3.7 Bijlagen bij toelichting Milieueffectrapport
Tekst van het document
BE3102-MI-220428-v.01
63
Projectgerelateerd
Veenkoloniaal landschap/slagenlandschap: o Langgerekte smalle strokenverkaveling (noord-zuid); o Rechtlijnigheid; o Openheid; o Micro reliëf; o Europaweg met daaraan de boerderijen met erfbeplanting en doorkijken naar het achterliggende ontgonnen land; o Verspreid enkele opgaande bosjes en singels, bijv. bosje Rikken-Jan.
10.6
Cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden
Cultuurhistorische waarden Cultuurhistorische waarden zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van de bewoningsgeschiedenis en het gebruik van het land door de mens. Het gebruik en de bewoning van het landschap door de eeuwen heen is nog steeds goed herkenbaar in het ensemble van het stroomdal van het Schoonebeekerdiep naar het hoogveengebied met van zuid naar noord: lagergelegen graslanden, de ontginningsbasis (Europaweg) met noordelijk ervan de boerderijen en daarachter de hoger gelegen bouwlanden en de daarachterliggende woeste gronden en het hoogveengebied. Dit landschappelijke ensemble heeft een hoge cultuurhistorische waarde. De historische en ruimtelijke structuur en samenhang ervan dienen herkenbaar en behouden te worden. De smalle strokenverkaveling en de Europaweg zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
64
Projectgerelateerd
Figuur 10-5. De ontwikkeling van het landschap door de decennia in het plangebied (bron: topotijdreis.nl).
Archeologische waarde Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen blijkt dat het plangebied voor een groot deel een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde - archeologie 4). Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden geldt een verbod voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm. Voor de aanleg van deze werken is een archeologisch onderzoek nodig om aan te tonen dat er geen archeologische waarden worden aangetast. Ten behoeve van de planontwikkeling is archeologisch vooronderzoek gedaan (Plangebied Buffer Zuid nabij Nieuw-Schoonebeek, gemeente Emmen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, 2021 (bijlage 7, bestemmingsplan)).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
65
Projectgerelateerd
Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de archeologische verwachting voor grote delen van het onderzoeksgebied vanwege de verstoring van de bodem of vanwege de lage en natte ligging van het (dek)zand worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor een beperkt deel blijft een middelhoge tot hoge verwachting bestaan. Het betreft hier de gekleurde gedeelten in Figuur 10-6:
Donkergeel: aaneengesloten zone met (deels) intacte podzolbodem. Voor deze zone geldt een hoge archeologische verwachting voor zowel het vondstenniveau als het sporenniveau. Lichtblauw: in deze percelen zijn in één of meer boringen intacte podzolbodems aangeboord maar ze zijn niet geheel onderzocht vanwege de ligging in een zone met een lage verwachting op de gemeentelijke beleidsadvieskaart. De kans is echter groot dat ook deze delen van het perceel intacte podzolbodems voorkomen aangezien grondverbetering vaak is toegepast op perceelsniveau. Donkerrood en lichtrood: in deze zone bevindt zich een dekzandrug op de overgang naar een lager gelegen natte zone in het zuidoosten van het gebied. Tijdens het booronderzoek en ook in het verleden tijdens eerdere onderzoeken zijn hier vele vuurstenen artefacten aangetroffen op het maaiveld. Een duidelijk signaal dat het vondtsniveau hier in ieder geval grotendeels verstoord is. Dat beeld wordt door de boringen bevestigd, alhoewel er enkele boringen zijn die nog een intacte B-horizont laten zien. Op de rug is de aanleg van een kleine sleuf ten behoeve van een olie-exportleiding archeologisch begeleid. In de C-horizont zijn destijds geen dieper ingegraven sporen gezien. De aanwezigheid van bewoning op de rug is echter onomstotelijk bevestigd door de vele vondsten. Ook sporen zoals haardkuilen zullen zich hier op de dekzandrug bevinden.
De vraag is of het dekzand dermate diep verstoord is dat sporen helemaal niet meer aanwezig zullen zijn. De archeologische verwachting voor het vondstenniveau is voor deze zones laag. Voor het sporenniveau is deze middelhoog. Als er nog sporen zijn, hebben deze een zeer hoge informatiewaarde ter aanvulling op de al aangetroffen artefacten die niet meer in situ liggen. Paars: dit betreft de cirkelvormige depressie met een diepte van 4,3 m en een intact organisch pakket van ruim 2 m. Vanwege de verstoring van de top van het pakket wordt aan de vulling een middelhoge in plaats van een hoge paleo-ecologische waarde toegekend.
Voor het overige deel van het onderzoeksgebied wordt vanwege de lage archeologische verwachting geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
66
Projectgerelateerd
Figuur 10-6. Resultaten- en advieskaart (bron: RAAP-rapport 5296, Verkennend booronderzoek, september 2021).
Aardkundige waarden In de Provinciale aardkundige waardenkaart is het beschermingsniveau van het plangebied aangeduid als generiek. Dit betekent dat er geen aardkundige waarden van provinciaal belang aanwezig zijn (Provinciale Omgevingsverordening 2018 en Waardevol Drenthe, Beleidsnotitie Aardkundige waarden). Er komt nog wel restveen voor in het plangebied wat in zijn algemeenheid een aardkundige waarde is. Veenkoloniale gronden zijn door de jaren heen gedeeltelijk verveend, gewoeld, gediepploegd en soms van drainage te voorzien. Dit om een menging van zand en veen te krijgen en daarmee geschikte landbouwgronden.
10.7
Woonomgeving, landbouw, recreatie en infrastructuur
Woonomgeving Ten zuiden van de bufferzone ligt de kern Nieuw-Schoonebeek en ten noorden ligt Weiteveen, daarnaast is er ten zuiden van de bufferzone een bebouwingslint langs de Europaweg (N863) en staan er enkele huizen in de omgeving. Binnen het plangebied bevinden zich geen huizen.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
67
Projectgerelateerd
Landbouw Het plangebied heeft in de huidige situatie een landbouwfunctie; veeteelt en akkerbouw (aardappelteelt). De Stheemanstraat heeft een belangrijke functie voor de landbouwkundige ontsluiting van de akkerbouwpercelen ten zuiden van het Bargerveen. Langs de Stheemanstraat loopt een NAM-leiding. Aardappels worden voornamelijk het dichtst bij het Bargerveen geteeld, omdat daar de percelen vanaf de Stheemanstraat goed toegankelijk zijn. De agrariërs uit Nieuw-Schoonebeek geven aan dat de huidige wisselteelt van akkerbouw en grasland gunstig is voor de kwaliteit van de bodem en dus voor hun bedrijfsvoering. Veelal worden de percelen voor het telen van de aardappels op jaarbasis verpacht aan boeren van buiten het gebied. De agrariërs geven aan dat vooral in het voorjaar sprake is van wateroverlast op de percelen dicht bij het Bargerveen. Daardoor kunnen de boeren pas later met de machines het land op dan gewenst. Recreatie Door het Bargerveen lopen gemarkeerde wandelroutes met een lengte van 1 tot 7,5 km. Het padenstelsel is beperkt in opzet en volgt de randen van het gebied. De niet toegankelijke gebieden kunnen uitsluitend bezocht worden onder begeleiding van een boswachter, veldmedewerker of vrijwilliger. Er wordt ook veel gebruik gemaakt van het fietspad (17,5 km) dat tegenwoordig het gebied doorkruist.
