3.1 Toelichting
Tekst van het document
In afbeeldingen 4.1 en 4.2 is het VKA weergegeven bij een regulier peil en bij een extreem peil waarbij het landoppervlak in vak 1 en 2 onder water loopt.
26
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 4.1 Visualisatie VKA, regulier peil
Afbeelding 4.2 Visualisatie VKA, extreem peil
4.6
Planbeschrijving
Het VKA is uitgewerkt in een schetsontwerp. Deze is weergegeven in afbeelding 4.3. Een leesbare versie van het schetsontwerp is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.
Afbeelding 4.3 Schetsontwerp
Landschappelijke inrichting Bij de landschappelijke inrichting van het VKA is gekozen voor een natuurlijke gradiënt met rafelige randen aan de noordzijde en aansluiting op de gestrekte verkaveling van het slagenlandschap aan de zuidzijde, waardoor een ruimtelijke relatie ontstaat met het veen. Verspreid in het gebied wordt opgaande beplantingen aangebracht waarbij aan de zuidzijde
27
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
van de bufferzone stroken opgaande beplanting zijn voorzien die in lijn liggen met het zuidelijke slagenlandschap. Hierdoor ontstaat een landschappelijke verbinding met het zuidelijk gelegen gebied.
Recreatieve voorzieningen De twee westelijke compartimenten bieden ruimte aan recreatieve voorzieningen en in de twee oostelijke compartimenten staan de natuurlijke aspecten centraal. De westelijke plassen en vak 2 zijn toegankelijk voor kanovaren. In de zuidwesthoek van de bufferzone komen een recreatieve voorziening, een parkeerplaats, een natuurspeelplek. Een uitkijkpunt wordt mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Verspreid over de bufferzone komen nog meer uitkijkpunten, waaronder vogelkijkhutten en - schermen, en zijn kleinschalige faunavoorzieningen zoals insectenhotels voorzien. In vak 1 en 2 kunnen enkele (drijvende of watergeorienteerde) ecolodges komen. Bij de realisering van de ecolodges gaat het om maximaal 10 ecolodges met beperkte voorzieningen. Zo worden deze ecolodges niet aangesloten op de nutsvoorzieningen. Bij de ecolodges staat de natuurbeleving voorop. Binnen het plangebied zullen diverse educatieve/recreatieve punten en kunstwerken gerealiseerd en/of geplaatst worden, die zorgen voor beleveing van het landschap en het verhaal vertellen over het landschap, met name de veenontginning, vergelijkbaar met Geopark de Hondsrug. In de hele bufferzone worden recreatieve (vlonder-)paden aangelegd, met fietsroutes langs de randen van de bufferzone en wandelpaden binnen de bufferzone. Het landbouwverkeer vindt plaats via de nieuwe Doctor Ingenieur H.A.
Stheemanstraat die aan de zuidzijde van de zuidkade wordt gerealiseerd. Deze nieuwe kade ligt hoger in het omliggende landschap en loopt geleidelijk af naar het bestaande maaiveld.
28
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In navolgende paragrafen worden de effecten van het planvoornemen op de omgeving en van de omgeving op het planvoornemen per omgevingsaspect beoordeeld. Ten behoeve van deze beoordeling is in sommige gevallen een onderzoek uitgevoerd. Daar waar in deze onderzoeken 'inrichtingsplan' staat, dient 'schetsontwerp' gelezen te worden.
5.1
Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)
5.1.1
Wettelijk kader
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet mileubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan of inpassingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen (gesloten spoor). Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen zodra een project één of meer van de beschreven activiteiten in Onderdeel D bevat, ongeacht de omvang van deze activiteiten. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.
Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. In afbeelding 5.1 zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:
Afbeelding 5.1 Schematische weergave m.e.r.-(beoordelings)plicht (bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, via: http://www.infomil.nl)
Op basis van artikel 7.6 van de Wet milieubeheer kunnen Provinciale Staten als aanvulling op de 'C-lijst' uit het Besluit m.e.r. in de provinciale milieuverordening (of provinciale omgevingsverordening) extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn. Provinciale Staten van Drenthe hebben in haar Omgevingsverordening geen extra activiteiten 29
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die m.e.r.-plichtig zijn. In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor, het open spoor, waardoor een plan m.e.r.-plicht kan gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan-m.e.r. 5.1.2
Noodzaak van een milieueffectrapport
Een milieueffectrapport (MER) is een uitgebreid onderzoek waarmee de mogelijke milieugevolgen van een project vooraf in kaart worden gebracht. Daarnaast kan er onderzoek worden gedaan naar maatregelen om eventuele negatieve effecten te verminderen of te compenseren. Het MER geeft aan bewoners, betrokkenen en bestuurders inzicht in de milieugevolgen en ondersteunt de besluitvorming. Het veranderen van een functie over een oppervlakte van meer dan 125 hectare is een activiteit die valt in categorie D9 van het Besluit m.e.r.. Een bestemmingsplan voor de inrichting van het landelijk gebied staat genoemd in kolom 3 (plannen) en kolom 4 (besluiten). Dat betekent dat het bestemmingsplan geldt als zijnde een besluit waardoor het bestemmingsplan plan- en besluit-m.e.r.-plichtig is. Op grond van de Provinciale Omgevingsverordening van Drenthe is een melding voor de ontgrondingen voldoende. Voor de ontwikkeling van de bufferzone hoeft geen Passende Beoordeling te worden uitgevoerd en er staan in de Provinciale Omgevingsverordening van Drenthe geen specifieke m.e.r.-plichtige activiteiten die betrekking hebben op het voornemen.
Omdat geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan m.e.r.-plichtig is, is een MER opgesteld (MER Buffer Zuid van het Bargerveen, Royal HaskoningDHV, 30 augustus 2022, Bijlage 4) en aanvullend daarop een oplegnotitie (Oplegnotitie wateraanvoer, Royal HaskoningDHV, 19 december 2022, Bijlage 5). 5.1.3
Proces en procedure
Kennisgeving en raadpleging reikwijdte en detailniveau van het MER Op 25 maart 2014 heeft de Bestuurscommissie Bargerveen-Schoonebeek een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gepubliceerd. Dit markeerde de start van de m.e.r.-procedure. Met de kennisgeving werd eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Tijdens de ter inzagelegging van de NRD zijn betrokken bestuursorganen, wettelijke adviseurs en het publiek geraadpleegd over de benodigde reikwijdte en het detailniveau van het MER. In de NRD is beschreven welke effecten in het milieuonderzoek worden onderzocht ('reikwijdte'), de manier waarop en met welke diepgang ('detailniveau').
Zienswijzen Er zijn 6 zienswijzen binnengekomen. Deze zijn gebruikt bij het opstellen van dit MER.
