CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.7 Bijlagen bij toelichting Milieueffectrapport

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Buffer zuid’, ‘MER Buffer zuid’ en ‘beeldkwaliteitsplan Buffer Zuid’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7C) (80708-2023)39.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

42

Projectgerelateerd

7.3

Uitwerking van het ontwerp

Het Schetsontwerp voor de inrichting van Buffer Zuid wordt nader uitgewerkt tot een definitief ontwerp (DOniveau), wat vervolgens wordt uitgewerkt in een contract, waarschijnlijk een RAW-bestek. Het DO bevat een zo gedetailleerd mogelijke kostenraming, grondbalans (doelstelling is om zoveel mogelijk tot een gesloten grondbalans te komen), B&O-plan, rapportage hergebruik en bijgesteld risicodossier en vergunningenscan en een eventueel bijgestelde planning. In deze fase staat het verkennend booronderzoek gepland dat RAAP heeft geadviseerd om uit te voeren in de gebieden met een hoge-middelhoge verwachtingswaarde, waar bodemingrepen gepland zijn. Het onderzoek moet zich richten op de intactheid van de dekzandondergrond en de aanwezigheid van bodemvorming/podzol. In deze fase staat ook het milieu hygiënisch vervolgonderzoek gepland naar bodemverontreinigingen in het plangebied en of deze gesaneerd dienen te worden. Aandachtspunten voor de uitwerking van het ontwerp zijn:  Bij de aanleg van bebouwing in het gebied dient bij de keuze van de fundering rekening te worden gehouden met veen in de ondergrond.  Bij de aanleg van bebouwing in het plangebied moet rekening worden gehouden met fluctuerende oppervlaktewaterpeilen en ondiepe grondwaterstanden.  Er moet een ijzerzandfilter komen voor de zuivering van het Dommerskanaalwater ten behoeve van de waterkwaliteit.

7.4

Aandachtspunten voor monitoring

De monitoring in de gebruiksfase is naar aanleiding van de bevindingen in het MER gericht op:  Grondwaterstanden en stijghoogte in Bargerveen en omgeving  Oppervlaktewaterstanden en afvoeren  Waterkwaliteit in de bufferzone Met de inrichting van de Buffer Zuid wordt een verhoging van de stijghoogte onder het Bargerveen beoogd. Daarbij zijn de peilen in de Buffer zodanig gekozen dat geen verhoging van de grondwaterstanden in bebouwd gebied plaatsvindt. Ook in het landbouwgebied vindt een aanpassing van de peilen plaats met als doel jaarrond betere landbouwkundige omstandigheden. Om de effecten van de buffer te kunnen monitoren wordt gebruik gemaakt van een gezamenlijk grond- en oppervlaktewatermeetnet van het Bargerveen en omgeving11. Een deel van dit meetnet is reeds aanwezig, bijvoorbeeld voor de monitoring van grondwaterstanden in de dorpskernen en grondwaterstanden in het Bargerveen. Omdat in en rondom het Bargerveen meerdere ontwikkelingen spelen is door de betrokken partijen in en rondom het Bargerveen een integraal meetnet ontworpen gericht op de volgende doelen: 1. Inzicht in de systeemwerking waarbij zowel grond- als oppervlaktewaterstanden frequent gemonitord worden. Ook is dit van belang om de afvoeren te bepalen als onderdeel van de waterbalans. 2.

Het regionale beeld van de diepere stijghoogte in de zandondergrond, ten behoeve van toekomstige verbeteringen van de modellen. De bufferzones zijn grote nieuwe ingrepen bij het Bargerveen. Om de invloeden hiervan intern en extern inzichtelijk te krijgen zijn juist hier extra monitoringspunten ingericht of gepland. Alleen de interne metingen zijn niet opgenomen, omdat deze specifiek bij de uitvoering worden gepland. Het gezamenlijke meetnet 11 Prolander, 2021. Monitoringsplan Bargerveen en omgeving. Gezamenlijke hydrologische monitoring vanuit BC BargerveenSchoonebeek (Definitief)

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

43

Projectgerelateerd

heeft als doel om zowel de huidige toestand van het grondwatersysteem te bepalen, als de effecten van alle ingrepen op dit systeem op de langere termijn. Hiervoor hebben partijen afspraken gemaakt. Het voornaamste is dat de geselecteerde peilbuizen tot eind 2028 in stand worden gehouden. Tussentijds zijn evaluatiemomenten gepland.

7.4.1

Ontwerp meetnet

Het ontwerp is tot stand gekomen op basis van een technische beoordeling van het bestaande meetnet en invulling geven aan de bovenstaande doelen. Er is gezocht naar peilbuizen en oppervlaktewatermetingen van voldoende kwaliteit die zorgen voor de gevraagde dekking over het gebied. Waar geen match is komen er een aantal meetpunten bij (nieuw of herplaatsen) Onderstaande figuur is het resultaat van deze match en geeft het ontwerp van het meetnet weer.

Figuur 7-1. Kaart meetnet Bargerveen, met toevoegingen specifiek voor Buffer Zuid: over de waterbodem van vak 4. Peilregistratie in buffervakken.

Peilbuis voor meting stijghoogteverschillen

Grondwaterstanden, en stijghoogte De grondwaterstanden en stijghoogtes worden gemeten door middel van peilbuizen. Omdat rond Buffer Zuid slecht doorlatende lagen in de ondergrond voorkomen hebben de peilbuizen meerdere filters:  Bij het voorkomen van een veenlaag aan maaiveld: een filter in de veenlaag om de freatische grondwaterstand te meten, en een filter in de daaronder liggende zandlaag om daarin de stijghoogte te meten  Bij het voorkomen van keileem in de ondergrond een filter in het zand boven de keileem, en een filter in het zand onder de keileem. Maximaal zijn er per locatie dus drie filters noodzakelijk. Als bij de bestaande peilbuizen er filters ontbreken, zullen die worden bijgeplaatst.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

44

Projectgerelateerd

Monitoring infiltratie Om het functioneren van de buffer en specifiek de infiltratie in vak 4 te kunnen bepalen is het noodzakelijk eventuele verstopping van de waterbodem te kunnen bepalen. Dat kan door het verschil tussen de waterstand in de buffer en de stijghoogte van het grondwater onder en naast de buffer te meten, en het verloop daarvan in de tijd te volgen. Met name gaat het om de volgende zaken:  Het verschil tussen waterstand en stijghoogte bij hoge (zomer)peilen in buffer 4. Doel van de monitoring is vast te stellen of de stijghoogteverschillen gedurende een zomerseizoen afnemen, of wellicht in de loop van een aantal jaren afnemen. Afname van het stijghoogteverschil kan een aanwijzing zijn voor verstopping. Het is ook van belang om grondwaterstanden en stijghoogten in de omgeving bij deze analyse te betrekken. In perioden met hoge grondwaterstanden neemt het stijghoogteverschil ook af zonder dat sprake is van verstopping.  De reactiesnelheid van de stijghoogte op een peilverandering in de buffer (de overgangen van hoog zomerpeil naar lager winterpeil en omgekeerd). Doel van de monitoring is vast te stellen of de reactiesnelheid in de loop van een aantal jaren verandert. Om de monitoring mogelijk te maken wordt de volgende monitoring voorgesteld. Na aanleg van de buffer wordt een peilbuis in het water in vak 4 geplaatst met 3 filters op 0,5, 2 en 5 m-waterbodem.