Er zijn geen exacte bezoekcijfers beschikbaar, maar naar schatting komen er jaarlijks ruim 100.000 bezoekers in het gebied (Bron: Staatsbosbeheer, 2014). Hoewel het dorp Nieuw-Schoonebeek niet direct grenst aan het Bargerveen, is het Bargerveen wel goed bereikbaar, onder andere via de Kerkenweg en het westelijk daarvan gelegen wandelpad langs de ijsbaan. In Nieuw-Schoonebeek leven daarnaast diverse initiatieven voor de aanleg van wandelommetjes rondom het dorp. In het dorp Weiteveen komen verschillende recreatieve voorzieningen samen. Er zijn goede parkeermogelijkheden om een fiets-/wandeltocht door het Bargerveen te starten. Ook staat er in Weiteveen de grootste en meest vernieuwende schaapskooi van Nederland, deze schaapskooi biedt naast stallen voor schapen en runderen ook ruimte voor horeca en een informatiesteunpunt. Ook bij het veenloopcentrum is een ruime onbemande informatieruimte.
10.8
Externe veiligheid
Het plangebied wordt doorkruist door een ondergrondse buisleiding van de NAM (NM000696). Dit betreft een zogenoemde aardgascondensaatleiding, voor het transport van aardolieproducten (zie Figuur 10-7). De buisleiding is relevant in het kader van externe veiligheid omdat bij een ongeval met de leiding een zogenoemde plasbrand kan ontstaan waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. De buisleiding valt onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In 2014 is een toetsing uitgevoerd om de risico’s voor de omgeving in beeld te brengen (DNV-GL, 2014). Onderstaand de gegevens van de toetsing: Plaatsgebonden risico Plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar (PR10-6): 20,5 meter. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied is 30 meter (1% letaliteit) aan weerszijden van de leiding. Er is binnen het invloedsgebied van het relevante leidingtracé geen groepsrisico berekend ten gevolge van de buisleiding. Dit komt omdat er binnen het invloedsgebied minder dan 10 personen (voor een groot gedeelte van de dag) aanwezig zijn.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
68
Projectgerelateerd
Figuur 10-7. Ligging aardolietransportleiding (bron: Risicokaart)
10.9
Ontplofbare oorlogsresten
Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) (Vooronderzoek 1862035-VO-02 kn Bargerveen, AVG, 2016 (bijlage 11, bestemmingsplan)). De in 2021 gewijzigde wetgeving doet geen afbreuk aan de resultaten van het onderzoek uit 2016. Op twee locaties waar vliegtuigcrashes zijn geweest is nader onderzoek verricht (Vooronderzoek Weiteveen-Klazienaveen, AVG, 2016 (bijlage 12, bestemmingsplan)) en in 2022 is overgegaan tot opsporing van deze mogelijke ontplofbare oorlogsresten (Bargerveen Proces-verbaal van oplevering, AVG, 2022 (bijlage 13, bestemmingsplan)). Er zijn geen (restanten) ontplofbare oorlogsresten aangetroffen. De aangetroffen verstoringen zijn geïdentificeerd als schroot en verwijderd. Het onderzochte gebied is vrijgegeven van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
69
Projectgerelateerd
11
Effecten
11.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn per thema de effecten beschreven van de inrichtingsvarianten, het VKA en VKA+.
11.2
Watersysteem en -kwaliteit
11.2.1 Methodiek De effecten op het thema watersysteem en -kwaliteit zijn beschreven aan de hand van de aspecten grondwaterstand, oppervlaktewaterpeil, infiltratie, waterkwaliteit en waterveiligheid. In onderstaande tabel is de onderzoeksmethodiek aangegeven. Voor dit thema is kwantitatief onderzoek gedaan door middel van berekeningen met een grond- en oppervlaktewater. De modelbeschrijvingen zijn te vinden in Grondwatermodel Bargerveen Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 14, bestemmingsplan) en Technisch achtergrondrapport oppervlaktewatermodel Bargerveen en Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 15, bestemmingsplan). Alle modelresultaten zijn gepresenteerd in Effectberekeningen gronden oppervlaktewatermodel Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 16, bestemmingsplan). Tabel 11-1. Onderzoeksmethodiek voor het thema watersysteem en -kwaliteit Aspect
Criteria
Methode
Grondwaterstand
Maximaal en minimaal optredende waterstanden
Grondwatermodel berekeningen
Oppervlaktewaterkwantiteit Peil in bufferzone
Oppervlaktewatermodel berekeningen
Infiltratie
Maximalisatie van de infiltratiemogelijkheden
Grondwatermodel berekeningen
Waterkwaliteit
Verandering van de waterkwaliteit
Oppervlaktewatermodel berekeningen
Waterveiligheid
Kades rondom de buffer
Kwalitatief op basis van deskundigenoordeel
11.2.2 Grondwaterstand Algemeen Voor de berekeningsresultaten is gekeken naar de verandering van de stijghoogte onder het Bargerveen. Daarbij is een uitsplitsing gemaakt naar de toename van de stijghoogte in de veenbasis, de toename van de stijghoogte vanuit de tussenzandlaag tot in de veenbasis en de toename van de stijghoogte in de tussenzandlaag (zie ter illustratie Figuur 11-1).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
70
Projectgerelateerd
Huidige situatie
Na inrichting
1
Veen
2 3
Tussenzandlaag
Keileem Watervoerend pakket
Figuur 11-1. Principeprofiel met de verandering van de stijghoogte weergegeven: 1) toename stijghoogte in de veenbasis 2) toename stijghoogte van de tussenzandlaag tot in de veenbasis 3) toename stijghoogte in de tussenzandlaag.
Inrichtingsvarianten Uit de berekeningsresultaten volgt dat de verhoging van de ondiepe grondwaterstanden vooral in de bufferzone zelf en direct ten noorden van de bufferzone in het Bargerveen optreden. Ten zuiden van de buffer verlaagt de grondwaterstand als gevolg van de GGOR-peilen in het landbouwgebied. Dit zorgt er ook voor dat er geen verhoging van de grondwaterstanden in Nieuw-Schoonebeek optreden. In Weiteveen zijn geen effecten te verwachten, met uitzondering van een deel van de bebouwing van de Zuidersloot waar een lichte grondwaterstijging van zo’n 5 cm wordt berekend. De inrichting van de buffer leidt tot een verhoging van de stijghoogte onder de veenbasis over een oppervlakte van zo’n 800 hectare, waardoor wegzijging naar de ondergrond minder wordt. Hierbij is vooral de verandering van de stijghoogte in de zomerperiode van belang. De stijghoogte onder het Bargerveen stijgt met zo’n 5 tot 75 cm. De grootste stijging treedt op onder invloed van het westelijk deel van de buffer. De uitstraling naar het Bargerveen in het oostelijk deel van buffer is minder hoog, zo’n 5 tot 50 cm en straalt minder ver uit. De varianten schrijven alle vier een andere inrichting van de bufferzone voor, waardoor er wel verschillen zijn in de hydrologisch effecten.
