3.7 Bijlagen bij toelichting Milieueffectrapport
Tekst van het document
4.2
De varianten
In Figuur 4-1 is geschetst hoe de vier inrichtingsvarianten eruit zouden kunnen zien. In het plangebied en de omgeving komen twee landschapstypen voor: het hoogveenlandschap van het Bargerveen en het veenkoloniale landschap met slagenverkaveling in het landbouwgebied. Beide landschapstypen hebben hun eigen karakter en waarden. In de varianten wordt de bufferzone op verschillende manieren ingepast en vormgegeven, waarbij aansluiting is gezocht bij de karakteristiek van één of beide landschapstypen. Daarnaast is gekeken hoe het gebied zo aantrekkelijk mogelijk voor medegebruik kan zijn.
Figuur 4-1. Visualisatie van de varianten voor de inrichting van de bufferzone: Slagenlandschap, Land en Water, Gradiënt, Beek en Veen (dit is een indicatie van hoe het landschap er uit zou kunnen zien). 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
23
Projectgerelateerd
In de variant Slagenlandschap is de noord-zuidverkaveling van het landbouwgebied in de bufferzone toegepast. Een fijnmazig patroon van water, plasdras en droge gronden vormt de bufferzone. Op de droge gronden komen grasland en kruidenrijk grasland voor en is beperkt agrarisch medegebruik mogelijk. De lijnvormige beplanting in noord-zuid richting en de kades benadrukken de singels en de hogere ruggen in het landschap. Recreatieve vlonderpaden benadrukken de verkaveling. De noord-zuid fietsroute vertelt het verhaal van energiewinning en cultuurhistorie. Er is een belevingspad in de plasdras zone bij het Bosje Rikken-Jan en een wandelroute die de dijk en het kavelpatroon volgt. In de variant Land en Water is een noord-zuid compartimentering toegepast. De noordelijke compartimenten vormen de buffer voor het veen, de zuidelijke compartimenten vormen de buffer voor de landbouwgronden ten zuiden van de bufferzone. De compartimenten hebben een strakke vorm met afgeronde hoeken. Er komen singels en andere lijnvormige beplanting in noord-zuid richting en parallel aan de nieuwe Stheemanstraat. Ook komen er molens om water op te pompen en te verplaatsen. In de zuidelijke compartimenten is naast landbouw, ruimte voor recreatie en/of de teelt van gewassen op water (hydroteelt). Om dit landgebruik de faciliteren is in deze compartimenten een drooglegging van 30 cm voorzien.
Het zuidelijke deel vormt een lappendeken van graslanden, ruigtes, bosjes en singels, waarbij zoveel mogelijk de slagenverkaveling van het landbouwgebied is gehandhaafd. Recreatieve voorzieningen bestaan uit wandel- en fietsroutes. In de variant Gradiënt worden de voor het veen kenmerkende ‘rafelige randen’ voortgezet in de bufferzone. De zuidzijde krijgt een strakkere rand en vormt zo de overgang naar het slagenlandschap met rechtlijnige verkaveling. De hoge ruggen vormen de begrenzing van compartimenten en verspreid over de buffer is opgaande beplanting aanwezig. Het Bosje Rikken-Jan wordt een nat wilgenbosje. De waterdiepte varieert in watermassa’s in de bufferzone en flauwe taluds vergroten de biodiversiteit. Het gebied wordt begraasd door waterbuffels. Aan de randen komen struin- en/of vlonderpaden. In het centrale deel van de bufferzone komen geen paden zodat de daar aanwezige natuur niet wordt verstoord. Een nieuwe fietsroute wordt gecombineerd met de nieuwe Stheemanstraat. Er komen recreatieve voorzieningen in de vorm van informatiepunten, uitzichtpunten en/of vogeluitkijkpunten. Kanovaren is mogelijk in het westelijk compartiment. In de variant Beek en Veen staan een toeristische impuls voor het gebied en recreatief medegebruik centraal. Nieuw-Schoonebeek en de bufferzone worden verbonden door recreatieve routes.
Een afwisseling van water, landtongetjes en eilandjes vormt de bufferzone. De eilandjes sluiten zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke hogere plekken in het gebied, of midden op bestaande percelen. Hierdoor hoeven er geen sloten te worden gedempt of verondiept. De watermassa’s in de bufferzone zijn voorzien van rafelige randen. Er is verspreide opgaande beplanting aanwezig en zijn kleinschalige faunavoorzieningen, zoals insectenhotels en ooievaarsnesten. In de bufferzone komen diverse fiets- en wandelroutes. Er zijn allerlei ommetjes mogelijk en er is een goede aansluiting bij het dorp. Er komen diverse recreatieve voorzieningen in de vorm van horeca, recreatiewoningen, camping en kanoverhuur.
4.3
Milieueffecten van de varianten
Het resultaat van de effectbeoordeling van de inrichtingsvarianten is gegeven in Tabel 4-1. Er is voor gekozen om in dit hoofdstuk alleen de conclusies te vermelden om snel tot de kern van de beslisinformatie te komen. De onderbouwing van alle effecten is in deel B (Hoofdstuk 11) gegeven. Uit de effectbeoordeling volgt dat de bufferzone, afhankelijk van de gekozen variant, positieve tot zeer positieve effecten heeft voor de grondwaterstand, infiltratie en Natura 2000-habitats in het Bargerveen. Dat komt omdat uit de berekeningen met het grondwatermodel blijkt dat alle varianten leiden tot een verhoging van de stijghoogte onder het Bargerveen (met zo’n 5 tot 75 cm) wat bijdraagt aan het behoud, herstel en 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
24
Projectgerelateerd
versterking van het hoogveen. De invloed op de stijghoogte is het grootst in het westelijk deel van de bufferzone, omdat hier geen keileem in de bodem voorkomt. De varianten schrijven alle vier een andere inrichting van de bufferzone voor, waardoor er wel verschillen zijn in de hydrologisch effecten. Het oppervlak open water in de varianten Slagenlandschap en Land en Water is minder groot dan in de varianten Gradiënt en Beek en Veen. Hierdoor geven deze varianten minder tegendruk en zijn ze minder effectief in het verhogen van de stijghoogte onder het Bargerveen dan de varianten Gradiënt en Beek en Veen. De varianten Gradiënt en Beek en Veen zijn daarom positief beoordeeld (++) voor de aspecten grondwaterstand en Natura 2000 habitats en de varianten Slagenlandschap en Land en Water licht positief (+). In samenhang met de GGOR--maatregelen zijn de effecten van de verschillende varianten in het landbouwgebied positief en wateroverlast bij bebouwing nihil. Uit de effectbeoordeling valt op dat alle varianten negatief (- -) scoren op het aspect waterkwaliteit. Dat komt omdat er in droge perioden water moet worden aangevoerd vanuit het Dommerskanaal om de buffer op peil te houden. Dit gebiedsvreemde water bevat nutriënten en algen.
Bij de uitwerking van het VKA+ is verder onderzoek gedaan naar de waterkwaliteit van het Dommerskanaal en is goed gekeken naar waterconservering in de bufferzone om de wateraanvoer uit het Dommerskanaal te verminderen. Verder volgt uit de effectbeoordeling dat de bufferzone positieve effecten heeft voor de natuurwaarden in de bufferzone en voor de aspecten CO2, landschappelijke waarden en recreatief medegebruik. Door de nieuwe inrichting zullen de natuurwaarden in de bufferzone in alle varianten toenemen. De huidige uitstoot van broeikasgassen van het landbouwkundig gebruik zal na de ontwikkeling van de bufferzone vervallen en in plaats daarvan zal CO2 worden vastgelegd in riet, wilgenstruwelen en nieuw veen. In alle varianten zal verbetering en/of herstel van waardevolle landschappelijke en/of cultuurhistorisch waardevolle structuren plaatsvinden en worden er recreatieve voorzieningen ontwikkeld. Voor een aantal aspecten kan een geringe verslechtering optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Dit geldt voor de effecten op het oppervlaktewaterpeil, energieverbruik, cultuurhistorische waarden, landschappelijke beleving, archeologische (verwachtings)waarden, aardkundige waarden, ruimtebeslag en tijdelijke effecten door de aanlegwerkzaamheden op natuur. Deze effecten zijn beperkt en vallen binnen de normen van wet- en regelgeving.
