CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.9 Bijlagen bij toelichting Natuurtoets

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Buffer zuid’, ‘MER Buffer zuid’ en ‘beeldkwaliteitsplan Buffer Zuid’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7C) (80708-2023)22.361 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid In kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000, soorten) en Natuurnetwerk Nederland. Klant:

Prolander

Referentie: BE3102WMRP2111221147 Status:

S0/P01.02

Datum:

23 mei 2022

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Euvelgunnerweg 25A 9723 CV Groningen Netherlands Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 53 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid Ondertitel: Natuurtoets Buffer Zuid Referentie: BE3102WMRP2111221147 Status: P01.02/S0 Datum: 23 mei 2022 Projectnaam: Bargerveen Buffer Zuid Projectnummer: BE3102 Auteur(s): JS

Opgesteld door: JS Gecontroleerd door: AKindV, HZ Datum: 01-04-2022 Goedgekeurd door: Datum:

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Doelstelling

1

1.3

Leeswijzer

1

2

Juridisch kader natuurwet- en regelgeving

2

2.1

Natura 2000

2

2.2

Soortenbescherming

3

2.3

Natuurnetwerk Nederland

5

3

Plangebied en voorgenomen ingreep

6

3.1

Huidige situatie

6

3.2

Voorgenomen plan en ingrepen

7

4

Effectbeoordeling gebiedsbescherming Natura 2000 & NNN

9

4.1

Natura 2000

9

4.1.1

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 en relevante storingsfactoren

9

4.1.1.1

Rekenresultaten stikstofdepositie

11

4.1.2

Natura 2000 Bargerveen

12

4.1.2.1

Effectbeoordeling Natura 2000 Bargerveen

14

4.1.3 4.1.4

Overige Natura 2000-gebieden Cumulatie

17 17

4.2

Natuurnetwerk Nederland

18

5

Soortenbescherming

19

5.1

Voorkomen en effectbeoordeling van beschermde soorten

19

5.2

Vaatplanten

19

5.3

Grondgebonden zoogdieren

20

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6

Damhert Das Eekhoorn Grote bosmuis Waterspitsmuis Wild zwijn

20 20 21 21 22 23

5.4

Vleermuizen

23

5.5

Amfibieën

23

5.5.1 5.5.2

Heikikker Poelkikker

24 24

5.6

Reptielen

24

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

ii

Projectgerelateerd

5.6.1 5.6.2 5.6.3

Adder Gladde slang Levendbarende hagedis

24 25 25

5.7

Vissen

25

5.7.1

Grote modderkruiper

25

5.8

Vogels

26

5.8.1 5.8.2

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Jaarrond beschermd nest en rustplaatsen

26 27

5.9

Ongewervelden

28

5.9.1 5.9.2

Aardbeivlinder Grote weerschijnvlinder

28 29

5.10

Mitigerende en voorzorgsmaatregelen aanlegfase

29

5.10.1 5.10.2 5.10.3 5.10.4 5.10.5

Algemene maatregelen aanlegfase Grote bosmuis Vissen Vogels Aardbeivlinder

30 31 31 31 32

6

Conclusies natuurtoets

33

Bronvermelding

34

A1 Bijlage 1. Stikstofdepositieberekening Buffer Zuid Bargerveen (25 maart 2022) 35

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

iii

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Het Natura 2000-gebied Bargerveen is het grootste hoogveenrestant van Nederland. De hydrologische omstandigheden zijn bepalend voor de kwaliteit en ontwikkeling van hoogveengebieden. In een groot deel van het Bargerveen is de grondwaterstand echter nog te laag om de ontwikkeling van actieve hoogvenen te kunnen bevorderen. Daarom zijn de afgelopen jaren verschillende herstelmaatregelen uitgevoerd om de waterhuishouding van het gebied te verbeteren. Rondom het Bargerveen zijn onder andere meerdere waterbuffers ontwikkeld. Een bufferzone aan de zuidkant van het Natura 2000-gebied moet echter nog worden aangelegd. De inrichting van een 500 meter brede bufferzone is als hydrologisch herstelmaatregel opgenomen in het Natura 2000-beheerplan Bargerveen en is noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen binnen het Natura 2000-gebied te behalen. Voor de inrichting van Buffer zuid is functiewijziging nodig van ongeveer 220 hectare aan landbouwgrond naar natuur dat onderdeel wordt van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Daarnaast is verlegging van Dr. Ir. H.A. Stheemanstraat nodig en is inpassing voorzien van wandel- en fietspaden, ecolodges en een horecaonderneming. Voor de realisatie van de Buffer Zuid met mogelijkheden voor recreatie en een horecagelegenheid is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Hoewel de inrichting van Buffer zuid nodig is voor het hydrologisch herstel van het Natura 2000-gebied Bargerveen alsook invulling geeft aan de realisatie van nieuwe natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland dient het bestemmingsplan Buitengebied, Buffer Zuid getoetst te worden aan de natuurwet- en regelgeving waaronder de soortenbescherming.

1.2

Doelstelling

Het doel van deze natuurtoets is om inzichtelijk te maken wat de effecten van het bestemmingsplan Buitengebied, Buffer Zuid zijn op de natuurwet- en regelgeving. Dit betreft de beoordeling van het plan aan beschermde natuurgebieden Natura 2000 (Wet natuurbescherming) en NNN (planologische bescherming) en de toetsing aan de beschermde soorten (Wet natuurbescherming). Op basis van de effectbeoordeling wordt bepaald of er sprake is van (significant) negatieve gevolgen, en/of er mitigerende maatregelen nodig zijn om de negatieve effecten te voorkomen of te verminderen. Het plan kan ten aanzien van Natura 2000-bescherming vastgesteld worden wanneer uit de beoordeling volgt dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. In het kader van het NNN kan het plan worden vastgesteld als er geen significant negatieve effecten zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In het kader van de soortenbescherming kan het plan worden vastgesteld als het plan niet leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het juridisch- en beleidskader weergegeven. In hoofdstuk 3 is het plangebied en de voorgenomen ingreep weergegeven en in hoofdstuk 4 wordt de werkwijze besproken. Hoofdstuk 5 zijn de mogelijke effecten op beschermde gebieden, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland, beschreven. In hoofdstuk 6 is het voorkomen en de mogelijke effecten op de wettelijk beschermde soorten opgenomen. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de conclusies en aanbevelingen ten aanzien van beschermde natuurwaarden.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

1

Projectgerelateerd

2

Juridisch kader natuurwet- en regelgeving

De bescherming van natuur is via verschillende sporen geregeld, namelijk wettelijk via de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en via het natuurbeleid en ruimtelijke ordening-spoor (RO) met het Natuurnetwerk Nederland. De Wnb en Natuurnetwerk Nederland hebben hun eigen toetsingskaders en regels. Wat betreft de Wnb zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2) en Soortenbescherming (Hoofdstuk 3) van belang.