Het oppervlak open water in de varianten Slagenlandschap en Land en Water is minder groot dan in de varianten Gradiënt en Beek en Veen. Hierdoor geven deze varianten minder tegendruk en zijn ze minder effectief in het verhogen van de stijghoogte onder het Bargerveen dan de varianten Gradiënt en Beek en Veen. De varianten Gradiënt en Beek en Veen zijn daarom positief beoordeeld (++) voor de aspecten grondwaterstand en Natura 2000 habitats en de varianten Slagenlandschap en Land en Water licht positief (+). VKA De inrichting van het VKA is met het grondwatermodel tijdsafhankelijk doorgerekend voor de periode van 2008 tot en met 2014. In deze berekeningen is gebruik gemaakt van de geactualiseerde GGOR-peilen en -peilvakken van 2021. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat door het VKA de stijghoogte in een gebied van zo’n 81 hectare tot in de veenbasis gaan reiken. In een gebied van zo’n 125 hectare neemt de stijghoogte in de veenbasis toe en in een gebied van 810 hectare neemt de stijghoogte toe, maar deze blijft hier wel onder de veenbasis. Het VKA is sterk positief beoordeeld (++) omdat de stijghoogte onder het Bargerveen toeneemt. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het peil in de buffervakken 1, 2 en 3 in de zomer uitzakt ten behoeve van vak 4. Daardoor wordt in de zomer in de vakken 1, 2 en 3 minder tegendruk geboden aan het Bargerveen dan in 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
71
Projectgerelateerd
de winter. In samenhang met de GGOR-maatregelen zijn de effecten in het landbouwgebied positief en de effecten bij bebouwing nihil. VKA+ Resultaten ondiepe grondwaterstand (winter (GHG) en zomer (GLG)) De inrichting van het VKA is met het grondwatermodel tijdsafhankelijk doorgerekend voor de periode van 2008 tot en met 2014. In deze berekeningen is gebruik gemaakt van de geactualiseerde GGOR-peilen en -peilvakken van 2021. Daarmee is de wintersituatie (gemiddeld hoogste grondwaterstand, GHG) en zomersituatie (gemiddeld laagste grondwaterstand, GLG) berekend. De berekeningsresultaten laten zien dat de ondiepe grondwaterstanden vooral in de buffer zelf en direct ten noorden van de buffer in het Bargerveen toenemen. Ten zuiden van de buffer treedt een lagere grondwaterstand op als gevolg van de GGOR-peilen. In Nieuw-Schoonebeek en Weiteveen treedt geen verhoging van de grondwaterstand op, behalve voor een deel van het bebouwd gebied in Weiteveen langs de Zuidersloot waar een lichte grondwaterstijging van zo’n 5 cm wordt berekend (klasse 5 – 10 cm). Stijghoogte onder veenbasis in de tussenzandlaag Het VKA+ heeft een positief effect op de stijghoogte in het Bargerveen. De berekeningsresultaten laten zien dat door de inrichting van de bufferzone de stijghoogte van de tussenzandlaag in een gebied van zo’n 91 hectare tot in de veenbasis gaat reiken.
In een gebied van zo’n 178 hectare neemt de stijghoogte van de tussenzandlaag in de veenbasis toe en in een gebied van 896 hectare neemt de stijghoogte van de tussenzandlaag wel toe, maar deze blijft hier wel onder de veenbasis. Het VKA+ is sterk positief beoordeeld (++) omdat het oppervlak stijghoogte in de veenbasis onder het Bargerveen toeneemt wat ten goede komt aan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen. Ten opzichte van het VKA scoort het VKA+ beter, omdat het peil in de buffervakken 1, 2 en 3 hoger blijft zodat ook vanuit deze vakken jaarrond tegendruk wordt geboden aan het Bargerveen. In samenhang met de GGOR-maatregelen zijn de effecten in het landbouwgebied positief en de effecten bij bebouwing nihil. Tijdelijke effecten in de aanlegfase Bij de aanlegwerkzaamheden wordt mogelijk bemaling toegepast. Dit kan lokaal leiden tot een verlaging van de grondwaterstand. Het effect kan worden gecompenseerd door maatregelen te nemen zoals retourbemaling. Dit wordt in de uitvoeringsfase nader uitgewerkt. Er wordt vanuit gegaan dat er maatregelen worden genomen om het effect te compenseren, zoals retourbemaling. Het effect wordt neutraal (0) beoordeeld.
11.2.3 Oppervlaktewaterkwantiteit Inrichtingsvarianten Uit de waterbalansberekeningen blijkt dat er voldoende wateraanvoer in de zomer is om het westelijk deel van de buffer op zomer- en winterpeil van respectievelijk 16,5 en 15,5 m + NAP te houden. In het oostelijk deel van het gebied zakken de waterstanden in de buffer gedurende de zomerperiode uit. In droge perioden is wateraanvoer vanuit het Dommerskanaal nodig, in de winter kan water uit het Bargerveen worden afgevoerd. De varianten zijn licht negatief beoordeeld (-) omdat de waterbalans niet geheel sluitend is en de bufferzone in de zomerperioden afhankelijk is van wateraanvoer. VKA Het VKA is licht negatief beoordeeld (-) omdat de waterbalans niet geheel sluitend is en de bufferzone in de zomerperioden afhankelijk is van wateraanvoer.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
72
Projectgerelateerd
VKA+ Het VKA+ is licht negatief beoordeeld (0/-) omdat de waterbalans niet geheel sluitend is en de bufferzone in de zomerperioden afhankelijk is van wateraanvoer. Ten opzichte van het VKA scoort het VKA+ beter, omdat er slimmer wordt omgegaan met het vasthouden van water en er daarom in de zomer flink minder wateraanvoer uit het Dommerskanaal nodig is.
11.2.4 Infiltratie Inrichtingsvarianten In de waterbalans is berekend dat de infiltratie vanuit de buffer jaarlijks meer dan 800.000 m3 bedraagt. Zo’n 90% van de totale infiltratie naar de ondergrond vindt ter plaatse van vak 4 plaats. De overige 10% infiltreert ter plaatse van de oostelijke vakken 1, 2 en 3. De infiltratie van hemelwater komt ten goede aan het grondwater en leidt tot een toename van de stijghoogte in de veenbasis onder het Bargerveen wat ten goede komt aan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen. De varianten scoren positief (++) en zijn niet onderscheidend. VKA Het VKA scoort sterk positief (++) omdat de infiltratie van hemelwater ten goede komt aan het grondwater en leidt tot een toename van de stijghoogte in de veenbasis onder het Bargerveen wat weer ten goede komt aan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen. VKA+ Het VKA scoort sterk positief (++) omdat de infiltratie van hemelwater ten goede komt aan het grondwater en leidt tot een toename van de stijghoogte in de veenbasis onder het Bargerveen wat weer ten goede komt aan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen. Ten opzichte van het VKA scoort het VKA+ beter, omdat het peil in de buffervakken 1, 2 en 3 hoger blijft zodat ook vanuit deze vakken jaarrond tegendruk wordt geboden aan het Bargerveen.
11.2.5 Waterkwaliteit Inrichtingsvarianten en VKA Voor een gezond watersysteem is het belangrijk dat er niet te veel voedingstoffen (stikstof N en fosfor P) in het oppervlaktewater aanwezig zijn. Bij een overmaat aan voedingsstoffen (eutrofiëring) bestaat het risico op overlast door kroos, flab, (blauw)algen of hele dichte, soortenarme vegetatie en daarmee lage biologische kwaliteit. Naast relatief schoon water uit het Bargerveen kan ook water worden aangevoerd vanuit het Dommerskanaal om de buffer op peil te houden. Dit water is voedselrijker dan het water uit het Bargerveen. De varianten en het VKA scoren negatief (- -) omdat naast relatief schoon water uit het Bargerveen ook water wordt aangevoerd vanuit het Dommerskanaal. Dit water is voedselrijker dan het water uit het Bargerveen. De toevoer met nutriënten heeft mogelijk tot gevolg dat de buffer uiteindelijk een plas wordt gedomineerd door algen met weinig waterplanten. Om de effecten van het inlaatwater op de waterkwaliteit te bepalen is een nadere analyse noodzakelijk (dit is voor het VKA+ gedaan, zie hieronder).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
73
Projectgerelateerd
VKA+ Waterkwaliteit Dommerskanaal Waterschap Vechtstromen heeft een regulier waterkwaliteitsmeetpunt in het Dommerskanaal. In de onderstaande figuren zijn het zomergemiddelde chlorofyl-a-gehalte en de zomer- en wintergemiddelde concentraties fosfaat, totaal-fosfor en totaal-stikstof gepresenteerd.
