Nota Omgevingskwaliteit
Tekst van het document
2 lagen met kap), bebouwing van grotere massa en hoogte dan de omliggende gebouwen staat op grotere afstand van de weggrens; De vormgeving van het dak is afgestemd op het karakter van het betreffende pand. Gevels Bij verbouw, renovatie of vervangende nieuwbouw is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en materiaalgebruik het uitgangspunt; Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving met betrekking tot stijlkenmerken en materialisering het uitgangspunt; Eenvoudig en harmonisch samengestelde gevelopbouw; Geleding van de gevels door een goede situering en onderlinge verhouding van ramen en deuren.
Materiaalgebruik Voor hoofdgebouwen in hoofdzaak baksteen toepassen, al dan niet voorzien van stuc,- of schilderlaag voor de gevels, en dakpannen, of riet, voor daken. Voor bijgebouwen is de toepassing van hout en golfplaten ook passend; Ingetogen materiaalgebruik. Geen grofschalige (geprefabriceerde) gevelplaten en dakbedekking toepassen. Hoogwaardige kunststofmaterialen zijn, na beoordeling, eventueel ook mogelijk voor bedrijfsopstallen; Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke materiaal als uitgangspunt nemen. Kleurgebruik In lichte kleur geschilderde, gestucte of gekeimde gevels worden toegestaan indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving of bouwstijl van het pand; Kleuren per gebouw zijn ingetogen en dienen te harmoniëren met elkaar; Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijk kleurgebruik tot uitgangspunt nemen. Detaillering Kozijnen zijn van hout of hoogwaardige materialen met een vergelijkbare profilering en kleuring, afwijkingen moeten passend zijn in een architectonisch concept; Details van karakteristieke en esthetisch belangrijke bouwdelen zorgvuldig ontwerpen; Bij renovatie wordt zorgvuldig omgegaan met kenmerkende ornamentiek zoals overstekken, dak- en gevellijsten, siermetselwerk en speklagen (herstel, interpretatie of reactie).
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden door de stadsbouwmeester beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
30
GEBIED | 2c Bosgebied WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II .
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en kenmerken Van oudsher is door menselijke aanwezigheid het veluwemassief veranderd van een bebost gebied in een heidegebied. Vanaf de middeleeuwen werd de heide afgeplagd en het gebied intensief begraasd waardoor de heide verdween en de zandverstuivingen ontstonden. Later werden deze “woeste gronden” weer ontwikkeld naar bosgebied ten behoeve van de houtproductie. Het bos werd aangelegd in rechthoekige percelen waartussen wegen en paden liepen. In het Bosgebied van Elburg komen alle drie deze landschapsvormen voor. Heidegebiede, zandverstuivingen en bossen. (ook natuurlijk ontstane naaldbossen) Het gebied is besloten door de aanwezigheid van naaldbossen, zo nu en dan is er een opening in het landschap ter plaatse van heidevelden of zandverstuiving.
gebiedsbeschrijving. Grootschalige ontwikkelingen in dit gebied zijn niet gewenst. Het beleid is gericht op kleinschalige bebouwing die de natuurwaarde van het gebied niet aantast. Gebruik van zo veel mogelijk traditionele en natuurlijke bouwmaterialen. Inpassing van bebouwing is er zoveel mogelijk op gericht de beleving van het landschap in stand te laten. Bouwplannen die zien op gebieden met een recreatieve bestemming (recreatieterrein/parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau 1, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg, Gerichtenweg en de Oostendorperstraatweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
In dit gebied is zeer weinig bebouwing aanwezig. Enkele recreatieterreinen en kleinschalige woningen en historische bebouwing vallen in dit gebied. Ten zuiden van de A28 ligt het Artillerie SchietKamp ook in deze zone, vanwege specifieke militaire aard van de bebouwing kent het ASK een eigen
31
CRITERIA | 2c Bosgebied WELSTANDSNIVEAU II Situering De plaatsing van gebouwen volgens kavelkarakteristiek; Ondergeschikte gebouwen en objecten, ondergeschikt situeren of in gebouwen integreren; Verspringingen in de rooilijn blijven binnen de uitersten van de naastgelegen bebouwing; De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de kappen in de omgeving blijft gehandhaafd. Massa en hoofdvorm Bebouwing mag geen afbreuk doen aan het groene karakter van de omgeving, schaal en vormgeving zodanig inpassen dat natuur de boventoon blijft voeren; Inspelen op de algemene bebouwingskarakteristiek; met als hoofdvorm een eenduidige, kloeke bouwmassa op een rechthoekige basis met een eenvoudig en harmonieus samengestelde massaopbouw; Streven naar behoud van de karakteristiek van eenduidige typologie, waarin boerderijen herkenbaar zijn als boerderij, woonhuizen als woonhuis; Dakvorm met lage gootlijn, zonder of weinig doorbrekingen als dakkapellen en dakopbouwen; Bebouwingshoogte is kleinschalig (ca. 2 lagen met kap), bebouwing van grotere massa en hoogte dan de omliggende gebouwen staat op grotere afstand van de weggrens; De vormgeving van het dak is afgestemd op het karakter van het betreffende pand.
Gevels Bij verbouw, renovatie of vervangende nieuwbouw is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en materiaalgebruik het uitgangspunt; Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving met betrekking tot stijlkenmerken en materialisering het uitgangspunt; Eenvoudig en harmonisch samengestelde gevelopbouw; Geleding van de gevels door een goede situering en onderlinge verhouding van ramen en deuren.
