CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

VST1_Toelichting

Beeldvorming 10 juni 2024, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Kruisweg 18 Elburg19.695 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3

Water

4.3.1

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In het kader van de beoogde ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd, hiermee is het Waterschap Vallei en Veluwe over het plan geïnformeerd. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 5 Digitale watertoets. Beleid Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Regionaal Waterprogramma Gelderland In het Regionaal Waterprogramma Gelderland wordt het thema water op de volgende aspecten uitgewerkt: drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit en diverse gebruiksfuncties. Dit waterprogramma betreft een detaillering van het onderwerp ‘water’ in de Omgevingsvisie. Het waterprogramma betreft een voortzetting van bestaand waterbeleid, maar wordt in de geest van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland opgezet. Dit betekent dat wordt gezocht naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden om Gelderland ook in de toekomst gaaf te houden. Raakvlakken worden in elk geval voorzien tussen water en de beleidsterreinen bodem, natuur-/soortenbescherming, Natura 2000, klimaatadaptatie en met de programma’s van gebiedsontwikkelingen. In de toekomst wordt dit nader onderzocht en concreet gemaakt. In het

22

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

waterprogramma wordt ieder aspect opgedeeld in sub onderwerpen en voor deze sub onderwerpen wordt de provinciale ambitie en aanpak beschreven. Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitgebreide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven en vormt de uitwerking van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050). Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene regels en Beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Beleids- en beheerplan Water en Riolering In samenwerking met de gemeenten Hattem, Oldebroek, Nunspeet en Waterschap Vallei en Veluwe beschikt de gemeente Elburg over het beleidsplan 'Beleids- en beheerplan Water en Riolering'. Hierin zijn de zorgplichten (de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht) van de gemeenten vastgelegd.

De ambitie is om de zorg voor de afvalwaterketen zo uit te voeren dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen.

4.3.2

Onderzoek

Algemeen Uit de watertoets is gebleken dat de normale procedure op het plan van toepassing is omdat het plan een 'A-watergang' (Vijvers Oosthoek) raakt. In het kader van de ontwikkeling informeel contact opgenomen met het waterschap. Gezien de werkzaamheden niet direct naast de watergang plaatsvinden en de watergang onder de weg doorgaat door middel van duikers voorziet het waterschap echter geen belemmeringen of problemen voor de watergang. Wel dient er rekening mee te worden gehouden dat het plan geen negatieve uitwerking mag hebben op de aan- en afvoerfunctie van de watergang. Bovendien dient de watergang bereikbaar te blijven voor onderhoud. Gezien de watergang onder de weg doorgaat voorziet het waterschap ook hierin geen belemmeringen of problemen. Omdat de mate van verharding ter plaatse van het plangebied afneemt worden geen belemmeringen voorzien met betrekking tot waterberging. Desalniettemin is geadviseerd in de planuitwerking aandacht te besteden aan waterberging en rekening te houden met de aandachtspunten (vasthouden-bergen-afvoeren, grondwaterneutraal bouwen en schoon houden-scheiden-schoon maken). Omdat geen waterschapsbelangen worden geschaad heeft het waterschap aangegeven dat uit kan worden gegaan van de korte procedure. Gelet op de beperkte impact op het watersysteem geeft het waterschap een positief wateradvies.

Vasthouden - bergen - afvoeren (waterberging) In het Beleids- en beheerplan Water en Riolering van de gemeente Elburg is de ambitie opgenomen om klimaatbestendig om te gaan met hemelwater. Klimaatverandering vraagt om een klimaatrobuuste inrichting met meer aandacht voor strategische inzet van afvoer, opvang en berging van hemelwater op particulier terrein en in de openbare ruimte. Voor (her)ontwikkeling van nieuwbouw zijn hiertoe eisen opgenomen. In deze eisen sluit de gemeente aan bij het beleid van Waterschap Vallei en Veluwe. Concreet betekent dit dat het realiseren van een waterberging met een inhoud van 60 mm noodzakelijk is voor elke vierkante meter verharde oppervlak. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Onderstaande figuur 4.1 toont de beoogde inrichting en verdeling van oppervlaktes in de beoogde situatie.