Figuur 11-2. Gemiddelde concentraties chlorofyl-a, fosfaat, totaal-P, totaal-N in het Dommerskanaal, 20105-2021 (Bron: Waterschap Vechtstromen)
De figuren tonen dat het Dommerskanaal voedselrijk is. Het zomergemiddelde chlorofyl-a-gehalte varieert van 35 µg/l tot bijna 250 µg/l. De hoge chlorofyl-gehaltes worden veroorzaakt door de hoge nutriëntenconcentraties. De zomergemiddelde totaal-P-concentratie varieert van 0,18 mg/l tot 0,51 mg/l. Gemiddeld over de periode 2015 t/m 2021 is de totaal-P-concentratie van het Dommerskanaal 0,31 mg/l. Dat is ook ongeveer de gemiddelde totaal-P-concentratie in 2021. De zomergemiddelde totaal-Nconcentratie varieert van 3,2 mg/l tot 5,4 mg/l. In de winter is de totaal-N-concentratie nog hoger: gemiddeld van 6,0 mg/l tot 8,2 mg/l. Effect van Dommerskanaalwater op de waterkwaliteit in Buffer Zuid De landbouwkundige functie komt te vervallen. Hierdoor zal ook de hoeveelheid nutriënten (meststoffen) dat in het grondwater (en oppervlaktewater) terecht kan komen afnemen. De nutriëntenrijke toplaag van de bodem wordt afgegraven. Daardoor wordt nalevering vanuit een nutriëntenrijke bodem voorkomen, mits deze zodanig elders of binnen het gebied wordt verwerkt dat geen nalevering plaats kan vinden. Met behulp van het oppervlaktewatermodel zijn de afvoeren van en naar de buffer inzichtelijk gemaakt. Per vak is (op grond van weergegevens in de periode 2000-2010) berekend hoeveel water afkomstig is uit drie verschillende bronnen: Dommerskanaal, Bargerveen en Neerslag.
De berekeningsresultaten zijn gegeven in Figuur 11-3.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
74
Projectgerelateerd
Uit Figuur 11-3 blijkt dat er verschillen zijn tussen de vakken. Het peil in Vak 4 wordt ieder jaar op 1 april met een meter opgezet. Daarvoor wordt water uit het Dommerskanaal aangevoerd. In natte winters wordt het overgrote deel juist aangevoerd vanuit het Bargerveen. Vak 1 wordt vrijwel niet beïnvloed door Dommerskanaalwater en alleen gevoed door neerslag en Bargerveenwater. In Vak 2 en vak 3 is het aandeel Dommerskanaalwater groot in droge zomers en is in de winter de invloed van Dommerskanaalwater hoog vanwege conservering vanuit het landbouwgebied. Het aandeel Bargerveenwater in Vak 2 en Vak 3 is in langdurig natte periodes zo’n 50% en in droge periodes nihil.
Figuur 11-3. Herkomst van water in de vakken (Rood = Dommerskanaal, groen = Bargerveen, blauw = neerslag)
Uit waterkwaliteitsgegevens van het Bargerveen en het Dommerskanaal zijn voor totaal-P en totaal-N gemiddelde zomer- en winterconcentraties per bron bepaald. Door deze stofconcentraties te combineren met de aandelen vanuit de verschillende bronnen zijn de concentraties totaal-P en totaal-N gedurende 10 jaar (met natte en droge jaren) bepaald. De berekeningsresultaten staan in Figuur 11-4.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
75
Projectgerelateerd
Figuur 11-4. Concentraties totaal-P (links) en totaal-N (rechts) voor de vier buffervakken
Uit Figuur 11-4 blijkt dat er verschillen in waterkwaliteit zijn te verwachten tussen de vakken. Vak 1, dat vooral wordt gevoed met Bargerveenwater en neerslag, heeft een lage totaal-P-concentratie die fluctueert tussen 0,02 mgP/l en 0,07 mgP/l. Vak 4, dat de grootste hoeveelheid van het aangevoerde water uit het Dommerskanaal krijgt te verwerken, heeft de hoogste totaal-P-concentratie. Beoordeling waterkwaliteit Voor basisnatuur zijn geen vastgestelde waterkwaliteitsnormen voorhanden. Voor een indicatie van de gewenste kwaliteit wordt hier gekeken naar de KRW-maatlat voor een watertype dat vergelijkbaar is met Buffer Zuid, namelijk M14 Ondiepe gebufferde plassen. Voor een goede kwaliteit gelden klassengrenzen van 0,09 mg/l voor Totaal-P (zomergemiddeld) en 1,3 mg/l voor Totaal-N (zomergemiddeld).
Vak 1 heeft een (qua nutriënten) goede waterkwaliteit; door de hoge humusconcentratie in het water afkomstig van Bargerveen is er ook sprake van lichtlimitatie. In dit vak wordt geen algenbloei verwacht. Mogelijk is er, met name in de delen die dieper zijn dan zo’n 60 cm, te weinig licht voor ondergedoken waterplanten. In de ondiepere delen kunnen wel waterplanten groeien. Langs de oevers van Vak 1 zullen oeverplanten groeien. Vak 2 en Vak 3 verkeren in een ‘matige’ toestand (in KRW-terminologie, een ‘matige toestand’ geldt bij concentraties tussen 0,09 en 0,18 mg P/l)). Algengroei is periodiek mogelijk. De nutriëntentoestand in Vak 4 is ‘ontoereikend’ (in KRW-terminologie), omdat de concentratie totaalP regelmatig hoger is dan 0,2 mg P/l (een ‘ontoereikende toestand’ geldt bij concentraties tussen 0,18 en 0,36 mg P/l). De omstandigheden zijn geschikt voor algengroei en zelfs blauwalgengroei is niet uitgesloten. De groei van ondergedoken waterplanten is niet waarschijnlijk.
Als dit wordt vertaald naar ecosysteemtoestanden ontstaat het in Figuur 11-5 weergegeven beeld (Bron: STOWA 2018/23: Ecosysteembeelden voor stilstaande wateren). Enerzijds kan worden gesteld dat de variatie van de toestand vanuit ecologisch oogpunt positief is en dat troebel water nu eenmaal bij het systeem (en veel andere watersystemen in de omgeving) hoort. Anderzijds is ook duidelijk dat de toestand in met name Vak 4 een (zeer) lage ecologische waarde heeft en er kans is op periodieke blauwalgengroei. Het VKA+ scoort daarom negatief (- -).
Figuur 11-5. Ecosysteembeelden: Vak 4 troebel met blauwalgen, Vak 2 en 3 troebel met groenalgen, Vak 1 troebel zonder algen
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
76
Projectgerelateerd
11.2.6 Mitigerende maatregelen waterkwaliteit (VKA+) De resultaten zijn in maart 2022 besproken met de gebiedspartners. De gebiedspartners zijn het erover eens dat de verwachte waterkwaliteit en de daaraan gerelateerde gevolgen/risico’s in Vak 4 niet gewenst zijn. Elk nieuw aan te leggen water moet voldoen aan een goede waterkwaliteit. Waterschap Vechtstromen is van mening dat watersystemen met een dergelijke fosfaatconcentratie niet gecreëerd zouden moeten worden. De Gemeente Emmen geeft aan dat vanuit oogpunt van recreatie ter plaatse van vak 4 een ongewenste situatie ontstaat. Staatsbosbeheer ziet bij dergelijke hoge nutriëntenconcentraties risico’s voor de ontwikkeling van Watercrassula. Daarom moeten vanuit het oogpunt van de gebiedspartners de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het aanvoerwater worden verkend. Om een betere waterkwaliteit te realiseren is defosfatering van het aanvoerwater nodig. Er zijn twee type maatregelen overwogen: helofytenfilters of ijzerzandfiters. Aan de hand van een eerste kwalitatieve beoordeling is ingeschat dat vanwege het benodigde ruimtebeslag (zo’n 6 ha) een helofytenfilter niet haalbaar is. Ook het toepassen van helofyten in de aanvoerwatergang is in verband met de dimensies van de watergang (diepte) niet haalbaar. Gezien het beperktere benodigde ruimtebeslag (zo’n 1,5-2 ha) heeft een ijzerzandfilter de voorkeur.