In de variant Slagenlandschap blijft een deel van de gronden onaangeroerd, waardoor de kans op aantasting van archeologische waarden en de tijdelijke hinder tijdens de aanlegfase minder is dan in de andere varianten. Deze variant sluit het beste aan bij de bestaande landschappelijke structuren en biedt beperkte mogelijkheden voor agrarisch medegebruik en scoort daarom goed op de aspecten landschap en landbouw. Maar de variant Slagenlandschap werkt hydrologisch gezien niet optimaal. De variant Land en Water heeft op de meeste aspecten de laagste score, behalve voor landbouwkundige gebruikswaarde. De varianten Gradiënt en Beek en Veen hebben op basis van hun effectiviteit effectief in het verhogen van de stijghoogte onder het Bargerveen de voorkeur. Daarbij scoort de variant Gradiënt wat hoger op (niet)broedvogels en beschermde soorten en de variant Beek en Veen wat hoger op recreatief medegebruik.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
25
Projectgerelateerd
Tabel 4-1. Effectbeoordeling varianten Effectbeoordeling varianten Thema
Aspect
Slagenlandschap
Land & Water
Gradiënt
Beek & Veen
Grondwaterstand
+
+
++
++
Oppervlaktewaterkwantiteit
-
-
-
-
Infiltratie
++
++
++
++
Waterkwaliteit
--
--
--
--
Waterveiligheid
0
0
0
0
Natura 2000 habitattypen
+
+
++
++
Natura 2000 vogels
+
+
+
0/+
Natuurnetwerk Nederland
++
++
++
++
Natte natuur in de bufferzone
++
++
++
++
Beschermde soorten (Wnb)
++
0/+
+
0/+
Bodemkwaliteit
0
0
0
0
Bodemdaling
0
0
0
0
Grondbalans
0
0
0
0
Cultuurhistorische waarden
-
-
-
-
Landschappelijke waarden
+
-
+
+
Landschappelijke beleving
-
-
-
-
Archeologische (verwachtings)waarden
-
-
-
-
Aardkundige waarden
-
-
-
-
Wateroverlast
0
0
0
0
Volksgezondheid
0
0
0
0
Geluidshinder
0
0
0
0
Luchtkwaliteit
0
0
0
0
Ruimtebeslag
-
-
-
-
Gebruikswaarde
0/-
0/-
-
-
Waterhuishouding
+
+
+
+
Ontsluiting
+
+
+
+
Recreatie
Recreatief (mede)gebruik en recreatieve structuren
+
+
+
++
Infrastructuur
Wegen
0
0
0
0
Externe veiligheid
Plaatsgebonden- en groepsrisico
0
0
0
0
Klimaatadaptatie
Klimaatrobuust
0
0
0
0
Uitstoot van broeikasgassen
+
+
+
+
Energieverbruik
-
-
-
-
Water
Natuur
Bodem
Landschap en cultuurhistorie
Archeologie en aardkundige waarden
Woonomgeving
Landbouw
Duurzaamheid
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
26
Projectgerelateerd
5
Optimalisatie van het voorkeursalternatief
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is beschreven hoe de landschappelijke inrichting en de hydrologische werking van de bufferzone zijn uitgewerkt tot een Voorkeursalternatief (zie paragraaf 5.2) en tot het geoptimaliseerde Voorkeursalternatief (zie paragraaf 5.3 en 5.4).
5.2
Ontwikkeling van het VKA
5.2.1
Peilverkenning
In de Principeafweging inrichting Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2017 (bijlage 17, bestemmingsplan) is met behulp van berekeningen met het grondwatermodel MIPWA een peilverkenning uitgevoerd en met waterbalansberekeningen is gekeken hoe het systeem over het jaar functioneert. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de peilen in het Bargerveen direct ten noorden van de bufferzone de maximaal mogelijke peilen voor de bufferzone zijn. Op basis van de peilverkenning is een hydrologische principe-inrichting van de bufferzone gemaakt, zoals weergegeven in Figuur 5-1. Vanwege het maaiveldverloop, de hoogte van de veenbasis en de ondergrond is gekozen voor vier vakken.
Figuur 5-1. Principe-inrichting peilverdeling
Het water infiltreert vanuit vak 4 (het meeste westelijke vak) gemakkelijker in de bodem dan in de vakken 3, 2 en 1, omdat onder vak 4 relatief weinig keileem voorkomt. In vak 4 wordt daarom gestreefd naar een vast hoog zomerpeil ten behoeve van de ontwikkeling van hoogveen in het Bargerveen. In het oostelijke deel worden de peilen ook verhoogd, maar in dit deel van de buffer wordt fluctuatie van het peil toegestaan om in de winter water vast te houden en te bergen vanuit het Bargerveen. Dit water wordt in de zomer naar vak 4 afgevoerd. Om uitstraling naar het bebouwd gebied ten noorden van de buffer (Weiteveen/Zuidersloot) tegen te gaan, wordt in de winter een lager peil in vak 4 ingesteld.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
27
Projectgerelateerd
5.2.2
Waterbalans
Uit waterbalansberekeningen (zie bijlage 17, bestemmingsplan) blijkt dat met enkel water uit het Bargerveen onvoldoende water beschikbaar is om het zomerpeil in vak 4 te realiseren. Dat betekent dat de bufferzone niet zonder wateraanvoer in de zomer kan functioneren. In het Inrichtingsplan Nieuw-Schoonebeek (oktober 2009), dat is gebaseerd is op de uitkomsten van het GGOR (2008) werd een uitbreiding van de wateraanvoer voor de landbouw al toegezegd (p.13): “Een klein deel van het gebied kent in de huidige situatie wateraanvoer in de zomerperiode. Dit vindt plaats via de te dempen watergang W8 dwars door het Schoonebeekerveld. Ook een deel van het Schoonebeekerdiepdal wordt via deze route van water voorzien. Deze wateraanvoer wordt hersteld via een wateraanvoertracé vanaf het Dommerskanaal. Tevens wordt in het overige gebied wateraanvoer gerealiseerd (zowel t.b.v. landbouw als buffergebied) inclusief extra gebied in het Schoonebeekerdiepdal.” In de Principeafweging (zie bijlage 17, bestemmingsplan) zijn verschillende aanvoerprincipes voor Buffer Zuid onderzocht. In samenwerking met de Hydrologiegroep is gekozen om in de zomer water aan te voeren uit het Dommerskanaal. De Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek heeft de noodzaak van wateraanvoer voor het functioneren van Buffer Zuid bestuurlijk vastgelegd en garandeert de aanvoer10.
5.2.3
Hydrologische inrichting van het VKA
Tabel 5-1 geeft de hydrologische uitgangspunten van het VKA. Tabel 5-1. Uitgangspunten VKA Gegevens
Vak 4
Vak 3
Vak 2
Vak 1
Waterpeilen
Zomerpeil: 16,5 m NAP Winterpeil: 15,5 m NAP
Peilen fluctueren ongeveer tussen 16,5 tot 16,7 m NAP
Peilen fluctueren ongeveer tussen 16,5 tot 17 m NAP
Peilen fluctueren ongeveer tussen 17 tot 17,5 m NAP
Kadehoogte
17 m NAP 1,5 m
18 m NAP 2,5 m
18 m NAP 1,75 tot 2,5 m
18 m NAP 0,75 tot 1,75 m
Wateroppervlak
90%
90%
70%
40%
Waterdiepte
Minimaal 0,5 m tov laagste peil
Minimaal 0,5 m tov laagste peil
Minimaal 0,5 m tov laagste peil
Minimaal 0,5 m tov laagste peil
Maaiveldhoogte landoppervlak
Circa 15,5 m NAP
Circa 15,5 m NAP
Loopt op van circa 15,5 naar circa 16,25 m NAP
Loopt op van circa 16,25 naar 17,25 m NAP
De bufferzone is verdeeld in vier vakken waarbij in de twee westelijke vakken het grootste wateroppervlak is voorzien (zo’n 90%). Vak 4 wordt in de zomer op een peil van 16,50 m NAP gehouden om de stijghoogte in de veenbasis van het Bargerveen te verhogen. De oostelijke vakken (vak 1, 2 en 3) hebben een waterbergende functie. In deze vakken daalt het peil in de zomer om vak 4 op te houden. Als in de zomer onvoldoende water beschikbaar is om vak 4 op peil te houden, wordt water aangevoerd vanuit het Dommerskanaal. Bij regulier peil is het percentage wateroppervlak in de vakken 1, 2 en 3 respectievelijk zo’n 40%, 70% en 90% (zie Figuur 5-2). Bij piekneerslag loopt in vakken 1 en 2 meer landoppervlak onder water (zie Figuur 5-2).