2.1

Natura 2000

Natuurwaarden zijn op diverse manieren beschermd, via het wettelijk spoor en via de ruimtelijke ordening. Internationale richtlijnen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, hebben een vertaling gekregen naar Nederlandse wetten. De Wet natuurbescherming beschrijft in hoofdstuk 2 de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en stelt de kaders voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn Natura 2000−gebieden aangewezen om habitatten en soorten van Europees belang te beschermen. De beoordeling van plannen is geregeld onder Wet natuurbescherming art. 2.7 eerste lid en art. 2.8: Art. 2.7 lid 1: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8. Art. 2.8.

lid 1: Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, (of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid), maakt het bestuursorgaan, (onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning), een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.(…) Art. 2.8. lid 3: Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast (, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning,) indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan (, onderscheidenlijk het project) de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Dit betekent dat er een passende beoordeling opgesteld dient te worden en dat het bestuursorgaan het plan mag vaststellen als de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000 gebied niet aangetast worden. Mochten er significante gevolgen zijn dan dient een ADC (alternatieve oplossingen, dwingende redenen van groot openbaart belang en compensatie) toetsing doorlopen te worden en kan het plan alleen vastgesteld worden als aan alle voorwaarden wordt voldaan (geen alternatieve oplossingen, dwingende reden van groot openbaar belang en compensatie). De voorwaarden staan vermeld in art 2.8 van de wet. Conform de EU-richtlijn kan gewerkt worden met een Voortoets in de oriëntatiefase.

Een Voortoets kan twee mogelijke uitkomsten hebben: • Er is zeker geen negatief effect. • Significant negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten. Een Passende beoordeling is vereist, aanvullend op de Voortoets, om zekerheid te verkrijgen dat het plan niet leidt tot een significant negatieve effecten en dat de natuurlijke kenmerken in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen niet wordt aangetast. Ook ontwikkelingen buiten Natura 2000-gebieden kunnen onder deze wet vergunning plichtig zijn; de wet kent namelijk de zogenoemde externe werking. Hierdoor moet ook worden bekeken of ontwikkelingen 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

2

Projectgerelateerd

buiten een Natura 2000-gebied negatieve effecten kunnen hebben op de daarbinnen vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De Wet natuurbescherming kent voor wat betreft externe werking géén grenzen en schrijft voor dat alle gebieden die mogelijk beïnvloed worden door een activiteit in de toetsing moeten worden meegenomen. Naast de wet vormen aanwijzingsbesluiten en de Natura 2000-beheerplannen het toetsingskader.

2.2

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes voor soorten waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes (er wordt hierbij verwezen naar de artikelen van de Wet natuurbescherming): • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1); Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2); Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. • Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3); Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Verbodsbepalingen Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 (van de Wet natuurbescherming) zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen, en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming wordt bepaald of er beschermde dier- en plantensoorten kunnen voorkomen in het projectgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden Middels mitigerende maatregelen moet er in beginsel voor gezorgd worden dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 van de Wet natuurbescherming bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden.

Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wet natuurbescherming geldt voor deze soorten een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit 1. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd 1 Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van de Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang)

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

3

Projectgerelateerd

worden volgens een goedgekeurde gedragscode. De provincies zijn het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van EZ bevoegd gezag2. Het bevoegd gezag voor dit project is de provincie Drenthe. Tabel 2-1. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn §3.1

Beschermingsregime Habitatrichtlijn §3.2

soorten Beschermingsregime andere soorten §3.3

Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Art. 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende vogels Het is verboden soorten in hun natuurlijk Het is verboden soorten opzettelijk te verspreidingsgebied opzettelijk te doden of doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen. te vangen. Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 3 Art. 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen en deze Het is verboden eieren van dieren in de onder zich te hebben. natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Art. 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk te Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke verstoren. invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing

Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Mitigerende maatregelen Indien de negatieve effecten op de functionaliteit van het leefgebied volledig kunnen worden opgeheven als gevolg van mitigerende maatregelen (waarmee overtreding van de verbodsbepalingen wordt voorkomen) is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Hierbij is het van belang dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort wordt behouden. De mitigerende maatregelen moeten als randvoorwaarde meegegeven worden aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is moet voor het overtreden van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. Zorgplicht Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming) geldt, conform Wet natuurbescherming art. 1.11, de algemene zorgplicht. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier.

De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.

2

Besluit Wet natuurbescherming 11 oktober 2016

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

4

Projectgerelateerd

Bij ruimtelijke ingrepen dient beoordeeld te worden welke negatieve gevolgen de ingrepen zullen hebben voor de eventueel aanwezig beschermde inheemse soorten. Hierbij is het van belang dat de volgende aspecten duidelijk worden: • Welke beschermde dier- en plantensoorten komen in en rondom het gebied voor? • Leidt het realiseren van de plannen of de uitvoering van de geplande werkzaamheden tot handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming betreffende planten op hun groeiplaats of dieren in hun natuurlijke leefomgeving? • Kunnen de plannen of de voorgenomen werkzaamheden zodanig aangepast worden dat dergelijke handelingen niet of in mindere mate gepleegd worden? • Is om de plannen te kunnen uitvoeren of de werkzaamheden te kunnen verrichten ontheffing (ex. art. 3.3, 3.8 of 3.11 van de Wet natuurbescherming) van de verbodsbepalingen vereist? Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden.

Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of er sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort (zie voorbeelden). Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort.

Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Provincie Drenthe zorgt binnen haar gebied voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk en vormt daarmee onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft daartoe gebieden aangewezen die tot dit netwerk behoren en vastgelegd in de provinciale verordening. De natuurdoelen uitgewerkt naar specifieke wezenlijke kenmerken en waarden zijn vastgelegd in het Natuurbeheerplan. Gedeputeerde staten kunnen daarnaast gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. Voor ingrepen binnen de NNN die schade toebrengen aan of anderszins negatieve effecten hebben op de waarden van een NNN-gebied geldt het zogenaamde “nee, tenzij regime”. Dit betekent dat ingrepen die significant de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN aantasten niet zijn toegestaan, tenzij: • er sprake is van een groot openbaar belang; • er geen reële andere mogelijkheden zijn en; • de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of;.