Bij een ijzerzandfilter zal het te behandelen water met een gemaal vanuit de aanvoerwatergang naar een bezinkbassin worden gepompt. Vanuit het bezinkbassin wordt het water via kleine greppels over het zandfilter verdeeld. Aan de afvoerzijde van het filter stroomt het behandelde water via een onderdoorlaat en een stuw naar vak 4. Om het te behandelen water voldoende contacttijd met het ijzer-zand te geven is de stuw tijdens watertoevoer zo ingesteld dat het ijzer-zandfilter maximaal onder water staat. Door de stuw aan het eind van de behandeling te verlagen kan het gehele zandfilter worden geleegd. In Figuur 11-6 zijn 3 voorbeelden van vergelijkbare zandfilters weergegeven.
Figuur 11-6. Voorbeelden ijzerzandfilters (Bron: Google Earth). Links: Waterakker Breda Waterzuivering (Teteringen). Midden: Zandfilter Blaricummermeent (Blaricum). Rechts: Knooppunt A1 en Hilversumseweg: zuivering wegwater en infiltratie (Laren).
Met toepassing van een ijzerzandfilter is de waterkwaliteit van het VKA+ neutraal (0) beoordeeld. Het ijzerzandfilter wordt nader uitgewerkt in het definitief ontwerp.
11.2.7 Waterveiligheid Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ De effecten op de waterveiligheid in de omgeving van de buffer en het Bargerveen zijn kwalitatief beoordeeld in deze paragraaf Overal in Bargerveen wordt gewerkt met kades die een minimale overhoogte van 50 cm hebben (50 cm hoger dan het maximale peil). De kades zijn door het waterschap aangewezen als zijnde “overige waterkeringen”. Voor het ontwerpen van waterkeringen wordt uitgegaan van de richtlijnen van het waterschap (deze richtlijnen sluiten aan bij de STOWA richtlijnen voor regionale keringen). Met de inrichting wordt uitgegaan van normeringsniveau T=100. De kades zijn ontworpen volgens deze richtlijnen, zodat de waterveiligheid niet in het geding is. Met berekeningen met het oppervlaktewatermodel is aangetoond dat bij een T=100 situatie de maximale peilen minimaal 50 cm beneden de kadehoogte blijven. De varianten zijn niet onderscheidend en het effect op de waterveiligheid is neutraal (0). 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
77
Projectgerelateerd
11.2.8 Beoordelingstabel De beoordeling is samengevat in onderstaande tabel. Tabel 11-2. Samenvatting beoordeling effecten thema water Effectbeoordeling inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Thema
Water
Aspect
Slagenlandschap
Land & Water
Gradiënt
Beek & Veen
VKA
VKA+
Grondwaterpeil
+
+
++
++
++
++
Oppervlaktewaterkwantiteit
-
-
-
-
-
0/-
Infiltratie
++
++
++
++
++
++
Waterkwaliteit
--
--
--
--
--
- - / 0*
Waterveiligheid
0
0
0
0
0
0
* beoordeling wordt neutraal (0) met toepassing van mitigerende maatregelen (ijzerzandfilter).
11.3
Natuur
11.3.1 Methodiek De effecten op het thema natuur zijn beschreven aan de hand van de aspecten Natura 2000 habitats en soorten, verdroging, beschermde soorten, NNN en natuurwaarden in de bufferzone. In onderstaande tabel is de onderzoeksmethodiek aangegeven. Voor dit thema is een Natuurtoets uitgevoerd (Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 5, bestemmingsplan)) op basis van kwalitatief bureauonderzoek en veldonderzoek en er zijn berekeningen uitgevoerd met Aerius 2022 om de stikstofdepositie te berekenen. Tabel 11-3. Onderzoeksmethodiek voor het thema natuur Aspect
Criteria
Methode
Natura 2000 habitattypen en soorten
Beïnvloeding van de instandhoudings- en verbeterdoelstellingen van Natura 2000-gebieden
Kwalitatief op basis van deskundigenoordeel en stikstofdepositieberekeningen
NNN
Beïnvloeding van het ontwikkelingspotentieel en de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden
Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel
Natuurwaarden bufferzone
Natte natuur in de bufferzone
Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel
Beschermde soorten (Wnb)
Beïnvloeding van de leefgebieden en de populatie van beschermde flora- en faunasoorten
Kwalitatief op basis van bureauonderzoek, veldonderzoek en deskundigenoordeel
11.3.2 Natura 2000 De effecten op Natura 2000-gebieden zijn getoetst aan de mate waarin de instandhoudings- en verbeterdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden beïnvloed. De instandhoudingsdoelen zijn: H6230 Heischrale graslanden (behoud areaal en verbetering van de kwaliteit) H7110A Actieve hoogvenen (uitbreiding areaal en verbetering van de kwaliteit) H7120 Herstellende hoogvenen (behoud areaal en verbetering van de kwaliteit) Behoud of uitbreiding van de populatie en verbetering van het leefgebied van 10 vogelsoorten (geoorde fuut, blauwe kiekendief, porseleinhoen, watersnip, velduil, nachtzwaluw, blauwborst, paapje, roodborsttapuit en grauwe klauwier) 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
78
Projectgerelateerd
Behoud van de slaapplaatsfunctie van 2 soorten wintervogels (kleine zwaan en toendrarietgans).
Naast het hydrologisch herstel gericht op habitattypen van natte standplaatsen kunnen de werkzaamheden gezien de nabije ligging tijdelijke en/of blijvende effecten hebben op de overige doelen zoals de aanwezige vogelrichtlijnsoorten. Uit de analyse van de storingsfactoren van de effectenindicator van het ministerie van LNV volgt dat voor het plan stikstofdepositie en verstoring door geluid, licht en aanwezigheid van mensen en machines (optische verstoring) relevante storingsfactoren zijn. Effecten zijn positief gewaardeerd zodra een bijdrage wordt geleverd aan het behalen van deze doelstellingen en negatief wanneer beperkingen optreden in het behalen van de doelstellingen.
11.3.2.1 Rekenresultaten stikstofdepositie In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden op een afstand van 25 km of meer. In het kader van stikstofdepositie is de rekenafstand in Aerius 2021 tot 25 km 13 . Binnen deze rekenafstand liggen behalve het Bargerveen de twee Nederlandse Natura 2000-gebieden Bergvennen & Brecklenkampse Veld en Springendal & Dal van de Mosbeek14. Uit de verschilberekening in Aerius 2022 ten opzichte van de (huidige) referentiesituatie komt naar voren dat er geen sprake is van een stiktoename, maar juist van een sterke afname in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van het uit gebruik nemen van de landbouwgronden en het stopzetten van bemesting. In de Natuurtoets is beoordeeld dat de berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000-gebied Bargerveen aanwezige habitattypen gezien de tijdelijke bijdrage van de aanlegfase en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone geen significant negatieve gevolgen heeft.
11.3.2.2 Effecten op het Bargerveen Hydrologische effecten Inrichtingsvarianten Hoe meer de stijghoogte en grondwaterstand onder het Bargerveen toenemen, hoe beter voor de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Op basis van hun effectiviteit op het verhogen van de stijghoogte (zie paragraaf 11.2.2) zijn de varianten Gradiënt en Beek en Veen positief beoordeeld (++) en de varianten Slagenlandschap en Land en Water licht positief (+). Het effect is niet per soort beoordeeld en dat is in deze fase ook niet mogelijk. Na realisatie van de bufferzone kan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen door middel van monitoring worden gevolgd. VKA en VKA+ Het VKA en VKA+ zijn beiden sterk positief (++) beoordeeld, omdat het bijdraagt aan de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen van het Bargerveen ten aanzien van de ontwikkeling van hoogveen in het Bargerveen. Stikstofdepositie Hier zijn alleen de berekende stikstofdepositie van het VKA+ gepresenteerd zoals berekend met Aerius 2022. Oude berekeningen van het VKA zijn niet meer actueel vanwege vernieuwing van het rekenpakket. De eindconclusie is ook van toepassing voor de varianten en het VKA.