Uit de initiële stijghoogteverschillen kan, mede op basis van aannames over de doorlatendheid en doorlaatvermogens van de ondergrond, een schatting worden gedaan van de infiltratieflux. De infiltratieflux is in principe lineair met het stijghoogteverschil. Oppervlaktewaterstanden en afvoeren Om de buffer te regelen met alle kunstwerken zullen de oppervlaktewaterstanden in alle vakken gemonitord worden. Met de aanleg van de buffer en de kunstwerken wordt de registratie van de volgende punten meegenomen:  Peilregistratie in de buffervakken. Dit is noodzakelijk om de stuwen en pompgemalen aan te kunnen sturen die worden gebruikt om de waterstanden in de Buffers binnen de gewenste bandbreedten van waterpeilen te houden (blauwe driehoeken)  Registratie van stuwstanden/klepstanden  Registratie van draaiuren en pompdebieten van wateraanvoer-gemalen. Naast bovenstaande registratie worden peil- en debietmetingen vanuit het Bargerveen (respectievelijk groene en gele punten Figuur 7-2) meegenomen die door het waterschap worden bijgehouden.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

45

Projectgerelateerd

Figuur 7-2: Peilmeetpunten (groen) en de debiet+peilmeetpunten (geel) in het Bargerveen en bij de uitstroomlocaties vanuit het Bargerveen naar de buffervakken

Waterkwaliteit Om een slechte waterkwaliteit in met name Vak 4 van de Buffer-Zuid te voorkomen zal het aanvoerwater door een ijzerzandfilter worden geleid. Deze zorgt voor een aanmerkelijke verlaging van de nutriëntenconcentratie in de buffer. Op die wijze wordt voorkomen dat blauwalgen en watercrassula zich massaal zullen ontwikkelen. Het is van belang dat het ijzerzandfilter goed functioneert zodat het ingelaten water daadwerkelijk een lage fosfaat-concentratie heeft. Daarom wordt de volgende monitoring voorgesteld:  Maandelijkse meting van de fosfaatconcentratie in het water dat vanuit het Dommerskanaal wordt aangevoerd  Maandelijkse meting van de fosfaatconcentratie van het water dat na passage van het ijerzandfilter in Vak 4 wordt ingelaten. Daarnaast wordt het monitoren van de waterkwaliteit in de buffervakken zelf aanbevolen. Vanwege de defosfatering van het aanvoerwater is niet te verwachten dat eutrofiëringsverschijnselen optreden (zoals te hoge nutriëntenconcentraties en ontwikkeling van algenbloei). Uitgangspunt daarbij is dat er geen andere substantiële nutriëntenbronnen zijn, die de waterkwaliteit in de buffervakken negatief kunnen beïnvloeden.

Omdat hiervoor geen garanties kunnen worden gegeven, is een gerichte monitoring van de waterkwaliteit in de buffervakken aanbevolen:  Maandelijkse meting van ten minste de concentraties fosfaat, chlorofyl-a, cyanochlorofyl in de vakken 1, 2, 3 en 4.  Bij voorkeur worden ook andere fysisch-chemische ‘biologie-beïnvloedende’ parameters meegenomen, zoals temperatuur, zuurgraad, doorzicht en stikstof-verbindingen.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

46

Projectgerelateerd

7.4.2

Mogelijkheden voor bijsturing (beheersmaatregelen)

Mocht uit de monitoring blijken dat er op basis van effecten bijsturing noodzakelijk is dan zijn er de volgende mogelijkheden:  Ongewenste situatie: afname van het beoogde effect op de stijghoogte onder het Bargerveen, door verstopping van de waterbodem van Buffer 4, bijvoorbeeld tot orde van grootte 30% van het initiële infiltratiedebiet (of stijghoogteverschil over de waterbodem). Beheersmaatregel: de buffer schoonmaken, dat wil zeggen: verwijdering van de bovenste centimeters van de waterbodem.  Ongewenste situatie: optreden van grondwateroverlast (overschrijding van signaalwaarden). Mogelijke beheersmaatregelen (mede afhankelijk van de locatie van de wateroverlast): o Korte termijn maatregel: tijdelijke verlaging van het peil in de nabijgelegen buffer o Langere termijn / structurele maatregel: permanente aanpassing van zomer- of winterpeil in de nabijgelegen buffer. Hierbij moet een negatief effect op het Bargerveen worden meegewogen o Langere termijn / structurele maatregel: lokaal aanleggen van drainage en/of verbeteren van de ont- en afwatering.  Ongewenste situatie: onvoldoende aanvoer van water uit het Bargerveen. Beheersmaatregel: externe wateraanvoer vergroten.  Ongewenste situatie: de fosfaatconcentratie in het inlaatwater is niet laag genoeg om ontwikkeling van blauwalgen in Vak 4 te voorkomen.

Beheersmaatregel: verbetering van de werking van het ijzerzandfilter door de doorloopsnelheid te verlagen (bijvoorbeeld 300.000 m3 in 6 weken in plaats van 4 weken).  Ongewenste situatie: in één of meerdere buffervakken is een verslechtering van de (ecologische) waterkwaliteit waarneembaar. Beheersmaatregel: uitzoeken welke bronnen de waterkwaliteit negatief beïnvloeden en uitvoeren van gerichte maatregelen om verontreiniging vanuit die bronnen te voorkomen.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

47

Projectgerelateerd

DEEL B: ONDERBOUWING 8

Methodiek

8.1

Inleiding

De effecten van de inrichtingsvarianten, het VKA en VKA+ zijn door specialisten beschreven en getoetst in Hoofdstuk 11. Daarbij is het beoordelingskader van de NRD als vertrekpunt gebruikt. Voor het bepalen van de milieueffecten zijn model-, veld- en bureaustudies uitgevoerd. De effecten zijn beschreven en getoetst als veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie. Dat is de situatie die ontstaat op basis van de huidige situatie en trends en ontwikkelingen, zonder dat de bufferzone wordt gerealiseerd. De huidige situatie en de autonome trends en ontwikkelingen zijn per thema beschreven in Hoofdstuk 10.