10
Besluit Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek, 25 september 2018.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
28
Projectgerelateerd
Figuur 5-2. Visualisatie VKA bij regulier peil en bij hoge waterstanden
In Figuur 5-3 is de aan- en afvoersituatie geschematiseerd. De blauwe pijlen geven het water aan dat vanuit het Bargerveen naar de bufferzone stroomt. De rode pijlen geven het water aan dat in de winter uit de bufferzone naar het landbouwgebied stroomt; dit water wordt via de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied afgevoerd. De bruine pijl geeft de wateraanvoer aan vanuit het Dommerskanaal als aan het eind van de zomer het peil in vak 4 te ver uitzakt. De licht blauwe pijl van vak 1 naar vak 4 staat voor het in de zomer op peil houden van vak 4 met water uit de vakken 1, 2 en 3, waarbij de groene balken de gestuwde afvoer weergeven.
Figuur 5-3. Aan- en afvoersituatie van het VKA.
5.2.4
Landschappelijke inrichting van het VKA
Op basis van de effectbeoordeling van de inrichtingsvarianten (zie paragraaf 4.3) hebben de varianten Gradiënt en Beek en Veen door hun effectiviteit in het verhogen van de stijghoogte onder het Bargerveen de voorkeur. Daarbij scoort de variant Gradiënt wat hoger op (niet-)broedvogels en beschermde soorten en de variant Beek en Veen wat hoger op recreatief medegebruik. De Projectgroep Buffer Zuid heeft ervoor gekozen om elementen uit deze varianten te gebruiken voor de landschappelijke inrichting van het VKA. Net als in de variant Gradiënt worden in het VKA de voor het veen kenmerkende ‘rafelige randen’ voortgezet in de bufferzone waardoor een ruimtelijke relatie ontstaat met het veen. Verspreid in het gebied wordt opgaande beplantingen aangebracht. Aan de zuidzijde van de bufferzone zijn stroken opgaande beplanting voorzien die in lijn liggen met het zuidelijke slagenlandschap. Hierdoor ontstaat een landschappelijke verbinding met het landbouwgebied.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
29
Projectgerelateerd
De twee westelijke vakken bieden ruimte aan de recreatieve voorzieningen uit de variant Beek en Veen. Nieuw-Schoonebeek en de bufferzone worden verbonden door recreatieve routes. In de plassen in de westelijke vakken is ruimte om te varen (te denken valt aan kano, sup of fluisterboot). In de zuidwesthoek van vak 4 kan qua recreatieve voorzieningen worden gedacht aan een parkeerplaats, een bezoekerscentrum met horeca, natuurspeelplek en uitkijkpunt. Verspreid in de bufferzone komen kleinschalige faunavoorzieningen. In de twee oostelijke vakken staan de natuurlijke aspecten centraal uit de variant Gradiënt. Hier is beperkt ruimte voor recreatief medegebruik in de vorm van een aantal (drijvende) recreatieve woningen. In de hele bufferzone worden recreatieve (vlonder)paden aangelegd, met fietsroutes langs de randen van de bufferzone en (extensieve) wandelpaden binnen de bufferzone. Het landbouwverkeer vindt plaats via de nieuwe Stheemanstraat op de nieuwe kade.
5.3
Optimalisatie van het VKA tot VKA+
Het VKA is verder geoptimaliseerd tot een VKA+ op basis van het tussentijds advies van de commissie m.e.r. (2021), nieuwe inzichten van hoogveendeskundigen over het tegengaan van laterale afstroming en de uitkomsten van de Landschapsecologische systeemanalyse van het Bargerveen (2021) waardoor de peilen omhoog kunnen. Daarnaast zijn nieuwe inzichten over het restveen in de bufferzone en de benodigde ruimte voor kades, infrastructuur en recreatieve voorzieningen verwerkt. In de volgende paragrafen zijn de resultaten van het nader onderzoek en de optimalisatie van het VKA tot VKA+ toegelicht.
5.3.1
Modelonzekerheden
De Commissie m.e.r. vroeg om de onzekerheden in de verhoging van de stijghoogte van het grondwater goed te onderzoeken. In Grondwatermodel Bargerveen Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 14, bestemmingsplan) is aangegeven welke aanpassingen aan het MIPWA-model zijn gedaan. Ook zijn in het geohydrologisch modelrapport de consequenties van de modelonzekerheden die samenhangen met de gevolgen van veenafgravingen, waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied, (zeer) droge zomers en beregeningsputten voor de bandbreedte aan gevolgen en daarmee de effectiviteit van de bufferzone beschouwd. De conclusie van de gevoeligheidsanalyse is dat het model een betrouwbare inschatting kan geven van de effecten die in dit MER zijn beoordeeld. De daadwerkelijk optredende gevolgen zullen worden gemonitord in het integrale monitoringsprogramma van het Bargerveen, waaraan een aantal extra monitoringspunten worden toegevoegd om de effecten van Buffer Zuid goed te kunnen meten (zie beschrijving in Hoofdstuk 7).
5.3.2
Beperken afgraven veen
In 2021 heeft Medusa Explorations geofysisch veldonderzoek gedaan naar het voorkomen van veen en keileem in de ondergrond in een deel van de bufferzone (zie resultaten in Grondwatermodel Bargerveen Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 14, bestemmingsplan)). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in Vak 4 in ongeveer de helft van het areaal geen restveen is aangetroffen en in ongeveer 30% van het areaal ruim 0,5 m restveen. Om de stijghoogte onder het Bargerveen zo veel mogelijk te verhogen en op die manier zo effectief mogelijk bij te dragen aan de ontwikkeling van het hoogveen in het Bargerveen wordt het restveen in vak 4 verwijderd. Het restveen heeft een weerstand en door het restveen te verwijderen verbetert de infiltratie naar de ondergrond ten behoeve van de stijghoogte onder het Bargerveen. Vrijkomend veen uit de buffer biedt kansen voor inzet op het Natura 2000-gebied Bargerveen, zoals het ophogen van het tracé van de te dempen watergang W8 in Schoonebeekerveld west, waarbij twee 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
30
Projectgerelateerd
doorsneden hooggelegen witveencomplexen op elkaar aangesloten kunnen worden, door aanvulling met veen uit de bufferzone. Vrijkomend veen heeft daarbij duidelijk een meerwaarde voor herstel van het Bargerveen. Kanttekening bij het verwijderen van restveen is dat dit de kansen voor de eventuele natuurlijke ontwikkeling van veen in de toekomst verkleint. Het ontwikkelen van natuur of veenontwikkeling in de bufferzone is geen doel van het project. Maar met het oog hierop is ervoor gekozen om het restveen dat voorkomt in de vakken 1, 2 en 3 zoveel mogelijk te behouden en rekening mee te houden met de inrichting. In deze vakken kan dat omdat het afgraven van restveen in deze vakken nauwelijks leidt tot grotere effectiviteit voor de stijghoogte onder het Bargerveen, vanwege de hoge weerstand van de keileem onder die vakken.
5.3.3
Optimalisatie wateraanvoer en minimum peilen
De Commissie m.e.r. vroeg om een onderbouwing van de wateraanvoer in de bufferzone uit het Dommerskanaal. Daarnaast heeft de Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek gevraagd om nog slimmer om te gaan met water en daarmee de wateraanvoer verder te beperken. Water conserveren Om tot nauwkeuriger waterbalansberekeningen te komen, is een oppervlaktewatermodel in SOBEK opgesteld (Technisch achtergrondrapport oppervlaktewatermodel Bargerveen en Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 15, bestemmingsplan)). Uit berekeningen van het VKA met het oppervlaktewatermodel blijkt dat de afvoerpieken uit het Bargerveen meer zijn gedempt dan tot nu toe werd aangenomen. De maximumpeilen worden niet overschreden en in vak 2 is nog ruimte voor berging beschikbaar. In het VKA is in de zomer gemiddeld 370.000 m3 wateraanvoer uit het Dommerskanaal nodig om vak 4 op peil te houden terwijl er in de winter water wordt afgevoerd om voldoende bergingsruimte te behouden. De optimalisatie van het VKA is erop gericht piekberging in de bufferzone mogelijk te maken én in de winter zoveel mogelijk water uit het Bargerveen en het landbouwgebied op te slaan om daarmee de aanvoer in de zomer te beperken. In het achtergrondrapport oppervlaktewater (zie bijlage 15, bestemmingsplan) zijn de optimalisatieslagen beschreven.
