De Nieuwe Haven VASTGESTELD
Tekst van het document
De vervolgonderzoeken moeten bij aanvraag van de diverse omgevingsvergunningen zijn uitgevoerd. 4.1.3
Conclusie
Het aspect bodem is naar verwachting na het uitvoeren van de in 4.1.2.1 genoemde onderzoeken en eventueel bijbehorende saneringen geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.2
Water
4.2.1
Algemeen
Het waterbeleid is op verschillende bestuurslagen vormgegeven. Op Europees niveau de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG), op rijksniveau is het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 met doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Op provinciaalniveau zijn 3 speerpunten onderscheiden: 1. Ruimte voor water. 2. Regionale berging. 3. Voldoende en kwalitatief goed drinkwater. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft tenslotte haar beleidsuitgangspunten in haar Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgelegd. In de Keur en legger zijn regels opgenomen. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. We beschermen het gebied tegen overstromingen. 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. 4. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. 6. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners. Waterparagraaf In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
30
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven 4.2.2
Onderzoek
Het waterschap Vallei en Veluwe is in juni 2021 door EDOK-RO, geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Hieruit bleek dat het plangebied binnen de beschermingszones van een primaire waterkering ligt. De initiatiefnemer heeft over dit primaire belang overleg gevoerd met het waterschap. De uitkomsten hiervan zijn in dit hoofdstuk verwerkt. Uit de volgende afbeelding blijkt dat het plangebied (oranje omlijnd) voor een groot deel is gelegen in de beschermingszone B van een waterkering (geel). De rand langs de oostkant valt nog net in de beschermingszone A (grijs/groen). Om de waterkering te beschermen gelden hier regels.
Ten opzichte van de perceelsgrens en de grens van het bouwvlak loopt beschermingszone A schuin weg langs de oostzijde van het plangebied, parallel aan de J.P. Broekhovenstraat. In overleg met het Waterschap is het bouwvlak langs deze zijde ten opzichte van het oorspronkelijke plan één meter naar het westen verplaatst. Dit bouwvlak valt nu grotendeels buiten de beschermingszone A. Deze verplaatsing was nodig voor onder andere ruimtereservering voor toekomstige dijkversterkingen. Na het doorvoeren van deze optimalisatie is het bouwvlak met bestemming "Gemengd" op het uiterste punt nog een aantal meter in beschermingszone A van de primaire kering gelegen. Bebouwing binnen deze beschermingszone is na het doorvoeren van deze optimalisatie in overleg met het Waterschap mogelijk. Dit vanwege het feit dat het gaat om maximaal één haakse hoek en het de rand van de beschermingszone betreft en deze schuin weg loopt. De rooilijn van het aanpassen op de beschermingszone of het bouwvlak verder naar het westen verplaatsen stuit op stedenbouwkundige en ruimtelijke bezwaren. In beschermingszone B (en A) mag geen permanente ontgraving/maaiveldverlaging mag plaatsvinden. Ook zijn open holle ruimtes onder maaiveld, zoals kruipruimtes, niet toegestaan binnen de beschermingszones. Aanleg van waterdichte kelders/ruimtes onder maaiveld zijn, buiten de risicoperiode, wel toegestaan.
Nieuwe kabels en leidingen moeten zo veel mogelijk buiten beschermingszone A worden aangelegd. Aangezien de bouwwerkzaamheden binnen de beschermingszones A+B van een primaire kering plaatsvinden, is het nodig om een watervergunning aan te vragen. Initiatiefnemer betrekt het waterschap in de verdere ontwikkeling. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Aangezien het gehele projectgebied binnen de beschermingszones (A of B) valt mag er niet worden geïnfiltreerd, overvloedig hemelwater moet oppervlakkig of via een hemelwaterriool afgevoerd worden naar de haven, of naar een bestaand hemelwaterriool. In overleg met de civiele afdeling van de gemeente en Rijkswaterstaat is ervoor gekozen om voor wat betreft de afvoer van hemelwater aan te sluiten op het havenkanaal. De exacte uitvoering hiervan wordt in nader overleg gedaan. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. 4.2.3
Conclusie
Er is geen sprake van toename verhard oppervlak en er wordt buiten de kernzone van de waterkering gebouwd. In overleg met het Waterschap kan er voor een klein deel worden gebouwd in beschermingszone A, hiervoor zal te zijner tijd een watervergunning aangevraagd worden. Infiltreren van hemelwater is op het gehele projectgebied niet toegestaan, voor de afvoer van hemelwater wordt een aansluiting op het havenkanaal gerealiseerd, dit is reeds afgestemd met het waterschap. Water zal geen belemmering zijn voor de realisatie van het plan. Het waterschap wordt bij de verdere uitwerking van het plan betrokken. De watertoets is als Bijlage 10 Watertoets toegevoegd aan dit plan. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt er nagedacht over hoe om te gaan met verdroging, klimaatadaptatie, biodiversiteit en hittestress. De watertoets is als Bijlage 10 Watertoets toegevoegd aan dit plan.