8.2

Uitgangspunten effectbeschrijving en classificatie effectbeoordeling

Voor het beschrijven van de effecten is de volgende werkwijze gehanteerd:  De milieueffecten zijn zoveel mogelijk kwantitatief (cijfermatig) beschreven. Voor die criteria waarbij het niet mogelijk of minder relevant is om de effecten kwantitatief te bepalen zijn deze kwalitatief (beschrijvend) weergegeven;  De effecten zijn getoetst aan wet- en regelgeving (zie Hoofdstuk 9), of, als er voor een thema geen specifieke regels van toepassing zijn, op basis van een deskundigen oordeel;  Bij de beschrijving van de effecten is, daar waar dit aan de orde is, onderscheid gemaakt tussen tijdelijk en permanente effecten;  De effectbeschrijving vindt plaats op basis van bestaande en beschikbare gegevens. Daar waar sprake is van onzekerheden met betrekking tot de te verwachten effecten is een conservatieve benadering toegepast en zijn de leemten in kennis en informatie aangegeven.  Voor de beoordeling van de effecten is gewerkt met onderstaande zevenpuntsschaal, waarbij de beoordeling van effecten kan variëren tussen een positief effect (+++) en een zeer negatief (- - -) effect. Score

Betekenis

+++

Zeer positief effect

++

Positief effect, groot van omvang of in een kritisch gebied

+

Licht positief effect, relatief beperkt, heel tijdelijk of zeer lokaal

0

Neutraal, geen effect

-

Licht negatief effect, relatief beperkt, heel tijdelijk of zeer lokaal

--

Negatief effect, groot effect of in een kritische periode of gebied, mitigerende maatregelen nodig

---

Zeer negatief effect, zodanig dat milieueffect buiten de normen van regelgeving en beleid valt

8.3

Beoordelingskader: thema’s en aspecten

In Tabel 8-1 staan de milieuthema’s en aspecten waarvan de effecten zijn beoordeeld. De namen van een aantal aspecten uit het beoordelingskader zijn gewijzigd ten opzichte van de NRD, inhoudelijk is het beoordelingskader ongewijzigd. Tabel 8-1. Beoordelingskader met toetsingscriteria voor de milieuaspecten (zie volgende pagina).

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

48

Projectgerelateerd

Thema

Aspect

Criteria

Grondwaterstand

Grondwaterstanden, kwel en infiltratie

Oppervlaktewaterkwantiteit

Peil in bufferzone

Infiltratie

Maximalisatie van de infiltratiemogelijkheden

Waterkwaliteit

Verandering van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit

Waterveiligheid

Kades rondom de buffer

Natura 2000 habitattypen en soorten

Beïnvloeding van de instandhoudings- en verbeterdoelstellingen van Natura 2000-gebieden inclusief stikstofdepositie

NNN

Beïnvloeding van het ontwikkelingspotentieel en de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden

Natuurwaarden bufferzone

Natte natuur in de bufferzone

Beschermde soorten

Beïnvloeding van de leefgebieden en de populatie van beschermde floraen faunasoorten

Bodemkwaliteit

Effect op eventuele aanwezige verontreinigingen

Bodemdaling

Effecten op veen

Grondbalans

Omvang grondverzet en herkomst/bestemming van grond

Cultuurhistorische waarden

Beïnvloeding van cultuurhistorische waarden

Landschappelijke waarden

Beïnvloeding van landschappelijke structuren en elementen

Landschappelijke beleving

Inpassing buffergebied en kades in het landschap

Archeologische waarden en monumenten

Aantasting of verlies van archeologische (verwachtings)waarden of monumenten

Aardkundige waarden

Aantasting of verlies van aardkundige waarden

Wateroverlast

Mogelijke effecten op (woon) omgeving

Volksgezondheid

Muggenoverlast en veiligheid

Luchtkwaliteit

Verandering luchtkwaliteit

Geluid

Geluidsbelasting

Ruimtebeslag

Beïnvloeding van beschikbare hoeveelheid landbouwgrond

Gebruikswaarde

Mogelijkheden voor agrarisch medegebruik in buffer

Waterhuishouding

Vernatting of verdroging in het landbouwgebied ten zuiden van Buffer Zuid

Ontsluiting

Effect ontsluiting van het landbouwgebied

Recreatie

Recreatief (mede)gebruik en recreatieve structuren

Mogelijkheden voor medegebruik bufferzone door recreatieve functies zoals fietsroutes

Infrastructuur

Wegen

Bereikbaarheid

Externe veiligheid

Plaatsgebonden- en groepsrisico Risico op ongeval

Klimaatadaptatie

Klimaatrobuust

Toekomstbestendigheid klimaatverandering (droogte/wateroverlast)

Uitstoot van broeikasgassen

Duurzaam gebruik materialen en grondstoffen

Energieverbruik

Gebruik van energie

Water

Natuur

Bodem

Landschap en cultuurhistorie

Archeologie en aardkundige waarden

Woonomgeving

Landbouw

Duurzaamheid

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

49

Projectgerelateerd

9

Wettelijk- en Beleidskader

9.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is de voor Buffer Zuid relevante wetgeving en het nationale, provinciale en lokale beleid beschreven. De effecten zijn waar relevant getoetst aan deze kaders.

9.2

Wetgeving

9.2.1

Wet natuurbescherming

Het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming en ontwikkeling van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Voor vrijwel alle activiteiten die strijdig (kunnen) zijn met de Wnb is een vergunning of ontheffing nodig van de desbetreffende provincie. De Wnb kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen: hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden). Zorgplicht soortenbescherming Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht volgens Wnb art. 1.11. Deze plicht houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, als noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijn worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden. Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (volgens artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). De instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de Natura 2000-beheerplannen wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen willen realiseren. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Niet alleen activiteiten binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden.

Dit wordt ‘externe werking’ genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Voor de vergunningverlening betekent dat ook voor activiteiten buiten het gebied getoetst dienen te worden in het kader van de Wnb.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

50

Projectgerelateerd

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent vier beschermingsregimes voor soorten: 1. Art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; 2. Art 3.5: bescherming van dieren en planten die in de bijlage IV van de Habitatrichtlijn bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten genoemd’; 3. Art 3.10: Bescherming van soorten die worden genoemd in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming – dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving; 4. Algemene zorgplicht zoals verwoord in artikel 1.11. In de genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de tevens in dat artikel genoemde verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten/voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden.

Voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 heeft provincie Drenthe op 31 december 2018 de provinciale Omgevingsverordening vastgesteld, waarin de vrijstelling van ontheffingsplicht voor een aantal soorten is vastgelegd. Houtopstanden In hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming is de bescherming van houtopstanden geregeld. De kern is dat er een herplantplicht geldt als houtopstanden worden geveld en dat velling alleen is toegestaan na melding. De wet geldt niet voor houtopstanden binnen de bebouwde kom, erven of tuinen, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting, beplanting langs waterwegen en eenrijige beplanting langs landbouwgrond. Buffer Zuid is getoetst aan de Wet natuurbescherming in de Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 5, bestemmingsplan).

9.2.2

Planologische gebiedsbescherming (Natuurnetwerk Nederland; NNN)

De provincie Drenthe draagt zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, het NNN. Het NNN heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Hierdoor kunnen planten en dieren zich gemakkelijker verspreiden en zijn gebieden beter bestand tegen klimatologische veranderingen en negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden is bovendien een grotere soortendiversiteit te verwachten. De bufferzone maakt onderdeel uit van het NNN. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn nog niet benoemd. Binnen het NNN zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. In geval van negatieve effecten op gebieden die onder het NNN vallen, geldt een compensatieplicht voor directe negatieve effecten binnen de begrenzing van het NNN.