Advies van de Commissie m.e.r. over de NRD De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) is een onafhankelijke commissie die de overheid adviseert over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapporten. Hiermee heeft de Commissie m.e.r. een belangrijke rol in de m.e.r.-procedure. Het openbaar advies over de reikwijdte en het detailniveau is uitgebracht op 27 mei 2014. De Commissie m.e.r. heeft bij het advies ook de 6 zienswijzen en het advies van het College van Rijksadviseurs meegenomen. Op basis van de inspraakreacties en adviezen heeft het 30
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
bevoegd gezag het Advies Reikwijdte en Detailniveau voor het MER vastgesteld op 17 juni 2014.
Opstellen MER en ontwerp-bestemmingsplan De NRD en de adviezen en zienswijzen zijn het vertrekpunt voor het opgestelde MER. De uitwerking in het MER is grotendeels in overeenstemming met de kaders uit de NRD, maar ten opzichte van de NRD is er een aantal wijzigingen doorgevoerd en onderbouwd.
Tussentijds advies van de Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. heeft het concept MER Buffer Zuid van het Bargerveen in het voorjaar van 2021 getoetst. Het openbaar advies is uitgebracht op 23 juni 2021. In het uitgebreide advies heeft de Commissie m.e.r. om aanvullingen gevraagd om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming over het bestemmingsplan 'Buitengebied, Buffer Zuid'. Het MER is op deze punten aangevuld.
Advies van de Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. heeft op 6 december 2022 een openbaar advies uitgebracht over het opgestelde MER. De Commissie geeft aan dat het rapport nagenoeg alle benodigde milieu-informatie bevat. Wel geeft de commissie aan dat er nog onzekerheid is of er voldoende wateraanvoer mogelijk is bij zeer langdurige periodes als gevolg van klimaatverandering. Een nadere uitwerking hiervan is noodzakelijk. Naar aanleiding van dit advies heeft aanvulling van het MER plaatsgevonden in de vorm van een oplegnotitie ().
MER en bestemmingsplan Het MER maakt integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied, Buffer zuid'.
5.1.4
Totstandkoming voorkeursalternatief
Inrichtingsvarianten Ten behoeve van de ontwikkeling van Buffer Zuid is samengewerkt in de Projectgroep Buffer Zuid. In de Projectgroep waren de volgende partijen vertegenwoordigd: Dorpsraad Nieuw-Schoonebeek, Werkgroep (later Stichting) Tussen Beek en Veen, LTO Noord, gemeente Emmen, waterschap Vechtstromen, Staatsbosbeheer en Prolander. In een aantal schetssessies zijn de ideeën en wensen uit de omgeving voor de landschappelijke inpassing en de mogelijkheden voor medegebruik opgehaald. De ideeën zijn met de Projectgroep uitgewerkt. Er zijn vier inrichtingsvarianten verkend en beoordeeld op hun milieueffecten: Slagenlandschap, Land en Water, Gradiënt, Beek en Veen, zie afbeelding 5.2. Hierin waren verschillende inrichtingsmogelijkheden en vormen van medegebruik opgenomen.
31
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.2 Inrichtingsvarianten
De milieueffectbeoordeling is per inrichtingsvariant weergegeven in afbeelding 5.3.
32
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.3 Effectbeoordeling inrichtingsvarianten
VKA Ter ondersteuning van de variantenafweging, zijn de inrichtingsvarianten doorgerekend met 33
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
een grondwatermodel om de verandering van de grondwaterstand en de stijghoogte onder het Bargerveen te berekenen. Uit het landschappelijke en hydrologische spoor is het Voorkeursalternatief (VKA) voor de inrichting van de bufferzone bepaald. Het VKA is een combinatie van de varianten Gradiënt en Beek en Veen en het hydrologisch voorkeursprincipe.
Afbeelding 5.4 Visualisatie VKA bij regulier peil
Afbeelding 5.5 Visualisatie VKA bij extreem peil
VKA+ De Commissie m.e.r. heeft het concept MER Buffer Zuid van het Bargerveen met de milieubeoordeling van het VKA in het voorjaar van 2021 getoetst. In het uitgebreide advies heeft de Commissie m.e.r. om een aantal aanvullingen gevraagd voor een betere besluitvorming. In 2021 is verder onderzoek gedaan om zorgvuldig antwoord te kunnen geven op de vragen van de Commissie m.e.r. In de zomer van 2021 is tevens een Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) van het Bargerveen uitgevoerd. Op basis van de LESA worden hogere peilen in het Bargerveen gehanteerd. Dat betekende meer mogelijkheden voor de peilen in de bufferzone. Dit is meegenomen in de hydrologische optimalisatie. Met de nadere informatie naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. en gesprekken met hoogveendeskundigen, de hydrologische optimalisatie en het toekomstig ruimtegebruik is het VKA geoptimaliseerd tot een VKA+. Het VKA+ is vormgegeven in het schetsontwerp (zie paragraaf 4.6).
Conclusie 34
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Het VKA+ is in het MER beoordeeld op milieueffecten. Dit bestemmingsplan is een uitwerking van het MER en put derhalve mede uit de resultaten in het MER.
5.2
Water
5.2.1
Wettelijk kader
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
5.2.2
Beschrijving huidige situatie
Om begrip te krijgen voor de werking van de aan te leggen buffer wordt in deze paragraaf de huidige geohydrologische situatie beschreven. De effecten op het aspect water zijn onderzocht in de volgende onderzoeken en modelberekeningen: Grondwatermodel Bargerveen Buffer Zuid (Royal HaskoningDHV, 24 mei 2022, Bijlage 15). Technisch achtergrondrapport oppervlaktewatermodel Bargerveen en Buffer Zuid (Royal HaskoningDHV, 23 mei 2022, Bijlage 16). Effectberekeningen grond- en oppervlaktewatermodel Buffer Zuid (Royal HaskoningDHV, 24 mei 2022, Bijlage 17). Principeafweging inrichting Buffer Zuid (Royal HaskoningDHV, 26 april 2017, Bijlage 18). Maaiveldverloop Het plangebied kent een relatief groot maaiveldhoogteverschil van noord naar zuid en ook een hoogteverloop van oost naar west. Het Bargerveen is ten opzichte van het zuidelijk ervan gelegen landbouwgebied een hoog gebied. Het maaiveldverloop van oost naar west verloopt van circa 17,50 meter +NAP naar 14,50 meter +NAP. In afbeelding 5.6 is het maaiveldverloop weergegeven. De maaiveldhoogten in het landbouwgebied liggen over het algemeen tussen circa 17,00 meter +NAP en 14,00 meter +NAP. In het landbouwgebied tussen het Bargerveen en de Europaweg is bijna overal het veen volledig afgegraven op enkele percelen na. Deze minder verveende percelen liggen ten opzichte van de omgeving meestal circa 1,00 meter hoger.