13 Het kabinet heeft op 9 juli 2021 besloten om bij depositieberekeningen in het kader van de toestemmingverlening voor alle type emissiebronnen, waaronder wegverkeer, uit te gaan van een maximale rekenafstand van 25 km. Dit is per 1 juli 2021 verankerd in de Wet natuurbescherming alsook verwerkt in de Aerius calculator. 14 In Duitsland ligt de normering hoger dan in Nederland. Als het voor de Nederlandse normen voldoet, dan zal dat ook gelden voor de Duitse Natura 2000-gebieden.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
79
Projectgerelateerd
Permanente effecten Uit de Aerius-berekening volgt dat er geen sprake is van een blijvende toename in stikstofdepositie maar juist sprake is van een blijvende afname. Negatieve gevolgen voor de stikstofgevoelige habitatten (en leefgebieden van soorten) zijn uitgesloten. Tijdelijke effecten (aanlegfase 1 jaar) Uit de verschilberekening gemaakt tussen de aanlegfase (zichtjaar 2023) en het feitelijk landbouwkundig gebruik, blijkt dat er lokaal sprake is van een tijdelijke bijdrage van 0,55 mol N/ha/j. Daarnaast is ook sprake van een sterke afname van de stikstofdepositie. Bij de depositieberekening is voor de referentiesituatie een emissiepunt gehanteerd. Wanneer de emissiepunten meer verspreid over de 500 m lange bufferzone liggen (wat meer overeenkomt met de werkelijkheid) zal over het gehele Natura 2000-gebied sprake zijn van een afname in stikstofdepositie. De emissie in de aanlegfase (tijdelijk en toegekend aan 1 jaar; 3.89 kg NH3/j en 9.711 kg NOx) is lager dan de jaarlijkse emissie in de referentiesituatie (3.2890 kg NH3/j).
De berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000-gebied aanwezige habitattypen H6230 *heischrale graslanden, H7110A *actieve hoogvenen en H7120 herstellende hoogvenen heeft gezien de tijdelijke bijdrage toegekend aan 1 jaar en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone van 500 m geen significant negatieve gevolgen. Momenteel is sprake van een sterke overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW) van de stikstofgevoelige habitattypen in het Bargerveen. Bij realisatie van de bufferzone neemt de depositie van stikstofverbindingen sterk af als gevolg van het uit gebruik nemen van de landbouwgebieden en de daarbij horende bemesting. Dit heeft een positief effect op de ontwikkeling van de Natura 2000 doelen in het Bargerveen. Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Tijdelijke effecten Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied en uitstraling naar het Natura 2000-gebied Bargerveen: Geluidseffecten door materieel; Optische effecten en verlichting door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; De duur van de werkzaamheden is nog niet bekend. Qua tijdsvensters wordt rekening gehouden met het werken buiten het broedseizoen voor vogels.
Permanente effecten In de permanente situatie kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied met uitstraling naar het Natura 2000-gebied: Toename aantal verkeersbewegingen; Optische en geluidseffecten door toename recreatiedruk. Effect op broedvogels Het Natura 2000-gebied Bargerveen is aangewezen voor tien vogelrichtlijnsoorten. De doelen voor deze soorten dienen binnen het Natura 2000-gebied gehaald te worden. De blauwborst, grauwe klauwier en roodborsttapuit zijn in het rood omkader gebied binnen het Natura 2000-gebied waargenomen tijdens het
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
80
Projectgerelateerd
veldbezoek in 2019, zie Figuur 11-7. Binnen het plangebied is tijdens het veldbezoek één blauwborst met territorium indicerend gedrag waargenomen. In hoeverre de broedvogels territoria hebben in het Natura 2000-gebied nabij de bufferzone is niet bekend. Voor de realisatiefase geldt dat wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de vogelrichtlijnsoorten worden uitgevoerd er geen sprake is van verstoring van broedende vogels gedurende de realisatiefase. Is toch sprake van uitvoering dan geldt voor geluid en optische verstoring een verstoringszone van 100 m-300 m voor broedvogels. De afstand is soort specifiek en afhankelijk van aanwezig afscherming door bijvoorbeeld beplanting en gewenning aan (landbouw)machines en mensen op bekende recreatieve paden. Wanneer de werkzaamheden niet volledig overdag worden uitgevoerd kan de voorgenomen ingreep in de tijdelijke situatie zorgen voor verstoring door uitstraling van verlichting van bouwlampen en koplampen.
Figuur 11-7. Zingende blauwborst binnen plangebied (rode ster) en leefgebied blauwborst, grauwe klauwier en roodborsttapuit (rode kader. Bron: Kadaster
De werkzaamheden/rijbewegingen op de grens van het Natura 2000-gebied en toepassing van verlichting moet zoveel mogelijk worden voorkomen om eventuele verstoring van vogels binnen het Natura 2000gebied te beperken. Maatregelen om de effecten te beperken zijn: werkpaden op afstand van het Natura 2000-gebied in te passen, overdag te werken en als nodig alleen met afgeschermde (bouw)verlichting. Gezien de omvang en draagkracht van het Natura 2000-gebied en de afstand van het plangebied en voorzorgsmaatregelen hebben de werkzaamheden in de aanlegfase geen significante gevolgen voor de broedvogels en de bijbehorende instandhoudingsdoelen. Tijdens de permanente situatie wordt ook geen verstoring van broedvogels verwacht als gevolg van geluidseffecten en optische storing. De grootste aantrekkende werking zal voortkomen uit de (eventuele) horeca/recreatie gelegenheid in vak 4. Op basis van onderzoek op de verkeerseffecten (Verkeerseffecten Bargerveen Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2021 (bijlage 8, bestemmingsplan)) worden zo’n 400 extra verkeersbewegingen per etmaal verwacht.
De parkeergelegenheden bevinden zich echter op zo’n 200 m van de grens van het Natura 2000-gebied en het tussenliggende gedeelte wordt onder andere ingericht met struweel, bovendien komt er een grote kade tussen de buffer en het Natura 2000-gebied en zullen de recreatieve voorzieningen worden afgeschermd met gebiedseigen beplanting zoals bos, houtsingels, struweel en/of rietkragen. Door de realisatie van de buffer zuid met plas-dras zones, nieuwe houtwallen en kruidenrijke graslanden neemt het leefgebied van de vogelrichtlijnsoorten (buiten het Natura 2000-gebied) in de toekomst toe. De mogelijke toename van recreanten in het Natura 2000-gebied Bargerveen zal geen significant negatieve gevolgen hebben voor de broedvogels. De recreanten komen verspreid in tijd en moeten gebruik maken van de opengestelde recreatieve paden. Significant negatieve effecten op de staat van instandhouding voor het Bargerveen zijn uit te sluiten voor de kwalificerende broedvogels van Natura 2000 Bargerveen. Verstoring kan beperkt worden door
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
81
Projectgerelateerd
toepassing van maatregelen in de uitvoering (buiten broedseizoen en/of werkpaden inpassen op afstand van het Natura 2000-gebied). Effect op ‘Niet broedvogels’ (kleine zwaan en toendrarietgans) Bargerveen is voor twee niet broedvogels aangewezen, kleine zwaan en toendrarietgans, die hier overwinteren. De kleine zwaan komt in sterk wisselend aantal in het Bargerveen voor. In strenge winters wordt de instandhoudingsdoelstelling (slaapplaats voor 130 exemplaren) gehaald. Daarmee wordt aan de doelstelling voldaan. De aantallen van de toendrarietgans kennen sterke schommelingen. Het Bargerveen kent hoge aantallen toendrarietganzen, ruim boven het doel als slaapplaats voor van 17.600 ganzen. Op de lange termijn kunnen de slaapplaatsen van kleine zwanen en toendrarietganzen door verlanding en veenvorming verloren gaan (Provincie Drenthe, 2017). De werkzaamheden in de realisatiefase zullen niet leiden tot een significante aantasting van de slaap- en rustplaatsen van kleine ganzen of toendrarietganzen. Binnen het Bargerveen zijn de kleine zwaan en toendrarietgans aan te treffen in Meerstalblok-Oost (vooral in het ‘Land van Koopman’) en in de baggervelden van het Amsterdamsche Veld-Oost, ver buiten de verstoringsafstand ten aanzien van de eventuele werkzaamheden (meer dan 2 km afstand).