23

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

Figuur 4.1: Verdeling verharding toekomstige situatie In de bestaande situatie is het plangebied volledig verhard, er is daarmee sprake van 2.563,5 m2 verharding. In de bestaande situatie is een gemengd riool aanwezig, hemelwater van verharding wordt hierop afgevoerd. Er is daarmee sprake van versnelde afvoer van hemelwater. Op basis van bovenstaande tekening is in de beoogde situatie sprake van 1.407 m2 verharding. Er moet derhalve 1.383 x 0,06 = 84,42 m3 waterberging worden gerealiseerd. Hoogstwaarschijnlijk zullen verspreid onder de parkeerplaatsen en bestrating kratten worden geplaatst. Indien mogelijk wordt nóg minder verharding toegepast om op die manier minder watercompensatie noodzakelijk te maken. Ook wordt de mogelijkheid tot een wadi bekeken voor de planuitwerking. Binnen de planbegrenzing is voldoende ruimte om in deze watercompensatie te voorzien. Hemelwater van verharding wordt binnen het plangebied verwerkt. Door de afname van verharding zal, ten opzichte van de bestaande situatie, minder hemelwater versneld worden afgevoerd op het riool. In het kader van de vergunningsaanvraag wordt de waterbergingsopgave nader uitgewerkt. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin wordt verplicht dat een waterhuishoudkundig plan wordt opgesteld alvorens de vergunning wordt verleend.

Bouwpeil bij (her)ontwikkeling In het Beleids- en beheerplan Water en Riolering van de gemeente Elburg is opgenomen dat bij nieuwbouw een bouwpeil tenminste 20 cm boven straatpeil wordt gerealiseerd. De te realiseren gebouwen zullen aan deze eis voldoen. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Uit onderstaande kaartuitsnede van de GHG volgt dat deze voor het plangebied ongeveer tussen de 1 m en 2 m ligt. Bij de realisatie van de bebouwing wordt hier rekening mee gehouden. Het plan voorziet bijvoorbeeld niet in de aanleg van kelders. De GHG vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

24

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

Figuur 4.2: GHG plangebied Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt initiatiefnemers om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Bij de realisatie van de nieuwe gebouwen en bijgebouwen, wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het hemelwater dat ter plaatse van het plangebied neervalt, raakt hierdoor niet verontreinigd. Afvalwaterafvoer Afvalwater van de nieuwe woningen wordt op het bestaande gemengde riool afgevoerd. Een jaar geleden zijn twee buizen gerealiseerd tijdens de herinrichting van de Kruisweg waarop het riool kan worden aangesloten. Doordat hemelwater wordt afgekoppeld en waarschijnlijk middels infiltratiekratten wordt geborgd neemt de druk op het riool af. In de bestaande situatie wordt reeds afvalwater op het riool afgevoerd. De wijziging in het gebruik, van een autoverkoopbedrijf naar 15 woningen, is niet zodanig dat het riool hierop moet worden aangepast.

4.3.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan.

4.4

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.

25

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een gecombineerd archeologisch bureau- booronderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 Archeologisch bureau- booronderzoek. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor de periode laat paleolithicum tot de middeleeuwen. Vanaf de middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Op basis van de resultaten is de kans klein dat er in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, daarom is geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ingrepen. Het onderzoek is beoordeeld door de regioarcheoloog, deze heeft aangegeven de conclusies en aanbeveling te onderschrijven. Derhalve is besloten de vigerende archeologische dubbelbestemmingen niet in voorliggend bestemmingsplan over te nemen.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. Het ter plaatse van het plangebied aanwezige gebouw betreft geen gebouw dat is opgenomen op de gemeentelijke- of rijksmonumentenlijst. Op de aangelegen percelen zijn tevens geen monumenten gesitueerd. Ter plaatse van het plangebied geldt wel een molenbiotoop. Deze aanduiding ('vrijwaringszone - molenbiotoop') dient ter bescherming van de molenbiotoop van molen De Tijd welke ten zuiden van het plangebied is gesitueerd. In het kader van de bestemmingsplanherziening is derhalve een deskundig oordeel Molenbiotoop uitgevoerd, dit onderzoek is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan als Bijlage 2 Deskundig oordeel Molenbiotoop. Binnen de provincie Gelderland wordt de formule H(x) = x/n + c * z gehanteerd. Voor molen De Tijd ligt de geplande ontwikkeling in noordnoordwesten windrichting. De minimale afstand tussen de molen en de geplande ontwikkeling is 313 m.