35
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.6 Maaiveldverloop plangebied (rood omlijnd) met locatie dwarsprofiel (zwarte stippellijn, zie afbeelding 5.7) (oplopend: blauw is laag, rood is hoog)
Bodemopbouw De bodem ter plaatse van het plangebied en het zuidelijk deel van het Bargerveen/Schoonebeekerveld bestaat in hoofdlijnen uit een veenpakket met een dikte van circa 2 meter. De veenbasis bevindt zich op circa 16,0 – 16,5 meter +NAP. In het aanliggende landbouwgebied is er nog sprake van restveen. Onder het veenpakket ligt een zogenaamde tussenzandlaag met een beperkte dikte van circa 1 tot 2 meter. Onder deze zandlaag is er sprake van een keileemlaag die sterk varieert in dikte. Ter plaatse van het oostelijk deel van de buffer varieert de dikte van enkele meters tot 10 meter. In het westelijk deel van de buffer is de keileem afwezig. Hieronder bevindt zich vervolgens een dik watervoerend pakket.
Afbeelding 5.7 Principeprofiel met de bodemopbouw en grondwaterstanden en stijghoogten van noord naar zuid (globale ligging profiel zie zwarte stippellijn in afbeelding 5.6)
Grondwaterstand en stijghoogte De grondwaterstand (zwarte lijn in afbeelding 5.7 en uitleg over stijghoogte in navolgend kader) wordt beïnvloed door neerslag, verdamping en oppervlakkige afstroming. Oppervlakkige afstroming vindt plaats over maaiveld en door greppels. Dit treedt vooral op in de winter, als de grondwaterstand vrijwel aan het maaiveld staat. In de zomer houdt de
36
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
oppervlakkige afstroming op. De stijghoogte in de tussenzandlaag onder het veen (rode lijn in afbeelding 5.7) wordt beïnvloed door het wegzakken van grondwater door het veen en stroming zuidwaarts richting het landbouwgebied.
37
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Grondwaterstand en stijghoogte uitgelegd Grondwater is water dat zich in de bodem bevindt. De diepte van het grondwater ten opzichte van het maaiveld wordt onder meer beïnvloed door het peil van het oppervlaktewater en door de bodemsoort. Grondwater was ooit neerslag, dat in de grond is weggezakt (geïnfiltreerd). Bovenin de grond is er niet alleen water, maar ook lucht tussen de korrels aanwezig. Daar is de grond dus niet volledig verzadigd met grondwater (onverzadigde zone). Door de zwaartekracht stroomt het water omlaag en komt het in de verzadigde zone terecht, de zone waarin zich tussen de korrels alleen nog water bevindt. Het grensvlak tussen onverzadigde en verzadigde zone is de grondwaterspiegel. De hoogte van de grondwaterspiegel (bijvoorbeeld ten opzichte van NAP) noemen we de grondwaterstand. De grondwaterstand kan worden gemeten door een gat in de grond te boren tot juist onder de grondwaterspiegel en even af te wachten tot er water in het gat is toegestroomd. Aan de grondwaterspiegel is er direct contact met de atmosfeer. Daarom spreekt men ook wel van niet-gespannen grondwater. Dieper in de ondergrond komen zandpakketten voor die aan de bovenzijde zijn afgesloten door slecht doorlatende lagen zoals klei, (kei)leem of veen. Zo'n zandpakket wordt watervoerend pakket genoemd.
Het grondwater dat zich daarin bevindt staat niet in direct contact met de atmosfeer, en wordt daarom aangeduid als afgesloten of gespannen grondwater. Als er een gat wordt geboord tot in die zandlaag, en er wordt een buis in geplaatst die aan de onderzijde geperforeerd is, dan stijgt de waterspiegel in die buis tot boven de bovenkant van het watervoerend pakket. De hoogte van de waterspiegel in de buis wordt de stijghoogte van het grondwater genoemd. Als de stijghoogte in deze watervoerende laag hoger is dan de ondiepe grondwaterstand, dan stroomt het grondwater door de klei- of veenlaag omhoog. We spreken dan van een kwelgebied. In een infiltratiegebied is de situatie andersom. Afbeelding 5.8 illustreert de grondwaterstanden en stijghoogtes ter plaatse van het Bargerveen. In deze figuur is de stijghoogte hoger dan de onderkant van het veen (de veenbasis). Dat is een situatie die gunstig is voor het veen en de ontwikkeling van levend hoogveen. Er zijn ook plaatsen waar de stijghoogte lager is dan de veenbasis, en dat is ongunstig voor de ontwikkeling van levend hoogveen.
Afbeelding 5.8 Schematische weergave grondwaterstand en stijghoogte ter plaatse van het Bargerveen 38
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Waterpeilen De peilen in het landbouwgebied ter plaatse van de toekomstige buffer en de watergang langs de Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat bevinden zich tussen 14 en 16 meter +NAP. Afbeelding 5.9 geeft de gemiddeld gemeten oppervlaktewaterpeilen over de periode 2003 tot en met 2004 weer. Het peilverloop in het Bargerveen volgt een getrapt verloop van noord naar zuid. De gehanteerde waterpeilen in de hogere delen van het Schoonebeekerveld bevinden zich op 18,6 – 18,9 meter +NAP. Langs de zuidelijke rand van het Bargerveen is dit overwegend 17,5 meter +NAP.
Afbeelding 5.9 Gemeten oppervlaktewaterpeilen (bron: GGOR Bargerveen 2008). Een leesbare versie van deze kaart is bijgesloten als bijlage 4 bij Bijlage 18)
Af- en aanvoersituatie De afvoersituatie rondom het plangebied is als volgt: Het Bargerveen voert deels af in noordelijke richting naar de Runde en in westelijke richting naar het Dommerskanaal. Het landbouwgebied ten westen van het Bargerveen watert ook af naar het Dommerskanaal. Het landbouwgebied ten zuiden van de toekomstige buffer watert in zuidelijk richting af naar het Schoonebeekerdiep. Het landbouwgebied ten westen van de toekomstige buffer wordt in de huidige situatie in de zomer voorzien van aanvoerwater via het Dommerskanaal. Het landbouwgebied ten zuiden van de toekomstige buffer wordt momenteel niet voorzien van aanvoerwater in droge tijden.
5.2.3
Beschrijving toekomstige situatie
De te realiseren buffer maakt onderdeel uit van een totaalpakket aan maatregelen ten behoeve van het realiseren van de hoogveendoelstellingen in het Bargerveen. In afbeelding 5.10 is een principetekening weergegeven met daarop de maatregelen, waaronder het aanleggen van de buffer. De buffer zorgt voor tegendruk, waardoor er minder water wegstroomt uit het Bargerveen en er betere omstandigheden ontstaan voor de groei van hoogveen in het Bargerveen. Het totaalpakket aan maatregelen gericht op ontwikkeling van hoogveen betreffen interne vernattingsmaatregelen in het Bargerveen/Schoonebeekerveld (1 en 2), de aanleg van een kade op de grens van het Bargerveen (3), het dempen van de sloot langs de Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat (4) en de aanleg van de Buffer zuid (5).