• een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van het Natuurnetwerk of de Ecologische Verbindingszone per saldo te verbeteren. 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

5

Projectgerelateerd

3

Plangebied en voorgenomen ingreep

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het plangebied en de directe omgeving. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de waarnemingen die zijn opgedaan tijdens het veldbezoek. Vervolgens zijn de werkzaamheden beschreven die worden uitgevoerd.

3.1

Huidige situatie

In Figuur 3-1 staat de locatie van het plangebied aangegeven. De Buffer Zuid ligt tegen het Natura 2000gebied Bargerveen, ter hoogte van Nieuw-Schoonebeek en Twist-Bült (Duitsland). Het buffergebied is een zone van 500 meter vanaf de grens van het Natura 2000-gebied Bargerveen en loopt van de Kerkenweg tot aan de Duitse grens (circa 4,25 kilometer lang).

Figuur 3-1: Indicatieve ligging van het plangebied (rode kader). Bron: Cyclomedia, 2019.

Het plangebied bestaat uit een open veenkoloniaal landschap met voornamelijk grootschalige akkers. Daarnaast zijn enkele boomsingels aanwezig met zwarte elzen, berken en struwelen. In het akkerland zijn veel sloten aanwezig. De meeste sloten stonden tijdens het veldbezoek droog en hebben steile oevers. In de sloten met water was FLAB (Floating Algae Beds) aanwezig, wat duidt op zeer voedselrijke omstandigheden. De oevers zijn begroeid met onder andere brandnetel, fluitenkruid, algemene grassoorten en duizendblad. Ook deze soorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Figuur 3-2 geeft een impressie van het plangebied.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

6

Projectgerelateerd

Figuur 3-2: Foto's van het plangebied (bron: RHDHV, 2019).

3.2

Voorgenomen plan en ingrepen

Figuur 3.3 geeft een impressie van de inrichting die het bestemmingsplan Buffer zuid mogelijk maakt. Doel van het voorgenomen plan is het verbeteren van de interne hydrologie van het Bargerveen voor de regeneratie en de instandhouding van hoogveen- en natte heidevegetaties. Het behoud van een goede recreatieve infrastructuur wordt in het plan meegenomen. Het bestemmingsplan omvat de volgende wijzigingen: • Omvorming van ca 220 ha aan landbouwgronden naar grotendeels natuur (NNN) en waterberging en circa 10,7 ha voor mogelijke recreatieve doeleinden. Hiervoor worden de landbouwgronden ontgraven, worden kades (functie overige waterkering) om de buffer aangelegd en kunstwerken (stuwen, gemaal, etc) geplaatst en wordt het waterpeil zodanig opgezet dat hier in een groot deel van het gebied water komt te staan. De grote waterhoeveelheden moet het weglekken van het water uit het Bargerveen voorkomen. • Recreatieve ontsluiting door aanleggen van fiets- en wandelpaden. • Verlegging van de Stheemanstraat. • Ontwikkeling van horeca, receptie en speelgelegenheid nabij de Kerkenweg: locatie zuidwesthoek nabij Kerkenweg, met parkeergelegenheid binnen de kade, afgeschermd voor omgeving door natuurlijke elementen zoals aarden wal, houtsingel of struweel. De oppervlakte van de bebouwing bedraagt ca. 300m². • Mogelijkheden om te kanoën en andere rustige vormen van waterrecreatie.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

7

Projectgerelateerd

• •

Parkeervoorzieningen binnen de kade, afgeschermd door gebiedseigen beplanting zoals bos, houtsingels, struweel en/of rietkragen. Maximaal 10 ecologdes in het plangebied met een footprint van max. 20m² per ecolodge en buitenruimte natuurlijk, indien vlonder dan max. 10m2. Deze voorziening is alleen toegankelijk te voet, om verstoring te beperken. Ecolodges worden afgeschermd door beplanting zoals bos, houtsingels, struweel en/of rietkragen.

Figuur 3-3: Impressie van het inrichtingsplan Buffer Zuid. Naast natuur met groot aandeel aan water de omliggende kades, locatie voor horeca (paars) en aan de oostzijde ruimte voor overnachtingen/ecolodges en de verscheidene parkeergelegenheden (aangegeven met de P) (bron: Royal HaskoningDHV – inrichtingsplan december 2021).

De voorziene ingrepen gerelateerd aan het bestemmingsplan omvat met name grondwerkzaamheden. De verlegging van de Stheemanstraat en het mogelijk maken van recreatieve en horecavoorzieningen wijzigt de verkeersituatie.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

8

Projectgerelateerd

4

Effectbeoordeling gebiedsbescherming Natura 2000 & NNN

In dit hoofdstuk is in paragraaf 4.1 beoordeeld wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van het bestemmingsplan Buffer zuid en in paragraaf 4.2 de gevolgen voor het NNN. Zoals in figuur 4-1 is te zien ligt het plangebied direct zuidelijk van het Natura 2000-gebied Bargerveen, buiten de Natura 2000begrenzing. Het Bargerveen alsook het plangebied valt onder het NNN.

Figuur 4-4-1. Overzicht van het plangebied (omcirkeld met rood) ten aanzien van het NNN (groene vlakken) en Natura 2000 (groene vlak met zwarte horizontale strepen).

4.1

Natura 2000

In de onderstaande paragrafen wordt eerst een omschrijving gegeven van de relevante Natura 2000gebieden binnen de invloedssfeer van de eventuele werkzaamheden. Vervolgens wordt gekeken naar wat de mogelijke effecten van de permanente situatie en de tijdelijke (aanlegfase) effecten zijn op het Natura 2000-gebied Bargerveen. Mocht er mogelijk een effect optreden, dan wordt dit vervolgens in paragraaf 4.1.2.1 nader toegelicht. Op dat moment wordt ook bepaald of er sprake is van een mogelijk significant effect.