9.2.3

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van de kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

51

Projectgerelateerd

De watertoets is een bestuurlijk instrument waarmee ruimtelijke plannen en besluiten worden getoetst op waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is om waterhuishoudkundige problemen (nu en in de toekomst, bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering) te voorkomen en kansen te benutten. De watertoets verplicht daarom bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die invloed hebben op de waterhuishouding (waaronder het nieuwe Bestemmingsplan “Buitengebied, Buffer Zuid”), te toetsen in hoeverre bij de planvorming rekening wordt gehouden met water.

9.2.4

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen, in het bijzonder ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreinigingen. In het Besluit bodemkwaliteit zijn de voorwaarden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen opgenomen. In de wetgeving is geregeld dat de milieukundige bodemkwaliteit ten minste gelijk moet blijven ofwel niet mag verslechteren. Dus bij grondverzet (aanvoer grond) mag de toe te passen grond de bodemkwaliteit niet verslechteren (standstill principe).

9.2.5

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelt hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en welke bestuurslaag voor deze plannen verantwoordelijk is. Op basis van de Wro dient iedere gemeente, provincie en het Rijk een structuurvisie te hebben, waarin het ruimtelijk ontwikkelingsbeeld is beschreven met daaraan gekoppeld een uitvoeringsstrategie die aangeeft op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Provincies geven in hun structuurvisie een strategisch beleid voor de gemeenten aan. Een gemeente kan daar alleen gemotiveerd van afwijken. Ook kunnen gemeenten besluiten een structuurvisie (gedeeltelijk) te herzien. De provincie gebruikt de eigen structuurvisie om de plannen van de gemeente te toetsen. Het is de bedoeling dat de structuurvisies op elkaar worden afgestemd en als uitgangspunt gelden voor bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Nieuwe Omgevingswet (vanaf 2023) De Omgevingswet die naar verwachting in 2023 in werking treedt, betekent een wijziging van het Nederlandse omgevingsrecht. (Delen) van de Wet ruimtelijke ordening, Wet bodembescherming, Waterwet, Wet natuurbescherming, Wet milieubeheer, Wabo, Monumentenwet en de Ontgrondingenwet gaan op in de Omgevingswet.

9.2.6

Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer heeft tot doel het milieu te beschermen en een integrale beoordeling te maken van de gevolgen die bepaalde ontwikkelingen voor het milieu kunnen hebben. De wet stelt regels over de vergunningverlening, de totstandkoming van besluiten en de handhaving van vergunningsvoorschriften en het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarmee legt de wet in grote lijnen vast welke wettelijke instrumenten er zijn om het milieu te beschermen en welke uitgangspunten daarvoor gelden. Meer specifieke regels worden uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur of AMvB's) en ministeriële regelingen. In artikel 7.2 is de Europese verplichting tot milieueffectrapportage uitgewerkt. Het gaat om activiteiten die zijn aangewezen bij algemene maatregel van bestuur (Besluit m.e.r.) die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke procedures en regels van toepassing zijn voor de milieueffectrapportage. In de bijlagen van het Besluit is aangegeven welke ontwikkelingen m.e.r.-plichtig zijn. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen (als uitwerking van de Europese richtlijn 2008/50) zijn opgenomen in Titel 5.2 Luchtkwaliteit Wm (ook wel aangeduid als 'Wet luchtkwaliteit').

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

52

Projectgerelateerd

9.2.7

Wet op de Archeologische Monumentenzorg

De Wet op de archeologische monumentenzorg heeft wijzingen doorgevoerd in de Monumentenwet 1988, Ontgrondingenwet, Wet Milieubeheer en de Woningwet. In de Wet op de archeologische monumentenzorg zijn de uitgangspunten van het in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het belangrijkste uitgangspunt van de nieuwe wet is om archeologische waarden in de ondergrond (ter plekke) te behouden, omdat de bodem nu eenmaal de beste conserveringsomgeving is. Daarnaast moet er in de ruimtelijke ordening bijtijds rekening worden gehouden met archeologische waarden.

9.2.8

Ontgrondingenwet

De Ontgrondingenwet regelt de winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals zand, grind, klei, schelpen en andere materialen uit de Nederlandse bodem. Op grond van de Ontgrondingenwet is voor de bufferzone een ontgrondingvergunning nodig. In de Provinciale Omgevingsverordening van Drenthe staan in artikel 7.1 de vrijstellingen opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is op grond van de Ontgrondingenwet. De uitvoering van Buffer Zuid valt onder de vrijstelling (artikel 7.1, eerste lid, onder a) waardoor er geen vergunning nodig is op grond van de Ontgrondingenwet. Ondanks de omvang van de ontgronding is een melding voor ontgrondingen voldoende. Wel dient op grond van artikel 7.2 van de Provinciale Omgevingsverordening van Drenthe de start van de werkzaamheden te worden gemeld aan Gedeputeerde Staten.

9.2.9

Omgevingsverordening Drenthe

De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (actualisatie 2019) zorgt voor de juridische borging van de Omgevingsvisie Drenthe. De Provinciale Omgevingsverordening bestaat op dit moment uit 7 delen. Dit zijn de delen Algemeen, Ruimtelijke Ordening, Milieu, Natuur en landschap, Water, Wegen en Overige bepalingen. De Omgevingsverordening kent onder andere doelen wat betreft NNN, wateroverlast, stiltegebieden en verboden op het gebied van grondboringen. In de Omgevingsverordening zijn onder andere regels voor ontgrondingen opgenomen. In de verordening is in artikel 2.6 'werken met kernkwaliteiten', vastgelegd dat, als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, in het ruimtelijk plan uiteengezet wordt dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten volgens het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie. In de verordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die deze kernkwaliteiten significant aantasten. De kernkwaliteiten Landschap en Natuur zijn van belang voor Buffer Zuid. Het plangebied is gelegen binnen het landschap 'wegdorpenlandschap van de randveenontginning' (kernkwaliteit Landschap). Het plangebied is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland.

Het gaat hierbij om de aangewezen natuurgebieden en nog aan te leggen natuurgebieden.

9.2.10 Keur en legger In de Keur van Waterschap Vechtstromen zijn de verboden en verplichtingen ten aanzien van activiteiten in grond- en oppervlaktewater en activiteiten in, op of bij waterkeringen beschreven. De regels in de keur zijn gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen en verbeteren van de ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersysteem. In de legger zijn de ligging, vorm, afmeting en eventuele constructie van waterstaatswerken vastgelegd.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

53

Projectgerelateerd

9.3

Beleid

9.3.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft de langetermijnvisie van het Rijk op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. 4 nationale belangen uit de NOVI hebben betrekking op Buffer Zuid:  Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).  Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.  Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.  Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. De NOVI definieert drie afwegingsprincipes voor ruimtelijke keuzes:  Slimme combinaties maken waar dat kan van functies en soms botsende belangen koppelen.  Kenmerken van het gebied centraal stellen en aansluiten bij de kwaliteiten ervan, zoals economische dragers, huidige omgevingskwaliteit (natuur, erfgoed, milieu en landschappelijke schoonheid), waar mensen wonen, recreëren en werken en welke maatschappelijke initiatieven er leven.  Niet uitstellen van beslissingen of het doorschuiven ervan naar volgende generaties of onze buurlanden.