39
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.10 Maatregelen ter plaats van het Bargerveen van noord naar zuid
Werking buffer Buffer Zuid is opgedeeld in vier buffervakken (van oost naar west genummerd 1 tot en met 4). Hierbij wordt vak 4 in de zomer op een peil van 16.50 meter +NAP gehouden met als doel verhoging van de stijghoogte onder het Bargerveen tot, in de meest wenselijke situatie, in de veenbasis. Vak 1, 2 en 3 worden ingezet om in de winter afstromend water vanuit het Bargerveen op te slaan (conserveren) en om water uit het Dommerskanaal (dat normaliter wordt afgevoerd) op te slaan om hiermee vervolgens in de zomer vak 4 op peil te houden en daarmee bij te dragen aan de verhoging van de stijghoogte onder het Bargerveen. Daarnaast hebben de vakken 1, 2, 3 en 4 een bergende functie om zo in extreme situaties overlast in het landbouwgebied ten zuiden van de bufer te voorkomen. Ook hebben vak 2 en 3 een ecologisch minimumpeil om bij te dragen aan het voorkomen van wegzijging uit het Bargerveen.
5.2.3.1 Grondwaterkwantiteit De aanleg van de buffer inclusief het verhogen van de peilen is gericht op het verhogen van de stijghoogte onder het veen en het verminderen van de horizontale afstroming door het veen. Dit draagt bij aan het creëren van goede hydrologische omstandigheden voor het veen. De aanleg van de buffer heeft effect op de grondwaterstand rondom de buffer. In de volgende paragrafen wordt het effect op het landbouwgebied ten zuiden van de buffer, het effect op het Bargerveen en het effect op omliggende bebouwing toegelicht.
Effecten landbouw Gelijktijdig met de inrichting van de buffer vindt een aanpassing van de waterhuishoudkundige situatie in het zuidelijk gelegen landbouw gebied plaats. Deze peilaanpassingen zijn vastgelegd in het Projectplan watersysteem Nieuw Schoonebeek. De peilen worden, ten opzichte van de gemeten peilen uit 2003, verlaagd om betere landbouwkundige omstandigheden te creëren. De afwatering wordt verbeterd door de aanleg van nieuwe watergangen en een aantal automatische stuwen die, over het algemeen, zorgen voor een drooglegging van 1 meter in 90% van het peilvak in de wintersituatie. Om in de zomer beter om te kunnen gaan met droogte worden in een aantal peilvakken zomerpeilen voorgesteld met een drooglegging kleiner dan 1 meter. Uitgevoerde berekeningen met het grondwatermodel laten zien dat de grondwaterstanden in het landbouwgebied met het instellen van deze peilen ook na inrichting van de buffer verlagen, waarmee de landbouwkundige omstandigheden verbeteren. 40
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Effecten op Bargerveen De aanleg van de buffer heeft tot doel om hoogveenvorming in het Schoonebeekerveld op gang te brengen.
Effecten bebouwing/grondwateroverlast In de omgeving van de buffer liggen de kernen Nieuw-Schoonebeek, Zuidersloot en Weiteveen. Om te beoordelen of er effecten op de bebouwing optreden is een grondwatermodel gebruikt. Voor Nieuw-Schoonebeek is berekend dat er geen verhogingen van de grondwaterstand optreden bij de aanleg van de buffer en aanpassingen van de peilen in het landbouwgebied. Binnen de bebouwde kern van Weiteveen treden geen effecten op. De aanwezigheid van de drainage en de sloot ter plaatse van de Kerkenweg en het hanteren van een winterpeil van 15,50 meter +NAP zorgt er voor dat de grondwaterstand hier niet verandert. Ter plaatse van Zuidersloot wordt langs de woningen circa 5 tot 10 centimeter verhoging van de grondwaterstand berekend op die delen waar zich geen sloten bevinden (zie ook afbeelding 5.11). Het maaiveld ligt hier hoger dan de rest van Zuidersloot omdat het op de Hondsrug ligt. Uit peilbuisgegevens volgt dat de grondwaterstand hier diep is ten opzichte van maaiveld: In de winter op circa 1 meter onder maaiveld en in de zomer op circa 2,5 meter onder maaiveld. Een geringe stijging van 5 tot 10 centimeter leidt daarmee ook in nattere perioden niet tot overlast. Door middel van peilbuizen wordt de stijging in de toekomst gemonitoord.
Afbeelding 5.11 Effecten gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van Zuidersloot ten opzichte van de situatie waarin er geen ingrepen plaats vinden
41
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
5.2.3.2 Grondwaterkwaliteit Het inrichting van de buffer heeft tot doel de grondwaterstand onder het Bargerveen stabieler en hoger te krijgen en de hoeveelheid wegzijging te verminderen. De aanleg van de Buffer zuid draagt hieraan bij. De landbouwkundige functie van het gebied waar de buffer wordt aangelegd, komt te vervallen. Hierdoor zal ook de hoeveelheid nutriënten (meststoffen) dat in het grondwater (en het oppervlaktewater) terecht kan komen, afnemen.
5.2.3.3 Oppervlaktewaterkwantiteit De waterbeheersing binnen de buffer is er op gericht om in de buffer waterberging van piekneerslagen mogelijk te maken en zoveel mogelijk water in de winter vanuit het Bargerveen en Dommerskanaal op te slaan (conserveren) om daarmee de wateraanvoer in de zomer te minimaliseren. In de vakken 1, 2 en 3 mag het waterpeil in (extreme situatie) tot maximaal 17,5 meter +NAP komen, in vak 4 tot maximaal 16,5 meter +NAP. Vak 1, 2 en 3 worden ingezet om in de winter afstromend water vanuit het Bargerveen op te slaan om hiermee vervolgens in de zomer vak 4 op peil te houden. In vak 2 en 3 wordt aan het eind van de winter water opgepompt (geconserveerd) uit het Dommerskanaal, zodat er meer water beschikbaar is voor het op peil houden van vak 4 van de buffer. Daarnaast zijn er voor vakken 2 en 3 ook minimale peilen afgesproken van 16,61/16,62 meter +NAP. Vanuit vakken 2 en 3 wordt zo lang mogelijk vak 4 op peil gehouden, op het moment dat er niet voldoende water meer beschikbaar is wordt er water aangevoerd vanaf het Dommerskanaal naar vakken 4, 3 en 2.
Afvoer buffer In de winter vindt afvoer plaats vanuit de vakken 2 en 3 via het landbouwgebied naar het Schoonebeekerdiep, vak 4 voert af richting het Dommerskanaal. Deze afvoer is noodzakelijk om te voorkomen dat de maximumpeilen worden overschreden. Met oppervlaktewaterberekeningen is aangetoond dat de afvoer vanuit de buffer niet leidt tot knelpunten in het ontvangende watersysteem en dat er wordt voldaan aan de normen voor wateroverlast van het waterschap.
Aanvoer buffer Niet elk jaar kan er voldoende water worden geborgen en geconserveerd in de buffer om, zonder aanvoerwater, de minimale peilen te handhaven. Er is uitgerekend dat in een droge zomer tot maximaal 360.000 m 3 aanvoerwater nodig is in de zomer. In een gemiddelde zomer is de aanvoerbehoefte 61.000 m 3 . Naast de aanvoer richting de buffer, wordt er in het plan ook aanvoer mogelijk gemaakt naar het landbouwgebied ten zuiden van de buffer.