Materiaalgebruik Voor hoofdgebouwen in hoofdzaak baksteen toepassen, al dan niet voorzien van stuc,- of schilderlaag voor de gevels, en dakpannen, of riet, voor daken. Voor bijgebouwen is de toepassing van hout en golfplaten ook passend; Ingetogen materiaalgebruik. Geen grofschalige (geprefabriceerde) gevelplaten en dakbedekking toepassen. Hoogwaardige kunststofmaterialen zijn, na beoordeling, eventueel ook mogelijk voor bedrijfsopstallen; Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke materiaal als uitgangspunt nemen. Kleurgebruik In lichte kleur geschilderde, gestucte of gekeimde gevels worden toegestaan indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving of bouwstijl van het pand; Kleuren per gebouw zijn ingetogen en dienen te harmoniëren met elkaar; Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijk kleurgebruik tot uitgangspunt nemen. Detaillering Kozijnen zijn van hout of hoogwaardige materialen met een vergelijkbare profilering en kleuring, afwijkingen moeten passend zijn in een architectonisch concept; Details van karakteristieke en esthetisch belangrijke bouwdelen zorgvuldig ontwerpen; Bij renovatie wordt zorgvuldig omgegaan met kenmerkende ornamentiek zoals overstekken, dak- en gevellijsten, siermetselwerk en speklagen (herstel, interpretatie of reactie).
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
32
Historische bebouwingslinten 33
GEBIED | 3 Historische bebouwingslinten WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en Kenmerken Een bebouwingslint is een reeks van gebouwen langs een route, die met elkaar en met de route een ruimtelijke eenheid vormen. De historische bebouwingslinten kenmerken zich over het algemeen door een relatief open bebouwingsbeeld en een zekere variatie in de bebouwing van de openbare ruimte. Van oudsher bestaan bebouwingslinten uit boerderijen. In het buitengebied hebben sommige historische bebouwingslinten hun agrarische karakter behouden. Maar vaak zijn de boerderijen vervangen door huizen, soms ook is er een kern ontstaan op het meest compacte gedeelte van het bebouwingslint. De bebouwingslinten ondergaan een geleidelijk veranderingsproces van functiewisseling, aanpassing en verdichting. Dit is vooral bij de kern goed merkbaar. De dichte bebouwing laat een grote diversiteit zien in bouwstijl en functie. Tussen de woningen zijn allerlei winkels, cafés en kleine bedrijven in de linten opgenomen. Meer over de ontstaansgeschiedenis van dit gebied kunt u vinden op de volgende pagina.
34
GEBIED | Historische bebouwingslinten WELSTANDSNIVEAU II Kwaliteiten en Kenmerken De historische bebouwingslinten hebben een hoge belevingswaarde door een geknikt en gebogen stratenpatroon, met een gevarieerde bebouwing en een groen beeld. Verder van de kern gelegen bevindt zich meer nieuwe bebouwing, veelal sobere woningen, meer voortuinen en doorzichten tussen de huizen. De rooilijn wisselt door de losse setting van de gebouwen. Dichtbij de kern grenzen de panden vaak direct aan de openbare ruimte, soms zijn er ook voortuinen, die naarmate de afstand tot de kern groter wordt, meer voorkomen. Ook zijn er tussen de gebouwen onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Openbaar groen beperkt zich tot incidentele bomen of heestervakken. Langs historische bebouwingslinten is meestal sprake van een matige dynamiek. Incidenteel kan zich een ingrijpende of onbedoelde verandering van het bebouwingsbeeld voordoen. De aanleg van toeritten en parkeerplaatsen op voorterreinen kan in sommige gevalle leiden tot relatief grote verhardingsoppervlakken en een stenig karakter van de omgeving. Ook kunnen aanen bijbouwen bij de zijgevel de open ruimtes tussen de panden verstoppen. Op de oude kaarten van Kuyper uit de gemeenteatlas van 1868 zijn de oude historische wegen in de gemeente goed te zien.
D e gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II .
35
GEBIED | Historische bebouwingslinten Zuiderzeestraatweg WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en Kenmerken De zuiderzeestraatweg is halverweg de de 19e eeuw aangelegd tussen Zwolle en Amersfoort. De weg werd vanaf 1827 deels aangelegd op oude dijklichamen. In 1830 werd de 5 meter brede klinkerweg, met bomenrijen aan weerszijden, geopend. In de eerste periode was het een tolweg. Het toen gekozen tracé werd voor een groot deel bepaald door al bestaande (veel oudere) handelsroutes, zoals de Hanzewegen, heerbanen en postwegen. De Zuiderzeestroomtram (1908-1931) liep grotendeels evenwijdig aan (of samen met) de Zuiderzeestraatweg. 100 jaar later werd de zuiderzeestraatweg opgenomen in het rijkswegenplan. Op dit moment is de weg met een totale lengte van 64.4km het langste rijkswegtracé in Nederland.
landgoed Old Putten in Oostendorp en voor landgoed Klarenbeek in Doornspijk, maar ook voor landgoed Schouwenburg en landgoed Zwaluwenburg op ‘t Harde), kazernecomplexen, boerderijen, villa’s, woonhuizen en fabrieken (etc). Meer over de ontstaansgeschiedenis van dit gebied kunt u vinden op de volgende pagina.
De zuiderzeestraatweg is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van steden en dorpen langs de voormalige zuiderzeekust. De ruimtelijke structuur van alle dorpen en steden waar hij doorheen loopt wordt erdoor bepaald. Veel historische bebouwing is gericht op deze weg. Zoals een groot aantal landgoederen (in Elburg geldt dit voor
36
GEBIED | Historische bebouwingslinten Zuiderzeestraatweg WELSTANDSNIVEAU II Kwaliteiten en Kenmerken Door de Zuiderzeestraatweg zijn veel verschillende dorpen op de Noord Veluwe met elkaar verbonden, hoewel de functie als doorgaande verbindingsroute op veel plekken is verdwenen, is het een karakteristiek kralensnoer waarlangs zich het karakter van de regio openbaart. De zuiderzeestraatweg had ook een symbolische betekenis. Het was een teken van vooruitgang, in verbinding met de wereld staan en grandeur. De Zuiderzeestraatweg is van oudsher een route waarlangs veel bedrijvigheid is. Bedrijven willen gezien worden in de vorm van reclame-uitingen aan de weg. Ook toeristische informatie komt in allerlei vormen voor langs de weg. In de publicatie “Zuiderzeestraatweg – een gewone weg met een bijzondere betekenis voor de Noordelijke Veluwezoom, deel 2 – het Streefbeeld” uit 2011 van het Gelders Genootschap worden zowel voor de weginrichting zelf als voor de aanliggende bebouwing en landschap uitgangspunten gegeven ten behoeve van behoud (en herstel) van het karakter van de Zuiderzeestraatweg. Essentieel voor de beleving van de Zuiderzeestraatweg zijn:
De beleefbaarheid van de verschillende landschappen Zicht op het landschap vanaf de weg behouden en versterken Het landschap versterken door structurerende beplanting te versterken in landgoederenlandschappen en erfbeplanting in meer open landschappen te versterken Beleefbaarheid van bijzondere bebouwing en objecten: (door)zicht naar landgoederen, herkenbare entrees, waar mogelijk zichtlijnen op het hoofdhuid of andere bijzonder objecten Zicht(lijnen) op kerktorens en molens Zicht op waardevolle boerderijen, kazernes en woonbebouwing
Samenhangende en beeldondersteunende bebouwingsbeelden: Kies zorgvuldig de afstand van de bebouwing ten opzichte van de weg, verstoringen kunnen optreden wanneer in een historisch bebouwingslint wordt gesloopt en op de verkeerde afstand van de weg vervangende nieuwbouw wordt gesitueerd De korrel van de bebouwing langs de weg sluit aan bij wat kenmerkend is voor dat deel van de Zuiderzeestraatweg. Bebouwing is met representatieve voorkanten gericht naar de Zuiderzeestraatweg Vanaf de straatweg gezien hebben de erven een groen, landschappelijk karakter Opslag van goederen en parkeerplaatsen zoveel mogelijk achter de bebouwing situeren
D e gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II .