De hoogte van het nieuwbouwplan op deze afstand is 10 m hoog. Op een afstand van 313 m hoogte is, volgens het molenbiotoop, een maximale bouwhoogte van 10,62 m toegestaan. Hierin is het hoogteverschil tussen het maaiveld van de molen en de ontwikkeling meegenomen.

26

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

De afstand tussen het hoogste punt van de voorgestelde ontwikkeling is 368 m. Op deze afstand is, volgens het molenbiotoop, een maximale bouwhoogte van 11,72 m toegestaan. Hierin is het hoogteverschil tussen het maaiveld van de molen en de ontwikkeling meegenomen. De hoogte van het nieuwbouwplan op deze afstand is 12,24 m hoog. Hiermee overschrijd het bouwplan de richtlijn voor de maximale hoogte met 0,52m en de hoogte in het bestemmingsplan met 0,93 m. Op basis van de aangehaalde literatuur kan gesteld worden dat de overschrijding van de rekenregel met 0,9 m verwaarloosbaar is. De literatuur stelt namelijk dat het snelheidsprofiel van de wind na 20 keer de hoogte van een gebouw hersteld is. Dit betekent dat het snelheidsprofiel na 253m is hersteld. Deze afstand is korter dan de werkelijke afstand. Op basis hiervan wordt gesteld dat er geen invloed op het windprofiel is ten gevolge van het appartementencomplex. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling vanhet onderhavige bestemmingsplan.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets.

Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art. 3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van het NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt gesproken van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone.

27

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.5.2

Onderzoek

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is door Lycens B.V. een natuuronderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7 Quickscan Flora en Fauna. Het onderzoeksgebied is op 22 juni 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap.

4.5.2.1

Gebiedsbescherming

Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van de uitgevoerde stikstofberekening uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

4.5.2.2

Stikstof

Als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het onderzoeksgebied, tijdens de gebruiksfase en de realisatiefase (tijdelijk), mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (circa 2 kilometer) en gelet op de ligging binnen de bebouwde kom, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied op voorhand niet uitgesloten worden. In het kader van de beoogde ontwikkeling is derhalve een stikstofdepositieberekening van de beoogde gebruiksfase en realisatiefase uitgevoerd, deze is bijgevoegd als Bijlage 8 Stikstofdepositieberekening. Uit de uitgevoerde stikstofberekening blijkt dat als gevolg van onderhavig project geen sprake is van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarom vormt het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000-gebied geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening.

4.5.2.3

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied mogelijk tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontiwkkeling.

28

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.5.2.4

Houtopstanden

In het onderzoeksgebied zijn enkel heggen aanwezig, geen bomen. Toetsing aan de gemeentelijke bomenverordening is derhalve niet aan de orde. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van houtopstanden.

4.5.3

Conclusie

Middels het uitgevoerde natuuronderzoek is aangetoond dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.6

Geluid

4.6.1

Algemeen

4.6.1.1

Wet geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.

41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo

29

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.6.1.2

Gemeentelijk beleid

De gemeente heeft geluidbeleid vastgesteld (Nota Geluidsbeleid, d.d. 4 december 2007). Het geluidsbeleid richt zich op gebiedsgericht beleid. De locatie is gelegen in een woonwijk, waarbij de gemeente grenswaardes heeft opgesteld voor wegverkeerslawaai. Deze grenswaardes komen overeen met de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (48 dB) en de maximaal te ontheffen geluidsbelasting binnen de bebouwde kom (63 dB) uit de Wet geluidhinder. Naast beoordeling aan de hand van de Wet geluidhinder, is in het gemeentelijk beleid aansluiting gezocht bij de systematiek van de gezondheidseffectscreening (GES). GES is een hulpmiddel om inzicht te krijgen in de mogelijke gezondheidseffecten van beleids- of projectplannen. Een GES signaleert waar knelpunten ontstaan en waar mogelijke oplossingsrichtingen liggen. De kwalificatie van het geluid in de woonomgeving ligt voor een woonwijk tussen ‘Zeer Goed’ (cumulatief < 43 dB) en ‘Redelijk’ (cumulatief 48 – 53 dB). Deze scores worden ook vanuit de Wet geluidhinder gezien als acceptabele niveaus.