Toename verhard oppervlak Als gevolg van het toevoegen van bebouwing, bouwwerken, in- en uitritten, fiets- en voetpaden en parkeerterreinen neemt het verhard oppervlak in het plangebied met maximaal 2 hectare toe (zie tabel 5.1). In de oppervlaktewatermodelberekeningen is rekening gehouden met deze toename van verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak is gering te noemen, omdat de voorziene waterberging in de buffer met een oppervlakte van ruim 190 hectare ruimschoots voorziet in compensatie van deze toename.
42
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
De Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat wordt één op één verplaatst, waardoor als gevolg daarvan het verhard oppervlak niet verder zal toenemen.
Tabel 5.1 Toename verhard oppervlak Type verharding
Oppervlakte
Verleggen Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat
0 m 2 (één op één vervanging)
Nieuwe fiets- en voetpaden
ca. 15.000 m 2
24 parkeerplaatsen t.b.v. buffer
ca. 600 m 2
10 ecolodges
0 m 2 (verplaatsbaar)
1 uitkijktoren
0 m 2 (open constructie)
2 vogelobservatiehutten
max. 100 m 2
kunstobject
max. 500 m 2
bebouwing horeca
max. 500 m 2
75 parkeerplaatsen en 1 busstandplaats t.b.v. horeca
ca. 1.875 m 2
Totaal
ca. 18.575 m2
5.2.3.4 Oppervlaktewaterkwaliteit De buffer wordt gevoed door neerslag, water afkomstig uit het Bargerveen en aanvoer vanuit het Dommerskanaal. Het water uit het Dommerskanaal bevat meer nutriënten zoals nitraten en fosfaten dan het water uit het Bargerveen. Naast aanvoer van nutriënten met het water uit de landbouwgebieden is er een risico op vrijkomen van nutriënten uit restveenlagen ter plaatse van de buffer. Aan de hand van waterbalansberekeningen en beschikbare waterkwaliteitsgegevens is gekeken naar de te verwachten waterkwaliteit in de buffer. De resultaten maken duidelijk dat er (als er geen aanvullende maatregelen worden genomen) grote verschillen zijn tussen de buffervakken: Vak 1 heeft een (qua nutriënten) goede waterkwaliteit; door de hoge humusconcentratie in het water afkomstig van het Bargerveen is er ook sprake van lichtlimitatie. In dit vak wordt geen algenbloei verwacht. Mogelijk is er ook te weinig licht voor ondergedoken waterplanten. Oeverplanten kunnen wel groeien in vak 1. Vak 2 en vak 3 verkeren in een 'matige' toestand. Algengroei is periodiek mogelijk. De nutriëntentoestand in vak 4 is 'ontoereikend'. De omstandigheden zijn geschikt voor algengroei en zelfs blauwalgengroei, verhoogde slibvorming (wat vaker baggeren noodzakelijk maakt) en groei van watercrassula (wat vraagt om intensiever beheer).
De groei van ondergedoken waterplanten is niet waarschijnlijk. In afbeelding 5.12 staat aan de hand van zogenaamde ecosysteembeelden weergegeven hoe de verwachtte waterkwaliteit er uit ziet. (Bron: STOWA 2018/23: Ecosysteembeelden voor stilstaande wateren).
Afbeelding 5.12 Ecosysteembeelden. Vak 4: troebel met blauwalgen, vakken 2 en 3: troebel 43
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
met groenalgen, vak 1: troebel zonder algen
Vooral de waterkwaliteit in vak 4 waar kans is op periodieke blauwalgengroei, verhoogde slibvorming en de groei van watercrassula is ongewenst. Bij de planuitwerking worden de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het aanvoerwater verkend. Hiervoor zijn in beeld een helofytenfilter en een ijzerzandfilter voor filtering van het water voordat het in de buffer wordt gepompt.
5.2.3.5 Waterveiligheid De aan te leggen kades om de buffer worden door het waterschap aangewezen als zijnde “overige waterkeringen”. Er wordt gewerkt met kades die een minimale overhoogte van 50 centimeter hebben (50 centimeter hoger dan het maximale peil). Voor het ontwerpen van waterkeringen wordt uitgegaan van de richtlijnen van het waterschap (deze richtlijnen sluiten aan bij de STOWA richtlijnen voor regionale keringen). Bij de inrichting wordt uitgegaan van het normeringsniveau T=100. Dit betekent dat de buffer in staat moet zijn om voldoende veiligheid te bieden bij een situatie die 1 keer in de 100 jaar voorkomt. Met uitgevoerde modelberekeningen is aangetoond dat bij een T=100 situatie de maximale peilen minimaal 50 centimeter beneden de kadehoogte blijven.
5.2.3.6 Riolering Voor toekomstige verharding en bebouwing zoals het horecagebouw en de ecolodges zal voor de afvoer en verwerking van afvalwater moeten worden voldaan aan de geldende weten regelgeving. Hemelwater kan oppervlakkig afstromen richting de buffer. Door het plangebied loopt een hogedrukaardolietransportleiding van de NAM. De effecten van de aanwezigheid van deze leiding zijn beschreven in paragraaf 5.10 Externe veiligheid.
5.2.3.7 Volksgezondheid Wanneer er natte natuur wordt aangelegd zijn er veelal zorgen over muggenoverlast en het effect daarvan op de volksgezondheid. Met de inrichting van de Buffer zuid wordt in het ontwerp rekening gehouden met het voorkomen van muggenoverlast. Tussen de natte natuur en de bebouwing moet een 'droge' buffer zitten; zones die niet geschikt zijn voor muggen en dus relatief kaal zijn (brede kades, een weg, geen beplantingen, geen poelen e.d.). Tussen de buffer en de bebouwing zitten een brede kade, de Doctor Ingenieur H.A. Stheemanstraat en landbouwgronden, dit vormt in zijn geheel een voldoende barrière voor de veenmuggen. De aanwezigheid van muggen wordt nu en in de toekomst gemonitord. Daarnaast wordt de inrichting van de buffer geschikt voor vissen. Vissen eten zeer graag (muggen)larven. Het water moet dus niet alleen maar ondiep zijn, wat geschikt is als paaigebied voor vissen, er moeten ook diepere plekken zijn waar vissen in de winter de vorst kunnen overleven. De realisatie van steile oevers kan de kans op verdrinking van mens en dier vergroten. In het ontwerp worden de steile oevers altijd afgewisseld met flauwe oevers en vooroevers, hierdoor kan fauna altijd het water in en uit. voor de veiligheid van mensen worden steile oevers niet direct naast een wandel- of fietspad aangelegd.