Dit heeft geresulteerd in hogere maximum peilen in de vakken 1, 2 en 3 ten opzichte van het VKA om pieken vast te houden tot een niveau van 17,5 m NAP. In het VKA+ wordt aan het eind van de winter jaarlijks zo’n 250.000 m3 water vanuit het Dommerskanaal aangevoerd en via vak 4 naar vak 3 en 2 gepompt om een extra voorraad te creëren en ’s zomers minder water te hoeven aanvoeren. Uit de berekeningen blijkt dat daarmee voor het VKA+ in de zomer jaarlijks gemiddeld 60.000 m3 water vanuit het Dommerskanaal moet worden aangevoerd om vak 4 op peil te houden (ten opzichte van de gemiddeld 370.000 m3 zomeraanvoer in het VKA). De hogere peilen zijn onder andere mogelijk door de inbreng van de LESA (2021) voor het Schoonebeekerveld, waardoor de randvoorwaarden voor de bufferzone zijn gewijzigd. Omdat er op basis van de LESA hogere peilen in het Bargerveen worden gehanteerd, kwam er, ten opzichte van het VKA, ook meer ruimte voor hogere peilen in de bufferzone. Minimum peilen Het VKA legt geen minimum op aan de peilen in de vakken 1, 2 en 3. Uit nadere berekeningen met het oppervlaktewatermodel van het VKA bleek dat de peilen in de vakken 2 en 3 in de zomer lager werden dan de gemiddelde stijghoogte in de tussenzandlaag onder het Schoonebeekerveld.
Ter hoogte van de vakken 2 en 3 zou de bufferzone dan een drainerende werking op de veenbasis krijgen en dit kan leiden tot een toename van de laterale waterverliezen uit het witveen. Daarom zijn in het VKA+ minimum peilen voorgesteld voor de vakken 1, 2 en 3 waardoor het drainerende effect verdwijnt. Het uitzakken van de waterstanden wordt dan tegengegaan wat in combinatie met de leemkade de laterale afstroming remt. 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
31
Projectgerelateerd
Op 25 oktober 2021 heeft de Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek het besluit om ecologisch minimum peilen te hanteren vastgesteld. Het resultaat van de optimalisatie is dat de zomer aanvoer in het VKA+ gemiddeld 80% minder is dan in het VKA en de oostelijke vakken in de zomer geen drainerend effect meer hebben (zie Effectberekeningen grond- en oppervlaktewatermodel Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 16, bestemmingsplan)).
5.3.4
Verhouding land/water
Bij de uitwerking van het Schetsontwerp voor de inrichting van Buffer Zuid bleek dat er in het gebied meer ruimte nodig is voor infrastructuur, kades en recreatieve voorzieningen dan eerder was voorzien in het VKA. In Figuur 5-4 is de verhouding land-water opgenomen die in het Schetsontwerp voor de inrichting van Buffer Zuid is toegepast. Voor de berekeningen van het VKA+ is uitgedaan van de minimum percentages open water in de vakken van Figuur 5-4.
Figuur 5-4. Percentage water versus land in de vakken
5.3.5
Noord-zuid compartimentering
Er is nog eens goed gekeken naar een inrichting waarbij het peil in de bufferzone getrapt afloopt van noord naar zuid. Dit voorstel was gedaan door hoogveendeskundigen. Met deze inrichting zou het geleidelijk aflopende peil binnen het Bargerveen vanaf het Meerstalblok (20 m NAP) naar het Schoonebeekerveld (17,50 m NAP) worden voortgezet in de bufferzone. Het idee hierachter is dat deze inrichting beter aansluit bij een mogelijke ontwikkeling op lange termijn, waarbij een acrotelm in het Bargerveen wordt ondersteund door getrapt aflopende bufferpeilen rondom het veen en er (mogelijk) minder wateraanvoer nodig is dan in de huidige situatie. In het hoogveen moeten de waterstanden – net als in een intacte hoogveenkoepel – geleidelijk aflopen. Momenteel is dit ook zo in het Bargerveen tot aan de rand van het Schoonebeekerveld. De bufferzone heeft geen hoogveendoelstelling en met de voorgenomen ingrepen en het beheer zal zich hier in principe geen hoogveen ontwikkelen. Als het principe van een noord-zuid inrichting wordt beschouwd met het VKA+ dan gelden de volgende redeneerlijnen: Direct langs de rand van het Bargerveen wordt bij beide principes een hoog peil gehandhaafd. Deze maatregel ondersteunt in combinatie met de kade en het dempen van de sloot in de Stheemanstraat het tegengaan van de laterale afstroming in het Bargerveen (zie ook paragraaf 2.5.3).
De noord-zuid compartimentering is hierin niet onderscheidend ten opzichte van het VKA+, omdat bij het VKA+ al wordt gestreefd naar de maximaal mogelijke peilen. Voor de doelstelling van Buffer Zuid, namelijk het verhogen van de stijghoogte onder het Bargerveen, is de noord-zuid compartimentering minder effectief, omdat over de gehele bufferzone het peil lager is. Het principe en het optredende effect van een noord-zuid compartimentering werd ook al in beeld gebracht bij de variant Land en Water (zie paragraaf 4.3). De ruimte voor een fluctuerend peil is bij een getrapt peilverloop beperkter dan bij de vakken van het VKA+. Hierdoor is de ruimte voor het opvangen van pieken bij hevige neerslag uit het Bargerveen 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
32
Projectgerelateerd
kleiner en zullen pieken sneller worden afgevoerd. Daarbij geldt dat door de realisatie van meer kades de beschikbare ruimte voor berging ook iets beperkter is. Daardoor kan er minder water uit het Bargerveen worden vastgehouden en zal er bij een getrapt verloop meer wateraanvoer in de zomer nodig zijn dan bij het VKA+.
Op basis van bovenstaande punten is deze inrichting in dit MER niet verder met modelberekeningen onderzocht.
5.3.6
Kwaliteit van het inlaatwater
De Commissie m.e.r. vroeg om de kwaliteit van het inlaatwater goed te onderzoeken. Er is een analyse gedaan van de gemeten waterkwaliteit van het Dommerskanaal (zomergemiddelde chlorofyl-a-gehalte en de zomer- en wintergemiddelde concentraties fosfaat, totaal-fosfor en totaal-stikstof). Met behulp van het oppervlaktewatermodel zijn de afvoeren van en naar de buffer inzichtelijk gemaakt. Per vak is (op grond van weergegevens in de periode 2000-2010) berekend hoeveel water afkomstig is uit drie verschillende bronnen: Dommerskanaal, Bargerveen en Neerslag. Op basis daarvan is berekend wat de verwachte waterkwaliteit in de verschillende vakken wordt. Die kwaliteit is vergeleken met de KRW-maatlat voor M14 Ondiepe gebufferde plassen (een watertype dat vergelijkbaar is met Buffer Zuid). Uit de analyse blijkt dat de toestand in met name Vak 4 een (zeer) lage ecologische waarde heeft en er risico is op periodieke blauwalgengroei, verhoogde slibvorming en de ontwikkeling van Watercrassula (een invasieve exotische waterplant). De resultaten zijn in maart 2022 besproken met de gebiedspartners. De gebiedspartners zijn het erover eens dat de verwachte waterkwaliteit en de daaraan gerelateerde gevolgen/risico’s in Vak 4 niet gewenst zijn. Elk nieuw aan te leggen water moet voldoen aan een goede waterkwaliteit.