37
GEBIED | historische bebouwinglinten Eperweg WELSTANDSNIVEAU II Kwaliteiten en kenmerken De Eperweg is de belangrijkste toegangsweg voor Elburg en de hoofdstraat van ’t Harde komend vanuit het veluwemassief. Wanneer de Eperweg precies is ontstaan is niet duidelijk, het tracé is mogelijk al net zo oud als dat van de (voorloper van de) Zuiderzeestraatweg. Op de Kuyperkaart van de gemeente Doornspijk is de weg aangegeven als een “straat en kunstweg” en is in 1868 reeds verhardt. De weg is ook lang de grens geweest tussen de gemeente Doornspijk en Oldebroek. De weg is de verbinding tussen Epe (en achterland) met Elburg en was met name de handelsroute (Hessenweg), waarschijnlijk is de weg verhardt door koning Willem I, aangezien er ook tol op de weg geheven werd. Het meer lokale verkeer ging over de (onverharde) Stadsweg, waar geen tol werd geheven. Langs de Eperweg is een mengeling van agrarische en commerciële gebouwen gelegen. Aan de zuidgrens van de gemeente bevindt zich het veluwemassief, waar in het verleden legerplaatsen zijn opgericht, vervolgens kruizen de A28 en de spoorlijn Amersfoort-Zwolle de Eperweg. Op dit punt profileren, vanwege de gunstige ligging, verschillende soorten transportbedrijven zich in het gebied. Direct ten noorden van de kruising heeft het bebouwingslint zich verdicht tot het centrum van ‘Harde. Na het centrum staat de bebouwing wat verder
uit elkaar waardoor er weer visueel contact ontstaat met het achtergebied Binnen de kern ’t Harde is de bebouwingsbeeld sterk afwisselend, door het individuele karakter van de bebouwing uit verschillende periodes. De hoofdmassa’s zijn veelal eenvoudig van opzet, verschillende dakvormen komen naast elkaar voor, met de nokrichtingen zowel evenwijdig als haaks op de weg. Het veelal kleinschalige karakter van de bebouwing gaat in het centrum van ’t Harde schuil achter toevoegingen. Het beeld wordt in de kern bepaald door reclame-uitingen en luifels. Voorbij de kern ’t Harde richting Elburg doorsnijdt de weg de landgoederen Schouwenburg en Zwaluwenburg. De bebouwing in dit gedeelte van de weg is organisch gegroeid. Hierdoor is een verscheidenheid aan gebouwen ontstaan. veelal kleinschalig met hier en daar een groter volume. Waardoor het buitengebied goed te ervaren is.
heeft geleid tot een groot aantal aanpassingen aan de weg waardoor het kleinschalige karakter nog verder is aangetast door het verkleinen van voortuinen ten behoeve van de aanleg van fietspaden en andere verharding is de verstening van de omgeving toegenomen. In de kern ’t Harde presenteren bedrijven zich naar de straat. Op het gebied Eperweg is welstandsniveau 2 van toepassing. Het beleid is gericht op het behouden van het gevarieerde bebouwingsbeeld. Op plaatsen waar dit mogelijk is proberen om de relatie met het landelijk gebied te versterken. Bebouwing dient zich te voegen in de bestaande structuur waardoor de oorspronkelijke, afwisselende karakteristiek van het bebouwingslint behouden blijft. In het bebouwingsbeeld is sprake van een kleinschalig, gevarieerd bebouwingsbeeld, elk pand kent, binnen beperkte marges, zijn eigen situering, uitstraling en kleur en materiaalgebruik.
Door de komst van de A28 en de ontsluiting van de Flevopolder is de verkeersintensiteit enorm toegenomen op de Eperweg. Dit
D e gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
38
GEBIED | Historische bebouwingslinten WELSTANDSNIVEAU II Kwaliteiten en Kenmerken De Bovenweg De Bovenweg is de oude verbinding tussen Aperloo en nieuw Soerel aan de Stadsweg (ter plaatse waar momenteel ’t Harde ligt) en Nunspeet. De weg volgt de voet van de hoger gelegen stuwwal van het veluwemassief en het lager gelegen agrarische overgangsgebied. De weg slingert en kronkelt het hele trace aangezien hij (in de 19e eeuw) een groot aantal boerderijen in het gebied verbindt. Daarnaast liep de weg langs het voormalige (land)goed “de Haere” en was het de ontsluiting voor het (voormalige) buurtschap Wessinge .