4.1.1

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 en relevante storingsfactoren

Het plangebied Buffer zuid grenst direct zuidelijk aan het Natura 2000-gebied Bargerveen. De omvorming van het landbouwgebied naar natuur is nodig voor het hydrologisch herstel van het Natura 2000-gebied en

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

9

Projectgerelateerd

het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De positieve hydrologische effecten van de buffer zijn beschreven in het MER voor de aanleg van Buffer Zuid3. Naast het benodigd hydrologisch herstel gericht op de habitattypen van natte standplaatsen kunnen de werkzaamheden gezien de nabije ligging tijdelijk en/of blijvende effecten hebben op de overige doelen zoals de aangewezen vogelrichtlijnsoorten. In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000gebieden op een afstand van 25 km of meer. In het kader van stikstofdepositie is de rekenafstand in Aerius 2021 tot 25 km4. Binnen deze rekenafstand liggen behalve het Bargerveen de twee Natura 2000-gebieden Bergvennen & Brecklenkampse Veld en Springendal & Dal van de Mosbeek. In Tabel 4-1 zijn de verstoringsfactoren weergeven die het plan in de gebruiksfase alsmede in de aanlegfase kunnen optreden ter hoogte van Natura 2000-gebied Bargerveen. Voor stikstofdepositie geldt dit voor Bargerveen, Bergvennen & Brecklenkampse Veld en Springendal & Dal van de Mosbeek. Uit de analyse van de storingsfactoren van de effectenindicator van het ministerie van LNV volgt dat voor het plan stikstofdepositie en verstoring door geluid, licht en aanwezigheid van mensen en machines (optische verstoring) relevante storingsfactoren zijn (oranje gemarkeerd in de tabel). Tabel 4-1.

Effecten die volgens de effectindicator van het ministerie van LNV kunnen optreden tijdens de permanente situatie en tijdens de aanlegfase en die voor de voorgenomen ingrepen in het projectgebied Bargerveen van toepassing zijn. In sommige gevallen zijn de storingsfactoren samengenomen. Storingsfactor

Tijdelijke situatie

Permanente Toelichting situatie

Verlies oppervlak (1) Nee

Nee

Het plan bevindt zich buiten het Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van ruimtebeslag als gevolg van het plan.

Versnippering (2) en verandering in Nee populatiedynamiek (18)

Nee

De voorgenomen ingreep leidt niet tot versnippering en verandering in populatiedynamiek

Toename stikstof (vermesting (3) en verzuring (4))

Mogelijk

Mogelijk

De werkzaamheden (en met name de materiele inzet) kunnen in de tijdelijke situatie leiden tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen de rekenafstand van 25 km. Daarnaast kunnen de recreatieve voorzieningen, het receptiegebouw en verkeer aantrekkende werking leiden tot een permanente toename in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Echter is in de huidige referentiesituatie sprake van emissie van stikstof als gevolg van landbouwkundig gebruik van circa 220 ha. Met de functiewijziging conform het bestemmingsplan vervalt deze emissie. Op basis van interne saldering is naar verwachting sprake van een blijvende afname in stikstofdepositie. Aerius-berekeningen van de aanlegfase en gebruiksfase geeft hier inzicht in. De resultaten zijn opgenomen in par. 4.1.1.1

Verzoeting (5)

Nee

Nee

Van verzoeting van het Natura 20000-gebied is geen sprake.

Verzilting (6)

Nee

Nee

Er is geen sprake van verzilting als gevolg van het plan.

Verontreiniging (7)

Nee

Nee

Het plan ligt buiten het Natura 2000-gebied. Er zijn geen werkzaamheden en of gebruiksfunctie voorzien waarbij verontreiniging van het Natura 2000-gebied zou plaats kunnen vinden. Er worden geen gebiedsvreemde stoffen gebruikt.

Verdroging (8)

Nee

Nee

Het plan leidt niet tot verdroging maar juist tot het tegengaan van verdroging door hydrologische herstelmaatregelen.

Vernatting (9)*

Nee

Positief gewenst effect

Het plan leidt tot een gewenste vernatting van het Natura 2000-gebied Bargerveen noodzakelijk ten behoeve van de bijbehorende habitattypen.

RHDHV, 2022. MER Buffer Zuid – Bargerveen. Referentie: BE3102_WAT_RP1.02. Royal HaskoningDHV, Groningen.. Het kabinet heeft op 9 juli 2021 besloten om bij depositieberekeningen in het kader van de toestemmingverlening voor alle type emissiebronnen, waaronder wegverkeer, uit te gaan van een maximale rekenafstand van 25 km. Dit is per 1 juli 2021 verankerd in de Wet natuurbescherming alsook verwerkt in de Aerius calculator versie 2021. 3 4

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

10

Projectgerelateerd

Verandering Nee stroomsnelheid (10)

Nee

Het plan bevindt zich buiten het Natura 2000-gebied. De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van verandering stroomsnelheid zoals bedoeld in de Effectenindicator.

Verandering overstromingsfrequentie (11)

Nee

Nee

Het plan bevindt zich buiten het Natura 2000-gebied. De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van overstromingsfrequentie zoals bedoeld in de Effectenindicator.

Verandering dynamiek substraat (12)

Nee

Nee

De voorgenomen ingrepen leidt niet tot verandering van verandering dynamiek substraat zoals bedoeld in de Effectenindicator.

Geluid (13)

Mogelijk

Nee

Het plan leidt in de aanlegfase mogelijk tot verstoring door geluid door machines en mensen van aangewezen vogelrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied Bargerveen. Voor de inpassing en gebruik van de recreatiewoningen zijn uitgangspunten opgesteld ter voorkoming van (geluids)verstoring.

Licht (14)

Mogelijk

Nee

Wanneer de werkzaamheden niet volledig overdag worden uitgevoerd kan de voorgenomen ingreep in de tijdelijke situatie zorgen voor een toename in verlichting. Wat kan leiden tot verstoring van rustende vogels.

Trillingen (15)

Nee

Nee

Het plan bevindt zich buiten het Natura 2000-gebied. In het Bargerveen zijn effecten door trillingen als gevolg van werkzaamheden gezien de korte effectafstanden tijdens de aanlegfase op voorhand uit te sluiten.

Optisch (16)

Mogelijk

Nee

In het Bargerveen is gedurende de tijdelijke situatie sprake van een toename in optische effecten door de zichtbaarheid van materieel direct langs of op het Natura 2000-gebied. Doordat de ecolodges worden afgeschermd met gebiedseigen beplanting zoals bos, houtsingels, struweel en/of rietkragen is er in de permanente situatie geen sprake van optische verstoring.