4.3
Erfgoed
4.3.1
Archeologie
Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Onderzoek In mei 2021 is door Lycens een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden om en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting. Op basis van de resultaten van het onderzoek is geadviseerd om gedurende de grondwerkzaamheden in het meest oostelijke deel van het plangebied tussen boring 1 en 2 aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren gericht op het documenteren van het dijklichaam. Hierbij dient een profiel gedocumenteerd te worden in oost-westelijke richting haaks op de dijk. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geadviseerd om de rest van het plangebied vrij te geven voor de geplande ingreep.
Ook voor het vrijgegeven deel van het plangebied bestaat de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Elburg. Conclusie In overleg met het bevoegd gezag wordt het aanvullend onderzoek tussen boring 1 en 2 tijdens de sloopwerkzaamheden uitgevoerd, omdat de panden op de betreffende percelen momenteel nog in gebruik zijn en aanvullend onderzoek voorafgaand aan de ruimtelijke procedure niet mogelijk is. 4.3.2
Cultuurhistorie
Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.
werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan De Nieuwe Haven archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Cultuurhistorische Waardenkaart Elburg De gemeente Elburg heeft een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem. In de waardenkaart worden een vijftal beleidszones onderscheiden, te weten waarde archeologie 1 tot en met 4 met afsluitend de zone 'overig' voor de gebieden met middelmatige archeologische verwachting voor watergerelateerde objecten, diepe verstoringen en reeds afdoende archeologisch onderzochte terreinen. De hoogste archeologische verwachtingswaarde (één) is onder andere toegekend aan de historische binnenstad van Elburg met een bufferzone van 50 meter daaromheen. Onderzoek Het plangebied heeft volgens de cultuurhistorische waardenkaart voor een klein deel de aanduiding archeologie waarde 1 en grotendeels de aanduiding archeologie waarde 3.
De vrijstellingsdiepte van een ingreep is voor beide waarden 30 cm beneden maaiveld, alleen de vrijstellingsoppervlakte verschilt. De Nieuwe Haven overschrijdt in beide waarden de vrijstellingsoppervlakte waardoor er nader archeologisch onderzoek nodig is, hiervoor verwijzen wij u naar hoofdstuk 4.3.1. Daarbij komt dat in bestemmingsplan Kruismaten 2012 voor het gehele projectgebied de aanduiding archeologie waarde 3 is toegepast, deze waarde wordt daarom overgenomen in bestemmingsplan De Nieuwe Haven. Conform het visiedocument 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) is een analyse gemaakt van de cultuurhistorische waarden in het plangebied en zijn periferie. Cultureel erfgoed dat van bijzondere betekenis is, dient benoemd te worden. Zo kan er op voorhand rekening mee worden gehouden in ruimtelijke plannen en ontwikkelprocessen. Het plangebied is gelegen ten noordwesten van het historische stadje Elburg, waarvan de cultuurhistorische waarden zijn geborgd middels een beschermd stadsgezicht. In de toelichting bij het aanwijsbesluit hiervan is te lezen dat het stadje in ons land één van de zeer weinige voorbeelden is, waarvan de plattegrond volgens een plan tot stand is gekomen. De plattegrond van Elburg kenmerkt zich door een rechthoekig stratenschema, dat door de beide elkaar loodrecht kruisende hoofdstraten in vier kwadranten wordt verdeeld.