Overige linten Verspreid over de gemeente zijn (veelal op of langs de dekzandruggen) delen van de historische agrarische lintbebouwing intact gebleven. Het centrale agrarische bebouwingslint van Hoge Enk, de Oude Harderwijkerweg, heeft zijn historische karakter goed bewaard. De overige secundaire bebouwingslinten bestaan vaak uit gemengde bebouwing. In de kernen Oostendorp en Doornspijk zijn enkele historische bebouwingslinten opgenomen in nieuwere woongebieden in de kernen, zoals ’t Straatje, de Honingsveldweg en de Lageweg. Soms is de oorspronkelijke samenhang in het wegennet nog herkenbaar gebleven, maar meestal zijn het slechts fragmenten in een nieuwe omgeving. Tenslotte kan de begin 20e eeuwse villabebouwing langs de Nunspeterweg in Molendorp worden beschouwd als een historisch bebouwingslint. De bebouwing bestaat uit een diversiteit van woningen in verschillende stijlen met ruime tuinen eromheen.
De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
39
CRITERIA | Historische bebouwingslinten WELSTANDSNIVEAU II Situering Het ruimtelijk karakter is gebaseerd op de gegroeide kleinschaligheid, openheid en diversiteit; Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving; De parcellering, de positie en de orientatie van de oorspronkelijke bebouwing en zijn naaste omgeving zijn richtinggevend bij (vervangende) nieuwbouw; Bebouwing is gericht naar de openbare ruimte (representatieve –voor-gevel naar de weg); De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de kappen in de omgeving blijft gehandhaafd; Bedrijfsbebouwing op het achtererf. Massa en hoofdvorm De bouwmassa is compact en op zichzelf staand; De vormgeving van het dak is afgestemd op het karakter van het betreffende pand; Bebouwing van grotere massa en hoogte dan de direct omliggende bebouwing staat op grotere afstand van de weggrens.
Gevels Bij verbouw, renovatie of vervangende nieuwbouw is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en het materiaal- en kleurgebruik; Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving met betrekking tot stijlkenmerken en materialisering het uitgangspunt; De maat en schaal van de gevelindeling wordt gerespecteerd; De onderpui en bovengevel vormen een architectonisch samenhangend geheel; De architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand blijft uitgangspunt in geval van splitsing, de individualiteit van de panden blijft bij samenvoeging gehandhaafd; De geleding en de ritmiek van de gevel zijn verticaal gericht en komen naar voren in de gevelassen.
Materiaalgebruik Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijk materiaal tot uitgangspunt nemen. Voor hoofdbebouwing in hoofdzaak baksteen en gebakken pannen (of riet) toepassen; Het gebruik van glas, spieggelende oppervlakken, kunststof of kunsthars gevelbeplating is niet toegestaan. *m.u.v. van aantoonbaar hoogwaardige kwaliteit ten behoeve van bedrijfs- of bijgebouwen Kleurgebruik Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijk kleurgebruik tot uitgangspunt nemen; Aardkleuren bepalen voor hoofdvlakken het uitgangspunt; in lichte kleur geschilderde, gestucte of gekeimde gevels worden toegestaan indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving of bouwstijl van het pand; Het gebruik van sterk contrasterende kleuren wordt vermeden.
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
40
GEBIED | 4 De Longstrook (‘t Groene Hart) WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en kenmerken ‘t Groene Hart heeft met zijn kronkelende paden, waterpartijen en opgaand geboomte een parkachtig karakter. Door de instituten in en rond het gebied wordt deze groene zone als zeer waardevol beschouwd voor verschillende doelgroepen. De ruimtelijke structuur tussen de uitbreidingen van Elburg en Oostendorp wordt gevormd door een aaneenschakeling van groenstructuren die door de diverse uitbreidingswijken liggen. Deze parkachtige zone begint tussen Oostendorp-West en Oosthoek I en II en sluit in oostelijke richting aan op het groene hart. Vanuit het groene hart gaan groene uitlopers langs de Achterweg en het Hoekwant door tot het open buitengebied aan de oostzijde van de rondweg. Hierdoor zijn tot diep in de kern ruimtelijke en visuele relaties aanwezig met het buitengebied. Deze groenstructuur vormt daardoor een belangrijk ruimtelijk structurerend element voor de omringende wijken. Het slingerende water is onderdeel van het groene hart en begeleidt op diverse plaatsen de bebouwing. In ‘t Groene Hart staat niet veel bebouwing. Een bibliotheek, sporthal, verzorgingscom-
plex, enkele scholen en een klein aantal woningen en boerderijen zijn aanwezig. De gebouwen zijn veelal samengestelde massa’s, als solitair element geplaatst in de groene context. Rondom de bebouwing is de verharding minimaal, zodat de groenstructuur niet versnippert. Schuttingen ter afscherming van de bebouwing vertroebelen het karakter en versnipperen het gebied. In het gebied worden in principe zo min mogelijk gebouwen bij gebouwd. Met wijzigingen van de bebouwing dient zorgvuldig te worden omgegaan. Voor de bebouwing in ‘t Groene Hart is welstandsniveau II, reguliere toetsing, van toepassing. Meer over de ontstaansgeschiedenis van dit gebied kunt u vinden op de volgende pagina.
41
CRITERIA | De Longstrook (‘t Groene Hart) WELSTANDSNIVEAU II Situering Bebouwing mag geen afbreuk doen aan het groene karakter van de omgeving, schaal en vormgeving zodanig inpassen in de omgeving dat de natuur de boventoon blijft voeren; De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het pand is afgestemd op de karakteristiek van de locatie; ontsluiting en zichtlijnen, kavelgroen sluit bij voorkeur aan bij het openbare groen aan de straatzijde; Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. Ondergeschikte gebouwen en objecten ondergeschikt situeren of in gebouwen integreren. Massa en hoofdvorm De hoofdvorm is een eenduidige bouwmassa met een eenvoudig of harmonisch samengestelde massa-opbouw ; Aan- en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing.
Detaillering Kozijnen in hout uitvoeren; Details van karakteristieke en esthetisch belangrijke bouwdelen zorgvuldig uitvoeren. Afwerking erven Bebouwing en beplanting beschouwen als organische eenheid. Uitzonderingen erfafscheidingen Verzoeken die zien op erfafscheidingen wordt een dichte schutting mogelijk gemaakt, indien gewerkt wordt met verschillende materialen in gelede setting. Uitvoering is situatie afhankelijk, hierbij denken aan de ruimtelijke inpassing waarbij het perceel grenst aan het openbaar groen of van de afstand tot de weg, of afhankelijk van de perceelgrote. Met een dichte schutting wordt bedoeld meer dan 80% dicht met een hoog uitvoerings(kwaliteits)niveau.