4.6.2

Onderzoek

Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorweg of industrieterrein. Wel ligt het plangebied in de onderzoekszone van een weg, dit betreft de Veldbloemenlaan. In het kader van de beoogde ontwikkeling is derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, deze is bijgevoegd als Bijlage 9 Akoestisch onderzoek. Het plan ondervindt een geluidbelasting door het wegverkeer vanaf de Veldbloemenlaan en de Kruisweg. Het plan ligt binnen de zone van de Veldbloemenlaan. De Kruisweg betreft een weg zonder zone met een rijsnelheid van 30 km/u. De overige wegen zijn op een grotere afstand gelegen. Mede vanwege de tussengelegen bebouwing zijn de overige wegen niet van belang. De geluidbelasting op het plan is bepaald op 24 rekenpunten op het appartementengebouw. De hoogte van de waarneempunten is gekozen op 2, 5.5 en 8 meter voor de drielaags bebouwing. Op de vierde bouwlaag is een hoogte gekozen van 11 meter. Op de grondgebonden woningen is de geluidbelasting berekend op 12 punten en op een hoogte van 2.5, 5 en 7.5 meter zodat op elke woning en de zijgevels de geluidbelasting bekend is. De geluidbelasting als gevolg van het verkeer over de Veldbloemenlaan na aftrek van 5 dB ex art. 110G van het Wet Geluidhinder bedraagt maximaal 52 dB op het appartementengebouw en 41 dB op de grondgebonden woningen.

De geluidbelasting op het plan is ter plaatse van het appartementengebouw hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ter plaatse van het appartementengebouw wordt daarmee niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet Geluidhinder. Om de hogere geluidbelasting toe te staan moet een ontheffing worden verkregen middels het vaststellen van een hogere grenswaarde. Het plan voldoet aan de voorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde van maximaal 52 dB. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt een hogere waarde procedure doorlopen om de vaststelling van hogere grenswaarden vanwege het wegverkeerslawaai vanaf de Veldbloemenlaan te bewerkstelligen. Het gaat om het vaststellen van de volgende 7 hogere waarden als gevolg van het geluid vanaf de Veldbloemenlaan: 2 hogere waarden van 52 dB 5 hogere waarden van 51 dB Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan moet het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd worden. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de reductie bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. Er moet dan ook met een geluidbelasting van maximaal 57 dB worden gerekend. De vereiste geluidwering Ga;k bedraagt 57 – 33 = 24 dB. Bij de grondgebonden woningen hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld omdat deze woningen niet worden belast door een zoneplichtige weg. De cumulatieve geluidbelasting is wel hoger dan 53 dB.

Om te voldoen aan een goed woon- en leefklimaat zal ook de geluidwering van deze woningen minimaal Ga;k=21 dB moeten bedragen. De gemeente hanteert voor de de buitenruimte een hogere grenswaarde van 54 dB. De hogere grenswaarde van 52 dB die voor voorliggend plan vastgesteld moet worden voldoet hier aan. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning Bouwen wordt een akoestisch onderzoek overlegd waaruit blijkt met welke bouwkundige voorzieningen kan worden voldaan aan de eis ten aanzien van de geluidwering van de gevel.

