CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.7 Bijlagen bij toelichting Milieueffectrapport

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Buffer zuid’, ‘MER Buffer zuid’ en ‘beeldkwaliteitsplan Buffer Zuid’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7C) (80708-2023)39.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Het oppervlakte verlies is dermate beperkt dat de gunstige staat van instandhouding niet wordt beïnvloed. In kader van de zorgplicht worden voorzorgsmaatregelen voor grote bosmuis voorgesteld om slachtoffers te voorkomen.  Er kunnen mogelijk rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan wanneer er holten aanwezig zijn in bomen die gekapt worden. Er zal een holtencheck worden uitgevoerd. Wanneer er holten worden aangetroffen is nader vleermuisonderzoek nodig om te kijken of deze holten ook daadwerkelijk dienen als rust- of verblijfplaats van vleermuizen. Mocht dit het geval zijn zullen hiervoor mitigerende maatregelen worden opgenomen in het Ecologisch Werkprotocol. Er worden geen lijnvormige elementen onderbroken die als vliegroute fungeren en er blijven bosjes en struweel beschikbaar als foerageergebied voor de verschillende vleermuissoorten. De voorziene inrichtingssituatie zal naar verwachting zelfs een impuls geven aan het foerageergebied. Tijdelijke effecten Voor de aanlegfase worden in de Natuurtoets de volgende conclusies getrokken ten aanzien van soortenbescherming (Wnb):  Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten voor vleermuizen. Als er binnen het vleermuisactieve seizoen (grofweg van april tot november) in het donker wordt gewerkt, kan de inzet van verlichting leiden tot verstoring van foeragerende en/of doortrekkende vleermuizen.

Mitigerende maatregelen zijn nodig om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van broedvogels te voorkomen.  Overtreding van de verbodsbepalingen (doding en tijdelijke aantasting van verblijfplaats) voor de grote modderkruiper is niet uit te sluiten tijdens de uitvoering. Mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering zijn nodig. Deze maatregelen geven ook invulling aan de zorgplicht voor overige aanwezige vissoorten.  Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Mitigerende maatregelen zijn nodig om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van broedvogels te voorkomen.  Negatieve effecten zijn op voorhand niet uitgesloten voor de buizerd en torenvalk. Mitigerende maatregelen zijn nodig om een overtreding van een verbodsbepaling ten aanzien van de buizerd te voorkomen.  De aanwezigheid van de aardbeivlinder in het plangebied is uitgesloten. In kader van de zorgplicht zijn zekerheidshalve wel voorzorgsmaatregelen voor ongewervelden voorgesteld.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

86

Projectgerelateerd

11.3.6 Mitigerende maatregelen in het kader van de zorgplicht Uit de vorige paragraaf blijkt dat de aanlegfase negatieve effecten kan hebben op de volgende soorten en soortgroepen die door de Wnb zijn beschermd:  Verschillende soorten vleermuizen (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, art. 3.5), foerageergebied.  Verschillende soorten grondgebonden zoogdieren (Beschermingsregime soorten Andere soorten, art. 3.10), foerageer- en leefgebied.  Verschillende soorten amfibieën (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, art. 3.5 en Andere soorten, art. 3.10), leefgebied.  Broedvogels (Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, art. 3.1) kunnen mogelijk broeden en rusten binnen de planlocatie. Hierna zijn maatregelen samengevat om overtreding van de Wnb te voorkomen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de overige soortgroepen is uitgesloten. Met deze maatregelen zijn de effecten van de aanlegfase op soorten (Wnb) licht negatief (-) beoordeeld vanwege de tijdelijke verstoring.

11.3.6.1 Algemene maatregelen aanlegfase In verband met de zorgplicht dienen onderstaande algemene maatregelen te worden getroffen in de aanlegfase:  Opslagplaatsen van materieel moeten zoveel mogelijk centraal worden gehouden en afgeschermd worden met amfibieënschermen net als de aanvoerroutes. Hiermee wordt voorkomen dat amfibieën onder het materieel kruipen om te schuilen of te overwinteren en de aanvoerroutes worden gebruikt als opwarmingsplaatsen.  Steilranden in ontgravingen en depots zijn zeer geschikte nestplaatsen voor oeverzwaluw. Deze steilranden moeten daarom voorkomen worden tijdens de werkzaamheden. Bulten zand/ grond moeten dus worden afgeplat, zodat er geen steile randen zijn. Hiermee wordt voorkomen dat werkzaamheden in het voorjaar stil komen te liggen door nesten van oeverzwaluwen. Deze nesten mogen niet verstoord worden.  De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten (vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Als ook in de schemering en het donker wordt gewerkt moet gebruik worden gemaakt van (amberkleurig) licht dat zoveel mogelijk naar beneden is gericht.