Gevels Eenvoudig en harmonisch samengestelde gevelopbouw; Ingetogen materiaalgebruik; De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen; Geen grofschalige (geprefabriceerde) gevelplaten of dakbedekkingtoepassen. Kleurgebruik Kleuren per gebouw zijn ingetogen en dienen te harmoniëren met elkaar; Kleurgebruik in gedekte tinten.
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
42
De Kernen 43
GEBIED | 5 De Kernen WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingsstructuren dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II.
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en kenmerken Verspreid over de gemeente liggen de kernen ‘t Harde, Doornspijk, Hoge Enk en Oostendorp. Elke kern heeft zijn eigen karakteristieken. Doornspijk Nadat in 1825 de kerk aan zee was weggespoeld, is de buurtschap Werfhorst uitgegroeid tot de kern die nu Doornspijk heet. De aanleg van de Zuiderzeestraatweg werkte stimulerend op de groei van het dorp. Het tegenwoordige centrum van Doornspijk ligt tegenover Landgoed Klarenbeek. Bij de gemeentelijke indeling van Nederland in de twintigste eeuw werd vastgesteld dat Doornspijk ook de gemeentenaam zou zijn, totdat de gemeente in 1974 werd samengevoegd met de gemeente Elburg.
Opvallend is het landgoed Klarenbeek, waarvan het uiteinde midden in het centrum van Doornspijk ligt. Hoge Enk Ten noordoosten van Doornspijk ligt de kern Hoge Enk. Het gebied rond de Hoge Enk heette vroeger Zudendorp. Hoge Enk is ontstaan op een hooggelegen enk. Deze kern is ontstaan uit een buurtschap en bestaat naast agrarische bebouwing vooral uit vrij - staande woningen. De kern heeft een landelijk karakter. Voor voorzieningen zijn de inwoners aangewezen op Elburg of Doornspijk.
Doornspijk heeft een agrarisch en kleinschalig karakter. In het dorp en directe omgeving zijn veel historische boerderijen te vinden. Naast de deels historische lintbebouwing langs de Zuiderzeestraatweg zijn enkele naoorlogse uitbreidingswijken aanwezig. Deze uitbreidingswijken zijn echter kleinschalig en allemaal aan de westzijde gesitueerd.
44
GEBIED | De Kernen WELSTANDSNIVEAU II Kwaliteiten en Kenmerken Oostendorp en Elburg Oost Uit de naamgeving van Oostendorp valt af te leiden dat Elburg als centrum werd genomen: ten oosten van die stad lag het buurtschap Oostendorp. Dit buurtschap wordt in 1307 al genoemd. De oude kern van het dorp ligt langs de Oostendorperstraatweg. Op de kaart van 1800 zijn slechts drie boerderijen te vinden op de plaats waar nu het centrum van het buurtschap Oostendorp is. Door Thorbecke werd in 1851 het platteland met de steden gelijkgesteld. Voor de gemeente Doornspijk betekende dit dat er een gemeentehuis moest worden gebouwd en wel op een centraal punt van de uitgestrekte gemeente. De juiste plaats werd gevonden tegenover Old Putten, want hier had immers ook altijd de belangrijkste “jonker” van Doornspijk gewoond. Later werd dit gemeentehuis het centrale gemeentehuis van de gemeente Elburg. Opvallend is dat er, met uitzondering van de zuidzijde, geen naoorlogse uitbreidingswijken tegen de vesting aan zijn gebouwd. De aanwezigheid van de als beschermd stadsgezicht aangewezen en daarom vrij van bebouwing gebleven schootsvelden zijn hiervan een oorzaak. De naoorlogse woonwijken van Elburg Oost liggen om die reden enigszins geïsoleerd ten opzichte van de vesting. De wijken van Elburg-Oost zijn in verschillende periodes gebouwd, variërend van de jaren ’50 tot enkele jaren geleden.
Het overgrote deel van dit gedeelte van Elburg bestaat uit
grondgebonden eengezinswoningen. De uitbreiding van Elburg direct ten zuiden van de vesting bestaat deels uit vooroorlogse woningbouw en heeft een afwisselend karakter. De wijken van Elburg-Oost zijn vrij inwisselbaar met woonwijken van andere plaatsen in Nederland. Met de gefaseerde herstructurering van de wijk Oosthoek is een begin gemaakt. Sommige wijken in Elburg-Oost liggen op relatief grote afstand van de voorzieningen in de vesting. Oostendorp is zo verweven met Elburg-Oost, dat deze twee woongebieden als eenheid worden gezien. De Zuiderzeestraatweg (N309) heeft een nadelige invloed op de woonkwaliteit in het dorp. Door de verweving met Elburg-Oost is het oorspronkelijke karakter van Oostendorp nog maar weinig herkenbaar.
in 1953 zette de stormachtige ontwikkeling in die van ‘t Harde de tweede kern van de gemeente Elburg maakt, door de realisatie van grootschalige nieuwbouwwijken. ’t Harde is een relatief nieuwe nederzetting die ontstaan is door de aanwezigheid van de spoorlijn en het aanwezige kazerneterrein. De grootschalige naoorlogse nieuwbouwwijken werden vooral bevolkt door mensen van buiten de gemeente Elburg. In ’t Harde is de nabijheid van de Veluwe voelbaar, waardoor het karakter van het dorp sterk afwijkt van dat van Elburg of Doornspijk. Ook zijn er enkele villawijken in het dorp aanwezig die ook een bijdrage leveren aan het groene karakter.
’t Harde ‘t Harde is vernoemd naar de hardere ondergrond die hier was in vergelijking met omliggende gebieden. Als in 1875 wordt besloten een militair complex op de Woldberg aan te leggen, spreekt men nog van de legerplaats Oldebroek. In 1930 bestond ‘t Harde uit 39 huizen waarin 175 mensen woonden. Pas
D e gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingstructuren dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II .