30

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.6.3

Conclusie

In het kader van de beoogde ontwikkeling is de vaststelling van een hogere grenswaarde noodzakelijk voor de woningen in het appartementengebouw. Het plan voldoet aan de voorwaarden uit de Wgh voor het vaststellen van een hogere grenswaarde. Ter plaatse van het plangebied zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

4.7.2

Onderzoek

Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 15 woningen, dit ligt ruim onder de NIBM-grens. Het plan heeft een niet in betekende mate invloed op de luchtkwaliteit. Het plan heeft geen negatieve gevolgen op de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit te plaatse van het plangebied Daarnaast is een toets nodig op de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe wooneenheden. Deze moet in ieder geval voldoen aan de wettelijke grenswaarden en bij voorkeur ook aan de gezondheidkundige advieswaarden van de WHO. In de praktijk is het langs drukke wegen vooral van belang welke waarden fijnstof (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2) en roet aanwezig zijn. Vooral de concentratie NO2 geeft op korte afstand van de weg verkeer gerelateerde emissie. Fijnstof ligt veel meer als een deken over Nederland, waarbij een drukke weg in de directe omgeving wel een bijdrage kan leveren aan de concentraties. Roetdeeltjes maken deel uit van de fijnere fractie van het fijn stof en hebben typisch een afmeting kleiner dan 0,3 µm. Een groot deel van de roetdeeltjes zit in de ultrafijne fractie van fijnstof, dat direct kan doordringen in de longblaasjes.

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2030) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 12.8 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 7.4 µg/m3. De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus zeer goed. De kleinschalige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

31

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Algemeen

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering' Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

4.8.2

Onderzoek

Onderstaande figuur 4.3 toont een uitsnede van het in de omgeving van het plangebied vigerende bestemmingsplan. Een gebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied als "direct naast woningen andere functies voorkomen zoals kleine bedrijven en sportvelden" (ABRvS 1 december 2010, 201008212/1/R1 en 201008213/2/R1, LJN BO6591), "als de woning(en) gelegen zijn aan de rand van een woonwijk, omgeven door (spoor)wegen en nabij een instelling voor voortgezet onderwijs" (ABRvS 4 augustus 2010, 200908729/1/R2, LJN BN3151), "of als ter plaatse naast woningen ook kleine bedrijven voorkomen" (ABRvS 21 juni 2010, 201003018/1/R1 en 201003018/2/R1, LJN BM9627). Ook de menging van woningen, een bedrijfsverzamelgebouw, een belastingkantoor, een vestiging van het CWI en een bedrijf leidt tot een gemengd gebied (ABRvS 24 november 2004, 200404442/1, LJN AR6301). Gelet op het bovenstaande en de rondom het plangebied aanwezige bestemmingen en functies is sprake van 'een rustige woonwijk'. De richtafstanden uit de VNG-publicatie worden niet met één stap verkleind.

32

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

Figuur 4.3: bestemmingsplantechnische situatie plangebied en omgeving

Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteit. In de bestaande situatie kent het plangebied een bedrijfsbestemming. Hiermee zijn bedrijfsactiviteiten tot een milieucategorie van 2 toegestaan, hier hoort een milieucontour bij van 30 meter. Het voormalig aanwezige autobedrijf en de hier ontplooide activiteiten resulteerden daarmee mogelijk in milieuhinder voor de omliggende woningen. Met de herbestemming naar 'Wonen' wordt de milieuhinderlijke situatie gesaneerd. De beoogde woningen betreffen een milieuhindergevoelige activiteit. In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling moet derhalve worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Beoordeeld moet worden in hoeverre in de nabijheid van het plangebied milieubelastende activiteiten zijn gesitueerd. Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of in het plangebied ter plaatse van de woning sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn nabijgelegen milieubelastende activiteiten beoordeeld. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd. Het meest nabijgelegen bedrijf betreft de molen De Tijd ten zuiden van het plangebied op ruim 285 meter.

Wel is in de directe omgeving een maatschappelijke functie gevestigd, dit betreft de Hervormde Oosterkerk ten oosten van het plangebied. Voor kerkgebouwen geldt een richtafstand van 30 meter vanwege het aspect geluid. De werkelijke afstand van de grens van het plangebied tot de maatschappelijke bestemming bedraagt ruim 70 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. De kerk wordt aan de westzijde reeds begrensd door woningen, uitbreiding is hierdoor in de basis niet mogelijk. Tevens zijn op circa 190 meter enkele dienstverlendende bedrijfsruimten gelegen aan de Klaverplein 6 - 54 (waaronder de verloskundige praktijk, Veldsink Advies en In2hair). Ter plaatse geldt de bestemmings dienstverlening, voor de betreffende bedrijven c.q. activiteiten geldt een richtafstand van 10 meter wegens geluid. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. In de omgeving van het plangebied worden geen andere in het kader van de VNG-publicatie hinderlijke activiteiten uitgeoefend. Daarmee worden ook geen bedrijven of functies in de uitbreidingsmogelijkheden beperkt als gevolg van de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten.