 Bij voorkeur worden de werkzaamheden zoveel mogelijk geclusterd in de tijd, zodat er steeds delen van het plangebied niet verstoord worden;  De werklocaties worden zo’n 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden ongeschikt gemaakt door de vegetatie te maaien met de maaibalk afgesteld op ongeveer 10 cm boven maaiveld en maaisel af te voeren. Na het verwijderen van de vegetatie, bij voorkeur binnen de minst kwetsbare periode (oktober), mogen minimaal 1-2 dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dieren die zich hebben verstopt in hun hol, krijgen zo de kans om het gebied te verlaten. Vervolgens wordt de vegetatie ongeschikt (kort) gehouden gedurende de periode dat werkzaamheden uitgevoerd worden of wordt het gebied dagelijks verstoord zodat voorkomen wordt dat hervestiging kan optreden;  Werkzaamheden zo uitvoeren dat kleine (zoog)dieren de kans hebben om te vluchten naar veilige gebieden. Dus bijvoorbeeld van binnen naar buiten maaien. De werkzaamheden ook niet richting een doodlopend punt aan werken.  Behoud de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van het werkgebied. Het behouden van stroken met ruigte vegetatie die in verbinding staan met gebieden geven kleine (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden.

 De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en werkt één richting op. Als er meerder machines tegelijkertijd aan het werk zijn

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

87

Projectgerelateerd

moeten die niet naar elkaar toe werken zodat dieren opgesloten raken. Zo wordt onnodige verstoring van dieren, planten en gevoelige habitattypen voorkomen. De werkzaamheden moeten door een deskundig ecoloog worden begeleid. Dit houdt in dat een ecoloog betrokken moet zijn bij de planning en uitvoering van de beheerwerkzaamheden. De ecoloog stelt vast of en wanneer er sprake is van kwetsbare periodes van soorten en vegetaties. Voor aanvang van de werkzaamheden controleert een deskundig ecoloog het gebied op eventueel aanwezige beschermde soorten. Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog;

11.3.6.2 Grote bosmuis Risicovolle werkzaamheden: - Kappen bomen 

Het bouwrijp maken (kappen bomen, verwijderen vegetatie, graven bosbodem en frezen stobben) van de locatie vindt plaats buiten de voortplantingsperiode van de grote bosmuis, dus buiten de periode van maart tot oktober. Dit dient in stappen uitgevoerd te worden. Eerst dienen de bomen en vegetatie verwijderd te worden waarna minimaal 2 dagen gewacht dient te worden met het graven en frezen in de bosbodem. Door twee dagen te wachten hebben grote bosmuizen de kans de locatie te verlaten en ander geschikt leefgebied te zoeken. Door het bouwrijp maken wordt de locatie ongeschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Er wordt tevens buiten het broedseizoen gewerkt. Het afgraven van de bosbodem en frezen van stobben vindt op een laag tempo plaats in de richting van te handhaven leefgebieden van grote bosmuis. Hierdoor krijgen eventueel achtergebleven grote bosmuizen de gelegenheid om te vluchten. Op basis van de twee bovenstaande mitigerende maatregelen dient zodra de uitvoeringswijze en planning bekend is vluchtroutes te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.