45
CRITERIA | De Kernen WELSTANDSNIVEAU II Situering Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving; De parcellering, de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend bij nieuwbouw; Panden zijn gericht naar de openbare ruimte; De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de kappen in de omgeving blijft gehandhaafd.
Uitzonderingen erfafscheidingen Verzoeken die zien op erfafscheidingen wordt een dichte schutting mogelijk gemaakt, indien gewerkt wordt met verschillende materialen in gelede setting. Uitvoering is situatie afhankelijk, hierbij denken aan de ruimtelijke inpassing waarbij het perceel grenst aan het openbaar groen of van de afstand tot de weg, of afhankelijk van de perceelgrote. Met een dichte schutting wordt bedoeld meer dan 80% dicht met een hoog uitvoerings(kwaliteits) niveau.
Massa en hoofdvorm Bij verbouw, renovatie of vervangende nieuwbouw is respect voor de oorspronkelijke massa en architectuur van de naastgelegen panden; de vormgeving van het dak is afgestemd op het karakter van het betreffende pand. Gevels Bij verbouw, renovatie of vervangende nieuwbouw is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en het materiaal- en kleurgebruik; Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving met betrekking tot stijlkenmerken en materialisering het uitgangspunt; De maat en schaal van de gevelindeling wordt gerespecteerd; De architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand blijft uitgangspunt in geval van splitsing, de individualiteit van de panden blijft bij samenvoeging gehandhaafd. Materiaalgebruik Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke materiaal tot uitgangspunten nemen. Het gebruik van glas, spiegelende oppervlakken, kunststof of kunsthars gevelbeplating is niet toegestaan. Kleurgebruik Aardkleuren bepalen voor hoofdvlakken het aanzicht; Het gebruik van sterk contrasterende kleuren wordt vermeden; Kleuren van dakpannen en metselwerk zijn op elkaar afgestemd; Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke kleurgebruik tot uitgangspunt nemen.
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
46
GEBIED | 6 Bedrijventerreinen WELSTANDSNIVEAU II De gemeente wil de oorspronkelijke gebiedskarakteristiek bewaren en waar nodig herstellen. Delen die nog herkenbaar zijn als historische bebouwingslinten dienen daarom met zorg te worden behandeld. Daarom geldt voor dit gebied WELSTANDSNIVEAU II .
Ken uw gebied Om met uw gebouw een goede inpassing te maken in de omgeving, is het belangrijk om te weten wat de bestaande karakteristiek van uw gebied is. Hieronder staan de gebiedskwaliteiten beschreven. Kwaliteiten en Kenmerken In de gemeente Elburg zijn verschillende bedrijventerreinen aanwezig die sterk in aanzien en karakter verschillen. In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed en werd de zoute Zuiderzee het zoete IJsselmeer. Door de afsluiting van de Zuiderzee nam ook de visstand af en verdween voor Elburg de belangrijkste bron van inkomsten. Elburg moest uitzien naar andersoortige bedrijvigheid. In verband met het beperkte grondgebied van de toenmalige gemeente, was men aangewezen op het gebied rondom de haven om met industriële activiteiten te starten. Dit verklaart de excentrische ligging van bedrijventerrein Kruismaten. Hierdoor is de bereikbaarheid van dit bedrijventerrein matig, ondanks de enkele jaren geleden aangelegde Oostelijke Rondweg van Elburg. Kruismaten is deels verouderd en de beeldkwaliteit is relatief laag. In de zuidoosthoek van de kern Elburg ligt het bedrijventerrein Oostendorp. Dit bedrijventerrein is relatief nieuw en heeft een duidelijk gezicht richting de rotonde op het kruispunt van de N309 en de N308. Er is hier ook sprake van grootschalige detailhandel, zoals meubelzaken en een bouwmarkt. Ten oosten van bedrijventerrein Oostendorp is het bedrijven-
terrein Broeklanden in aanbouw, dat voor de komende jaren in de behoefte kan voorzien. In ’t Harde is een tweetal bedrijventerreinen aanwezig. Tussen de spoorlijn en de Rijksweg A28 is een kleinschalig bedrijventerrein gesitueerd met enkele bedrijven. Aan de noordwestzijde van het dorp is het bedrijventerrein Koekoek gevestigd. In Doornspijk en de rest van de gemeente zijn her en der bedrijven gevestigd.
47
CRITERIA | Bedrijventerreinen WELSTANDSNIVEAU II Situering De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het bedrijfspand zijn afgestemd op de karakteristiek van de locatie, bijvoorbeeld hiërarchie, ontsluiting en zichtlijnen; Bedrijfsbebouwing staat in de rooilijn geordend; Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie; Bebouwing afstemmen op de ritmiek, schaal en hoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving; Gebouwen geclusterd of in onderlinge samenhang op het terrein plaatsen; Publieke en representatieve functies oriënteren op de straat. Massa en hoofdvorm De hoofdvorm van gebouwen is eenduidig; De richting van gebouwen volgt in hoofdzaak de straatrichting; Aan- en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing.
Afwerking erven Open hekwerken en dergelijke aan de straatzijde hoogte en vormgeving op elkaar afgestemd; Bij erfafscheidingen aan de straatzijde en op grote open (parkeer en opslag) terreinen maakt aankledingsgroen deel uit van de erfinrichting; Het kavelgroen sluit aan bij het openbare groen aan de straatzijde.
Uitzonderingen erfafscheidingen Verzoeken die zien op erfafscheidingen wordt een dichte schutting mogelijk gemaakt, indien gewerkt wordt met verschillende materialen in gelede setting. Uitvoering is situatie afhankelijk, hierbij denken aan de ruimtelijke inpassing waarbij het perceel grenst aan het openbaar groen of van de afstand tot de weg, of afhankelijk van de perceelgrote. Met een dichte schutting wordt bedoeld meer dan 80% dicht met een hoog uitvoerings- (kwaliteits)niveau. Zie voorbeeld.
Gevels De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen; Zeer grote lengtes van gebouwen worden door materiaal- en kleurgebruik doorbroken. Materiaalgebruik Bij verbouw is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt; Bij nieuwbouw is de materiaalkeuze eigentijds. Kleurgebruik Kleuren per gebouw dienen te harmoniëren met elkaar; De kleuren moeten passen bij de kleurstelling van de panden in de directe omgeving.