9.3.2

Omgevingsvisie Drenthe 2018

De omgevingsvisie van de provincie Drenthe beschrijft de visie van de provincie op verschillende onderwerpen zoals ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. De Omgevingsvisie Drenthe functioneert daarmee als ruimtelijke structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), Provinciaal verkeers- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer) en het regionaal waterplan (Waterwet). De hoofddoelstelling van het omgevingsbeleid is: "Het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten van de provincie". De kernkwaliteiten die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven zijn de zes Drentse landschapstypen, de cultuurhistorische deelgebieden, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. In de Omgevingsvisie zijn de kernkwaliteiten van deze aspecten beschreven. De Omgevingsvisie Drenthe streeft naar een robuuste ontwikkeling van de ruimtelijke dragers: de sociaaleconomische structuur en het landbouw-, water- en natuursysteem. Dat wil zeggen dat de ruimtelijke dragers weinig gevoelig zijn voor verstoringen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. De meest relevante kernkwaliteiten zijn:  Landschappelijke kwaliteit: Drenthe heeft een eigen kenmerkende ruimtelijke kwaliteit, een grote mate van variatie.

Het gaat om het behoud en herstel van historische waarden en het behoud van de eigen identiteit van de Drentse samenleving. In die zin dient het landschap als grondslag voor het omgevingsbeleid;  Natuur: de provincie streeft naar behoud en versterken van de biodiversiteit. Aan deze ambitie wordt invulling gegeven door het realiseren van de ecologische hoofdstructuur (EHS), nu overgegaan in Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen de NNN worden natuurfuncties behouden, hersteld of ontwikkeld. Andere ontwikkelingen zijn aanvaardbaar zolang deze verenigbaar zijn met, of ten dienste staan van, de natuurontwikkeling. Zo wordt de waterhuishouding afgestemd op de natuur- en bosdoelstellingen en sluit deze zo dicht mogelijk aan op een 'natuurlijke' waterhuishouding;

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

54

Projectgerelateerd

Klimaatverandering: het is duidelijk dat de kans op wateroverlast als gevolg van de klimaatverandering toeneemt. Dat betekent dat meer ruimte aan watersystemen moet worden gegeven om de risico's van wateroverlast te beperken. Cultuurhistorie. Het Bargerveen heeft een hoge provinciale cultuurhistorische waarde, wat met name blijkt uit de verkavelingsstructuur.

De cultuurhistorie is geborgd in het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe (CHK). Het CHK is gekoppeld aan de Omgevingsvisie. Met de cultuurhistorische hoofdstructuur en beleidsvisie wil de provincie de ruimtelijke identiteit van Drenthe versterken. Binnen het kompas is de ambitie het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing. Met het realiseren van Buffer Zuid blijft het Bargerveen behouden zoals het is en waar mogelijk versterkt. In de Natuurvisie 2014-2040 is uitgewerkt hoe de samenhang tussen biodiversiteit en natuurwaarden (binnen en buiten het NNN) kan worden versterkt en welk belang de Provincie heeft in natuurwaarden buiten het begrensde NNN. Met Buffer Zuid wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de natuurdoelstellingen en wordt ruimte geboden aan water om wateroverlast tegen te gaan. Binnen de provincie Drenthe zijn veertien gebieden die van Europees belang zijn, de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Eén van de gebieden vormt het Bargerveen. Binnen de Omgevingsvisie is aangegeven dat de ambitie is een beschermde rol te vervullen, maar op een manier dat zo weinig mogelijk belemmeringen voor het omliggende gebied ontstaan en dat deze beschermende rol bijdraagt aan een goede leef- en werkomgeving.

Aan de instandhoudingsdoelen uit de Wet natuurbescherming wordt beleven en benutten als doelen toegevoegd. De beschermde rol neemt de provincie op zich in afstemming met gebiedspartners, waarbij de terreinbeherende organisaties en particulieren de herstelmaatregelen in het veld moeten uitvoeren. Hiertoe worden overeenkomsten met gebiedspartners afgesloten en financiële afspraken gemaakt. Maatregelen om de hydrologische situatie in het gebied te verbeteren spelen vaak een centrale rol om de instandhoudingsdoelen voor een gebied te bereiken. De meeste maatregelen worden in de natuurgebieden zelf uitgevoerd. In het geval van het Bargerveen is het nodig om een natte bufferzone langs het natuurgebied te realiseren. Het stabiliseren en verbeteren van de natuurkwaliteit biedt ruimte voor economische ontwikkeling.

9.3.3

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie 2050. Relevante uitgangspunten voor Buffer Zuid zijn: toewerken naar een klimaatrobuust systeem in 2050, goede ecologische en chemische waterkwaliteit, aandacht voor biodiversiteit en ecologie, verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en water beleefbaar maken.

9.3.4

Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef

De Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, is 24 september 2009 vastgesteld. De structuurvisie is opgesteld als ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020 (vastgesteld september 2001). De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. Ook dient de structuurvisie om bedrijven, instellingen en andere overheden uit te nodigen tot en te stimuleren om passende, gewenste activiteiten en investeringen te doen die aansluiten op

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

55

Projectgerelateerd

de weergegeven ambities en ruimtelijke mogelijkheden. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. De ruimtelijke hoofdstructuur in de visie is gebaseerd op de 'lagenbenadering'. Deze benadering gaat uit van een logische opbouw van het landschap in drie lagen:  Laag 1: de ondergrond: de natuurlijke basis; water, bodem, landschap en natuur;  Laag 2: de netwerklaag: verbindingen; systeem van wegen, kanalen, spoorlijnen en andere verbindingen;  Laag 3: de occupatielaag: wonen, werken, recreëren en voorzieningen. Het Bargerveen en haar omgeving vormt een gedeelte van de eerste laag. Eén van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in de eerste laag is het versterken van het Bargerveen. Het Bargerveen is een uniek natuurgebied waar een gedeelte van het oorspronkelijke hoogveenlandschap behouden is. Het Bargerveen kenmerkt zich door onvergraven hoogveen met tamelijk volledige veenprofielen en veenmeertjes. Ook is er uitgestrekte hoogveenvegetatie met zeldzame fauna aanwezig. Het reservaat is vrij van bebouwing en mede daardoor zeer rustig. Vanuit natuur- en cultuurhistorisch perspectief ligt behoud voor de hand. Het omliggend gebied kent vooral een agrarische functie. De landbouw is over het algemeen gebaat bij een ander waterpeil.

Om het contrast in waterpeil te verkleinen zet de structuurvisie in op de realisatie van een ruimtelijke overgangszone. Buffer zuid is zo'n overgangszone.