11.3.6.3 Vissen Risicovolle werkzaamheden: - Dempen/vergraven van watergangen In verband met de zorgplicht dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vissen:  Bij het dempen van een watergang wordt het waterpeil in de sloot eerst verlaagd en daarna wordt het water rustig één richting uitgedreven naar een naastliggende sloot, opdat aanwezige vissen en amfibieën kunnen ontsnappen en daarna afgedamd zodat vissen niet weer terugzwemmen.  Als bij het dempen niet richting open water gewerkt kan worden, is het afvangen van de vissen door een erkend ecoloog aanbevolen. De ecoloog loopt de op de kant uitgespreide bagger na op de vissen, salamanders, zoetwatermosselen, kikkers en waterinsecten na, spoelt de modder uit de kieuwen (om stikken te voorkomen) en verzamelt deze in de grote waterbak om ze dan op een plek waar niet gewerkt wordt weer uit te zetten.  Bij leegpompen van een watergang worden vissen en amfibieën tijdig weggevangen door een erkend ecoloog en elders uitgezet. De pomp moet visvriendelijk afgeschermd zijn, zodat er geen vissen en andere dieren in de pomp terecht komen.  Het afdammen, dempen, vergraven of leegpompen van delen van watergangen wordt bij voorkeur uitgevoerd in de periode tussen 1 september en 1 november, dus na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën.

 Verder vinden werkzaamheden in de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur boven het vriespunt ligt en er geen ijs aanwezig is in de watergang. De temperatuur mag echter ook niet te hoog zijn, deze moet beneden de 25º C zijn. Bij koude temperaturen zijn vissen inactief en bij hele warme temperaturen kan er al snel zuurstofgebrek ontstaan.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

88

Projectgerelateerd

11.3.6.4 Vogels Binnen het plangebied kunnen verschillende broedvogelsoorten voorkomen. Extra aandacht gaat uit naar jaarrond beschermde nesten. Bij de werkzaamheden dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vogels:  Als binnen het broedseizoen wordt gewerkt, moet het werkterrein vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels door vegetatie kort te maaien en kort te houden tot de werkzaamheden aanvangen. Het is wel van belang dat in deze periode de locatie ongeschikt gehouden wordt voor broedvogels door in deze de vegetatie kort te houden en continue door te werken, met name na een periode zonder werkzaamheden kunnen er toch ineens broedvogels opduiken. De ecoloog dient het werkterrein regelmatig te inspecteren. Als nodig (als de ecoloog territoriale vogels waarneemt) worden de percelen geweidesleept tot aanvang van de werkzaamheden en als er een paar dagen niet gewerkt wordt.  Het werkgebied en de omgeving wordt binnen het broedseizoen gecontroleerd op territoriale vogels en broedgevallen door een deskundig ecoloog. Als broedgevallen worden vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden moeten aanvullende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn afhankelijk van de soort en de locatie waar de soort is aangetroffen. Maatregelen worden getroffen in overleg met de ecoloog.

 Werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van jaarrond beschermde nesten moeten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de soort. Als dit niet mogelijk is, zijn aanvullende maatregelen nodig. Te denken valt aan het werken buiten de verstoringsafstand van de betreffende soort en deze verstoringsafstand in het veld te uit te zetten. Voorbeeld: De gevoelige periode van de buizerd loopt van februari t/m augustus en de verstoringsafstand is 75 meter (BIJ12. 2017).  In het winterhalfjaar wordt zoveel mogelijk gewerkt na zonsopkomst en vóór zonsondergang voor in verband met rustende wintergasten (toendragrietgans en kleine zwaan). Als toch in het donker of schemering wordt gewerkt, moet het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt blijven en zoveel mogelijk naar beneden gericht worden.

11.3.6.5 Aardbeivlinder Binnen het leefgebied van de aardbeivlinder zijn geen werkzaamheden voorzien. Uit voorzorg zijn maatregelen benoemd. Risicovolle werkzaamheden - Grondverzet; met grondverzet wordt bedoeld: graafwerkzaamheden, transporten voor aan- en afvoer van grond, rooien/kappen van struwelen/bomen en toepassen van grond. - Dempen en vergraven van sloten - Transporten ten behoeve van de werkzaamheden Figuur 11-8 geeft een deel van het leefgebied van de aardbeivlinder weer. Binnen dit gebied (specifiek kruidenrijke graslanden en droge heide) mogen geen werkzaamheden met groot materieel worden uitgevoerd.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

89

Projectgerelateerd

Figuur 11-8. Leefgebied van de aardbeivlinder (rode kader). Bron: Kadaster

11.3.7 Beoordelingstabel De beoordeling is samengevat in onderstaande tabel. Tabel 11-4. Samenvatting beoordeling effecten thema natuur Effectbeoordeling inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Thema