44
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
5.2.3.8 Bodemdaling Doordat ter plaatse van de buffer peilen worden opgezet zullen mogelijk nog achtergebleven restveenlagen niet verder oxideren, waarmee verdere maaivelddaling niet kan optreden. Bij de toekomstige aanleg van eventuele ecolodges in het gebied dient bij de keuze van de fundering rekening te worden gehouden met veen in de ondergrond.
5.2.3.9 Grondwateroverlast Op basis van uitgevoerde berekeningen zijn geen effecten te verwachten ter plaatse van Nieuw-Schoonebeek omdat deze worden afgevangen door de nieuwe peilen in het landbouwgebied. In Weiteveen zorgen de eerder aangelegde maatregelen er voor dat hier ook geen effecten ter plaatsen van de bebouwing optreden. Er wordt nog een effect van circa 5 à 10 centimeter berekend bij de bebouwing in Zuidersloot. Dit leidt gezien de huidige diepe grondwaterstanden en een te hanteren winterpeil van 15,50 meter +NAP, niet tot overlast (zie ook paragraaf 5.2.3.1). Bij de aanleg van bebouwing in het plangebied moet rekening worden gehouden met fluctuerende oppervlaktewaterpeilen en ondiepe grondwaterstanden. Het vloerpeil van gebouwen dient tenminste 30 centimeter boven het hoogst optredende waterpeil aan te worden gelegd. Dit is geborgd in de bouwregels.
5.2.3.10 Verdroging Met het opzetten van de peilen in de buffer wordt het verhogen van de stijghoogtes onder het Bargerveen beoogd. Er zal geen verdroging optreden als gevolg van deze maatregel. Daarnaast wordt met de aanleg van de buffer ook aanvoer mogelijk gemaakt naar het landbouwgebied ten zuiden van de toekomstige buffer. De totale aanvoerbehoefte in het gebied zal toenemen, hiervoor wordt onderzocht wat de toekomstige gemaalcapaciteit van het aanvoergemaal moet worden. Indien nodig wordt deze dan ook vergroot.
5.2.3.11 Natte natuur De Buffer zuid wordt ingericht ten behoeve van de Natura 2000 maatregel; het verbeteren van de hydrologie in het Bargerveen. Echter, het schetsontwerp voorziet ook in verschillende natuurdoelen binnen het buffergebied zelf. De volgende natuurdoelen zijn gedefinieerd: Zoete plas Voor het open water is het van belang dat deze niet te diep en niet te ondiep zijn. Een diepte centraal in de plas/ slenk tussen circa 0,75 meter en 2 meter is ideaal voor de ontwikkeling van verschillende soorten planten met drijfbladen en ondergedoken planten. Daarnaast gelden de aandachtspunten ten aanzien van de waterkwaliteit zoals geformuleerd onder 5.2.3.4. Plas-dras – dynamisch moeras Moerassen komen voor op de overgang van water naar land. Dynamische moerassen zijn moerassen met een hoge waterstand en een dynamisch waterpeil. Moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water, rietlanden en rietruigten. In de buffer zijn diverse plaatsen, zoals de eilanden en bredere oeverstroken, waar dit beheertype moeras kan ontstaan. Kruidenrijk en faunarijk grasland, waarbij kades mogelijk te ontwikkelen zijn tot droog schraal grasland
45
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Met name in vak 1 is er ruimte om een nat tot vochtig kruiden- en faunarijk grasland te ontwikkelen. De kade en de hogere delen in de buffer bestaan uit type droog grasland. De kade rondom de buffer heeft een waterkerende functie. Veiligheid van de kade staat hier voorop. 5.2.3.12 Klimaat Klimaatverandering leidt tot drogere zomers en intensievere piekbuien. De inrichting en het waterbeheer is geoptimaliseerd om zoveel mogelijk water te bergen bij pieken en vast te houden zodat het kan worden ingezet bij droogtes.
5.2.4
Watertoets
Het waterschap Vechtstromen is nauw betrokken bij de totstandkoming van het plan. De procedure in het kader van de watertoets wordt doorlopen met behulp van het concept ontwerpbestemmingsplan.
5.2.5
Conclusie
De verschillende wateraspecten zijn beoordeeld en leveren geen belemmeringen op, met uitzondering van de waterkwaliteit in vak 4. De kans op periodieke blauwalgengroei in vak 4 is ongewenst. Bij de planuitwerking worden de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het aanvoerwater verkend. Hiervoor zijn in beeld een helofytenfilter en een ijzerzandfilter voor filtering van het water voordat het in de buffer wordt gepompt. Voor het overige draagt het planvoornemen juist bij aan een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie in en in de nabijheid van het plangebied. De watertoets wordt doorlopen. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect water.
5.3
Natuur
Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.
Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde
46
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten.
Onderzoek Voor het plangebied is een natuurtoets uitgevoerd (Natuurtoets Bargerveen - Buffer Zuid, Royal HaskoningDHV, 23 mei 2022, Bijlage 6). De natuurtoets geeft een algemene indruk van het onderzoeksgebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Hierbij is gekeken naar de onderdelen soortenbescherming (flora & fauna) en gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) uit de Wnb en naar het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming Het voorgenomen project kan effecten hebben op onderstaande krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde soorten en soortgroepen: Verschillende soorten vleermuizen: foerageergebied. Verschillende soorten grondgebonden zoogdieren: foerageer- en leefgebied. Verschillende soorten amfibieën: leefgebied. Broedvogels kunnen mogelijk broeden en rusten binnen de planlocatie. Om overtreding van de Wnb te voorkomen zijn mitigerende maatregelen geformuleerd en worden hieronder verder weergegeven. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb voor wat betreft overige soortgroepen is uitgesloten.
Ten aanzien van de soortenbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Buffer zuid met natuurinrichting betekent voor diverse bijzondere en beschermde soorten potentieel een geschikt nieuwe standplaats of leefgebied. In het plangebied komen nu enkele beschermde soorten voor, het betreft vleermuizen die hier foerageren, de bosmuis (leefgebied in bospercelen), de buizerd (nest in bosperceel, jaarrond beschermd) en algemene broedvogels. In de aanlegfase is een aantal maatregelen nodig om verstoring van soorten te voorkomen. Het plan betekent mogelijk verlies van geschikt leefgebied van de grote bosmuis afhankelijk van de mate van vernatting. Nader onderzoek moet uitwijzen of de grote bosmuis daadwerkelijk aanwezig is. Indien dit het geval is, dient voor het verlies aan leefgebied alternatief geschikt leefgebied gerealiseerd te worden (bijvoorbeeld op de hooggelegen gronden in het oosten van het plangebied). Gebiedsbescherming Natura 2000 In het Natura 2000-gebied Bargerveen en andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting.
