werking. In de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020 staat onder meer (samengevat): “De gevolgen van aantrekkende verkeer worden niet meer aan de inrichting toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld: • zijn snelheid en rij- en stopgedrag onderscheidt zich niet meer van het overige verkeer en • het heeft zich verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer”. 8 Voor Buffer Zuid maakt het verkeer bij alle wegvakken behalve wegvak 6 in Tabel 3.2 meer dan enkele procenten uit van het heersende verkeersbeeld in 2023. Daarom zijn al deze wegvakken meegenomen in de emissieberekening. Aan het eind van deze wegvakken verspreid het verkeer zich over meerdere rijroutes, gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld in en is niet meer dan enkele procenten daarvan. Zowel de Europaweg (wegvak 5), de Stheemanstraat (wegvak 8) als de Dordseweg (wegvak 1) splitsen zich op een kruispunt in meerdere drukke wegen, waarover het aantrekkende verkeer zich verspreid en daarmee zich nog verder verdunt. Al het aantrekkende verkeer is hier dan ook op snelheid gekomen.

AERIUS Calculator berekent de verkeersemissies na invoering van gegevens over type verkeer, filepercentage en aantallen. Het verkeer is ingevoerd als type buitenwegen. Voor het filepercentage wordt uitgegaan van 0%, wat overeenkomt met het verkeerstype ‘buitenwegen’.

3.1.2

Verkeer in het plangebied

Tijdens parkeren en stationair draaien van personenauto’s en laden/lossen van de vrachtwagens binnen het plangebied vinden er stikstofemissies plaats naar de lucht. Deze emissies zijn worst-case bepaald op basis van gemiddeld 10 minuten rijden met een snelheid van 15 km/uur. Dit komt overeen met een rijafstand van 2,5 km per voertuig. Het verkeer op de inrichting is ingevoerd als binnen de bebouwde kom en als puntbron omdat verkeersemissies vooral op het horeca parkeerterrein plaatsvinden. Als indicatieve emissiefactoren (RIVM emissiefactoren voor snelwegen en niet snelwegen) zijn de waardes voor 2023 gekozen voor het verkeerstype ‘stad stagnerend’ met een snelheid van 15 km/uur.

6

Bron: https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/@126671/201907590-1-r3/ https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/01/Instructie-gegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2020-v3.pdf 8 “Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer”. 7

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

10

Project gerelateerd

Tabel 3.3 Emissies afkomstig van de verkeersbewegingen in het plangebied. Aantal voertuigen

Rijafstand per voertuig

Emissiefactor

Emissievracht

[aantal/jaar]

[m]

[g/km]

[kg/jaar]

Emissiebron

Laden en lossen vrachtwagens

Parkeren personenautos

3.1.3

104

82.125

NOx

7,1

1,8

NH3

0,08

0,0

NOx

0,34

69,8

NH3

0,02

3,7

2.500

2.500

Verlegde Stheemanstraat

De verlegde Stheemanstraat (500 naar het zuiden en daarmee op grotere afstand van het Natura 2000-gebied) is in de beoogde situatie gemodelleerd met de verwacht verkeersintensiteit van 242 voertuigbewegingen per etmaal. Dit is ingevoerd als een lijnbron van het type buitenwegen op de verlegde locatie ten zuiden van Buffer Zuid. Voor het filepercentage wordt uitgegaan van 0%, wat overeenkomt met het verkeerstype ‘buitenwegen’. Dit betekent dat het verkeer goed doorstroomt zonder opstoppingen. Bij filevorming neemt de emissie toe.

1 april 2022

BE3102IBRP2111251123

11

Project gerelateerd

4

Stikstofdepositiebronnen referentiesituatie

Intern salderen gebeurt met de al bestaande emissies in de referentiesituatie. Voor Buffer Zuid worden bemeste landbouwgebieden binnen het plangebied uit bedrijf genomen en zullen er geen landbouwwerktuigen meer ingezet worden. Met deze vermeden emissies wordt intern gesaldeerd volgens de methodiek opgesteld door de provincies9, welke nader is uitgewerkt in een kamerbrief 10.

4.1

Vaststellen van referentiesituatie

Om de referentiesituatie te bepalen, wordt eerst getoetst aan onderstaande criteria. Toon aan dat het perceel op de relevante referentiedatum legaal bemest kon worden op grond van de meststoffenregelgeving en het bestemmingsplan; Volgens het bestemmingsplan uit 2011 voor buitengebied Emmen zijn de gronden van Buffer-Zuid ook bestemd voor agrarische doeleinden11, waardoor ook bemesten vanaf 2011 is toegestaan. Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" (vastgesteld op 30 oktober 2014). In dat plan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen', ‘WRO-zone Wijzigingsgebied 1‘. Tevens geldt deels een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en een gebiedsaanduiding 'milieuzone - hydrologisch aandachtsgebied'. Bestemmingsplannen van voor 2011 zijn niet online beschikbaar. Toon aan dat het perceel sinds de referentiedatum de agrarische bestemming heeft behouden en het aannemelijk is dat het perceel op en sinds de referentiedatum agrarisch in gebruik was (bijvoorbeeld met luchtfoto’s, RVO-data, MINAS-data, verklaringen van grondgebruikers, of anderszins); Als referentiedatum voor extern salderen geldt de oprichtingsdatum van het Natura 2000-gebied Bargerveen. Deze datum is 10-6-1994 volgens de provincie Drenthe12.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=6ce4fe88-33db-41fe-a542-9546ee1cb251