Natuur

11.4

Aspect

Slagenlandschap

Land & Water

Gradiënt

Beek & Veen

VKA

VKA+

Natura 2000 habitattypen

+

+

++

++

++

++

Natura 2000 vogels

+

+

+

0/+

+

+

Natuurnetwerk Nederland

++

++

++

++

++

++

Natte natuur in bufferzone

++

++

++

++

++

++

Beschermde soorten (Wnb)

++

0/+

+

0/+

+

+

Bodem

11.4.1 Methodiek De effecten op het thema bodem zijn beschreven aan de hand van de aspecten bodemkwaliteit, bodemdaling en grondbalans. In onderstaande tabel is de onderzoeksmethodiek aangegeven. Ten behoeve van de planontwikkeling is een milieu hygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (Bargerveen buffer-Zuid milieuhygiënisch vooronderzoek, Royal HaskoningDHV, 2021 (bijlage 6, bestemmingsplan)).

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

90

Projectgerelateerd

Tabel 11-5. Onderzoeksmethodiek voor het thema bodem Aspect

Criteria

Methode

Bodemkwaliteit

Effect op eventuele aanwezige verontreinigingen

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

Bodemdaling

Effecten op veen

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

Grondbalans

Omvang grondverzet en herkomst/bestemming van grond

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

11.4.2 Bodemkwaliteit Op basis van het milieu hygiënisch vooronderzoek (Bargerveen buffer-Zuid milieuhygiënisch vooronderzoek, Royal HaskoningDHV, 2021 (bijlage 6, bestemmingsplan)) is vastgesteld dat er binnen het plangebied diverse verdachte locaties liggen, die aanleiding geven tot het verrichten van verkennend booronderzoek als er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden. Het betreffen dammen, huidige en voormalige paden, huidige en gedempte watergangen en asbestverdachte locaties (zie ook paragraaf 10.3). Doel van het booronderzoek is inzicht te krijgen in de milieu hygiënische samenstelling van de grond, waterbodem en aanwezige verhardingsmaterialen (onder andere asfalt). Als bodemverontreinigingen worden geconstateerd kunnen vervolgstappen worden bepaald. Eveneens dient inzicht verkregen te worden in de achterblijvende bodemkwaliteit van de oliewinlocaties S-109 en S-350 van de Nederlandse Aardolie Maatschappij en de kwaliteit van de in het aanwezige gronddepot aanwezige grond. Op het moment van verlenen van vergunningen voor grondroerende werkzaamheden dienen deze onderzoeken uitgevoerd te zijn. Vervolgonderzoek en eventuele bodemsaneringen komen voor kosten van initiatiefnemer. De aanleg van de buffer zal plaatsvinden binnen de regels van de Wet Bodembescherming, het Besluit Bodemkwaliteit en de gemeentelijke grondverzetregels (o.a. bodemkwaliteitskaarten).

In overeenstemming met deze regelgeving wordt eventueel vrijkomende grondverontreiniging tijdens de aanleg afgevoerd en zal bij een tekort op de grondbalans schone grond worden aangevoerd. Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Aanvullend onderzoek dient aan te tonen of er sprake is van verontreinigingen in het plangebied en of deze gesaneerd dienen te worden. Dit booronderzoek wordt uitgevoerd in de volgende fase van het definitief ontwerp. Het gebruik van de bufferzone zal geen bodemverontreiniging veroorzaken. Het effect is neutraal (0) beoordeeld.

11.4.3 Bodemdaling Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Doordat ter plaatse van de buffer peilen worden opgezet zullen mogelijk nog achtergebleven restveenlagen niet verder oxideren, waarmee verdere maaivelddaling niet kan optreden. Het effect is neutraal beoordeeld (0).

11.4.4 Grondbalans Inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Bij elke variant zal grond ontgraven worden en zoveel mogelijk binnen het project worden toegepast met als uitgangspunt een gesloten grondbalans. Met de vrijkomende grond worden kades rond het gebied aangelegd en plaatselijk kan het maaiveld worden opgehoogd. Als er grond over blijft kan deze vrijkomende 30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

91

Projectgerelateerd

grond ook worden gebruikt om in het Bargerveen kades en veenranden aan te leggen en te lage percelen op te hogen. Alle varianten, VKA en VKA+ zijn neutraal (0) beoordeeld.