Mechanische effecten (17)

Nee

Nee

Het plan bevindt zich buiten het Natura 2000-gebied. De voorgenomen ingreep leidt niet tot verstoring door mechanische effecten zoals bedoeld in de Effectenindicator.

Bewuste verandering soortensamenstelling Nee (19)

Nee

De werkzaamheden hebben geen invloed op de soortensamenstelling (er worden geen soorten herintroduceert of bewust dieren gedood).

*De aanleg van de buffer zorgt voor (positieve) vernatting in het Bargerveen.

In paragraaf 4.1.1.1 zijn de Aerius-rekenresultaten voor stikstofdepositie beschreven. In paragraaf 4.1.2 zijn de effecten op Natura 2000 Bargerveen beoordeeld en in paragraaf 4.1.3 de effecten op de overige Natura 2000-gebieden.

4.1.1.1 Rekenresultaten stikstofdepositie De verandering in stikstofdepositie als gevolg van het bestemmingsplan is berekend voor de aanlegfase en de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie. De uitgangspunten per situatie is hier kort beschreven. Referentiesituatie In de bestaande situatie worden ook bepaalde activiteiten beëindigd. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: • Omvorming bemeste landbouwgebieden die daarna gebruikt worden voor recreatie; • Inzet landbouwwerktuigen op voormalig bemeste landbouwgronden die daarna gebruikt worden voor recreatie. Als hoofdregel voor de referentiesituatie geldt de “feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan” 5. Dit betekent dat de feitelijke situatie bepalend is en niét de 5

Zie ABRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212 (Bergeijk); ABRS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:683 (Beverwijk) en ABRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960 (Heiloo). 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

11

Projectgerelateerd

onbenutte planologische mogelijkheden 6 . Het feitelijk gebruik van de landbouwgronden is afgeleid uit boerenbunder.nl waarin jaarlijks de teelt per perceel is aangegeven. Vervolgens is als worst case de laagste emissie toegekend aan de teelten. De emissie in de referentie is 3.2890 kg NH3/j. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is sprake van wijziging in verkeersbewegingen in verband met horecaonderneming en ecolodges, verkeersbewegingen naar natuurgebied en gewijzigde locatie van de Stheemanstraat (naar het zuiden). De emissie in de gebruiksfase is 26,7 kg NH3/j en 262 kg NOx/j. Aanlegfase Voor de aanlegfase is een inschatting gemaakt van alle werkzaamheden (o.a.graafwerkzaamheden, grondtransport, werkverkeer) die het bestemmingsplan mogelijk maakt en is toegekend aan een rekenjaar 2023. Dit is in principe een ‘worst case’ situatie aangezien de werkzaamheden verspreid over twee jaren uitgevoerd zullen worden en dat mogelijk niet alle onderdelen, zoals de horecavoorziening en ecolodges, op zeer korte termijn gerealiseerd gaan worden. De emissie in de aanlegfase is in 1 jaar 3.89 kg NH3/j en 9.711 kg NOx De gehanteerde uitgangspunten voor de berekeningen in Aerius versie 2021 en de resultaten zijn beschreven in het Stikstofdepositie-onderzoek Bestemmingsplan Buffer zuid (Royal HaskoningDHV, 14 maart 2022).

Verschilberekeningen Verschilberekening gebruiksfase Uit de verschilberekening in Aerius 2021 van de beoogde situatie dat het bestemmingsplan mogelijk maakt ten opzichte van de (huidige) referentiesituatie komt naar voren dat er geen sprake is van een stikstofdepositietoename maar een sterke afname in stikstofdepositie als gevolg van het uit gebruik nemen van de landbouwgronden en stopzetten van bemesting. De hoogste afname betreft jaarlijks tientallen mollen ter hoogte van het Bargerveen (93,07 mol N/ha/j). Bij Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld is de afname 0,03 mol N/ha/j en bij Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek 0,02 mol N/ha/j. Verschilberekening aanlegfase Uit de verschilberekening van de aanlegfase ten opzichte van de (huidige) referentiesituatie in Aerius 2021 blijkt dat er op drie Natura 2000-gebieden een tijdelijke toename is van de stikstofdepositie. Ter hoogte van het Bargerveen is de maximale tijdelijke bijdrage berekend voor 1 jaar 0,55 mol N/ha. Daarbij is er ook sprake van een sterke afname in stikstofdepositie op andere hexagonen in het gebied met tientallen molen (71,46 mol N/ha). Bij Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek is de tijdelijke bijdrage in 1 jaar 0,01 mol N/ha. Bij de Bergvennen & Brecklenkampse veld is ook lokaal sprake van een afname van 0,01 mol N/ha.

Wanneer de werkzaamheden in de aanlegfase uitgespreid worden over meerdere jaren betekent dat de tijdelijke bijdrage jaarlijks lager is.

4.1.2

Natura 2000 Bargerveen

Op 4 juni 2013 is het Bargerveen door de Ministerie van Economische Zaken definitief als Natura 2000 gebied aangewezen. Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe is het grootste van de 6

Zie onder meer ABRS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2909 (Den Haag), r.o. 4.4.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

12

Projectgerelateerd

hoogveenrestanten van ons land en deel van het ooit zeer uitgestrekte Bourtangermoerassen op de grens van Nederland en Duitsland. Waar het veen tot dicht aan de minerale ondergrond is verwijderd, zijn na vernatting grote plassen ontstaan. Andere delen zijn in gebruik geweest voor boekweitbrandcultuur. Voor het herstel van hoogveen is gebruik gemaakt van compartimentering met veendammen. Het gebied bestaat uit rustend en actief hoogveen, droge en vochtige heide en enkele bossen. Vrij grote gebiedsdelen zijn door langdurig gebruik met lichte drainage omgevormd tot schraal grasland (bovenveengraslanden). In het noordelijke deel van het gebied, het Meerstalblok, komen zo’n 20 meerstallen voor op de onvergraven en weinig vergraven terreinen. Dit zijn voormalige veenmeertjes welke kenmerkend waren voor het centrum van de meest ontwikkelde, grote gewelfde hoogveencomplexen. Door de gradiënt naar de Hondsrug is er een grote variatie aan biotopen aanwezig (Minsterie van EZ, 2013). De begrenzing van het Natura 2000-gebied is opgenomen in Figuur 4-2. Het betreft een uitgestrekt hoogveengebied (onder meer bestaande uit het Amsterdamsche Veld en het Schoonebeekerveld) ten zuidoosten van Klazienaveen dat in het oosten wordt begrensd door de rijksgrens en in het zuiden door de Dr. Ir. H.A. Stheemanstraat. Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 2.080 ha.