De Vischpoortstraat-Jufferenstraat wordt aan de havenzijde afgesloten middels de Vischpoort, welke zich op een bijzondere wijze in het huidige stadsbeeld doet gelden. De Vischpoort is onderdeel van de middeleeuwse ommuring van het stadje, waar belangrijke restanten van zijn overgebleven. Naast de ommuring is de binnenstad nog geheel omgeven door de aarden fortificaties, welke in de jaren 1580 - '90 zijn aangelegd. De gaafheid van de stadskern en omringende omwalling mag in zijn totaliteit als een architectonisch-stedenbouwkundig monument van de eerste orde worden aangemerkt. De waarde hiervan rechtvaardigt tevens dat diverse gebieden buiten de stadsbuitengracht binnen de omlijning van het te beschermen stadgezicht worden betrokken. Van bijzonder belang worden in dit opzicht de weilanden ten oosten en ten noordoosten van het stadje beschouwd. Ook de oude havenkom is conform de toelichting van het aanwijsbesluit onderdeel van het beschermde stadsgezicht. Deze oude havenkom word aan de zuid- en oostzijde afgesloten middels een bebouwinglint van historische panden, waar het centrale middelpunt de Vischpoort is. Op de noordelijke kop van de havenkom is de 'nieuwe' botterwerf gelegen. Ten westen bestaat de watergang naar de 'oude Zuiderzee' en een grondwal met daartussen de 'Visafslag'.
Het plangebied is gelegen ten noorden van de 'nieuwe' botterwerf en valt buiten de omlijning van het beschermd stadsgezicht. De bebouwing hier is dan ook beduidend jonger dan de bebouwing welke binnen de omlijning van het beschermd stadsgezicht valt. Dit onderscheid is in de architectuur dan ook duidelijk afleesbaar. Binnen het beschermd stadsgezicht bestaat een historisch karakter, in een architectuur voortbordurend op de architectuur van de "binnenstad". Buiten het beschermd stadsgezicht, ten noorden van de haven, is een industrieel karakter herkenbaar. De bebouwing binnen het plangebied dateert van 1938 tot 1985 en is het begin geweest van het industrieterrein ten noorden van de haven hetgeen we kennen als Kruismaten.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven
Uit bovenstaande kaart uit 1910 is op te maken dat het gebied ter plaatse van het plangebied in het verleden onbebouwd was. Aan de zijde van het havenkanaal, waar het huidig Kruismaten gelegen is, bevond zich vanuit de Mheen evenwijdig aan het havenkanaal een weg de richting de kalkoven. Begin 20ste eeuw is een uitbreiding van de haven gerealiseerd voor het huidige plangebied. Dit deel van de haven werd in de volksmond 'De Nieuwe Haven' genoemd. Sinds midden 20e eeuw is er bebouwing zichtbaar ter plaatse van het plangebied. De bebouwing volgt langs het gehele havenkanaal de kadewand, conform de contouren van de weg richting de voormalige kalkoven. De huidige panden ter plaatse van het plangebied dateren van 1938 tot 1985. Deze panden functioneerden als onder andere werkplaats, scheepswerf, opslag, groente- en fruithandel en palingrokerij. Het roken van paling was één van de aanverwante bedrijvigheden van de visserij, waartoe ook mandenmakerijen, touwslagers en scheepswerven gerekend mogen worden. De visserij had een belangrijke plek in de gemeente Elburg. In Elburg bevonden zich vele rokerijen, waarvan één nog volledig intact in de vesting. De voormalige rokerij binnen het plangebied is ontmanteld vanwege bedrijfsbeëindiging en had een rommelige en verloederde uitstraling.
Het pand was relatief jong, sterk aangetast door diverse aanpassingen, niet historisch beeldbepalend en is in 2022 gesloopt. De voormalige palingrokerij aan de Havenkade maakte van 1938 tot 1987 deel uit van diverse aan de Zuiderzee gerelateerde gebouwen aan de oude havenkom, met de gemeentelijke Visafslag uit 1916 (in 1987 verplaatst naar de overzijde van de historische haven, Havenkade 1A) en de in schaalgrootte kleine scheepswerf Balk die plaats heeft gemaakt voor de vergrote Botterwerf (gebouwd in 2010, Havenkade 39). Gezien de huidige vervallen staat van de panden binnen het plangebied is de ontwikkeling van onderhavige percelen passend. Geadviseerd wordt om de historie architectonisch in het ontwerp te verwerken, hierdoor wordt het trotse karakter van de havenstad Elburg benadrukt. Conclusie Het is evident dat het projectplan is gelegen in de periferie van een monument van significante waarde, te weten het historische stadje Elburg. Het is daarom belangrijk, in lijn met het visiedocument 'Kiezen voor karakter', na te denken over hoe de hieraan toegekende waarden kunnen worden behouden en mogelijk zelfs versterkt. Zoals te lezen in de toelichting van het aanwijsbesluit 'beschermd stadsgezicht' zijn mede hierom diverse gebieden rondom het stadje als beschermd aangewezen. Dit omwille het zicht op het oude stadje niet te vertroebelen.