Door verzuring kunnen daardoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen (dier)soorten. Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase) zijn niet op 47
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
voorhand uit te sluiten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening met behulp van AERIUS uitgevoerd. Ten aanzien van de eventuele verstoring van Natura 2000-gebieden kan het volgende geconcludeerd worden: Het planvoornemen Buffer zuid tast de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Bargerveen, Bergvennen & Brecklenkampse veld en Springendal & Dal van de Mosbeek in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen niet aan. Voor het Natura 2000-gebied Bargerveen betekent uitvoering van het bestemmingsplan Buffer zuid, waarbij beweiding en bemesting in het gehele plangebied beëindigd wordt, een verbetering van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Bargerveen vanwege het hydrologisch herstel. Daarnaast is er sprake van een blijvende afname in stikstofdepositie als gevolg van het plan. Uit de verschilberekening gemaakt tussen de aanlegfase van de invulling van het bestemmingsplan (zichtjaar 2023) en het feitelijk landbouwkundig gebruik blijkt dat er lokaal sprake is van een tijdelijke bijdrage van 0,55 mol N/ha/j. Daarnaast is ook sprake van een sterke afname van de stikstofdepositie. Bij de depositieberekening is voor de referentiesituatie één emissiepunt gehanteerd.
Wanneer de emissiepunten meer verspreid over de 500 meter lange bufferzone liggen (wat meer overeenkomt met de werkelijkheid) zal over het gehele Natura 2000-gebied sprake zijn van een afname in stikstofdepositie. De emissie in de aanlegfase is tijdelijk (tijdelijk en toegekend aan 1 jaar; 3.89 kg NH3 /j en 9.711 kg NOx) en beduidend lager dan de jaarlijkse emissie in de referentiesituatie (3.2890 kg NH3 /j). De berekende tijdelijke bijdrage op de in het Natura 2000-gebied aanwezige habitattypen H6230 heischrale graslanden, H7110A actieve hoogvenen en H7120 herstellende hoogvenen, heeft gezien de tijdelijke bijdrage toegekend aan 1 jaar en de blijvende (sterke) afname in stikstofdepositie vanwege het wegvallen van het landbouwkundig gebruik over de gehele bufferzone van 500 meter geen significant negatieve gevolgen.
Natuurnetwerk Nederland Het gehele plangebied maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie hiervoor ook afbeelding 5.13. De provincie Drenthe heeft de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet expliciet beschreven. Voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gelden het Natuurbeheerplan 2020 (provincie Drenthe, 2019) en de aanwezige beschermde waarden als uitgangspunt. Het plangebied heeft als beheertype N00.01 'Nog om te vormen naar natuur' (Natuurbeheerplan 2022). Het betreft gronden met een intensief agrarisch of ander verleden die een natuurbestemming krijgen.
48
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.13 Ligging en begrenzing Natuurnetwerk Nederland 2019 (bron: Geoportaal Drenthe)
Omdat er op dit moment in het plangebied nog geen sprake is van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN kan de voorgenomen ingreep voor de eventuele recreatieve voorzieningen in overeenstemming met de gebiedsbescherming plaatsvinden. Er is derhalve ook geen sprake van compensatieplicht.
Conclusie Mogelijke verstoring van aanwezige beschermde soorten kan middels het toepassen van mitigerende maatregelen voorkomen worden. Naar de aanwezigheid van de grote bosmuis dient nader onderzoek verricht te worden. Indien de grote bosmuis aangetroffen wordt is er een alternatief geschikt leefgebied voor handen. Een ontheffing op de Wnb voor soortenbescherming is niet nodig, aangezien het project invulling geeft aan de maatregelen uit een Natura 2000-beheerplan. Een ecologisch werkprotocol en adequate ecologische begeleiding door een ter zake deskundige is noodzakelijk om de zorgplicht uit de Wnb te implementeren. In de gebruiksfase draagt het plan bij aan de verbetering van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000 gebieden. Tijdens de aanlegfase ontstaat een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage op het Bargerveen. Deze is dermate beperkt en tijdelijk dat dit niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Het plan zorgt voor realisatie en invulling van nieuwe natuur binnen het NNN en heeft een positief effect op het NNN. Het bestemmingsplan kan uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect natuur: soortenbescherming en gebiedsbescherming.
49
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
5.4
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming.
Onderzoek Ten behoeve van de planontwikkeling is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (Bargerveen buffer-Zuid milieuhygiënisch vooronderzoek, Royal HaskoningDHV, 2 november 2021, Bijlage 7).
In mei 2019 is de bodemkwaliteitskaart voor de Drentse gemeenten geactualiseerd. In deze kaart is het plangebied aangeduid als 'voldoet aan de achtergrondwaarde', zoals is verwoord in de Regeling bodemkwaliteit. In het Bodemloket zijn binnen het plangebied meerdere verdachte locaties weergegeven in relatie tot het voorkomen van bodemverontreiniging (zie afbeelding 5.14). Ter plaatse van sommige locaties heeft vooronderzoek, bodemonderzoek en/of bodemsanering plaatsgevonden en op sommige locaties niet. De verdachte locaties hebben betrekking op oliewinlocaties en voormalige watergangen die gedempt zijn. Het merendeel van de oliewinlocaties is opgeruimd maar drie locaties zijn nog aanwezig. Hier vindt geen oliewinning meer plaats maar deze dienen als observatielocaties.
Afbeelding 5.14 Uitsnede Bodemloket met ligging verdachte locaties met betrekking tot bodemverontreiniging
Oliewinlocaties Bij de ontmanteling van het olieveld Schoonebeek is een groot deel van de oliewinlocaties ontmanteld, waarna de percelen weer zijn overgedragen aan de eigenaar. Binnen het plangebied is één voormalige winlocatie gelegen: S-411. Deze locatie is reeds beoordeeld door het bevoegd gezag en er is instemming gegeven aan het behaalde resultaat. Nader onderzoek is derhalve niet meer aan de orde. Binnen het plangebied ligt nog een tweetal bestaande locaties: S-350 en S-109.
50
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Uit verricht onderzoek op locatie S-350 is gebleken dat er geen sterke verontreinigingen in de grond of het grondwater voorkomen. Conform de Wet Bodembescherming is geen sprake van een 'Geval van ernstige bodemverontreiniging'. Binnen een viertal vlekken is de grond binnen of grenzend aan de locatie plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie, PAK, lood en/of zink. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan barium, molybdeen en/of minerale olie aangetoond. Conform het Besluit Bodemkwaliteit voldoen de genoemde licht verhoogde gehalten niet aan de bodemfunctieklasse voor de zone ‘Landelijk gebied’ en aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Schoon’ bij de toekomstige bestemming van het onderzoeksgebied. Uit verricht onderzoek op locatie S-109 is gebleken dat op twee plaatsen aan de zuidzijde van het puttenveld een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond is aangetoond. Waarschijnlijk is conform de Wet Bodembescherming sprake van een ‘Geval van ernstige bodemverontreiniging’. Daarnaast is de grond binnen en rondom de locatie plaatselijk licht verontreinigd met barium, kobalt, minerale olie en/of vluchtige aromaten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties benzeen, xylenen en/of naftaleen, barium en nikkel aangetoond.
Bij toetsing van de grond aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat plaatselijk niet wordt voldaan aan de bodemfunctieklasse ‘Landelijk gebied’ en ‘Schoon’ bij de toekomstige bestemming van het onderzoeksgebied.