Het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied hebben een gelijke begrenzing. Het Meerstalblok (ongeveer 70 ha) betreft een (voormalig) beschermd natuurmonument dat geheel in het gebied is gelegen.

Figuur 4-2. Begrenzing Natura 2000-gebied Bargerveen. Groen: Vogelrichtlijngebied en bruin Habitarichtlijngebied: Vogelrichtlijngebied en Habitarichtlijngebied en beschermd natuurmonument. Ministerie van EZ, 2013. Kaart behorende bij het aanwijzingsbesluit PDN/2013-033.

Instandhoudingsdoelstellingen Bargerveen In Tabel 4-2 worden de instandhoudingsdoelstellingen voor het Bargerveen benoemd, zoals deze zijn opgenomen in het Aanwijzingsbesluit (Ministerie EZ, 2013).

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

13

Projectgerelateerd

Tabel 4-2. Instandhoudingsdoelstellingen Bargerveen (Minsterie van EZ, 2013). Soort

SVI Landelijk

Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Draagkracht aantal vogels

Draagkracht aantal paren

Habitattypen H6230

*Heischrale graslanden

--

=

=

H7110A

*Actieve hoogvenen

--

>

>

H7120

Herstellende hoogvenen

+

= (<)

>

Broedvogels A008

Geoorde fuut

+

=

=

95

A082

Blauwe Kiekendief

--

=

=

1

A119

Porseleinhoen

--

=

=

15

A153

Watersnip

--

=

=

16

A222

Velduil

--

=

=

1

A224

Nachtzwaluw

-

=

=

30

A272

Blauwborst

+

=

=

150

A275

Paapje

--

>

>

30

A276

Roodborsttapuit

+

=

=

90

A338

Grauwe Klauwier

--

>

>

100

Niet-broedvogels A037

Kleine Zwaan

-

=

=

130 (slaap- en rustplaats)

A039b

Toendrarietgans

+

=

=

17600 (slaap- en rustplaats)

Legenda SVI landelijk = > = (<)

Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) Behoudsdoelstelling Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering

4.1.2.1 Effectbeoordeling Natura 2000 Bargerveen Stikstofdepositie Permanente effecten Uit de Aerius-berekening volgt dat er geen sprake is van een blijvende toename in stikstofdepositie maar juist sprake is van een blijvende afname. Negatieve gevolgen voor de stikstofgevoelige habitatten (en leefgebieden van soorten) zijn uitgesloten. Tijdelijke effecten (aanlegfase 1 jaar) Uit de verschilberekening gemaakt tussen de aanlegfase van de invulling van het bestemmingsplan (zichtjaar 2023) en het feitelijk landbouwkundig gebruik blijkt dat er lokaal sprake is van een tijdelijke bijdrage van 0,55 mol N/ha/j. Daarnaast is ook sprake van een sterke afname van de stikstofdepositie. Bij de depositieberekening is voor de referentiesituatie een emissiepunt gehanteerd. Wanneer de emissiepunten meer verspreid over de 500 meter lange bufferzone liggen (wat meer overeenkomt met de werkelijkheid) zal over het gehele Natura 2000-gebied sprake zijn van een afname in stikstofdepositie. Zoals uit 4.1.1.1 blijkt is de emissie in de aanlegfase (tijdelijk en toegekend aan 1 jaar; 3.89 kg NH3/j en 9.711 kg NOx) beduidend lager dan de jaarlijke emissie in de referentiesituatie (3.2890 kg NH3/j). 23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

14

Projectgerelateerd

De berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000-gebied aanwezige habitattypen H6230 *heischrale graslanden, H7110A *actieve hoogvenen en H7120 herstellende hoogvenen heeft gezien de tijdelijke bijdrage toegekend aan 1 jaar en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone van 500 meter lang geen significant negatieve gevolgen. Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Tijdelijke effecten Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied en uitstraling naar het Natura 2000-gebied Bargerveen: - Geluidseffecten door materieel; - Optische effecten en verlichting door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; De duur van de werkzaamheden is nog niet bekend. Qua tijdsvensters wordt rekening gehouden met het werken buiten het broedseizoen voor vogels. Permanente effecten In de permanente situatie kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied met uitstraling naar het Natura 2000-gebied: - Toename aantal verkeersbewegingen; - Optische en geluidseffecten door toename recreatiedruk. Effect op broedvogels Het Natura 2000-gebied Bargerveen is aangewezen voor tien vogelrichtlijnsoorten. De doelen voor deze soorten dienen binnen het Natura 2000-gebied gehaald te worden.

De blauwborst, grauwe klauwier en roodborsttapuit zijn in het rood omkader gebied binnen het Natura 2000-gebied waargenomen tijdens het veldbezoek in 2019, zie figuur 4-3. Binnen het plangebied is tijdens het veldbezoek één blauwborst met territorium indicerend gedrag waargenomen. In hoeverre de broedvogels territoria hebben in het Natura 2000-gebied nabij het plangebied is niet bekend. Voor de realisatiefase geldt dat wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de vogelrichtlijnsoorten worden uitgevoerd er geen sprake is van verstoring van broedende vogels gedurende de realisatiefase. Is toch sprake van uitvoering dan geldt voor geluid en optische verstoring een verstoringszone van 100m-300m voor broedvogels. De afstand is soort specifiek en afhankelijk van aanwezig afscherming door bijvoorbeeld beplanting en gewenning aan (landbouw)machines en mensen op bekende recreatieve paden. Wanneer de werkzaamheden niet volledig overdag worden uitgevoerd kan de voorgenomen ingreep in de tijdelijke situatie zorgen voor verstoring door uitstraling van verlichting van bouwlampen en koplampen.