11.4.5 Beoordelingstabel De beoordeling is samengevat in onderstaande tabel. Tabel 11-6. Samenvatting beoordeling effecten thema bodem Effectbeoordeling inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Thema

Bodem

11.5

Aspect

Slagenlandschap

Land & Water

Gradiënt

Beek & Veen

VKA

VKA+

Bodemkwaliteit

0

0

0

0

0

0

Bodemdaling

0

0

0

0

0

0

Grondbalans

0

0

0

0

0

0

Landschap

11.5.1 Methodiek De effecten op het thema landschap zijn beschreven aan de hand van de aspecten landschappelijke waarden en landschappelijke beleving. In onderstaande tabel is de onderzoeksmethodiek aangegeven. Voor dit thema is kwalitatief bureauonderzoek gedaan. De effecten zijn beoordeeld op basis van deskundigenoordeel. Tabel 11-7. Onderzoeksmethodiek voor het thema landschap Aspect

Criteria

Methode

Landschappelijke waarden

Beïnvloeding van landschappelijke structuren en elementen

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

Landschappelijke beleving

Inpassing buffergebied en kades in het landschap

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

11.5.2 Landschappelijke waarden Het gebied wordt gekenmerkt door twee landschapstypen: het hoogveenlandschap en het veenkoloniale landschap/slagenlandschap. Kenmerkend voor het hoogveenlandschap zijn de rafelige randen, open (veen)plassen en afwisseling van water, bosschages, heide, grasland, moeras en bloemrijke akkers. Het slagenlandschap kenmerkt zich door een langgerekte smalle strokenverkaveling, openheid en aanwezig micro reliëf. Dit landschapstype wordt aan de zuidzijde begrenst door de Europaweg (ontginningsbasis) met lintbebouwing en boerderijen. De strokenverkaveling loopt van de Europaweg tot aan de Zuidersloot in het Bargerveen. Bij de beoordeling van de mogelijke effecten is gekeken naar de mate van aantasting, verlies, herstel of toevoeging van landschappelijke waarden. Naast de oorspronkelijke waarden die versterkt of hersteld worden, voegt de buffer een nieuwe functie toe aan het gebied. Deze nieuwe functie legt nieuwe eisen op aan de inrichting van het plangebied. Een variant is positief beoordeeld als nieuwe opgaven en oude waarden elkaar versterken en er sprake is van een toegevoegde waarde in de omgeving.

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

92

Projectgerelateerd

Slagenlandschap Het verkavelingspatroon van het slagenlandschap vormt de basis voor deze variant. De smalle gestrekte noord-zuidverkaveling is duidelijk zichtbaar in de bufferzone. De buffer wordt gevormd door een fijnmazig patroon van water, plasdras en droge gronden. In deze variant is het slagenlandschap in een nieuw jasje gestoken. De volgende landschappelijke elementen komen terug in de nieuw te ontwikkelen buffer:  Landschappelijke richting en patroon van het slagenlandschap worden benadrukt en voortgezet.  Bestaande verkaveling en sloten als uitgangspunt.  Hogere ruggen behouden en benadrukken met lijnvormige beplanting of kade van het compartiment.  Enkele singels benadrukken noord-zuid richting: lijnvormige beplanting.  Behoud bosje Rikken-Jan. De variant sluit goed aan bij het omliggende cultuurlandschap en landschappelijke waarden worden behouden en benadrukt. Aan de zuidzijde is echter geen sprake van een vloeiende aansluiting vanwege de rechte lijn van de grens van de buffer dwars op de verkavelingsrichting. Om deze reden is deze variant positief (+) beoordeeld. Land en Water Deze variant kent zowel een oost-west als noord-zuid geleding/compartimentering, waarbij een extra ‘middenkade’ is toegevoegd. De noordelijke compartimenten vormen de buffer voor het veen, de zuidelijke compartimenten vormen de buffer voor de landbouwgronden ten zuiden van de buffer.