Ter plaatse van het projectgebied dient hierbij in het bijzonder aandacht te zijn voor een landmark als 'de Vischpoort', maar ook het Rijksmonument 'Bastion iii' als onderdeel van de aarden fortificaties. De bebouwing op de projectlocatie mag het zicht hierop niet wegnemen of buitensporig doen afleiden. De toekomstige bebouwing biedt een kans om de 'wand' ten noorden van de jachthaven een beter passende uitstraling te geven dan de huidige industriële bebouwing in een vervallen staat. Anderzijds is er geen zichtlijn vanuit de Vischpoort op de huidige bebouwing binnen het plangebied. Vanaf Bastion iii is er een beperkt zicht op de huidige bebouwing binnen het plangebied. Omwille een goede aansluiting op de historische bebouwing langs de oude havenkom te realiseren, is een lagere bouwhoogte achter de botterwerf gewenst. Deze hoogte kan richting het Veluwemeer oplopen. Dit geeft tevens een juiste balans in aandacht tussen de nieuwe bebouwing en de karakteristieke 'nieuwe' botterwerf bezien vanuit de 'oude havenkom' en het zicht vanaf de wal aan de zijde van Bastion iii. Het onderzoek naar de cultuurhistorie in deze paragraaf is als input voor de stedenbouwkundige
(vastgesteld)
35
bestemmingsplan De Nieuwe Haven verantwoording van het beeldkwaliteitsplan gebruikt. In hoofdstuk 3.4.3 staat omschreven hoe dit beeldkwaliteitsplan tot stand komt. De beoordeling van de Cultuurhistorische Waardenkaarten Gelderland en Elburg heeft geleid tot het doen van archeologisch onderzoek.
4.4
Flora en fauna
4.4.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven 4.4.2
Onderzoek
In januari 2021 is door Bureau Natuurlijk een QuickScan Wet Natuurbescherming uitgevoerd om inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming (zie Bijlage 12 Quickscan natuurtoets). Gebiedsbescherming Natura 2000 Verstoring: Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura2000 gebied wordt geen verstoring verwacht. Stikstofdepositie: Het plangebied ligt op circa 4,2 kilometer verwijderd van het Natura2000 gebied de Veluwe en op circa 0,43 kilometer ten opzichte van de Veluwerandmeren. Gezien de afstand tot het Natura-2000 gebied de Veluwe, wat stikstof gevoelig is, is in oktober 2023 door Ecofect een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13 Stikstof onderzoek). Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek, en de daarbij behorende Aerius-berekeningen, kan worden geconcludeerd dat voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase de grenswaarde van de stikstofdepositie op natuurgebieden van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Dit houdt in dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect stikstof voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase. Er is geen vergunning ten aanzien van de wet natuurbescherming nodig. Belangrijk is om te melden dat hier is uitgegaan van het worse case scenario t.a.v. uitstoot van de commerciële ruimten.
Natuur Netwerk Nederland Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) is het eerder genoemde Natura2000 gebied de Veluwerandmeren. Aangezien het Natuurnetwerk in Gelderland geen externe werking kent is verdere toetsing niet aan de orde. Het plangebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk in Gelderland of de Groene Ontwikkelingszone hiervan. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk. Soortbescherming Flora Het terrein is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Hier zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten. Het terrein bestaat uit overheersend verharding en bebouwing. Er is geen overtreding wet natuurbescherming. Vleermuizen De bebouwing is onderworpen aan een visuele inspectie. Bij deze ronde tijdens het veldbezoek zijn er holten en spleten waargenomen die mogelijkheden verschaffen voor vleermuizen om in het gebouw te komen. Een nader onderzoek gebouw bewonende vleermuizen is noodzakelijk. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Er is geen overtreding wet natuurbescherming.