Figuur 4-3: Zingende blauwborst binnen plangebied (rode ster) en leefgebied blauwborst, grauwe klauwier en roodborsttapuit (rode kader. Bron: Kadaster

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

15

Projectgerelateerd

De werkzaamheden/rijbewegingen op de grens van het Natura 2000-gebied en toepassing van verlichting moet zoveel mogelijk worden voorkomen om eventuele verstoring van vogels binnen het Natura 2000gebied te beperken. De werkzaamheden op de voormalige landbouwgronden zijn gezien de afstanden ten opzichte van het Natura 2000-gebied en zijn door maatregelen te beperken door werkpaden op afstand van het Natura 2000-gebied in te passen, overdag te werken en indien nodig alleen met afgeschermde (bouw)verlichting. Gezien de omvang en draagkracht van het Natura 2000-gebied en de afstand van het plangebied en voorzorgsmaatregelen hebben de werkzaamheden in de aanlegfase geen significante gevolgen voor de broedvogels en de bijbehorende instandhoudingsdoelen. Tijdens de permanente situatie wordt ook geen verstoring van broedvogels verwacht als gevolg van geluidseffecten en optische storing. De grootste aantrekkende werking zal voortkomen uit de (eventuele) horeca/recreatie gelegenheid in de zuidwesthoek van de buffer. Op basis van onderzoek op de verkeerseffecten (BE3120MINT210721) worden circa 400 extra verkeersbewegingen per etmaal verwacht.

De parkeergelegenheden bevinden zich echter op circa 200 meter van de grens van het Natura 2000-gebied en het tussenliggende gedeelte wordt onder andere ingericht met struweel, bovendien komt er een grote kade tussen de buffer en het Natura 2000-gebied en zullen de recreatieve voorzieningen worden afgeschermd met gebiedseigen beplanting zoals bos, houtsingels, struweel en/of rietkragen. Door de realisatie van de buffer zuid met plas-dras zones, nieuwe houtwallen en kruidenrijke graslanden neemt het leefgebied van de vogelrichtlijnsoorten (buiten het Natura 2000-gebied) in de toekomst toe. De mogelijke toename van recreanten in het Natura 2000-gebied Bargerveen zal geen significant negatieve gevolgen hebben voor de broedvogels. De recreanten komen verspreid in tijd en moeten gebruik maken van de opengestelde recreatieve paden. Significant negatieve effecten op de staat van instandhouding voor het Bargerveen zijn uit te sluiten voor de kwalificerende broedvogels van Natura 2000 Bargerveen. Verstoring kan beperkt worden door toepassing van maatregelen in de uitvoering (buiten broedseizoen en/of werkpaden inpassen op afstand van het Natura 2000-gebied). Effect op ‘Niet broedvogels’ (kleine zwaan en toendrarietgans) Bargerveen is voor twee niet broedvogels aangewezen, kleine zwaan en toendrarietgans, die hier overwinteren.

De kleine zwaan komt in sterk wisselend aantal in het Bargerveen voor. In strenge winters wordt de instandhoudingsdoelstelling (slaapplaats voor 130 exemplaren) gehaald. Daarmee wordt aan de doelstelling voldaan. De aantallen van de toendrarietgans kennen de sterke schommelingen. Het Bargerveen kent hoge aantallen toendrarietganzen, ruim boven het doel als slaapplaats voor van 17.600 ganzen. Op de lange termijn kunnen de slaapplaatsen van kleine zwanen en toendrarietganzen door verlanding en veenvorming verloren gaan (Provincie Drenthe, 2017). De werkzaamheden in de realisatiefase zullen niet leiden tot een significante aantasting slaap- en rustplaatsen van kleine ganzen of toendrarietganzen. Binnen het Bargerveen zijn de kleine zwaan en toendrarietgans aan te treffen in Meerstalblok-Oost (vooral in het ‘Land van Koopman’) en in de baggervelden van het Amsterdamsche Veld-Oost, ver buiten de verstoringsafstand ten aanzien van de eventuele werkzaamheden (meer dan 2 kilometer afstand). In de permanente zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen rondom de buffer en een toename recreatiedruk. Zowel de verkeersbewegingen als de recreatieve voorzieningen zijn gelegen op grote afstand van de slaapplaatsen. Er is geen sprake is verstoring van de slaapplaatsen van beide soorten.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

16

Projectgerelateerd

Synthese Natura 2000-gebied Bargerveen Het bestemmingsplan Buffer zuid tast de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Bargerveen niet aan. Het betekent juist een herstel van de natuurlijke kenmerken door de vernatting en hydrologisch herstel.

4.1.3

Overige Natura 2000-gebieden

Naast het Natura 2000-gebied Bargerveen zijn er binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep nog twee Natura 2000-gebieden waarop mogelijk een effect is. Dit betreffen twee gebieden over de grens, in Duitsland, te weten: Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek. Beide vallen binnen de invloedssfeer van het plan als gevolg van de verandering in stikstofdepositie. Permanente effecten Uit de Aerius-berekening volgt dat er geen sprake is van een blijvende toename in stikstofdepositie maar juist sprake is van een blijvende afname ter hoogte van Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek van 0,03 resp. 0,02 mol N/ha/j. Negatieve gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypen (en leefgebieden van soorten) zijn uitgesloten. Tijdelijke effecten (aanlegfase 1 jaar) Bij Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek is de tijdelijke bijdrage in 1 jaar 0,01 mol N/ha. Bij de Bergvennen & Brecklenkampse veld is ook lokaal sprake van een afname van 0,01 mol N/ha. De rekenresultaten zijn ter hoogte van de noordelijke delen van de Natura 2000-gebieden die binnen de 25 km rekengebied liggen. Wanneer de werkzaamheden over 2 jaar uitgespreid worden is naar verwachting geen sprake meer van een berekende toename.

De tijdelijke bijdrage is dermate gering en tijdelijk dat dit geen significant negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Daarnaast is sprake van een blijvende afname door het wegvallen van het landbouwkundig gebruik. Synthese Bergvennen & Brecklenkampse veld en Springendal & Dal van de Mosbeek Het bestemmingsplan Buffer zuid tast de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen niet aan. Enerzijds omdat de normering in Duitsland hoger ligt dan in Nederland waardoor toename van stikstofdepositie geen probleem is en anderzijds is vastgesteld dat in Nederland in de gebruiksfase juist een afname is. Deze afname zal ook direct een afname van stikstofdepositie in Duitsland betekenen. Hiermee is nader onderzoek niet noodzakelijk voor beide gebieden.