In de permanente situatie zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen rondom de buffer en een toename van de recreatiedruk. Zowel de verkeersbewegingen als de recreatieve voorzieningen zijn gelegen op grote afstand van de slaapplaatsen. Er is geen sprake is verstoring van de slaapplaatsen van beide soorten. Synthese Natura 2000-gebied Bargerveen Buffer Zuid tast de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Bargerveen niet aan. Het betekent juist een herstel van de natuurlijke kenmerken door de vernatting, het hydrologisch herstel en de afname van stikstofdepositie. De varianten zijn niet onderscheidend en het effect is zeer positief (++) beoordeeld.
11.3.2.3 Effecten op andere Natura 2000-gebieden Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek vallen binnen de invloedssfeer van Buffer Zuid als gevolg van de verandering in stikstofdepositie. Hier zijn alleen de berekende stikstofdepositie van het VKA+ gepresenteerd zoals berekend met Aerius 2022. Oude berekeningen van het VKA zijn niet meer actueel vanwege vernieuwing van het rekenpakket. De eindconclusie is ook van toepassing voor de varianten en het VKA. Permanente effecten Uit de Aerius-berekening volgt dat er geen sprake is van een blijvende toename in stikstofdepositie maar juist sprake is van een blijvende afname ter hoogte van Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek van 0,03 resp. 0,02 mol N/ha/j. Negatieve gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypen (en leefgebieden van soorten) zijn uitgesloten. Tijdelijke effecten (aanlegfase 1 jaar) Bij Natura 2000 Bergvennen & Brecklenkampse veld en Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek is de tijdelijke bijdrage in 1 jaar 0,01 mol N/ha. Bij de Bergvennen & Brecklenkampse veld is ook lokaal sprake van een afname van 0,01 mol N/ha. De rekenresultaten zijn ter hoogte van de noordelijke delen van de Natura 2000-gebieden die binnen de 25 km rekengebied liggen.
Wanneer de werkzaamheden over 2 jaar uitgespreid worden is naar verwachting geen sprake meer van een berekende toename. De tijdelijke bijdrage is dermate gering en tijdelijk dat dit geen significant negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Daarnaast is sprake van een blijvende afname door het wegvallen van het landbouwkundig gebruik.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
82
Projectgerelateerd
Synthese Bergvennen & Brecklenkampse veld en Springendal & Dal van de Mosbeek Buffer Zuid tast de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen niet aan. De varianten zijn niet onderscheidend en het effect is neutraal (0) beoordeeld.
11.3.3 NNN Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn in de Natuurtoets getoetst aan de mate waarin het ontwikkelingspotentieel voor realisatie van natuurbeheertypen door de verschillende alternatieven wordt beïnvloed. Effecten zijn positief gewaardeerd als het ontwikkelingspotentieel voor de realisatie van natuurdoeltypen wordt verbeterd en negatief wanneer het ontwikkelingspotentieel verminderd. De bufferzone en de eventuele recreatieve voorzieningen maken onderdeel uit van het NNN. Het gebied bestaat volledig uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur”. Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Dat gaat hier ook op omdat de gronden van waarop de bufferzone zal komen momenteel nog in agrarisch gebruik zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Alle varianten bieden ontwikkelingsmogelijkheden voor meerdere natuurtypen/landschapselementen. De buffer wordt gevormd door open water, plasdras en droge gronden. Het plan geeft invulling aan de realisatie van het NNN met de daarbij behorende wezenlijke kenmerken en waarden (waterrijke natuur).
De voorgenomen ingreep voor de eventuele recreatieve voorzieningen kan in overeenstemming met de planologische gebiedsbescherming plaatsvinden. Er is daarom ook geen sprake van compensatieplicht. Bij alle varianten is er sprake van een sterke verbetering ontwikkelingspotentieel voor realisatie natuurdoeltypen ten opzichte van de referentiesituatie. Daarom zijn alle varianten beoordeeld als sterk positief (++).
11.3.4 Natuurwaarden bufferzone Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Als gevolg van de peilverhoging in de buffer zal ook de natte natuur(waarde) in de bufferzone zelf sterk toenemen ten aanzien van de referentiesituatie. Het plangebied bestaat in de referentiesituatie uit veenontginningsgebied met veel ontwateringssloten en grootschalige akkers en de natuurwaarde is beperkt. Algemene broedvogels van akkerland kunnen hier (beperkt) leefgebied vinden, evenals algemene zoogdiersoorten en amfibieën. De natuurwaarden zullen door Buffer Zuid sterk toenemen door de realisatie van zoete plassen, natte en vochtige, voedselrijke graslanden, lokaal aangevuld met natte ruigten en struweel. Daarom zijn alle varianten beoordeeld als sterk positief (++).
11.3.5 Beschermde soorten Slagenlandschap De bosjes binnen het plangebied die mogelijk van belang zijn als leefgebied van beschermde soorten (bosmuis, buizerd, ransuil/kernkuil, vleermuizen) blijven behouden. Voor de 2 kleine bosjes wordt het wel te nat, die zullen verdrinken, en ontwikkelen naar wilgenbroekbos. Het plangebied blijft na inrichting geschikt leefgebied voor de betreffende soorten bevatten. Daarnaast maken buizerd en ransuil/kerkuil naar verwachting zowel in de huidige als in de toekomstige situatie gebruik van de omgeving van het plangebied, zodat slechts een deel van het leefgebied beïnvloed wordt. Door de afwisseling van water, plasdras en droger grasland, zal het plangebied na inrichting mogelijk een geschikt leefgebied vormen voor meer (beschermde) soorten. Afhankelijk van het beheer bieden de droge gronden kansen voor de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden of akkers. Dit is ideaal leefgebied voor 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
83
Projectgerelateerd
graspieper, veldleeuwerik en gele kwikstaart. In combinatie met het struweel biedt het ook kansen voor vogels zoals geelgors, patrijs en wellicht grauwe klauwier. Daarnaast bieden de kruidenrijke akkers en/of graslanden met beperkt agrarisch medegebruik kansen voor insecten zoals de beschermde aardbeivlinder die in het Natura 2000-gebied voorkomt. De singels bieden kansen voor soorten als steenuil, de torenvalk en marterachtigen. Een dichte, volle singel met elzen en diverse struiken, is een goed leefgebied voor struweelvogels als winterkoning, patrijs, roodborst, zwartkop, geelgors en sijs. Aanleg van vlonderpaden en een fietsroute leiden wel tot enige verstoring binnen de bufferzone. De waterplas biedt op termijn mogelijk kansen voor de ontwikkeling van krabbenscheer en de libellensoort groene glazenmaker. De stukken met plas dras stukken bieden kansen voor amfibieën. Omdat het leefgebied van (mogelijk) aanwezig beschermde soorten behouden blijft en het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie geschikter wordt voor diverse (beschermde) soorten, wordt het effect beoordeeld als sterk positief (++). Land en Water De bosjes binnen het plangebied die mogelijk van belang zijn als leefgebied van beschermde soorten (bosmuis, buizerd, ransuil/kernkuil, vleermuizen) gaan verloren.