Waterschap Vechtstromen is in beginsel van mening dat watersystemen met een dergelijke fosfaatconcentratie niet gecreëerd zouden moeten worden. De Gemeente Emmen geeft aan dat vanuit oogpunt van recreatie ter plaatse van vak 4 een ongewenste situatie ontstaat. Staatsbosbeheer ziet bij dergelijke hoge nutriëntenconcentraties risico’s voor de ontwikkeling van Watercrassula. Daarom moeten vanuit het oogpunt van de gebiedspartners de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het aanvoerwater worden verkend. Om een betere waterkwaliteit te realiseren is defosfatering van het aanvoerwater nodig. Hoewel de kwaliteit van het aanvoerwater naar verwachting zal verbeteren in de komende jaren (opgave vanuit de KRW en het Nationaal programma landelijk gebied) ijlt de uitspoeling van fosfaat nog langer na. Daarom is het nodig om maatregelen te treffen. Er zijn twee type maatregelen overwogen: helofytenfilters of ijzerzandfiters. Aan de hand van een eerste kwalitatieve beoordeling is ingeschat dat vanwege het benodigde ruimtebeslag (zo’n 6 ha) een helofytenfilter niet haalbaar is. Ook het toepassen van helofyten in de aanvoerwatergang is in verband met de dimensies van de watergang (diepte) niet haalbaar. Gezien het beperktere benodigde ruimtebeslag (zo’n 1,5-2 ha) heeft een ijzerzandfilter de voorkeur.
Het ijzerzandfilter is als mitigerende maatregel in dit MER opgenomen en zal in de volgende fase (naar definitief ontwerp) nader worden uitgewerkt.
5.3.7
(Tijdelijke) effecten stikstof
De Commissie m.e.r. vroeg naar de tijdelijke effecten van stikstof. De verandering in stikstofdepositie in het Bargerveen en andere Natura 2000-gebieden in de omgeving is berekend voor de aanlegfase en de gebruiksfase (zie Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 2022 (bijlage 5, bestemmingsplan)). De inzet van graafmachines en vrachtauto’s nodig voor de inrichting van de bufferzone leidt in de aanlegfase (tijdelijk) tot neerslag van stikstof in het Bargerveen en andere Natura 2000-gebieden in de omgeving. Voor de emissieberekening is ervan uitgegaan dat STAGE klasse IV-materieel wordt
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
33
Projectgerelateerd
ingezet. In de gebruiksfase leiden verkeersbewegingen naar de recreatieve voorzieningen en de gewijzigde situatie op de Stheemanstraat ook tot neerslag van stikstof. Maar er worden ook bepaalde activiteiten beëindigd die in de huidige situatie tot neerslag van stikstof leiden. Landbouwgronden worden namelijk omgezet naar natuur, waardoor bemesting van deze gronden en inzet van landbouwvoertuigen wordt beëindigd. Uit de verschilberekening in AERIUS 2022 ten opzichte van de (huidige) referentiesituatie komt naar voren dat er geen sprake is van een stiktoename, maar juist van een sterke afname in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van het uit gebruik nemen van de landbouwgronden en het stopzetten van bemesting. In de Natuurtoets is beoordeeld dat de berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000gebied Bargerveen aanwezige habitattypen gezien de tijdelijke bijdrage van de aanlegfase en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone geen significant negatieve gevolgen heeft.
5.3.8
Medegebruik
In 2021 heeft marktconsultatie plaatsgevonden over het agrarisch en recreatief medegebruik van de toekomstige bufferzone en is het Schetsontwerp voor de inrichting van Buffer Zuid uitgewerkt. Door de omgeving zijn diverse wensen voor recreatief medegebruik aangedragen. Er wordt potentie gezien om in de bufferzone economische activiteiten te ontwikkelen en om het te ontwikkelen tot een aantrekkelijk (uitloop)gebied. Er is zoveel mogelijk invulling gegeven aan deze wensen, passend binnen de hydrologische en natuurwaarden van het gebied.
5.4
Beschrijving VKA+ met uitgangspunten voor de toetsing
Hydrologische inrichting van het VKA+ Tabel 5-2 geeft de hydrologische uitgangspunten van het VKA+. De bufferzone gaat bestaan uit vier buffervakken. In de buffervakken komen grote waterplassen. Tabel 5-2. Uitgangspunten VKA+ Gegevens
Vak 4
Vak 3
Vak 2
Vak 1
Streefpeilen
Zomerpeil: 16,5 m NAP Winterpeil: 15,5 m NAP
Min peil: 16,5 m NAP Max peil: 17,5 m NAP
Min peil: 16,65 m NAP Max peil: 17,5 m NAP
Min peil: 16,8 m NAP Max peil: 17,5 m NAP
Kadehoogte
17 m NAP
18 m NAP
18 m NAP
18 m NAP
Wateroppervlak
75%
75%
60%
35%
Maaiveldhoogte landoppervlak
Circa 15,5 m NAP
Circa 15,5 m NAP
Loopt op van circa 15,5 naar circa 16,25 m NAP
Loopt op van circa 16,25 naar 17,25 m NAP
Water infiltreert in Vak 4 (het meest westelijke vak) gemakkelijker in de bodem dan in de vakken 1,2,3 omdat onder Vak 4 weinig keileem voorkomt. Vak 4 gaat voor 75% uit open water bestaan en krijgt vaste zomeren winterpeilen. Vak 4 wordt in de zomer op een peil van 16,50 m NAP gehouden. Om de stijghoogte onder het Bargerveen te verhogen is het essentieel dat het water in Vak 4 op peil blijft. De oostelijke vakken 1, 2, 3 hebben als doel het tegengaan van de laterale stroming (vooral door de zandondergrond) en een bergende functie. Met het geborgen of aangevoerde water kan in de zomer vak 4 worden gevoed en wordt wateroverlast in de winter in het landbouwgebied voorkomen. Figuur 5-5 geeft schematisch het watersysteem in de bufferzone weer met de benodigde kunstwerken. De vakken staan met elkaar in verbinding door een centrale geul/slenk in oost-west richting. Vanaf deze geul
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
34
Projectgerelateerd
worden aansluitingen gemaakt naar de in- en uitlaten. Aan de noordzijde sluiten watergangen uit het Bargerveen aan op de vakken; met stuwen/duikers wordt het peilbeheer geregeld (de lichtgroene peilen pijlen in Figuur 5-5). Stuwen tussen de vakken regelen het peilbeheer om vak 4 op peil te houden. Gemalen tussen de vakken 2 en 3 en 4 zorgen ervoor dat water uit de lagere vakken opgepompt kan worden naar de hogere vakken om water in de winterperiode te conserveren en in de zomer de landbouw van water te voorzien. Vak 1 wordt direct gevoed met water uit het Bargerveen. Voor aan- en afvoer van water naar het zuidelijk gelegen landbouwgebied worden uitlaatwerken geplaatst tussen de bufferzone en de watergang ten zuiden van de Verlegde Stheemanstraat. Vanaf het Dommerskanaal wordt een wateraanvoer gerealiseerd ten behoeve van Buffer Zuid en de landbouw. Als de bufferzone vol is, zal het teveel aan water worden afgevoerd naar het Schoonebeekerdiep en/of het Dommerskanaal. Hiervoor komen nieuwe watergangen vanaf de bufferzone naar het Schoonebeekerdiep. De ruimte voor deze watergangen is al aan het waterschap toegedeeld via het ruilplan van de Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek. Dit wordt vastgelegd in het Bestemmingsplan “Buitengebied, Nieuw-Schoonebeek” en het Projectplan “Watersysteem Nieuw-Schoonebeek”.
Figuur 5-5. Schematische weergave aan- en afvoer watersysteem en kunstwerken Buffer Zuid.
Landschappelijke inrichting De noordzijde van de bufferzone krijgt rafelige randen, geïnspireerd op de rafelige randen in het Bargerveen die zijn ontstaan als gevolg van veenontginning en afkalving. De zuidzijde van de bufferzone wordt ingericht als herinnering aan het slagenlandschap. Hier zijn stroken opgaande beplanting voorzien die in lijn liggen met de lijnen uit het zuidelijk gelegen landbouwgebied. Hierdoor ontstaat een landschappelijke verbinding tussen het Bargerveen en het landbouwgebied. Met name de twee westelijke vakken bieden ruimte aan recreatieve voorzieningen. Nieuw-Schoonebeek en de bufferzone worden verbonden door recreatieve routes. Er komt een goed toegankelijk pad rondom vak 4. In de plassen in de westelijke vakken is ruimte voor kanovaren. In de zuidwesthoek van vak 4 komen zo’n 100 parkeerplaatsen en is ruimte gereserveerd voor een bezoekerscentrum en/of horeca. In de twee oostelijke vakken (vak 1 en 2) kunnen drijvende of water georiënteerde ecolodges komen. Er komen overal kleine faunavoorzieningen. In de hele bufferzone komen recreatieve fiets- en wandelpaden. Het landbouwverkeer vindt plaats via de nieuwe Stheemanstraat op de nieuwe kade.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
35
Projectgerelateerd
6
Effecten van het VKA+
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de resultaten van de milieueffectbeoordeling van het VKA+ gegeven. Naast een totaaloverzicht van de effectbeoordeling zijn de grensoverschrijdende effecten, kansen op cumulatie met andere ontwikkelingen, mitigerende maatregelen en leemten in kennis en informatie gegeven.