4.1.4

Cumulatie

De werkzaamheden binnen Buffer Zuid gaan gepaard met ingrepen die zijn voorzien (buiten de bufferzone) in het plangebied Schoonebeek rond het plangebied Buffer Zuid om de gewenste waterpeilen binnen dit landbouwgebied te realiseren. Op dit moment is de uitvoeringsplanning van beide projecten nog niet bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat deze projecten geheel of gedeeltelijk overlappen in de tijd. In de gemaakte berekeningen voor zowel Buffer Zuid als het GGOR zie je dat er een kleine toename is bij de aanleg (een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j en 0,18 mol N/ha/j respectievelijk) echter staat dit niet in verhouding tot afname in de gebruiksfase (De maximale afname van de depositie voor het GGOR bedraagt alleen al 1,55 mol N/ha/j. Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de beide projecten. Terwijl in de permanente situatie

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

17

Projectgerelateerd

juist een gunstigere situatie ontstaat voor de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de realisatie van de projecten.

4.2

Natuurnetwerk Nederland

Figuur 4-4-1 laat de ligging van de bufferzone zien ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierop is te zien dat het gehele plangebied onderdeel uitmaakt van het NNN en volledig bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur”. Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Dat gaat hier ook op omdat de gronden van waarop de bufferzone zal komen momenteel nog in agrarisch gebruik zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Conclusie Natuurnetwerk Nederland De toekomstige bufferzone met uitzondering van de recreatieve voorzieningen (ecolodges) maakt onderdeel uit van het NNN. Het horecagebouw plus omgeving in de zuidwesthoek van het plangebied krijgt een recreatieve bestemming, dit gedeelte zal ontgrensd worden van het NNN. Het plan geeft juist invulling aan de realisatie van het NNN met de daarbij behorende wezenlijke kenmerken en waarden (waterrijke natuur). Daarmee kan de voorgenomen ingreep in overeenstemming met de planologische gebiedsbescherming plaatsvinden.

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

18

Projectgerelateerd

5

Soortenbescherming

In dit hoofdstuk is de toetsing van het bestemmingsplan aan de soortenbeschermingsdeel van het Wnb opgenomen. De aanwezigheid van beschermde soorten is gedaan op basis van een bureaustudie en twee veldbezoeken (één in 2019 en één in 2021 ten behoeve van de actualisatie). Er zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) voor het plangebied en de nabije omgeving van de afgelopen 10 jaar 7. De straal van de opgevraagde gegevens verschilt per soort(groep). Dit is onder andere afhankelijk van de mobiliteit van een soort(groep). Voor de reeds uitgevoerde natuurtoets is een veldbezoek uitgevoerd op 29 mei 2019, gericht op geschiktheid van de biotopen voor de in de regio voorkomende soorten. Dit veldbezoek is uitgevoerd door Erik Rosendaal en Jerry Olthuis, ecologen van Royal HaskoningDHV. Tijdens het veldbezoek was het 18 ºC, zonnig met windkracht 3. Dit veldbezoek is, ondanks dat er geen kwalitatieve verandering heeft plaatsgevonden in het gebied (het gebied is nog steeds in landbouwkundig gebruik, geactualiseerd. Voor de actualisatie van de natuurtoets is een veldbezoek uitgevoerd op 10 december 2021, wederom gericht op biotoopgeschiktheid voor de in de regio voorkomende soorten. Dit veldbezoek is uitgevoerd door Jens Schepers, ecoloog van Royal HaskoningDHV.

Tijdens het veldbezoek was het 3 ºC, zonnig met windkracht 1. De aanwezigheid van soorten en de effecten van het plan in de aanleg- en gebruiksfase is per soortgroep beschreven. Afhankelijk van de aanwezigheid van soorten en de functie van het plangebied zijn maatregelen voorgesteld om invulling te geven aan de zorgplicht uit de Wnb.

5.1

Voorkomen en effectbeoordeling van beschermde soorten

In paragraaf 3.1 is de huidige situatie van het plangebied beschreven. Dit betreft een intensief beheert landbouwgebied met enkele watergangen en bosjes. Het bestemmingsplan maakt de inrichting van nieuwe natte natuur mogelijk waar ruime mogelijkheden en kansen zijn voor vestiging van bijzondere beschermde soorten. De nadruk voor de effectbeoordeling ligt op de negatieve effecten en voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen.

5.2

Vaatplanten

Voorkomen De NDFF bevat geen waarnemingen van beschermde vaatplanten binnen en in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn alleen algemene vaatplanten vastgesteld binnen het plangebied. In oevers van sloten stond gele lis, ridderzuring, pitrus, brandnetel en algemene grassoorten. In de bermen werden soorten vastgesteld als veldzuring, smalle weegbree, paardenbloem, brandnetel en algemene grassoorten. Bovengenoemde soorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikte standplaatsen voor praktisch alle onder de Wnb beschermde vaatplanten. Dit zijn vooral soorten van extensief beheerde en onbemeste akkers en soorten van kalkrijke standplaatsen. Daarnaast staan er soorten van zeer schrale, zwak zure standplaatsen op de lijst met beschermde vaatplanten. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid is het voorkomen van beschermde vaatplanten uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van het zijn uitgesloten. Het plan biedt juist nieuwe standplaatsen voor diverse bijzondere en mogelijk beschermde plantensoorten.

7

https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd november 2021

23 mei 2022

NATUURTOETS BUFFER ZUID

BE3102WMRP2111221147

19

Projectgerelateerd

5.3

Grondgebonden zoogdieren

De NDFF wijst op het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied, namelijk damhert, das, eekhoorn, grote bosmuis, waterspitsmuis en wild zwijn. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’. Voor de soorten die onder deze vrijstelling vallen blijft wel de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen. In het kader van de zorgplicht zijn mitigerende maatregelen opgenomen voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren in paragraaf 5.10. Tijdens het veldbezoek zijn geen zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen.

5.3.1

Damhert

Voorkomen: Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (bron: www.zoogdiervereniging.nl). De bekende waarnemingen van het damhert komen uit het Bargerveen. Damherten kunnen incidenteel foeragerend voorkomen binnen het plangebied. Effectbeoordeling Het open akkerlandschap is ongeschikt als vaste voortplantings- en rustplaats voor damherten. Als gevolg van de werkzaamheden worden dus geen vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen vernield. De akkers maken ook geen deel uit van essentiële foerageergebieden. De essentiële foerageergebieden van damherten vallen binnen het Bargerveen. Damherten zijn zeer mobiel en goed in staat om de werkzaamheden te ontvluchten. Het doden van damherten wordt uitgesloten. Conclusie Negatieve effecten ten aanzien van het damhert zijn uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=6ce4fe88-33db-41fe-a542-9546ee1cb251