De nieuwe bosjes die gerealiseerd worden in het plangebied zullen op termijn naar verwachting geschikt leefgebied voor de betreffende soorten vormen. Door de afwisseling van water, plasdras en droger grasland, zal het plangebied na inrichting mogelijk een geschikt leefgebied vormen voor meer (beschermde) soorten. Afhankelijk van het beheer bieden de droge gronden kansen voor de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden of akkers. Dit is ideaal leefgebied voor graspieper, veldleeuwerik en gele kwikstaart. In combinatie met het struweel biedt het ook kansen voor vogels zoals geelgors, patrijs en wellicht grauwe klauwier. Daarnaast bieden de kruidenrijke akkers en/of graslanden kansen voor insecten zoals de beschermde aardbeivlinder die nog in het Natura 2000-gebied voorkomt. De singels bieden kansen voor soorten als steenuil, de torenvalk en marterachtigen. Een dichte, volle singel met elzen en diverse struiken, is een goed leefgebied voor struweelvogels als winterkoning, patrijs, roodborst, zwartkop, geelgors en sijs. Bij deze variant is sprake van relatief grote watermassa’s en daarom zijn de land-waterovergangen relatief beperkt, zodat de potentie voor biodiversiteit niet optimaal is (beperkt leefgebied voor soorten zoals watersnip wintertaling).
Omdat in deze variant daarnaast ruimte wordt geboden aan landbouw, recreatie of hydroteelt, is de ruimte voor beschermde soorten relatief beperkt. Hoewel de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten na inrichting in het plangebied een geschikt leefgebied kunnen vinden, vormt verlies van de huidige mogelijke verblijfplaatsen een negatief effect. Daartegenover staat het positieve effect dat het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie geschikter wordt voor diverse (beschermde) soorten. De ruimte voor beschermde soorten is in deze variant echter niet optimaal vanwege landbouw, recreatie en hydroteelt. Al met al wordt deze variant voor beschermde soorten beoordeeld als licht positief (0/+). Gradiënt Het bosje waar mogelijk een buizerdnest en rustplaats van ransuil/kerkuil en mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, blijft als eilandje behouden. Wel gaan twee bosjes verloren die potentieel leefgebied van de grote bosmuis vormen, en waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit is een negatief effect. De nieuwe bosjes die gerealiseerd worden in het plangebied zullen naar verwachting op termijn geschikt leefgebied voor de betreffende soorten vormen.
In deze variant is de afwisseling maximaal (variabele waterdiepte, flauwe taluds afwisseling maaiveldhoogte, grasland en opgaande begroeiing) en verstoring minimaal (agrarisch medegebruik bestaat enkel uit begrazing, recreatieve voorzieningen zijn gelegen aan de randen van de buffer). Door de
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
84
Projectgerelateerd
afwisseling van water, plasdras en droger grasland, en opgaande begroeiing zal het plangebied na inrichting een geschikt leefgebied vormen voor meer (beschermde) soorten. Afhankelijk van het beheer bieden de droge gronden kansen voor de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden. Dit is ideaal leefgebied voor graspieper, veldleeuwerik en gele kwikstaart. In combinatie met het struweel biedt het ook kansen voor vogels zoals geelgors, patrijs en wellicht grauwe klauwier. Daarnaast bieden de kruidenrijke graslanden kansen voor insecten zoals de beschermde aardbeivlinder die nog in het Natura 2000-gebied voorkomt. De singels en bosjes bieden kansen voor soorten als steenuil, de torenvalk en marterachtigen en voor struweelvogels als winterkoning, patrijs, roodborst, zwartkop, geelgors en sijs. Vanwege beperking van verstoring zullen grote delen van de buffer bij deze variant rustig zijn. Hoewel de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten na inrichting in het plangebied een geschikt leefgebied kunnen vinden, vormt verlies van een deel van de huidige mogelijke verblijfplaatsen een negatief effect. Daartegenover staat het positieve effect dat het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie geschikter wordt voor diverse (beschermde) soorten. In deze variant is relatief veel ruimte voor diverse soorten, omdat er veel variatie wordt aangebracht, en verstoring beperkt is.
Deze variant wordt voor beschermde soorten beoordeeld als positief (+). Beek en Veen Het bosje waar mogelijk een buizerdnest en rustplaats van ransuil/kerkuil en mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, blijft behouden. Wel komt er een wandelpad doorheen, zodat de verstoring toeneemt. Daarnaast gaan twee bosjes verloren die potentieel leefgebied van de grote bosmuis vormen, en waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit is een negatief effect. De nieuwe bosjes die gerealiseerd worden in het plangebied zullen op termijn naar verwachting geschikt leefgebied voor de betreffende soorten vormen. Door de afwisseling van water, landtongetjes en eilandjes zal het plangebied na inrichting mogelijk een geschikt leefgebied vormen voor meer (beschermde) soorten. Afhankelijk van het beheer bieden de droge gronden kansen voor de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden of akkers, die met name kansen bieden voor insecten zoals de beschermde aardbeivlinder die in het Natura 2000-gebied voorkomt. De singels bieden kansen voor soorten als steenuil, de torenvalk en marterachtigen. De stukken met plas dras stukken bieden kansen voor amfibieën.
Door (ruimte voor) relatief veel recreatievoorzieningen in deze variant (fiets/wandelroutes, kanoverhuur/speeltuin, recreatiewoningen en minicamping) zijn de kansen voor meer verstoringsgevoelige vogels in dit alternatief beperkt in verband met verstoring. Hoewel de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten na inrichting in het plangebied een geschikt leefgebied kunnen vinden, vormt verlies van een deel van de huidige mogelijke verblijfplaatsen een negatief effect. Daartegenover staat het positieve effect dat het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie geschikter wordt voor diverse (beschermde) soorten. De ruimte voor beschermde soorten is in deze variant echter niet optimaal omdat er relatief veel (ruimte voor) recreatievoorzieningen is. Al met al wordt deze variant voor beschermde soorten beoordeeld als licht positief (0/+). VKA Het VKA is voor beschermde soorten positief (+) beoordeeld. Hoewel de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten na inrichting in het plangebied een geschikt leefgebied kunnen vinden, vormt verlies van een deel van de huidige mogelijke verblijfplaatsen een negatief effect. Daartegenover staat het positieve effect dat het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie geschikter wordt voor diverse (beschermde) soorten. Er wordt veel variatie aangebracht en verstoring is beperkt.
VKA+ In de Natuurtoets is voor het VKA+ beoordeeld of er sprake is van een afname van kwaliteit of kwantiteit van oppervlakte leefgebied of populatie van beschermde soorten (Wnb).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
85
Projectgerelateerd
Permanente effecten Buffer Zuid kan effect hebben op de volgende soorten en soortgroepen die volgens de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn beschermd: Verschillende soorten vleermuizen: foerageergebied. Verschillende soorten grondgebonden zoogdieren: foerageer- en leefgebied. Verschillende soorten amfibieën: leefgebied. Broedvogels kunnen mogelijk broeden en rusten binnen de planlocatie. Ten aanzien van de soortenbescherming (Wnb) zijn in de Natuurtoets de volgende conclusies getrokken: In het plangebied komen nu enkele beschermde soorten voor, het betreft vleermuizen die hier foerageren, de bosmuis (leefgebied in bospercelen), de buizerd (nest in bosperceel, jaarrond beschermd) en algemene broedvogels. Buffer Zuid met natuurinrichting betekent voor diverse bijzondere en beschermde soorten potentieel een geschikt nieuwe standplaats of leefgebied. Waaronder foerageergebied voor vleermuizen, nieuwe standplaatsen voor diverse bijzondere en mogelijk beschermde plantensoorten, nieuw geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis, heikikker, poelkikker, gladde slang (op termijn), diverse vogelsoorten, aardbeivlinder (vochtige graslanden) en de weerschijnvlinder. Het plan betekent mogelijk een beperkt verlies van geschikt leefgebied van de grote bosmuis afhankelijk van de mate van vernatting.