33

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.8.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

4.9.2

Onderzoek

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de risicokaart. De meest nabijgelegen risicobron ligt op ruim 475 meter van het plangebied, dit betreft een tankstation (BEVI-inrichting). Het plangebied ligt buiten de risicocontour. De meest nabijgelegen gasleiding ligt op ruim 1,6 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Tot slot ligt het plangebied op circa 4,6 kilometer van de A28 en het spoortraject Harderwijk - Zwolle. Deze afstanden zijn dermate groot dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het planvoornemen.

34

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart

4.9.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1

Verkeer

Aan de hand van kengetallen uit de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' is de verkeersgeneratie in de bestaande en beoogde situatie berekend. Hierbij is uitgegaan van ligging in gebiedstype 'schil centrum - weinig stedelijk'. Bestaande situatie In het plangebied was voorheen een autobedrijf gevestigd. In de CROW-publicatie is de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)' opgenomen. Gesteld wordt dat sprake was van een autoverkoop en -garagebedrijf c.q. werkplaats, deze categorie wordt daarmee toepasbaar geacht. Met een brutovloeroppervlak van ruim 350 m2 kan uit worden gegaan van (8,5 maal 3,5 =) 30 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Toekomstige situatie In het plangebied worden in de toekomstige situatie maximaal 17 woningen gerealiseerd. Voor de rijwoningen is de categorie 'Koop, huis, tussen/hoek' van toepassing, hiervoor geldt een verkeersgeneratie van (7,3 maal 5 =) 36,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de appartementen is de categorie 'Koop, appartement, duur' van toepassing, hiervoor geldt een verkeersgeneratie van (7,3 maal 10 =) 73 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In een worst-case scenario kent het plangebied in de toekomstige situatie daarmee een generatie van 109,5 verkeersbewegingen per etmaal.

In vergelijking met de bestaande situatie neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied daarmee toe met 79,5. Dit verkeer zal hoofdzakelijk verplaatsen naar de Veldbloemenlaan en Klokbekerweg. Via deze wegen kunnen de Zuiderzeestraatweg Oost en de Oostelijke Rondweg worden bereikt, hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Gelet op de inrichting van de plaatselijke wegen als ontsluitingswegen zijn deze wegen in staat de toename van verkeersbewegingen te verwerken. De negatieve afwenteling van verkeerseffecten op de omgeving wordt daarmee onwaarschijnlijk geacht.

35

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.10.2

Parkeren

Ten aanzien van parkeren geldt binnen de gemeente Elburg de in september 2014 vastgestelde gemeentelijke Parkeernota en de 'Nadere regels parkeernormen en hoogte financiële voorwaarde'. Hierin is bepaald dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Bestaande situatie In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied een garagebedrijf gesitueerd. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,2 per 100 m2 bvo. Met een oppervlak van circa 364 m2 geldt daarmee een parkeerbehoefte van ((364 / 100) maal 2,2 =) 8 parkeerplaatsen. Het perceel werd voornamelijk gebruikt de opslag van auto's, er was daarmee geen parkeerruimte voor klanten. Parkeren vond daarmee voornamelijk plaats in openbaar gebied. De bestaande situatie was daarmee sprake van een theoretische parkeerbehoefte in openbaar gebied van 8 parkeerplaatsen. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. In de bestaande situatie is het plangebied in gebruik als bedrijfslocatie. Als gevolg van deze wijziging in gebruik verandert de parkeerbehoefte. Uitgangspunt van het parkeerbeleid is dat een plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Voor de rijwoningen geldt een parkeernorm van (2,2 maal 5 =) 11 parkeerplaatsen. De appartementen variëren in brutovloeroppervlak tussen circa 80 en 110 m2.