Bij voorkeur de tuin,- en erfbeplanting aansluiten bij veelvoorkomende beplantingswijzen in de directe omgeving zoals houtwallen, losse bomen of hagen. Streekeigen beplanting verdient de voorkeur boven uitheemse soorten, zo min mogelijk terreinverharding van het perceel. Bouwplannen die zien op gebieden met een recratieve bestemming recreatieterrein/ parken) worden beoordeeld in hun eigen context. Voor bebouwing in het buitengebied met een monumentale status geldt welstandsniveau I, evenals voor landgoederen. Voor de belangrijkste historische bebouwingslinten (Zuiderzeestraatweg, Bovenweg, Stadsweg en de Eperweg zijn aanvullende criteria opgenomen in deze nota.
48
Bijlagen 49
EXCESSENREGELING CRITERIA BIJ EXCESSEN Er is sprake van een exces, indien een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het basiscriterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Het gaat hierbij om zaken waarvan de uitvoering aantoonbaar ondeugdelijk is, die verloedering van de omgeving van het bouwwerk in de hand werken, of aanstootgevend zijn. Vaak heeft dit betrekking op: Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; Armoedig materiaalgebruik; Toepassing van felle of contrasterende kleuren; Te opdringerige reclames; Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsbeschrijvingen; Verwaarlozing en verval; De strijdigheid wordt getoetst en onderbouwd aan de hand van de gebiedsgerichte criteria.
50
ALGEMENE CRITERIA 4.1 Doel van deze criteria De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd, richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp, en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes*.
ke Welstandsnota van Stichting Welstandszorg Noord-Hol-land en zijn gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ die prof. ir. Tj. Dijkstra schreef als Rijksbouwmeester in 1985. 38 4.2 De Algemene criteria
Criteria voor architectonische kwaliteit (hardheidsclausule) In de dagelijkse praktijk van het welstandbeleid blijken er altijd uitzonderingssituaties voor te komen waar de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. Dan wordt teruggevallen op algemene criteria. In onderliggende paragraaf zijn deze gevallen aangegeven en worden de toepassingsregels geduid. Per geval zullen de welstandscommissie of het gemeentebestuur beslissen of de algemene criteria worden toegepast of dat onverkort aan de gebieds-of objectcriteria wordt vastgehouden. In positieve zin 1. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de gebieds- en objectcriteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan een positief advies worden gegeven op basis van toetsing aan de algemene criteria. 2. In bijzondere situaties waarbij een gebouwtype wordt voorgesteld waarin de gebieds- en objectcriteria niet kan voorzien, wordt getoetst aan de algemene criteria. In beide gevallen zullen zowel de initiatiefnemer, de ontwerper als de welstandsadviseur gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wel architectonisch-stedenbouwkundig verantwoord is.
In negatieve zin Ook kan het voorkomen dat plannen die tegemoet komen aan de gebieds- en objectcriteria toch een zodanig slechte kwaliteit hebben dat ze afbreuk doen aan hun omgeving. In die gevallen kan worden teruggevallen op de algemene criteria. De welstandsadviseur zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek architectonisch-stedenbouwkundig niet verantwoord is. * De algemene welstandscriteria zijn verkort overgenomen uit het Basisstramien Gemeentelij-
1. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. 2. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte.
Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een bouwwerk is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de bouwwerken als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het bouwwerk is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het bouwwerk ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een bouwwerk dat contrasteert met zijn omgeving, mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het bouwwerk een positieve bijdrage levert 51
ALGEMENE CRITERIA aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. 3. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.
De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is ten opzichte van zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd wordt geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. 4. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een bouwwerk mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving heeft, te reduceren tot
een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. 5. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen.
De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast, kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/ of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld, niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
52
DUURZAAMHEIDSPARAGRAAF Duurzaamheidsparagraaf Het begrip ‘duurzaamheid’ is door de jaren heen een containerbegrip geworden. Alles wat te maken heeft met maatschappelijk verantwoord leven, milieu, ecologie en toekomstgericht denken wordt onder duurzaamheid geschaard. In het VN-rapport ‘Our Common Future’ uit 1987 wordt de essentie van duurzame ontwikkeling verwoordt als “een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van de toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.” Met andere worden, bij een duurzame ontwikkeling wordt gekeken naar de huidige behoefte en hoe dit in de toekomst ontwikkeld kan worden zonder dat de mensen, het milieu of de economie in gevaar komen. Duurzaamheid gaat over een goede balans tussen ecologische, economische en sociale belangen voor het heden èn de toekomst.
dragen aan een beperking van de negatieve effecten als gevolg van de klimaatveranderingen. De gemeente wil daarom ook graag bewoners en initiatiefnemers stimuleren om een bijdrage te leveren aan het duurzame karakter van de gemeente. In deze paragraaf zijn daarom uitgangspunten geformuleerd om te komen tot duurzame ontwerpen op het gebied van stedenbouw, architectuur, (grootschalige) wind- en zonneparken en monumenten.
Bij duurzaam bouwen ligt de nadruk over het algemeen vooral op technische en/of goed meetbare aspecten, bijvoorbeeld gebruik van duurzame materialen en installaties voor energieopwekking, of op een hoge energiebewustheid (energieneutraal gebouw). Naast deze technische aspecten kan duurzaamheid ook vanuit een kwalitatief gezichtspunt worden bekeken op het vlak van cultuurhistorie, landschap, stedenbouw en architectuur, als aspecten die van invloed zijn op een duurzame en aantrekkelijke leefomgeving. De gemeente Elburg wil een duurzame leefomgeving bevorderen en wil een steentje bij53
DUURZAAMHEIDSPARAGRAAF TESTCASE HOLTENBROEK TESTCASE HOLTENBROEK
C
OLTENBROEK GROEN
ON I T C
farming iale cohesie
r door ers
WATER
N
R NDE
U
pantoffelafstand waterspeelplein max. 3 min.