9.3.5

Bestemmingsplan buitengebied Emmen

Het bestemmingsplan Buitengebied Emmen voorziet in een planologisch-juridische regeling voor het landelijke gebied van de gemeente Emmen. Het plan bevat het planologische kader voor toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied. Het plangebied is voornamelijk aangewezen als ’Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen’ met daarbinnen de dubbelbestemmingen ‘Archeologische waarden’ en ‘Milieuzone – Hydrologisch aandachtsgebied’. De aanleg van buffers ten behoeve van natuurontwikkeling is strijdig met de huidige bestemming landbouw. De functiewijziging wordt vastgelegd in het bestemmingsplan “Buitengebied, Buffer Zuid”.

9.3.6

Ruimtelijke waardenkaart Emmen

In het uitvoeringsprogramma horende bij de Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, is de Ruimtelijke waardenkaart (hierna: RWK) opgenomen. De RWK voorziet in de analyse van het landschap. De RWK belicht de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden van het grondgebied van de gemeente Emmen. Het geeft een beschrijving van het ontstaan van het landschap en stelt de belangrijkste karakteristieken van het landschap vast, geeft de knelpunten aan met betrekking tot hedendaagse ruimtelijke ontwikkelingen en stelt een strategie op voor behoud, versterking en ontwikkeling van het landschap in relatie tot cultuurhistorie. Het document biedt concrete handvatten voor de ontwikkeling van het landschap in relatie tot cultuurhistorie en geeft aan met welke aspecten in de planvorming rekening moet worden gehouden. De RWK hangt samen met regelingen op de gebieden als flora- en fauna, archeologie, monumenten. Vastgestelde waarden binnen deze gebieden vinden hun juridische bescherming binnen de specifieke wettelijke kaders. In de RWK zijn de waarden op deze gebieden dan ook niet “opnieuw” vastgesteld maar in woord en beeld met elkaar in verband gebracht.

In de Ruimtelijke waardenkaart wordt het landschap van de gemeente Emmen onderverdeeld in een drietal grote eenheden: esdorpenlandschap op de zandgronden; landschap van de hoogvenen (grootschalige verveningen) en landschap van de randverveningen (kleinschalige veenontginningen).

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

56

Projectgerelateerd

Het plangebied is aangeduid als 'landschap van de randverveningen'. In de RWK wordt over ontwikkelingen in het landschap het volgende gezegd: 'Het landschap van vandaag is het resultaat van een proces van eeuwen en tegelijkertijd het vertrekpunt voor nieuwe ontwikkelingen. Want ook de komende decennia zal de ontwikkeling van het landschap onverminderd doorgaan. Ontwikkelingen moet men niet willen stoppen. Dat is een strijd die men op voorhand verliest. Ontwikkeling is immers inherent aan een levend landschap. De opgave is ontwikkelingen zodanig te geleiden dat kwaliteiten behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht, nieuwe kwaliteiten aan het landschap worden toegevoegd en dat alles zodanig dat het landschap 'zijn verhaal' kan blijven vertellen.' Hiermee worden ook de cultuurhistorische kwaliteiten bedoeld. Voor het plangebied, dat onder de kleinschalige veenontginningen valt, is dit samengevat te vertalen in de volgende beleidsuitgangspunten:  Behoud van archeologische waarden.  Behoud van de cultuurhistorisch waardevolle structuren van kanalen/wijken.  Behoud van openheid, ruimte en zichtlijnen.  Behoud van waardevolle veengebieden.  Behoud van de verscheidenheid aan details (zoals bebouwing).  Versterken van de leesbaarheid van het gelaagde landschap.

 Versterken van de kwaliteit van de 'achterkant' van bebouwingslinten grenzend aan het buitengebied.  Versterken van de herkenbaarheid van veenstromen.

9.3.7

Gemeente Emmen in het perspectief van het landschap

De Ruimtelijke Waardenkaart is verder uitgewerkt in het rapport “de Gemeente Emmen in het perspectief van het landschap”. Het plangebied is gelegen binnen het landschap van de kleinschalige veenontginningen. Het wordt gerekend tot het gebied Schoonebeek en omgeving. In dit gebied liggen de oudste (bij Schoonebeek), jongere (bij Nieuw Schoonebeek) en jongste (bij Weiteveen) kleinschalige veenontginningen dicht bij elkaar. Het is vooral de optelsom van de nog herkenbare cultuurhistorische karakteristieken die dit gebied zo bijzonder maakt. De gaafheid van de landschappelijke en ruimtelijke karakteristieken van Schoonebeek/Weiteveen worden als (zeer) hoog beoordeeld, de elementen zijn goed tot zeer goed aanwezig.

9.3.8

Cultuurhistorische waardenkaart Emmen

De Cultuurhistorische waardenkaart Emmen is op 17 november 2016 vastgesteld door de gemeenteraad van Emmen. Binnen deze waardenkaart wordt over het Bargerveen en directe omgeving het volgende aangegeven: "Het veenkoloniale landschap van Emmen is rijk aan veenrestanten; gebieden die uiteindelijk niet in cultuur zijn gebracht. Oosterbos, Berkenrode en het Bargerveen zijn hiervan voorbeelden. Het Bargerveen is het laatste overgebleven gedeelte van formaat, dat deel uitmaakte van het Bourtangerveen. Het Bargerveen bestaat uit drie delen; in het noorden het Meerstalblok, in het midden het Amsterdamscheveld en in het zuiden het Schoonebeekerveld". Bij een Cultuurhistorische Waardenkaart is in principe alles van waarde, maar niet alles is even waardevol. Binnen het veenkoloniale landschap hebben de kanalen, wijken, wegen en grenspalen een zeer hoge historisch-geografische eindwaardering.

9.3.9

Nota bodembeheer gemeente Emmen

De gemeente Emmen heeft een gebied specifiek bodembeleid, waarin regels en voorwaarden zijn opgenomen die betrekking hebben op de milieu hygiënische kwaliteit van grondstromen. Aan deze randvoorwaarden moet worden voldaan bij de aanleg van de buffer.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

57

Projectgerelateerd

10

Huidige situatie en trends en ontwikkelingen

10.1

Inleiding

De referentiesituatie is de situatie die ontstaat op basis van de huidige situatie en trends en ontwikkelingen, zonder dat de bufferzone wordt gerealiseerd. In dit hoofdstuk is de referentiesituatie per thema beschreven.

10.2

Watersysteem en –kwaliteit

Maaiveld Het plangebied kent een relatief groot maaiveldhoogteverschil van noord naar zuid en ook een hoogteverloop van oost naar west. Het Schoonebeekerveld ligt hoger dan het zuidelijk ervan gelegen landbouwgebied. Van west naar oost loopt het maaiveld in het plangebied op van zo’n 14,5 m NAP naar zo’n 17,5 m NAP. In het landbouwgebied tussen het Schoonebeekerveld en de Europaweg is het veen vrijwel volledig afgegraven op enkele percelen na. Deze minder verveende percelen liggen ten opzichte van de omgeving zo’n 1 m hoger. Huidig peilbeheer De peilen in het landbouwgebied ter plaatse van de toekomstige buffer en de watergang langs de Stheemanstraat bevinden zich tussen 14 en 16 meter +NAP. Figuur 10-1 geeft de gemiddeld gemeten oppervlaktewaterpeilen over de periode 2003 tot en met 2004 weer. Het peilverloop in het Bargerveen volgt een getrapt verloop van noord naar zuid. De gehanteerde waterpeilen in de hogere delen van het Schoonebeekerveld bevinden zich op 18,6 – 18,9 meter +NAP. Langs de zuidelijke rand van het Bargerveen is dit overwegend 17,5 meter +NAP.