Daarmee is sprake van middendure appartementen en een parkeernorm van (2,1 maal 10 =) 21 parkeerplaatsen. Op basis van de parkeernota is daarbij sprake van een bezoekersaandeel van 0,3 per woning en daarmee parkeerbehoefte van bezoekers van (15 maal 0,3 =) 4,5 parkeerplaatsen. De inrichtingstekening behorende bij het plan voorziet in de reservering van 32 parkeerplaatsen verdeeld over drie parkeerkoffers. De grootste parkeerkoffer achter het appartementencomplex voorziet in 14 parkeerplaatsen en is omsloten met groen. De parkeerplaatsen zijn voorzien van halfopen verharding, zo zijn ze meer waterdoorlatend en gaan ze op in het groen, waarmee de groene omgeving nog meer naar binnen wordt getrokken op het plangebied. Bovendien wordt hiermee voorzien in een klimaatadaptieve inrichting. De kleinere parkeerkoffer ten zuiden van het appartementencomplex bestaat uit 4 parkeerplaatsen en wordt ook volledig door kwalitatief groen omzoomd en zal ook voorzien zijn van halfopen verharding. Tot slot voorziet de parkeerkoffer langs de Kruisweg in 11 parkeerplaatsen. De parkeervakken zijn diep en staan haaks op de weg zodat er voldoende ruimte is om in en uit te rijden in deze vakken. De hoekwoning in het zuiden van het plangebied zal een oprit hebben die breed en lang genoeg is voor het parkeren van twee auto's.

Conform het parkeerbeleid wordt deze oprit meegeteld in de parkeerberekening als een enkele parkeerplaats. Het is zeer waarschijnlijk dat de toekomstige bewoners hier een garage dan wel carport zullen realiseren voor het stallen parkeren van een auto. De berekende parkeerbehoefte van 32 parkeerplaatsen betreft een theoretische behoefte. Naar verwachting zal de daadwerkelijke parkeerbehoefte lager zijn, mede gelet op de doelgroepen en trends in afname van autobezit. Omdat binnen de planbegrenzing slechts beperkt ruimte is voor het realiseren van voorzieningen wordt het realiseren van 'overbodige' parkeerplaatsen als onwenselijk ervaren. Derhalve worden in eerste instantie 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. De twee 'reserveplaatsen' worden bouwkundig mogelijk gemaakt, maar niet direct gerealiseerd. Indien tijdens de ingebruikname van de woningen blijkt dat parkeerdruk wordt ervaren zullen de twee reserveplaatsen alsnog worden gerealiseerd. Er wordt daarmee gemotiveerd van de parkeernota afgeweken. In de planregels van dit bestemmingsplan is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarmee is geborgd dat het plan niet leidt tot extra parkeerdruk ter plaatse van de openbare ruimte.

4.10.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen vormen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1

Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

36

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.11.2

Onderzoek

Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.

4.11.3

Conclusie

In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In dat geval kan middels een KLIC-melding inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van dergelijke kabels en leidingen.

4.12

MER-toets

4.12.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

37

bestemmingsplan Kruisweg 18 te Elburg

4.12.2

Onderzoek

Voor onderhavig initiatief is activiteit D11.2 uit onderdeel D van de Bijlage van het Besluit m.e.r. van toepassing: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer Hieronder wordt beschreven of de onder 1 tot en met 3 genoemde drempelwaarden al dan niet worden overschreden. Ad 1: De oppervlakte van het initiatief bedraagt aanzienlijk minder dan 100 hectare. Aldus geldt dat de drempelwaarde niet wordt overschreven. Ad 2: Het initiatief heeft geen betrekking op het bouwen van 2.000 of meer woningen. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden en is dus niet relevant. Ad 3: Het initiatief voorziet niet in de realisatie van 200.000 m2 of meer aan bedrijfsvloeroppervlakte. Nu de drempelwaarde(n) niet worden overschreden geldt dat sprake is van een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is er procedureel geen verschil meer tussen een vormvrije-m.e.r.-beoordeling en een (gewone) m.e.r.-beoordeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=27400874-56bd-42f3-b388-8a94e676ff76