Vogels Vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen zijn binnen het plangebied op moment van onderzoek niet aangetroffen. In de aanwezige, te slopen opstallen, zijn holten waargenomen welke toegang kunnen verschaffen tot de opstallen om daar een nestplaats te maken Het gaat hierbij om de palingrokerij gevestigd op Havenkade 42C. De opstallen daar zijn gedekt met golfplaten welke toegankelijk zijn voor soorten. In potentie zijn dit nestplaatsen voor bijvoorbeeld de huismus of de gierzwaluw welke menselijke bebouwing gebruiken als nestplaats. Er is nader onderzoek noodzakelijk naar de huismus en de gierzwaluw. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de wet natuurbescherming.
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Algemene zorgplicht Heb respect voor alle wilde flora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken. Zorgvuldig handelen Deze vorm van soortbescherming is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: 1. Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen). 2. Beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten). 3. Ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren. 4.4.3 Aanvullend onderzoek 4.4.3.1 Huismus In mei 2021 is door Bureau Natuurlijk een huismusonderzoek uitgevoerd. Het doel hiervan is inzicht te kunnen verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de soortbescherming huismus binnen de Wet Natuurbescherming. Uit het onderzoek blijkt dat: Huismus niet aanwezig is.
Plangebied is niet functioneel in gebruik Er zijn geen schadelijke effecten voor de functionaliteit van het leefgebied Geen effect gunstige staat van instandhouding Er is geen wettelijk belang. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk Er is geen ontheffing noodzakelijk (art. 3.1 lid 2 en 4) Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 14 toegevoegd aan dit plan. 4.4.3.2 Gierzwaluw In oktober 2021 is door Bureau natuurlijk een gierzwaluwonderzoek uitgevoerd. Het doel hiervan is inzicht te kunnen verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de soortbescherming gierzwaluw binnen de Wet Natuurbescherming. Uit het onderzoek blijkt dat: Gierzwaluw niet aanwezig is. Plangebied is niet functioneel in gebruik. Er zijn geen schadelijke effecten voor de functionaliteit van het leefgebied. Geen effect gunstige staat van instandhouding. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk. Er is geen ontheffing noodzakelijk (art. 3.1 lid 2 en 4). Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 15 toegevoegd aan dit plan. 4.4.3.3 Vleermuis In november 2021 is door Bureau Natuurlijk een nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd (zie Bijlage 16). Het doel hiervan is inzicht te krijgen of de geplande werkzaamheden conflicteren met de soortbescherming vleermuizen binnen de Wet natuurbescherming.
Uit het onderzoek blijkt dat een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In overleg met de provincie Gelderland is de ontheffing aangevraagd en zijn er tijdelijke vleermuiskasten in het plangebied geplaatst. In het definitieve bouwplan worden voorzieningen voor vleermuizen ontworpen in overleg met de provincie Gelderland.
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven 4.4.4
Conclusie
Stikstof is geen belemmering voor de realisatie van het plan. Er is een ontheffing Wet Natuurbescherming aangevraagd vanwege de aanwezigheid van vleermuizen. In juni 2023 heeft de provincie Gelderland een ontwerpbesluit afgegeven waarin vermeld staat dat de ontheffing wordt verleend onder specifieke voorschriften (zaaknummer 2022-005447).
4.5
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4.5.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.
41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan De Nieuwe Haven maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.5.2
Onderzoek
In oktober 2023 is door bureau Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van N309 (80 km/h). De Havenkade is een 30 km/h weg. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid meegenomen. Gezien de ligging nabij een parkeerterrein (een beperkt aantal parkeerplaatsen aan de Havenkade) kan ten gevolge van verkeersbewegingen en aanverwante activiteiten een mogelijk relevante geluidbelasting optreden. De maatgevende (kortste) afstand tot de woningen bedraagt 8,5 meter (grens parkeervak - gevel appartementen). Bij een bronsterkte van 100 dB(A), maximaal (representatief voor een dichtslaand autoportier, kan een geluidbelasting LAmax 71 dB(A) optreden. Door de minimale eisen aan de gevelwering (vanwege de geluidbelasting wegverkeerslawaai) en de dientengevolge optredende geluidniveaus in de appartementen (LAmax ruim minder dan 55 dB(A), de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer) wordt gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de appartementen.