6.2
Milieueffecten
Het resultaat van de effectbeoordeling van het VKA+ is gegeven in Tabel 6-1 (op de volgende pagina). Voor de volledigheid is in Tabel 6-1 ook de beoordeling van de inrichtingsvarianten (zie Hoofdstuk 4) en het VKA gegeven, zodat de lezer de beoordelingen kan vergelijken. In deze paragraaf zijn de hoofdpunten voor de beoordeling gegeven. De onderbouwing van alle effecten is in deel B (Hoofdstuk 11) gegeven. Het VKA+ is zeer positief beoordeeld op: Grondwaterpeil. Uit berekeningen met het grondwatermodel blijkt dat het VKA en VKA+ leiden tot een verhoging van de stijghoogte onder het Bargerveen. Dit draagt bij aan het behoud, herstel en versterking van het hoogveen van het Bargerveen. Uit de berekeningen van het VKA+ zal de stijghoogte van de tussenzandlaag in een gebied van zo’n 91 hectare tot in de veenbasis gaan reiken. In een gebied van zo’n 178 hectare neemt de stijghoogte van de tussenzandlaag in de veenbasis toe en in een gebied van 896 hectare neemt de stijghoogte van de tussenzandlaag toe, maar deze blijft hier wel onder de veenbasis. Ten opzichte van het VKA heeft het VKA+ een positiever effect, omdat er meer water wordt vastgehouden in de vakken 1, 2 en 3 zodat jaarrond tegendruk wordt geboden aan het Bargerveen. Infiltratie.
Het water vanuit de buffer komt via infiltratie ten goede aan het grondwater en leidt tot een toename van de stijghoogte in de veenbasis onder het Bargerveen, wat weer ten goede komt aan het ecologisch herstel en de versterking van het Bargerveen. Ten opzichte van het VKA scoort het VKA+ beter, omdat het peil in de buffervakken 1, 2 en 3 hoger blijft. Hogere peilen in deze vakken van de buffer reduceren de laterale afstroming vanuit het Bargerveen iets sterker dan het VKA... Natura 2000-habitattypen. Buffer Zuid draagt bij aan de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied het Bargerveen ten aanzien van de ontwikkeling van hoogveen in het Bargerveen. In het Bargerveen komen stikstofgevoelige habitattypen voor. Uit de verschilberekening in Aerius 2022 van het VKA+ ten opzichte van de (huidige) referentiesituatie komt naar voren dat er geen sprake is van een stikstoftoename, maar juist van een sterke afname in stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dat komt door het uit gebruik nemen van de landbouwgronden waardoor er geen bemesting meer plaatsvindt.
In de Natuurtoets is beoordeeld dat de berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000-gebied Bargerveen aanwezige habitattypen gezien de tijdelijke bijdrage van de aanlegfase en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone geen significant negatieve gevolgen heeft. NNN. Het plangebied heeft als beheertype N00.01 ‘Nog om te vormen naar natuur’. Buffer Zuid biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor meerdere natuurdoeltypen. De buffer wordt gevormd door open water, plasdras en droge gronden. De plassen kunnen gekenmerkt worden als natuurtype N04.02 Zoete plas. Op de droge gronden kan N12.02 Kruidenrijk en Faunarijk grasland tot ontwikkeling komen. Afhankelijk van het beheer bieden deze gronden kansen voor flora en fauna. Daarnaast zijn er kansen voor de landschapselementen L01.04 Bossingels en bosjes en/of L01.03 Elsensingel. De overgang van de zoete plas naar droge gronden vormen L01.15 Natuurvriendelijke oevers, N05.01 Moeras of N05.02 Gemaaid rietland. Tabel 6-1. Vergelijking van de effecten van de varianten, het VKA en VKA+ (volgende pagina).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
36
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling inrichtingsvarianten, VKA en VKA+ Thema
Aspect
Slagenlandschap
Land & Water
Gradiënt
Beek & Veen
VKA
VKA+
Grondwaterpeil
+
+
++
++
++
++
Oppervlaktewaterkwantiteit
-
-
-
-
-
0/-
Infiltratie
++
++
++
++
++
++
Waterkwaliteit
--
--
--
--
--
- - / 0*
Waterveiligheid
0
0
0
0
0
0
Natura 2000 habitattypen
+
+
++
++
++
++
Natura 2000 vogels
+
+
+
0/+
+
+
Natuurnetwerk Nederland
++
++
++
++
++
++
Natte natuur in bufferzone
++
++
++
++
++
++
Beschermde soorten (Wnb)
++
0/+
+
0/+
+
+
Bodemkwaliteit
0
0
0
0
0
0
Bodemdaling
0
0
0
0
0
0
Grondbalans
0
0
0
0
0
0
Cultuurhistorische waarden
-
-
-
-
-
-
Landschappelijke waarden
+
-
+
+
+
+
Landschappelijke beleving
-
-
-
-
+
+
Archeologische (verwachtings)waarden
-
-
-
-
-
-
Aardkundige waarden
-
-
-
-
-
-
Wateroverlast
0
0
0
0
0
0
Volksgezondheid
0
0
0
0
0
0
Geluidshinder
0
0
0
0
0
0
Luchtkwaliteit
0
0
0
0
0
0
Ruimtebeslag
-
-
-
-
-
-
Gebruikswaarde
0/-
0/-
-
-
0/-
0/-
Waterhuishouding
+
+
+
+
+
+
Ontsluiting
+
+
+
+
+
+
Recreatie
Recreatief (mede)gebruik en recreatieve structuren
+
+
+
++
++
++
Infrastructuur
Wegen
0
0
0
0
0
0
Externe veiligheid
NAM-leiding
0
0
0
0
0
0
Klimaatadaptatie
Klimaatrobuust
0
0
0
0
0/+
+
+
+
+
+
+
+
Duurzaamheid
Uitstoot van broeikasgassen Energieverbruik
-
-
-
-
-
-
Water
Natuur
Bodem
Landschap en Cultuurhistorie
Archeologie en aardkundige waarden
Woonomgeving
Landbouw
* beoordeling wordt neutraal (0) bij toepassing van ijzerzandfilter (mitigerende maatregel).
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
37
Projectgerelateerd
Natte natuur in de bufferzone. De natuurwaarden zullen toenemen door de realisatie van zoete plassen, natte en vochtige, voedselrijke graslanden, lokaal aangevuld met natte ruigten en struweel. Recreatief medegebruik. Er is sprake van een sterke verbetering van de recreatieve mogelijkheden in en rond het plangebied. Er komen parkeerplaatsen, nieuwe fiets- en wandelpaden die goed aansluiten op bestaande structuren en mogelijk horeca. Verder zijn er mogelijkheden om te kanoën in de buffer.