Figuur 10-1. Gemeten oppervlaktewaterpeilen (bron: GGOR Bargerveen 2008)

Autonome ontwikkeling/Aangepaste inrichting GGOR2021 In het GGOR van 2008 zijn naast de aanleg van Buffer Zuid, voor het zuidelijk gelegen landbouwgebied aanpassingen van de streefpeilen vastgelegd ten opzichte van de huidige peilen. Hierin is als uitgangspunt gehanteerd dat het landbouwgebied een drooglegging krijgt van één meter in 90% van een peilvak. Omdat dit GGOR-plan nooit is uitgevoerd en er inmiddels bijna 14 jaar zijn verstreken, heeft in 2021 een actualisatie plaatsgevonden van de GGOR-peilvakken en -waterpeilen uit 2008. Hierin zijn in samenspraak met de agrarische grondeigenaren de laatste inzichten, ook van de afgelopen droge jaren, meegenomen. Dit heeft er in geresulteerd dat, in de winterperiode, wordt vastgehouden aan de drooglegging van één meter in 90%

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

58

Projectgerelateerd

van een peilvak. Om in de zomer beter om te kunnen gaan met droogte, worden in een aantal peilvakken zomerpeilen voorgesteld met een drooglegging kleiner dan één meter. Voor het peilbeheer in het landbouwgebied ten zuiden van Buffer Zuid is in dit MER uitgegaan van deze geactualiseerde GGOR-peilvakken en -peilen 2021. De kaart met de geactualiseerde peilvakken en waterpeilen is weergegeven in Figuur 10-2.

Figuur 10-2 Eindconcept geactualiseerde peilvakken en streefpeilen GGOR (Bron: Waterschap Vechtstromen 2022).

10.3

Geologie en bodem

Bodemopbouw Voor de huidige geohydrologische situatie in het plangebied wordt verwezen naar de systeembeschrijving in Hoofdstuk 2 van dit MER (paragraaf 2.5). Figuur 10-3 geeft een beeld van het voorkomen van restveen in de ondergrond in het landbouwgebied op basis van onderzoek door TNO. Lokaal is sprake van percelen waar zich nog restveen met een dikte van zo’n 1-1,5 m in de ondergrond bevindt. In de overige delen van het gebied is het afwezig of nog maximaal 0,5 m dik, waarbij wordt opgemerkt dat er sprake is van verstoorde lagen. In Grondwatermodel Bargerveen Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 14, bestemmingsplan) is nader ingegaan op het voorkomen van veenlagen in het plangebied. Onderzoek en kartering van het veen toont aan dat het gebied daalt vanwege o.a. ontwatering en grondbewerking.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

59

Projectgerelateerd

Figuur 10-3. Veendikte

Bodemkwaliteit Ten behoeve van de planontwikkeling is een milieu hygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (Bargerveen buffer-Zuid milieuhygiënisch vooronderzoek, Royal HaskoningDHV, 2021 (bijlage 6, bestemmingsplan)). In mei 2019 is de bodemkwaliteitskaart voor de Drentse gemeenten geactualiseerd. In deze kaart is het plangebied aangeduid als 'voldoet aan de achtergrondwaarde', zoals is verwoord in de Regeling bodemkwaliteit. In het Bodemloket zijn binnen het plangebied meerdere verdachte locaties weergegeven in relatie tot het voorkomen van bodemverontreiniging (zie Figuur 10-4). Ter plaatse van sommige locaties heeft vooronderzoek, bodemonderzoek en/of bodemsanering plaatsgevonden en op sommige locaties niet. De verdachte locaties hebben betrekking op oliewinlocaties en voormalige watergangen die gedempt zijn. Het merendeel van de oliewinlocaties is opgeruimd maar drie locaties zijn nog aanwezig. Hier vindt geen oliewinning meer plaats maar deze dienen als observatielocaties. Bij het huidig landbouwkundig gebruik voor veeteelt en akkerbouw (met o.a. aardappels) worden meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen toegepast.

Op basis van ervaring van soortgelijke projecten is de verwachting dat gewasbeschermingsmiddelen nog beperkt in de bodem aanwezig zijn (rekening houdend met het huidige landbouwkundig gebruik) en dat meststoffen (afhankelijk van het bodemtype) over langere periode nog in de bodem voorkomen. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat dit gebied als verdacht dient te worden aangemerkt in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval kan zijn bij fruitteelt, lelieteelt en/of toepassing van zogenaamde toemaakdekken (ophoging met ‘afval’ van elders).

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

60

Projectgerelateerd

Figuur 10-4. Uitsnede Bodemloket met de ligging van verdachte locaties met betrekking tot de bodemverontreiniging.

Oliewinlocaties Een groot deel van de oliewinlocaties zijn ontmanteld, waarna de percelen weer zijn overgedragen aan de eigenaar. Binnen het plangebied is één voormalige winlocatie gelegen: S-411. Deze locatie is beoordeeld door het bevoegd gezag en er is instemming gegeven aan het behaalde resultaat. Nader onderzoek is niet meer aan de orde. Binnen het plangebied ligt nog een tweetal bestaande locaties: S-350 en S-109. Uit verricht onderzoek op locatie S-350 is gebleken dat er geen sterke verontreinigingen in de grond of het grondwater voorkomen. Volgens de Wet Bodembescherming is geen sprake van een 'Geval van ernstige bodemverontreiniging'. Binnen een viertal vlekken is de grond binnen of grenzend aan de locatie plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie, PAK, lood en/of zink. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan barium, molybdeen en/of minerale olie aangetoond. Volgens het Besluit Bodemkwaliteit voldoen de genoemde licht verhoogde gehalten niet aan de bodemfunctieklasse voor de zone ‘Landelijk gebied’ en aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Schoon’ bij de toekomstige bestemming van het onderzoeksgebied. Uit verricht onderzoek op locatie S-109 is gebleken dat op twee plaatsen aan de zuidzijde van het puttenveld een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond is aangetoond.

Waarschijnlijk is volgens de Wet Bodembescherming sprake van een ‘Geval van ernstige bodemverontreiniging’. Daarnaast is de grond binnen en rondom de locatie plaatselijk licht verontreinigd met barium, kobalt, minerale olie en/of vluchtige aromaten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties benzeen, xylenen en/of naftaleen, barium en nikkel aangetoond. Bij toetsing van de grond aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat plaatselijk niet wordt voldaan aan de bodemfunctieklasse ‘Landelijk gebied’ en ‘Schoon’ bij de toekomstige bestemming van het onderzoeksgebied. PFAS PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) zijn decennialang gebruikt in industriële processen, huishoudelijke en alledaagse producten zoals: blusschuim, anti-aanbaklaag-pannen, zonnebrandcrème, verf, vlekkenbescherming, kleding en cosmetica. Op basis van de beschikbare gegevens is het onderzoeksgebied niet bekend met calamiteiten (puntbronnen). Wel kan sprake zijn van een diffuse verontreinigingsbron (landelijke atmosferische depositie).