Mede gezien de afstand tot- en de beperkte hoeveelheid parkeerplaatsen in het openbaar gebied aan de Havenkade (ten behoeve van de Botterstichting, booteigenaren, bezoekers en bewoners van woningen en functies aan de Havenkade) kan gesteld worden dat het gebruik van de parkeerplaatsen voor de appartementen niet leidt tot onoverkomelijke bezwaren op het gebied van geluid. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Wet geluidhinder De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de N309 bedraagt ten hoogste voor gebouw G-1, G-2, G4 en G-5 meer dan 48 dB. De voorkeurswaarde uit Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt wel gerespecteerd. De geluidbelasting voor de overige gebouwen voldoet wel aan de voorkeurswaarde uit Wet geluidhinder. Goede ruimtelijke ordening In het kader van goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van de 30 km/h-wegen, de Havenkade, de Slenk en J.P. Broekhovenstraat berekend. De geluidbelasting van de Slenk, Havenkade en J.P. Broekhovenstraat bedraagt meer dan 48 dB (inclusief aftrek) voor gebouw G-1, G-2, G-4, G-5, G-6 en G-7. De voorkeurswaarde uit Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle wegen inzichtelijk gemaakt. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn zowel zoneplichtige als de niet-zoneplichtige wegen beschouwd. De cumulatieve geluidbelastingen (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) per gebouw bedragen ten hoogste: 57 dB(A) voor gebouw 1 56 dB(A) voor gebouw 2 55 dB(A) voor gebouw 3 57 dB(A) voor gebouw 4 57 dB(A) voor gebouw 5 67 dB(A) voor gebouw 6 67 dB(A) voor gebouw 7
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven
De gecumuleerde geluidbelasting Lcum vanwege wegverkeer en industrielawaai is bepaald overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en bedraagt ten hoogste 68 dB (rekenpunt T42_B, ter plaatse van de oostgevel van gebouw G-7). De toename door cumulatie is grotendeels beperkt (0 tot 1 dB). Enkel ter plaatse van de westgevel van gebouw G-1 neemt de geluidbelasting maximaal 3 dB toe ten opzichte van de afzonderlijke maatgevende geluidbelasting vanwege weg- of industrielawaai Maatregelen voor het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Geadviseerd wordt om middels een aanvullend akoestisch onderzoek aan te tonen dat de gevels met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB wel een voldoende geluidwering (GA;k) hebben zodat een binnen niveau van 33 dB gerespecteerd blijft. Hogere waarden In verband met de geconstateerde overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde zijn mogelijke maatregelen onderzocht. Deze stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en/of financiële aard. Nieuwbouw is alleen mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Elburg hogere grenswaarden vastgesteld worden voor het nieuwbouwplan. In het gemeentelijk beleid zijn voorwaarden opgenomen, zoals een geluidsluwe gevel. Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met deze voorwaarden.
Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken dat de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. 4.5.3
Conclusie
Realisatie van het plan is mogelijk als er een besluit hogere grenswaarde wegverkeer wordt genomen. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarde wegverkeer heeft gelijktijdig met bestemmingsplan De Nieuwe Haven ter inzage gelegen, hier zijn geen zienswijzen op ingediend. In het bestemmingsplan zijn geen nadere eisen zoals een geluidsluwe gevel opgenomen omdat het binnenniveau (geluid) is geborgd in het besluit hogere grenswaarde. Het definitief ontwerp van de complexen moet voldoen aan de eisen voor een goed binnenklimaat in de appartementen. Aan het uitgangspunt uit het ontwerpbesluit hogere grenswaarde wegverkeer dat de buitenruimten aan de geluidluwe zijde gerealiseerd moeten worden kan niet worden voldaan. Bovendien stelt het gemeentelijk geluidbeleid dat buitenruimten bij voorkeur gelegen moeten zijn aan de geluidsluwe zijde. In overleg met de gemeente wordt de overweging met betrekking tot de buitenruimten in het besluit hogere grenswaarde wegverkeer herzien. De gevel waarvoor de hogere grenswaarde wegverkeer wordt afgegeven is tevens de voor- en zuidgevel. Het niet plaatsen van buitenruimten aan deze gevel stuit op stedenbouwkundige, praktische en ontwerptechnische bezwaren. Het geluidsniveau mag in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel.
Aan dit uitgangspunt wordt voldaan, aangezien de geluidbelasting ter plaatse van de zuidzijde maximaal 51 dB bedraagt en daarmee niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde (voor wegverkeer: 48 dB + 5 dB). In overleg met de Omgevingsdienst Noord-Veluwe is deze onderbouwing akkoord bevonden en wordt de zuidgevel (waarvoor de hogere grenswaarde wordt afgegeven) als geluidluw gezien.