Het effect op de waterkwaliteit is negatief beoordeeld. De waterkwaliteit in Vak 1 is prima, in vakken 2 en 3 acceptabel. In Vak 4 zijn hoge pieken in fosfaatconcentratie (> 0,2 mgP/l) te verwachten. Als gevolg van de hoge fosfaatconcentraties in met name Vak 4 zal dit vak een (zeer) lage ecologische waarde krijgen en is er kans op periodieke blauwalgengroei, slibvorming en ontwikkeling van watercrassula. Er is een ijzerzandfilter voorgesteld als mitigerende maatregel om negatieve effecten op de waterkwaliteit te voorkomen (zie paragraaf 6.6). Na toepassing van een ijzerzandfilter wordt de waterkwaliteit van het VKA+ neutraal (0) beoordeeld. Het ijzerzandfilter wordt verder uitgewerkt in het definitief ontwerp. Er zijn licht positieve effecten voorzien voor: Natura 2000-vogels. De waarde van het plangebied voor vogelsoorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen neemt toe. Beschermde soorten. o Buffer Zuid met natuurinrichting betekent voor diverse bijzondere en beschermde soorten potentieel een geschikt nieuwe standplaats of leefgebied. Waaronder foerageergebied voor vleermuizen, nieuwe standplaatsen voor diverse bijzondere plantensoorten, nieuw geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis, heikikker, poelkikker, gladde slang, diverse vogelsoorten, aardbeivlinder en de weerschijnvlinder.
o Het plan betekent mogelijk een beperkt verlies van geschikt leefgebied van de grote bosmuis afhankelijk van de mate van vernatting. Het oppervlakte verlies is dermate beperkt dat de gunstige staat van instandhouding niet wordt beïnvloed. In kader van de zorgplicht worden voorzorgsmaatregelen voor grote bosmuis voorgesteld om slachtoffers te voorkomen. o Er kunnen mogelijk rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan wanneer er holten aanwezig zijn in bomen die gekapt worden. Er zal een holtencheck worden uitgevoerd. Wanneer er holten worden aangetroffen is nader vleermuisonderzoek nodig om te kijken of deze holten ook daadwerkelijk dienen als rust- of verblijfplaats van vleermuizen. Mocht dit het geval zijn zullen hiervoor mitigerende maatregelen worden opgenomen in het Ecologisch werkprotocol. o Het positieve effect voor allerlei andere soorten is groter en draagt meer bij aan de natuurwaarden dan het effect van de grote bosmuis en verwachte effect op vleermuizen, waardoor het totale effect op beschermde soorten positief is beoordeeld. Landschappelijke waarden. In Buffer Zuid komen het hoogveenlandschap van het Bargerveen en het slagenlandschap van het landbouwgebied bij elkaar. In plaats van de huidige harde overgang tussen de beide landschappen, worden deze in de bufferzone op elkaar aangesloten. Landschappelijke beleving.
Bij de ontwikkeling van de bufferzone is ook goed nagedacht over nieuw te ontwikkelen recreatieve voorzieningen zoals routes, rustplaatsen en informatievoorzieningen. Door deze ontwikkeling kan de recreant het landschap in en aan de randen van het Bargerveen beter beleven en ervaren. Waterhuishouding landbouwgebied. In combinatie met de GGOR-maatregelen verbeterd de waterhuishoudkundige situatie in het landbouwgebied. Ontsluiting voor de landbouw. Er is voorzien in een nieuwe Stheemanstraat ten zuiden van de bufferzone in landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek. Deze is bedoeld als ontsluiting van de akkerbouwpercelen. Klimaatrobuust. De bufferzone wordt zo ingericht dat het veel water kan vasthouden en piekafvoeren uit het Bargerveen door hoosbuien kan opvangen en vasthouden. In droge tijden kan het vastgehouden 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
38
Projectgerelateerd
water worden gebruikt om vak 4 op peil te houden en de landbouw van water te voorzien. Daarom hoeft er in het VKA+ in de zomer fors minder water te worden aangevoerd dan in het VKA. Broeikasgassen. De huidige uitstoot van broeikasgassen van het landbouwkundig gebruik zal na de ontwikkeling van de bufferzone worden vervangen door uitstoot van broeikasgassen als gevolg van periodiek onderhoud of recreatieve voorzieningen. Maar riet en wilgen struwelen zullen CO2 vastleggen en tevens zal door de verbeterde waterhuishouding het hoogveen in het Bargerveen weer gaan groeien wat een omslag geeft van oxidatie van veen naar groei van veen waardoor CO2 wordt vastgelegd.
Er zijn geen effecten op de waterveiligheid, bodemkwaliteit, bodemdaling, grondbalans, wateroverlast in de bebouwde omgeving (in samenhang met de GGOR-maatregelen in het landbouwgebied), volksgezondheid, geluidshinder, luchtkwaliteit, wegen en externe veiligheid (plaatsgebonden en groepsrisico van de NAM-leiding). Er is een kans op licht negatieve effecten voor: Oppervlaktewaterstand (wateraanvoer). De bufferzone is in de zomerperioden afhankelijk van wateraanvoer vanuit het Dommerskanaal. Ten opzichte van het VKA scoort het VKA+ beter, omdat er slimmer wordt omgegaan met het vasthouden van water en er daarom in de zomer flink minder wateraanvoer uit het Dommerskanaal nodig is. Cultuurhistorische waarden. De rafelige randen van het Bargerveen en open (veen)plassen komen sterk terug in de nieuw te ontwikkelen buffer en het verkavelingspatroon is ook herkenbaar aanwezig. Het ontwerp van de nieuwe kade is goed ingepast in het landschap en zorgt voor een samenhangende beleving van oud en nieuw landschap. De samenhang van oud en nieuw landschap is in het VKA en VKA+ sterker dan bij de inrichtingsvarianten. Maar de bufferzone zorgt wel voor een verandering, wat een lichte aantasting van de cultuurhistorische waarde betekent. Archeologie en aardkundige waarden. Er is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor dit MER.
Uit het onderzoek blijkt dat er kans is op verstoring van archeologische en aardkundige waarden. In het onderzoek is geadviseerd archeologisch booronderzoek uit te voeren. Dit onderzoek staat gepland voor de uitwerkingsfase. De resultaten van het booronderzoek worden gebruikt voor het definitief ontwerp en vergravingsplan. Ruimtebeslag landbouw. De bufferzone gaat ten koste van landbouwgrond. De 220 hectare voor de bufferzone is vrijgemaakt met een ruilplan. In het ruilplan is ook de kavelstructuur voor de landbouw in de omgeving verbeterd. Gebruikswaarde landbouw. De landbouwkundige gebruikswaarde neemt af ten opzichte van de referentiesituatie, maar er zijn beperkte mogelijkheden voor agrarisch medegebruik. Dit zal dan vooral gaan om extensieve landbouw bijvoorbeeld hooilandbeheer en nabeweiding, als onderdeel van het beheer voor NNN-doelstellingen. Energieverbruik. Het systeem met verschillende waterbakken en pompen vraagt continu energie en daarnaast is beheer en onderhoud van de kunstwerken nodig. Het pompen kost energie. Waar mogelijk zullen de pompen worden uitgerust met duurzame energievormen.
6.3
Tijdelijke effecten aanlegfase
Om de bufferzone aan te leggen moeten er allerlei graafwerkzaamheden plaatsvinden. De aanlegwerkzaamheden en de duur zijn nog niet precies bekend. In het MER is ervan uitgegaan dat de werkzaamheden ongeveer 3 jaar duren. Er wordt gestreefd naar een gesloten grondbalans, wat betekent dat er geen grond van ver weg hoeft te worden aangevoerd of afgevoerd. Tijdens de aanlegwerkzaamheden voor Buffer Zuid kunnen effecten optreden op natuur (verstoring en stikstofdepositie), verkeer en mogelijk op water. De effecten zijn lokaal, beperkt en tijdelijk van aard en zijn als licht negatief beoordeeld. In de uitvoering zullen maatregelen worden genomen om de effecten op de omgeving te beperken.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
39
Projectgerelateerd
Natuur (verstoring). Tijdens de uitvoering moeten in het kader van de zorgplicht algemene maatregelen worden getroffen om natuurwaarden te beschermen. Er zijn specifieke maatregelen nodig om effecten voor vleermuizen, vissen en broedvogels, buizerd, torenvalk en ongewervelden te voorkomen. Natuur (stikstofdepositie). Er is sprake van een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j. Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de bufferzone. Water. Als er bij de uitvoering bemaling wordt toegepast, dan zullen maatregelen moeten worden om verdroging door bemaling te voorkomen, zoals retourbemaling. Verkeer. Tijdens de uitvoering zullen maatregelen moeten worden getroffen om de verkeersveiligheid te waarborgen bij de aan- en afvoer van materiaal en materieel.