ingrepen
ffelafstand
waterspeelplein
beheer door recreatie in bewoners koelte
windvangers ruimte voor water
C
WATER
RO
R
ST N O
WA herschikking urban farming alsparkeren sociale cohesie
N
IO T C U
pantoffelafstand
recreatie in koelte
max. 3 min.
ruimtelijke ingrepen
U
R
ST N O
GROEN RO
WATER
IO T C U
ruimtelijke ingrepen
R E D N
GROEN
Uitgangspunten voor duurzame stedenbouw Probeer sloop van kwalitatief goede urban farming als sociale cohesie wijken en gebouwen te vermijden Koppel grootschalige/stedelijke functies aan de hoofdverkeersinfrastructuur (OV, fiets, auto) Zorg voor een intensieve inrichting van pantoffelafstand het bebouwde gebied Koppel natuur-/recreatieve functies aan het waternetwerk max. 3 min. Betrek milieurandvoorwaarden in het stedenbouwkundig ontwerp Neem zongerichte verkaveling zo veel mogelijk mee in het ontwerp beheer door bewoners Bevorder door het stedenbouwkundig ontwerp het gebruik van fiets en openbaar vervoer Zorg dat je wijken en gebouwen flexibel ontwerpt en herstructureert waterspeelplein urban farming windvangers als sociale cohesie Zorg voor prettige en leefbare steden, wijken, gebouwen en huizen.
Duurzame stedenbouw Elburg is geen groeigemeente met grootschalige uitbreidingsplannen. In de stedenbouwkundige praktijk van de gemeente gaat het vooral om het benutten en versterken van al aanwezige sociale-, ecologische en economische kapitalen. Huidige en nieuwe bewoners, bedrijven en instellingen vragen om een duurzaam vestigingsmilieu. Bij duurzame stedenbouw gaat het over het harmonieus combineren van de belangen van mensen, milieu en economie. Belangrijke aspecten daarbij zijn het kiezen voor schone en gezonde systemen, het centraal stellen van de eindgebruiker en rekening houden met geleidelijke vernieuwing.
ruimte voor water in de straat
RO
herschikking parkeren
beheer door bewoners
CULTUURHISTORIE elkaar ontmoeten windvangers in de openbare ruimte
CULTUURHISTORIE herschikking recreatie in koelte koele routes parkeren
gemeenschappelijke ruimte voor water groene in de straatvoortuinen
elkaar ontmoeten in de openbare ruimte
wijkgedachte koele routes
wijkgedachte
gemeenschappelijke licht, lucht en ruimte groene voortuinen
licht, lucht en ruimte
54
DUURZAAMHEIDSPARAGRAAF Duurzame architectuur/duurzaam bouwen Het doel van duurzame architectuur of duurzaam bouwen is om op zo’n manier te bouwen, te gebruiken en te slopen dat de aarde zo min mogelijk belast wordt. Veelgebruikte oplossingen zijn het renoveren van bestaande complexen, het gebruik van duurzame materialen en energiebewuste technieken.
Uitgangspunten voor duurzame architectuur en duurzaam bouwen Probeer sloop van goede panden zo veel mogelijk te voorkomen. Maak zoveel mogelijk gebruik van circulair bouwen door: Gebruik van hernieuwbare grondstoffen, Gebruik van materialen die voor de hele levensduur van het bouwwerk geoptimaliseerd zijn (waardebehoud, minder kosten, meer hergebruik en minder milieu-impact) Reductie van zoveel mogelijk CO2-emmissies, zowel in de productie- en bouwfase als in de gebruiksfase. Wees innovatief en speel proactief in op veranderingen in de samenleving en de vraag van markt en consument. Probeer zoveel mogelijk te bouwen volgens de principes van Cradle to Cradle Gebruik natuurlijke, biobased en lokale bouwmaterialen
Zorg voor zoveel mogelijk besparing van energie Maak gebruik van passieve zonne-energie, bijvoorbeeld door een goede oriëntatie op de zon (rekening houdend met verschillende jaargetijden en zonnestanden) en door overstekken aan de zuidkant voor zonwering bij hoge zomerzon. Integreer installaties voor energie-opwekking (high tech installaties). Streef naar (volledige) zelfvoorzienendheid Zorg voor een gezond binnenklimaat; binnenklimaat op natuurlijke wijze reguleren (low tech methoden) Zorg dat woningen levensloopbestendig zijn.
55
DUURZAAMHEIDSPARAGRAAF Energietransitie (Grootschalige wind- en zonneparken) De energietransitie kan gezien worden als een kans voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om dat te bereiken is er een aantal sleutels gemaakt hoe op een ruimtelijk verantwoorde manier duurzame energie wordt opgewekt.
7 sleutels: ruimtelijk verantwoord duurzame energie opwekken.
gebieden worden beschermd. Dit is tevens financieel aantrekkelijker.
1. Besef dat de energietransitie een grote opgave is. De energietransitie gaat tientallen jaren duren en de impact op de omgeving is zeer groot en zal lange tijd aanwezig zijn. U heeft de sleutel in handen om een goed ruimtelijk resultaat te bereiken.
5. Benader de opgave integraal. De energietransitie is een complexe uitdaging waar we als hele maatschappij voor staan. Integraal kijken is daarom noodzakelijk: a. Betrek alle disciplines en stakeholders. b. Werk op verschillende schaalniveaus, binnen en buiten de gemeentegrenzen. c. Zoek de relatie met andere opgaven zoals toerisme, landbouw, natuur en demografie.
2. Lever altijd maatwerk door te werken vanuit de context. Elke plek, gebied en regio is uniek en kent haar eigen waarden. Dat betekent dat er geen blauwdrukplan kan worden geleverd. 3. Bedenk eerst waar kwaliteit toegevoegd kan worden. De energietransitie zal zichtbaar zijn voor iedereen. Dat betekent niet dat we zomaar ergens beginnen, deze plekken worden strategisch gekozen: a. Begin met locaties waar het minder kwaad kan. Locaties die toe zijn aan een herwaardering, die vragen om een nieuwe functie of waar al maatschappelijk draagvlak voor is. b. Zoek naar locaties waar een dubbelfunctie mogelijk is, denk aan combinaties met landbouw, natuur, bouw en infra.