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 17 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai toegevoegd aan dit plan. In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt voor de berekening van de geluidwering van de gevel uitgegaan van deze gecumuleerde geluidbelasting.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.6.2 Onderzoek Er is een Worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit. Hierbij is alleen gekeken naar de woningen en niet naar de commerciele functies aangezien er in de bestaande situatie ook sprake is van bedrijvigheid.
In de tabel is er uitgegaan van 8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in 400 extra voertuigbewegingen per etmaal.
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Er is op basis van de uitkomsten geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen(opent in nieuw venster)(verwijst naar een andere website). Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard het principe van een goede ruimtelijke ordening. Voor luchtkwaliteit kan dit betekenen: de meest kwetsbare groep op de minst vervuilde plek. Fijnstof (PM10)
grenswaarde 40 µg/m3
Fijnstof (PM2,5)
grenswaarde 20 µg/m3
Stikstofdioxide (NO2)
grenswaarde 40 µg/m3
Fijnstof (PM10)
Uitvorengaande afbeelding blijkt dat de waarde < 15 is en dus ruimschoots onder grenswaarde 40 µg/m3 blijft. Fijnstof (PM2,5)
Uit voren gaande afbeelding blijkt dat de waarde 7-8 is en dus ruimschoots onder grenswaarde 20 µg/m3 blijft.
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Stikstofdioxide (NO2)
Uit voren gaande afbeelding blijkt dat de waarde 10-12 is en dus ruimschoots onder grenswaarde 40 µg/m3 blijft. 4.6.3
Conclusie
Het aspect lucht is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.7.2
Onderzoek
Uitsnede risicokaart Stationaire risicobron Op ongeveer 185 meter van het plangebied bevindt zich LPG-tankstation Autobedrijf Jansen. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van het LPG-tankstation. Het plangebied bevindt zich ook buiten de effectafstand van 60 meter van de circulaire effectafstanden LPG tankstations. Er is geen wettelijke belemmering voor het realiseren van de woningen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied (150 meter) van het LPG-tankstation. Het groepsrisico hoeft niet verder verantwoord te worden. Omdat sprake is van een kwetsbaar object is de effectafstand van 160 meter voor bijzonder kwetsbare objecten van de circulaire niet van toepassing. Mobiele risicobronnen Nabij het plangebied liggen de mobiele risicobronnen buisleiding A-570-01 en de provinciale weg N309. In de onderstaande tabel zijn contouren van de risicobronnen en de afstanden tot het plangebied weergegeven. risicobron
Pr contour Belemmeringen strook
N-570-01
n.v.t.
5 m weerszijden n.v.t. buisleiding
170 m
200 m
N309
0m
n.v.t.
355 m
180 m
(vastgesteld)
Plasbrandaandachts invloedsgebied Afstand gebied plangebied
Niet aanwezig
tot
45
bestemmingsplan De Nieuwe Haven Ten aanzien van de buisleiding A-570-01 De ontwikkeling bevindt zich buiten de belemmeringenstrook. Hiermee vormt de buisleiding geen directe belemmering voor de planontwikkeling. Ook ligt de ontwikkeling buiten het invloedsgebied van de buisleiding. Het groepsrisico behoeft niet verantwoord te worden. Ten aanzien van de provinciale weg N 309 Uit de risico inventarisatie van de gemeente Elburg blijkt dat over de N309 transport plaatsvindt van Pentaan (LF2) 300 en propaan (GF3) 300. Voor deze weg geldt dat voor ontwikkelingen binnen 200 meter afstand van de weg een standaard verantwoording van het groepsrisico opgesteld moet worden. Dit is vastgelegd in de beleidsvisie. Het plangebied ligt op circa 206 meter afstand van de N309, en is dus niet relevant voor de ontwikkeling. Hiermee vormt de N309 geen directe belemmering voor de planontwikkeling. Op basis hiervan hoeft het groepsrisico voor de N309 niet nader onderzocht te worden. Verantwoording groepsrisico bij standaardverantwoording Inleiding Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich binnen het invloedsgebied van een provinciale weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het daarmee gepaard gaande externe veiligheidsrisico over de weg is relatief laag (zie beleidsvisie externe veiligheid Veluwe-Noord).