6.4
Grensoverschrijdende effecten
Over de grens met Duitsland zijn veranderingen voorzien voor grondwaterpeil en stikstofdepositie. Grondwaterpeil. Ook vlak over de grens zullen de grondwaterstand en stijghoogte als gevolg van de inrichting van Buffer Zuid veranderen, maar slechts over een geringe afstand. Uit berekeningen met het grondwatermodel blijkt dat de grondwaterstand en stijghoogte in de tussenzandlaag tot zo’n 200 m over de grens 5 cm tot 10 cm minder diep wegzakken in een droge periode (GLG). In het gebied waar de grondwaterstandsverandering in Duitsland wordt berekend ligt een weiland. Deze lichte verandering heeft een zeer beperkt positief effect op de landbouwkundige functie in droge perioden. Dat komt omdat de grondwaterstanden dan minder ver wegzakken. In natte perioden (GHG) wordt er geen effect berekend. Stikstofdepositie. Op zo’n 2,5 km afstand ten zuiden van de bufferzone ligt het Duitse Natura 2000-gebied het Dalum-Wietmarscher Moor und Georgsdorfer Moor. In Duitsland ligt de stikstofdepositienormering hoger dan in Nederland. Omdat Buffer Zuid voor de Nederlandse gebieden leidt tot een afname in stikstofdepositie (zie Natuurtoets), zal dat ook een afname van de stikstofdepositie in Duitsland betekenen. Dat is dus een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
6.5
Cumulatie van effecten
Waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied ten zuiden van Buffer Zuid In dit MER is uitgegaan van de peilaanpassing en waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied ten zuiden van de bufferzone volgens het geactualiseerde GGOR (2021). De maatregelen in Buffer Zuid kunnen niet zonder de peilaanpassing en waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied worden uitgevoerd, omdat er dan negatieve effecten (vernatting) optreden op de omliggende bebouwing en het landbouwgebied. Andersom kunnen de peilaanpassing en waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied niet worden uitgevoerd zonder Buffer Zuid, omdat er dan negatieve effecten (verdroging) optreden op het Natura 2000-gebied Bargerveen. Op dit moment is de uitvoeringsplanning van beide projecten nog niet bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat deze projecten geheel of gedeeltelijk overlappen in de tijd. In de gemaakte berekeningen van stikstofdepositie voor zowel de Buffer Zuid en de maatregelen in het landbouwgebied is sprake van een kleine toename bij de aanleg (respectievelijk een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j en 0,18 mol N/ha/j). Dit staat echter niet in verhouding tot de afname van stikstofdepositie in de gebruiksfase (de maximale afname van de depositie voor het GGOR bedraagt 1,55 mol N/ha/j).
Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen 30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
40
Projectgerelateerd
instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de beide projecten. Terwijl in de permanente situatie juist een gunstigere situatie ontstaat voor de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de realisatie van de projecten. Overige cumulerende effecten worden niet verwacht. Overige maatregelen in en rondom het Bargerveen Buffer Zuid is een van de maatregelen die momenteel in en rondom het Bargerveen worden genomen om het hoogveen te ontwikkelen. De verschillende bufferzones, kades en overige maatregelen in en rondom het Bargerveen hebben allen het ecologisch behoud, herstel en versterking van het Bargerveen als doel. De voorgenomen activiteit Buffer Zuid heeft vooral effect op het Schoonebeekerveld en op het zuidelijke deel van het Amsterdamse Veld. De Buffer Zuid en de interne maatregelen die in dat deel van het Bargerveen worden genomen versterken elkaar.
6.6
Mitigerende maatregelen
Er is een ijzerzandfilter voorgesteld om negatieve effecten op de waterkwaliteit te voorkomen. Het te behandelen water zal met een gemaal vanuit de aanvoerwatergang naar een bezinkbassin worden gepompt. Vanuit het bezinkbassin wordt het water via kleine greppels over het zandfilter verdeeld. Aan de afvoerzijde van het filter stroomt het behandelde water via een onderdoorlaat en een stuw naar vak 4. Het benodigde ruimtebeslag is zo’n 1,5-2 ha. Het ijzerzandfilter wordt nader uitgewerkt in het definitief ontwerp. Tijdens de uitvoering moeten in het kader van de zorgplicht algemene maatregelen worden getroffen om natuurwaarden te beschermen en specifieke maatregelen te worden genomen ten aanzien van vissen en broedvogels. De maatregelen in het kader van de zorgplicht zijn opgesomd in paragraaf 11.3.6. Tijdens de uitvoering zullen maatregelen moeten worden getroffen om de verkeersveiligheid te waarborgen bij de aan- en afvoer van materiaal en materieel. Tijdens de uitvoering zullen maatregelen moeten worden getroffen om verdroging door bemaling te voorkomen, zoals retourbemaling.
6.7
Leemten in kennis en informatie
Op basis van de thans beschikbare informatie zijn de activiteiten in de verschillende projectfasen beschreven en beoordeeld. De precieze uitvoering en duur van de uitvoeringsfase is nog niet bekend. Naar verwachting hebben nuances in de activiteiten van deze fases geen effect op de milieubeoordeling. Aanvullend onderzoek dient aan te tonen of er sprake is van verontreinigingen in het plangebied en of deze gesaneerd dienen te worden, naar archeologische waarden en vleermuizen in te kappen bomen. De onderzoeken dienen gereed te zijn op het moment van het aanvragen van de vergunningen voor grondroerende werkzaamheden. Vervolgonderzoek en eventuele bodemsaneringen komen voor kosten van initiatiefnemer.
30 augustus 2022
BE3102-MI-220428-v.01
41
Projectgerelateerd
7
Opgaven voor het vervolg
7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn het vervolgproces en de aandachtspunten voor monitoring beschreven.
7.2
Ter inzage, raadpleging, zienswijzen en besluitvorming
Het MER is opgesteld voor de besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied, Buffer Zuid” van de gemeente Emmen. Na het indienen van het MER start de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan dat daarna met het MER ter inzage wordt gelegd. De procedures van Buffer Zuid en van de maatregelen in het landbouwgebied zijn op elkaar afgestemd. Dat is gedaan om de samenhang tussen beide projecten goed mee te nemen in de besluitvorming. Daarom gaan de volgende documenten tegelijk in procedure: Ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied Buffer Zuid MER Buffer Zuid Ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied Nieuw Schoonebeek Waterschap Vechtstromen Projectplan Waterwet Watersysteem Nieuw Schoonebeek M.e.r.-beoordeling Watersysteem Nieuw Schoonebeek. Het voorontwerp van beide bestemmingsplannen en de overige stukken worden toegezonden/beschikbaar gesteld aan de wettelijke en erkende overlegpartners (EOP). Dit zijn Provincie Drenthe, Staatsbosbeheer Beheerseenheid Zwartemeer, Waterschap Vechtstromen, EOP Weiteveen, EOP Vereniging van Dorpsbelangen Nieuw-Schoonebeek, Nederlandse Aardolie Maatschappij BV, Milieufederatie Drenthe, Land- en tuinbouworganisatie- Noord, Veiligheidsregio Drenthe Brandweerdistrict Zuidoost, Landkreis Emsland, Landkreis Grafschaft Bentheim, Gemeinde Twist en Natuurpark Moor – Veenland. De wettelijke basis is artikel 3.1.1. van het Bro. (n.b.
een deel van bovenstaande instanties zijn betrokken bij de planvorming). De reacties op het voorontwerp van de bestemmingsplannen wordt verwerkt in een ontwerpbestemmingsplan. Voor de formele procedure gaan de ontwerp-bestemmingsplannen met de overige stukken gedurende 6 weken ter inzage. In de ter inzage periode kan iedereen reageren op de kwaliteit en volledigheid van de documenten. Ook toetst de Commissie m.e.r. of het MER de benodigde milieuinformatie bevat en of deze juist is. Zij brengt hierover een toetsingsadvies uit. Op basis van de informatie in het MER, de ingebrachte zienswijzen en het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. neemt de gemeenteraad het definitieve besluit over het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied, Buffer Zuid”. Er zijn ook vergunningen en meldingen nodig voor Buffer Zuid. Zoals een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning, watervergunning en een melding voor ontgronding. De vergunning voor de Wet Natuurbescherming en de watervergunning zullen in de loop van 2022 worden aangevraagd. De ontgrondingsmelding en de omgevingsvergunning volgen na afronding van het Definitief Ontwerp. Wat betreft de ontgrondingsvergunning geldt een vrijstelling; voor zowel de Buffer Zuid als het landbouwgebied geldt dat kan worden volstaan met een melding. De Bestuurscommissie BargerveenSchoonebeek vraagt deze vergunningen aan.
Als de besluiten over het bestemmingsplan en de vergunningen eenmaal onherroepelijk zijn, kan gestart worden met de aanleg. Bij het besluit over de vergunningen wordt een evaluatieprogramma vastgesteld. Tijdens en na de uitvoering van het project wordt geëvalueerd of de daadwerkelijk optredende milieueffecten binnen de grenzen van de besluiten blijven.