Op deze manier vormt de buffer een intermediair tussen beide functies met een bufferende werking voor natuur en landbouw. De buffers/compartimenten hebben een vrij strakke vorm met afgeronde hoeken. Singels worden zowel noord-zuid als parallel aan de nieuwe Stheemanstraat geplant. Hierdoor is er geen duidelijke aansluiting bij het verkavelingspatroon en/of de vormentaal van het Bargerveen en omliggende landschap. Er is vooral sprake van een functionele benadering van landbouw versus natuur. Op de volgende wijze wordt omgegaan met landschappelijke elementen:  Een extra zonering in het landschap ontstaat door de ‘middenkade’.  In zuidelijke deel van de buffer worden landschappelijke richting en patroon benadrukt en voortgezet, maar er is geen sprake van een vloeiende aansluiting vanwege de rechte lijn van de grens van de buffer dwars op de verkavelingsrichting.  In de noordelijke compartimenten zijn grote rechthoekige waterbakken die niet aansluiten bij het omliggende landschap.  Verdwijnen bosje Rikken Jan. De variant sluit in het zuidelijk deel aan bij het slagenlandschap, maar door toevoeging van een extra ‘middenkade’ en de grens van de buffer en de vormgeving van de watercompartimenten leidt deze variant op het gebied van landschap tot een lichte aantasting of verlies van landschappelijk waardevolle structuren (-).

Gradiënt De voor het veen kenmerkende ‘rafelige randen’ worden voortgezet in de buffer. Daarmee krijgt de buffer naast een functionele relatie met het veen ook een ruimtelijke relatie; de vormentaal van het veen komt terug in de buffer:  Rafelige rand aan noordzijde als overgang naar Bargerveen.  Strakkere rand aan zuidzijde als overgang naar slagenlandschap met gestrekte verkaveling.  Restanten hoogveen niet afgraven, maar benutten als begrenzing van de compartimenten.  Behoud bosje Rikken Jan. Qua vormentaal wordt met name aangesloten bij het natuurlijke landschap van het hoogveen. De grote watercompartimenten sluiten aan bij de open (veen)plassen in het Bargerveen. De gestrekte verkaveling 30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

93

Projectgerelateerd

komt in beperkte mate terug en is voornamelijk herkenbaar op de hogere ruggen tussen de compartimenten. De rechte belijning van de zuidelijke grens van de buffer is geïnspireerd op het huidige landschap, maar vormt wel een vrij abrupte grens. De variant borduurt voort op de landschappelijke waarden en deze waarden worden behouden en benadrukt. Deze variant is beoordeeld als positief (+). Beek en Veen De rafelige randen van het Bargerveen en open (veen)plassen komen sterk terug in de nieuw te ontwikkelen buffer en het verkavelingspatroon van het slagenlandschap is ook herkenbaar aanwezig:  Samenbrengen van natuur en recreatie, waarbij de vormentaal van het hoogveenlandschap en het slagenlandschap worden benut bij de inrichting van het gebied.  Rafelige randen.  Afwisseling van water, landtongen en eilanden.  Eilanden sluiten zoveel mogelijk aan bij natuurlijke hogere ruggen of midden op percelen en benadrukken verkavelingspatroon van het slagenlandschap.  Behoud bosje Rikken Jan. De variant sluit goed aan bij het omliggende landschap, het Bargerveen en het slagenlandschap komen in de buffer bij elkaar. De landschappelijke waarden worden behouden en benadrukt. Aan de zuidzijde is echter geen sprake van een vloeiende aansluiting vanwege de rechte lijn van de grens van de buffer dwars op de verkavelingsrichting. Om deze reden is deze variant beoordeeld als positief (+).

VKA en VKA+ Landschappelijk gezien is er geen verschil tussen het VKA en VKA+. Het VKA en VKA+ scoren beide sterk positief (++) voor landschappelijke waarden. Er zal een sterke verbetering en/of herstel van waardevolle landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle structuren plaatsvinden. Het VKA en VKA+ sluiten goed aan bij het omliggende landschap, omdat het hoogveenlandschap van het Bargerveen en het slagenlandschap er bij elkaar komen. De volgende landschappelijke elementen komen terug in de nieuw te ontwikkelen buffer:  Rafelige randen.  De vormentaal van het slagenlandschap wordt benut voor de inrichting van het gebied (noord-zuid oriëntatie).  Afwisseling water (verschillende niveaus), plasdras, landtongen en eilanden.  Lijnvormige beplanting/singels die de noord-zuid richting van het ontginningslandschap benadrukken.  Behoud bosje Rikken Jan.