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

61

Projectgerelateerd

Asbest In het plangebied is een aantal toegangsdammen en een aantal paden aanwezig waarin puin is aangetroffen. Deze dammen en paden zijn als asbestverdacht aangemerkt. Uit historische kaarten blijkt dat er nauwelijks bebouwing (boerderijen) heeft gestaan en ook nu is geen bebouwing in het gebied aanwezig. Het plangebied is daarom voor de rest als asbestonverdacht beschouwd.

10.4

Natuur

Ten behoeve van de planontwikkeling is een toetsing aan de Wet natuurbescherming uitgevoerd op basis van bureau- en veldbezoeken (Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 5, bestemmingsplan)). Het plangebied bestaat uit een open veenkoloniaal landschap met grootschalige akkers en graslanden. Daarnaast zijn enkele boomsingels aanwezig met zwarte elzen, berken en struwelen. In het akkerland zijn veel ontwateringsloten aanwezig. Tijdens het veldbezoek in de zomer van 2019 stonden de meeste sloten (allen met steile oevers) droog. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat 2019 een uitzonderlijk droge zomer betrof. In de sloten met water was FLAB (Floating Algae Beds) aanwezig, wat duidt op zeer voedselrijke omstandigheden. De oevers waren begroeid met onder andere brandnetel, fluitenkruid, algemene grassoorten en duizendblad. Ook deze soorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Ten noorden (aangrenzend) van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Bargerveen. Na het Bargerveen is het Dalum-Wietmarscher Moor und Georgsdorfer Moor ten zuiden van het plangebied in Duitsland het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (afstand zo’n 2,5 km). Het plangebied maakt wel onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

De provincie Drenthe heeft de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet expliciet beschreven. Voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gelden het Natuurbeheerplan 2021 en de aanwezige beschermde waarden als uitgangspunt. Het plangebied heeft als beheertype N00.01 ‘Nog om te vormen naar natuur’ (Natuurbeheerplan 2021). Het betreft gronden met een intensief agrarisch verleden die een natuurbestemming krijgen. Beschermde soorten De aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald op basis van een bureaustudie en twee veldbezoeken. Er zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) voor het plangebied en de nabije omgeving van de afgelopen 10 jaar12. Hieronder is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied samengevat:  Vaatplanten: Op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid is het voorkomen van beschermde vaatplanten uitgesloten.  Grondgebonden zoogdieren: De NDFF wijst op het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied, namelijk damhert, das, eekhoorn, grote bosmuis, waterspitsmuis en wild zwijn. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos.

Tijdens het veldbezoek zijn geen zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen.  In de NDFF zijn waarnemingen bekend van laatvlieger in de omgeving van het plangebied. Daarnaast kunnen ook soorten als rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis foeragerend voorkomen. 12

https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd november 2021

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

62

Projectgerelateerd

 

De NDFF bevat waarnemingen van de heikikker en poelkikker buiten het plangebied, in het Bargerveen. De NDFF bevat waarnemingen van de adder, gladde slang en de levendbarende hagedis, buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige reptielen worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten. Op basis van de NDFF komt één waarneming van een Grote Modderkruiper naar voren, verder zijn er geen waarnemingen van beschermde vissoorten binnen het onderzoeksgebied. Alle andere beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Op basis van verspreidingsgegevens kunnen verschillende vogelsoorten voorkomen binnen het plangebied. o Het struweel aan de randen van akkers is geschikt als broedlocatie voor verschillende (algemene) broedvogelsoorten o.a. zwartkop, spotvogel, winterkoning, merel, grasmus, geelgors, fitis en tjiftjaf. In de sloten kan de wilde eend en een soort als de blauwborst broeden. Op de akkers kunnen o.a. kieviten en scholeksters broeden. o Tijdens het veldbezoek werd een buizerd vliegend waargenomen. Er zijn ook braakballen van uilen aangetroffen. Er zijn waarnemingen bekend van een torenvalk. De NDFF bevat waarnemingen van de aardbeivlinder en de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige ongewervelden worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten.

10.5

Landschappelijke kenmerken

Het plangebied ligt tegen het Bargerveen aan, het laatste stukje hoogveenmoeras van Nederland. Kenmerkend voor het veengebied is de hogere ligging ten opzichte van de aangrenzende landbouwgronden ten zuiden ervan. Moeras, heide, grasland, bloemrijke akkers, water en bosschages van els, wilg en berk wisselen elkaar af in het Bargerveen en ‘rafelige randen’ en veenplassen zijn karakteristiek voor het landschap. De grote veenplassen aan de oostzijde zijn ontstaan door grootschalige mechanische turfwinning. Dit waren veenafgravingen in blokken van 100 hectare. Ook doordat de wind vat kreeg op de petgaten konden legakkers soms helemaal wegspoelen waardoor steeds uitgebreidere veenplassen ontstonden. Het landschap ten zuiden van het Bargerveen heeft een grote transformatie doorgemaakt; van hoogveenlandschap tot veenkoloniaal landschap, waarin landbouw de voornaamste functie is. Het is een door mensen geschapen landschap en kenmerkt zich door haar open karakter met een afwisseling van graslanden en bouwlanden. Als gevolg van de vervening is een slagenlandschap ontstaan met lange en smalle noord-zuid gelegen percelen met ertussen sloten, ontgonnen vanaf ontginningslijnen waarlangs lintbebouwing is ontstaan. In de laatste decennia heeft een schaalvergroting plaatsgevonden, wat ten koste is gegaan van de fijnmazigheid van het slagenlandschap.

In het gebied is aan de oppervlakte reliëf ontstaan door verschillen in de hoogten van de vaste ondergrond (het zand of keileem) en de (gedeeltelijk) afgegraven veengronden. Hier en daar staat nog een bosje in het overwegend open landschap, bijvoorbeeld het ‘bosje Rikken-Jan’ dat ten noordoosten van Nieuw-Schoonebeek ligt. Ter hoogte van de dorpen heeft het landschap een iets meer gesloten karakter met her en der elzensingels, erfbeplanting en eikenrijen langs de historische kavelpaden. Waardevolle landschappelijke elementen en structuren zijn:  Hoogveenlandschap: o Open landschap van bol liggende venen; o Rafelige randen; o Veenplassen/hoogveenmeren; o Afwisseling van water, bosschages, heide, grasland, moeras, bloemrijke akkers, waarbij deze in het zuidelijk deel van het Bargerveen in een strokenverkaveling voorkomen. 30 augustus 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=bbfa7945-f401-43a1-bb09-be0409016645