PFAS PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) worden reeds decennia gebruikt in industriële processen, huishoudelijke en alledaagse producten zoals: blusschuim, anti-aanbaklaag-pannen, zonnebrandcrème, verf, vlekkenbescherming, kleding en cosmetica. Op basis van de beschikbare gegevens is het onderzoeksgebied niet bekend met calamiteiten (puntbronnen). Wel kan sprake zijn van een diffuse verontreinigingsbron (landelijke atmosferische depositie).
Asbest In het plangebied is een aantal toegangsdammen en een aantal paden aanwezig waarin puin is aangetroffen. Derhalve dienen deze dammen en paden als asbestverdacht te worden aangemerkt. Uit historische kaarten blijkt dat er nauwelijks bebouwing (boerderijen) heeft gestaan en ook nu is geen bebouwing in het gebied aanwezig. Het plangebied wordt derhalve voor de rest als asbestonverdacht beschouwd.
Milieuhygiënisch situatie Vastgesteld is dat er binnen het plangebied diverse verdachte locaties liggen, die aanleiding geven tot het verrichten van verkennend booronderzoek. Het betreffen dammen, huidige en voormalige paden, huidige en gedempte watergangen en asbestverdachte locaties. Doel is inzicht te krijgen in de milieuhygiënische samenstelling van de grond, waterbodem en aanwezige verhardingsmaterialen (onder andere asfalt). Indien bodemverontreinigingen worden geconstateerd kunnen vervolgstappen worden bepaald. Eveneens dient inzicht verkregen te worden in de achterblijvende bodemkwaliteit van de oliewinlocaties S-109 en S-350 van de Nederlandse Aardolie Maatschappij en de kwaliteit van de in het aanwezige gronddepot aanwezige grond. Op het moment van verlenen van vergunningen voor grondroerende werkzaamheden dienen deze onderzoeken uitgevoerd te zijn. Vervolgonderzoek en eventuele bodemsaneringen komen voor kosten van initiatiefnemer.
51
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Conclusie Aanvullend onderzoek dient aan te tonen of er sprake is van verontreinigingen in het plangebied en of deze gesaneerd dienen te worden. Deze onderzoeken dienen gereed te zijn op het moment van het aanvragen van de vergunningen voor grondroerende werkzaamheden. Vervolgonderzoek en eventuele bodemsaneringen komen voor kosten van initiatiefnemer. Daarmee kan het bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht met het zicht op het aspect bodem.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
Erfgoedwet In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet regelt de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. 5.5.2
Archeologie
Onderzoek Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen blijkt dat het plangebied voor een groot deel een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde archeologie 4). Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden geldt een verbod voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2 en dieper dan 30 centimeter. Voor de aanleg van deze werken dient middels een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden geschaad worden.
52
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.15 Uitsnede ontwerpbestemmingsplan Emmen, Archeologie (facetbestemmingsplan), met gearceerd de gebieden met een waarde - archeologie 4
In 2021 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Plangebied Buffer Zuid nabij Nieuw-Schoonebeek, gemeente Emmen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, 23 september 2021, Bijlage 8. Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kan de archeologische verwachting voor grote delen van het onderzoeksgebied vanwege de verstoring van de bodem of vanwege de lage en natte ligging van het (dek)zand worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor een beperkt deel blijft een middelhoge tot hoge verwachting bestaan. Het betreft hier de gekleurde gedeelten in afbeelding 5.16, bestaande uit donkergeel, lichtblauw, donkerrood, lichtrood en paars. Op basis van een aanvullend booronderzoek wordt de archeologische dubbelbestemming verder beperkt tot de gekleurde onderdelen van de Resultaten- en advieskaart.
Afbeelding 5.16 Resultaten- en advieskaart Archeologisch vooronderzoek
53
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Afbeelding 5.17 Legenda behorend bij Resultaten- en advieskaart Archeologisch vooronderzoek
Donkergeel: aaneengesloten zone met (deels) intacte podzolbodem. Voor deze zone geldt een hoge archeologische verwachting voor zowel het vondstenniveau als het sporenniveau. Lichtblauw: in deze percelen zijn in één of meer boringen intacte podzolbodems aangeboord maar ze zijn niet geheel onderzocht vanwege de ligging in een zone met een lage verwachting op de gemeentelijke beleidsadvieskaart. De kans is echter groot dat ook deze delen van het perceel intacte podzolbodems voorkomen aangezien grondverbetering vaak is toegepast op perceelsniveau. Donkerrood en lichtrood: in deze zone bevindt zich een dekzandrug op de overgang naar een lager gelegen natte zone in het zuidoosten van het gebied. Tijdens het booronderzoek en ook in het verleden tijdens eerdere onderzoeken zijn hier vele vuurstenen artefacten aangetroffen op het maaiveld. Een duidelijk signaal dat het vondtsniveau hier in ieder geval grotendeels verstoord is. Dat beeld wordt door de boringen bevestigd, alhoewel er enkele boringen zijn die nog een intacte B-horizont laten zien. Op de rug is de aanleg van een kleine sleuf ten behoeve van een olie-exportleiding archeologisch begeleid. In de C-horizont zijn destijds geen dieper ingegraven sporen gezien. De aanwezigheid van bewoning op de rug is echter onomstotelijk bevestigd door de vele vondsten. Ook sporen zoals haardkuilen zullen zich hier op de dekzandrug bevinden.
De vraag is of het dekzand dermate diep verstoord is dat sporen helemaal niet meer aanwezig zullen zijn. De archeologische verwachting voor het vondstenniveau is voor deze zones laag. Voor het sporenniveau is deze middelhoog. Indien zich er nog sporen bevinden, hebben deze een zeer hoge informatiewaarde ter aanvulling op de reeds aangetroffen artefacten die niet meer in situ liggen. Paars: dit betreft de cirkelvormige depressie met een diepte van 4,3 meter en een intact organisch pakket van ruim 2 meter. Vanwege de verstoring van de top van het pakket wordt aan de vulling een middelhoge in plaats van een hoge paleo-ecologische waarde toegekend. Voor het overige deel van het onderzoeksgebied wordt vanwege de lage archeologische verwachting geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan moet overeenkomstig artikel 5.10 Erfgoedwet melding van deze vondsten worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetendschap of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
54
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Buitengebied, Buffer zuid (vastgesteld)
Ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarden is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen ter plaatse van de locaties waar een middelhoge tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde resteert. Voor deze dubbelbestemming geldt een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Werkzaamheden kunnen enkel worden uitgevoerd middels een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Om een vergunning te verkrijgen dient uit nader archeologisch onderzoek te blijken dat er geen archeologische waarden geschaad worden.
Conclusie Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd middels een dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" met bijbehorend vergunningenstelsel. Met het beschermen van mogelijk aanwezige archeologische waarden kan worden gesteld dat het bestemmingsplan met het oog op het aspect archeologie uitvoerbaar is.