De weg wordt gebruikt ter bevoorrading van langs de weg gelegen risicovolle inrichtingen. Het groepsrisico Het groepsrisico van de provinciale weg is relatief laag, zoals berekend door de provincie Gelderland (Externe veiligheid provinciale wegen, provincie Gelderland, januari 2011). Omdat de ontwikkeling op meer dan 30 meter van de weg ligt reikt het invloedsgebied van een plasbrand (nauwelijks tot het plangebied). De invloed van de ontwikkeling op het groepsrisico zal dus nauwelijks tot niet significant zijn. Het lage groepsrisico zal door de geprojecteerde ontwikkeling niet of nauwelijks toenemen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is van weinig invloed omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van een plasbrand ligt. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden kleiner dan 1/1.000.000. Gezien het beperkt risico van de weg zijn aanvullende veiligheidsmaatregelen niet realistisch. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid In gevolg van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het bebouwde grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de beleidsvisie externe veiligheid Veluwe-Noord en de daarin gemaakte keuzes. 4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan De Nieuwe Haven
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft z.g.n. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan De Nieuwe Haven 4.8.2
Onderzoek
Door Kragten is in november 2023, een onderzoek uitgevoerd naar de haalbaarheid van de planologische inpassing van de herbestemming van een deel van bedrijventerrein Kruismaten. Op basis van de richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is in het onderzoek beoordeeld of er voldaan wordt aan de richtafstanden voor inpassing. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied is getypeerd als gemengd gebied, de planlocatie is namelijk gelegen aan de rand van een bedrijventerrein met een sterke functiemenging. Zo bevinden zich op korte afstand, 10 tot 20 meter rondom de planlocatie, percelen met zeer diverse bestemmingen en functies. Van bedrijven tot bijvoorbeeld (bedrijfs)woningen en een museum. Gelet op de omgeving van het plangebied is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de richtafstanden van de aangrenzende bedrijfspercelen reiken tot over de geprojecteerde woningen binnen het plangebied. Er is derhalve niet zonder meer sprake van voldoende ruimtelijke scheiding en een goed woon- en leefklimaat. In voorliggend onderzoek is een nadere beschouwing van de planologische en huidige feitelijke situatie uitgevoerd.
Hierbij is gebruik gemaakt van de beschikbare informatie uit het gemeentelijke archief, de milieutechnische mogelijkheden inclusief bijbehorende onderzoeken, mogelijke uitbreidingsplannen van omliggende bedrijven, eventuele klachten van bijvoorbeeld direct omwonenden en de online beschikbare informatie op de website van de Kamer van Koophandel. Hieruit blijkt dat een deel van de bedrijven die zijn gevestigd op de percelen waarvan de richtafstanden reiken tot over de geprojecteerde woningen een te verwaarlozen milieubelasting naar de omgeving hebben. Voor de percelen Slenk 8a t/m 8f geldt dat deze planologisch reeds zijn begrensd door planologisch toegestane en aanwezige bedrijfswoningen. Ook voor de percelen aan de J.P Broekhovenstraat 3 en 5 geldt dat deze planologisch reeds zijn begrensd door planologisch toegestane en aanwezige bedrijfswoningen. Op grond van milieuspoor geldt voor de bedrijven het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiervoor geldt, gerelateerd aan de reeds aanwezige bedrijfswoningen die zijn gelegen op een bedrijventerrein, op basis van artikel 2.17 lid 3 een 5 dB hogere grenswaarde dan voor nieuwe woningen, aangezien deze niet op een bedrijventerrein worden gerealiseerd. Dit betekent dat de bedrijven mogelijk worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de komst van de appartementen.
Door middel van goede geluidswerende voorzieningen ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen binnen het plan kan dit worden voorkomen, waarbij tevens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen wordt gecreëerd. De nieuwe appartementen dienen te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Op basis daarvan is een minimale gevelgeluidwering van 20 dB vereist en wordt daarmee een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) in de appartementen gewaarborgd. De nieuwe woningen liggen door de bestemmingswijziging niet (meer) op een bedrijfsterrein, dus geldt op grond van het Activiteitenbesluit een 5 dB(A) strengere geluidnorm dan de geluidnormen die van toepassing zijn op bedrijfswoningen in bestemmingsplan Kruismaten. Om de aanwezige bedrijven na bestemmingswijziging van De Nieuwe Haven niet in hun geluidruimte te beperken kunnen er maatwerkvoorschriften worden opgesteld voor omliggende bedrijven met een 5 dB(A) hogere geluidnorm (dezelfde geluidsruimte als voor ontwikkeling van De Nieuwe Haven).