11.5.3 Landschappelijke beleving Inrichtingsvarianten Door de ontwikkeling van de bufferzone komt er een nieuwe kade in het landschap. Het effect van de kade is beoordeeld in relatie tot de landschappelijke beleving. Door de aanleg van de nieuwe kade wordt de openheid beïnvloed. Dit heeft met name betrekking op het zicht vanuit de omgeving op het omliggende landschap. In de variant Slagenlandschap wordt een flauw talud toegepast waardoor de aantasting van de landschappelijke beleving minder is dan voor de ander de varianten waarin een 1:3 talud wordt toegepast. In de variant Land en Water wordt de kade als middenkade opgericht, tussen de noordelijke en zuidelijke compartimenten, waardoor de afstand van de kade tot bebouwing groter is en is de kade minder zichtbaar. Een positieve verandering betreft het beleven van het landschap vanaf de nieuw te ontwikkelen kade. In alle varianten is sprake van kades en routes over de kades. De varianten zijn licht negatief beoordeeld (-). VKA en VKA+ In het VKA en VKA+ is het ontwerp van de nieuwe kade van de nieuwe Stheemanstraat landschappelijk geoptimaliseerd waardoor deze heel geleidelijk afloopt naar bestaand maaiveld. Dit maakt de overgang van 30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

94

Projectgerelateerd

slagenlandschap naar bufferzone geleidelijker en de beleving van oud en nieuw landschap beter dan bij de varianten. Bovendien wordt het talud niet als steil en strak gemaaid talud uitgevoerd, maar krijgt het door extensief beheer een meer natuurlijke uitstraling. Deze natuurlijke uitstraling wordt nog verder versterkt door het talud getrapt vorm te geven en te variëren in de steilte van het talud. Halverwege het talud zal een fietspad worden ontwikkeld. Door de getraptheid en de variatie in steilte van het talud zal een geleidelijke overgang ontstaan tussen de nieuwe bufferzone en het omliggende maaiveld. Hierdoor wordt de openheid van het landschap en het zicht vanuit de omgeving op het omliggende landschap minimaal beperkt. Het gaat om een groene kade van zo’n 1,5 m boven maaiveld. Bij de bebouwing van Nieuw-Schoonebeek, meer dan 2 km afstand, zal de kade wegvallen in het groene landschap. Bij de ontwikkeling van de bufferzone is ook goed nagedacht over nieuw te ontwikkelen recreatieve voorzieningen zoals fiets- en wandelroutes. Door deze ontwikkeling kan de recreant het landschap in en aan de randen van het Bargerveen beter beleven en ervaren. Aangezien de zichtverstoring vanuit NieuwSchoonebeek minimaal is en er meer mogelijkheden komen om het landschap te beleven en ervaren zijn het VKA en VKA+ positief beoordeeld (+).

11.5.4 Beoordelingstabel De beoordeling is samengevat in onderstaande tabel. Tabel 11-8. Samenvatting beoordeling effecten thema landschap Effectbeoordeling inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Thema

Landschap

11.6

Aspect

Slagenlandschap

Land & Water

Gradiënt

Beek & Veen

VKA

VKA+

Landschappelijke waarden

+

-

+

+

+

+

Landschappelijke beleving

-

-

-

-

+

+

Cultuurhistorie

11.6.1 Methodiek De effecten op het thema cultuurhistorie zijn beschreven aan de hand van het aspect cultuurhistorische waarden. In onderstaande tabel is de onderzoeksmethodiek aangegeven. Voor dit thema is kwalitatief bureauonderzoek gedaan. De effecten zijn beoordeeld op basis van deskundigenoordeel. Tabel 11-9. Onderzoeksmethodiek voor het thema cultuurhistorie Aspect

Criteria

Methode

Cultuurhistorische waarden

Beïnvloeding van cultuurhistorische waarden

Kwalitatief op basis van bureauonderzoek en deskundigenoordeel

11.6.2 Cultuurhistorische waarden Het landschappelijke ensemble van het stroomdal van het Schoonebeeker Diep naar het hoogveengebied heeft een hoge cultuurhistorische waarde met als kenmerken de van zuid naar noord lagergelegen graslanden, de ontginningslijn (Europaweg) met noordelijk ervan de boerderijen en daarachter de hoger gelegen bouwlanden en de daarachterliggende woeste gronden en het hoogveengebied. De historische en ruimtelijke structuur en samenhang ervan dienen herkenbaar en behouden te worden. De smalle

30 augustus 2022

BE3102-MI-220428-v.01

95

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=bbfa7945-f401-43a1-bb09-be0409016645