Bijlage 3 BSP 't Harde - Hokseberg Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.
64/103
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel 5.3. Tabel 5.3 Overzicht geurnormen Wgv binnen bebouwde kom
diercategorieën Rgv andere diercategorieën
buiten bebouwde kom
diercategorieën Rgv andere diercategorieën
concentratiegebied max. 3 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 14 ouE/m³ min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
niet-concentratiegebied max. 2 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m³ min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurverordening gemeente Elburg De gemeente Elburg heeft op 14 december 2009 een geurverordening vastgesteld. In die geurverordening zijn voor enkele gewenste ontwikkelingen, waaronder de ontwikkeling in het plangebied, de geurnormen gewijzigd.
Gekozen is voor het opsplitsen van de geurnormen, met een maximale geurnorm van 14,0 ouE/m3. Hierdoor gelden voor het aspect geur geen beperkingen meer voor de ontwikkeling in het plangebied. De aanpassing van de geurnormen gaan niet ten koste van de groeimogelijkheden van omliggende veehouderijen. Het aanpassen van de normen heeft gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de woningen die hierin worden gerealiseerd. De geurimmissie binnen het plangebied bedraagt op basis van de geurverordening 2009 6,5-14 ouE/m3. Het grootste deel van het plangebied heeft een geurbelasting van 6,5 ouE/m3. Het plangebied
65/103
In de nabije omgeving van het plangebied is een aantal grondgebonden veehouderijen aanwezig voor "het fokken en houden van dieren zonder geuremissie". In dat geval geldt in een niet-concentratiegebied buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 m. Deze afstand wordt gemeten vanaf het emissiepunt tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. De afstand tussen de meest nabijgelegen stal (melkveehouderij bij Stadsweg 32) en het plangebied bedraagt circa 200 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de genoemde afstand. Ook wordt voldaan aan de afstanden voor binnen de bebouwde kom waar in de nieuwe situatie sprake van is. Aan de Stadsweg 22 - 28 bevinden zich twee veehouderijen. Er is hier sprake van een varkenshouderij met 2.600 dieren en een pluimveehouderij met 160.000 legkippen op circa 300 m afstand. Deze bevinden zich op voldoende afstand van de plangebied. Omdat in de geurverordening rekening is gehouden met deze bedrijven, is een nader geuronderzoek niet noodzakelijk. De geurimmissie vanwege deze bedrijven is voor het plangebied in 2009 aanvaardbaar geacht. Bovendien dienen deze bedrijven aan de geurverordening te voldoen. Verder geldt dat er op kortere afstand van deze bedrijven reeds bestaande woning aanwezig zijn en een minicamping. Hiermee dient het bedrijf ook al rekening te houden in zijn bedrijfsvoering.
Verder is er geen (agrarische) bedrijvigheid in de directe omgeving aanwezig die van invloed is op de milieusituatie in het plangebied of die in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de beoogde ontwikkeling. Conclusie Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een aanvaardbaar (eerder beoordeeld in het kader van de geurverordening) woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder en (agrarische) bedrijven staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.3
Geluid
5.3.1
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau wanneer de ontwikkeling is gesitueerd nabij niet gezoneerde wegen (30 km/u wegen). Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties
66/103
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Stadsweg, de Schietweg, de Bovenweg de Hokseberg, de Munnikenweg, de Wolkamerweg en de Koeweg. De centrale ontsluitingsweg van het woongebied wordt ingericht als 30 km/u-gebied. Aftrek ex artikel 3.4 RMG 2012 Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB.
Voor alle onderzochte wegen is deze aftrek van toepassing. Gemeentelijk ontheffingsbeleid De gemeente Elburg heeft voor de hogere grenswaarde procedure een gemeentelijk beleid opgesteld. Het beleid van de gemeente is opgenomen in de “Wet geluidhinder Beleidskader Geluid Vaststelling Hogere Grenswaarde”. Hierin zijn uitgangspunten en voorwaarden voor het verlenen van een hogere grenswaarde opgenomen. Dit beleid dateert van 2007. In 2015 is een conceptversie “Geluidbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen Gemeente Elburg” van 28 november 2015 opgesteld. Het concept-beleid uit 2015 is nooit formeel vastgesteld, zodat het beleid uit 2007 nog van toepassing is. In algemene zin geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen als uitgangspunt moet worden genomen dat er zoveel als mogelijk moet worden voldaan aan de voorkeurgrenswaarden van de Wgh. Ook op locaties wordt ingezet wordt op een leefbare woonsituatie. Deze wordt verkregen door voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. Deze voorwaarden leggen een verplichting op een inspanning te leveren voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige omgeving. Het gaat daarbij om: een inspanningsverplichting van één geluidluwe gevel (= voorkeursgrenswaarde); woningindeling ligging van een buitenruimte bij voorkeur aan geluidsluwe aan geluidsluwe zijde.
Het plangebied Voor de voorgenomen woon- en zorgontwikkeling op de Hokseberg is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het wegverkeer op de geplande woningbouw. Het onderzoek inclusief de uitgevoerde berekeningen zijn toegevoegd in Bijlage 6 van deze toelichting. In het kader van dit onderzoek is ervan uitgegaan dat sprake is van ligging binnen de bebouwde kom. Hiertoe
67/103
dient, parallel aan dit bestemmingsplan, de raad middels een kombesluit (op grond van de Wegenverkeerswet 1994) de komgrens aan te passen. De nieuwe begrenzing van de kom zal daarmee beter gaan aansluiten bij de beoogde uitbreiding en het gewenste snelheidsregime. Voor de interne ontsluitingsweg (30 km/uur) wordt uitgegaan van een berekende verkeersgeneratie van 642 mvt/etm. Uitgaande van een worstcase scenario ligt de voorkeursgrenswaarde op 6 m uit de as van de weg. Daar wordt binnen het plangebied rekening mee gehouden. Voor de Koeweg, de Wolkamerweg en de Munnikenweg wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Voor de onderstaande omliggende wegen wordt het volgende geconcludeerd: Stadsweg/Bovenweg De meest relevante weg rond het plangebied is de Stadsweg/Bovenweg. De geluidbelasting op de eerstelijnsbebouwing bedraagt Lden = 50-59 dB. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB vanwege de Stadsweg/Bovenweg overschreden; de maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB wordt niet overschreden, zodat het plan realiseerbaar is binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder.
Voor de Stadsweg/Bovenweg geldt dat het toepassen van een stiller wegdek niet binnen de planmogelijkheden ligt, aangezien een groot deel van de Stadsweg moet worden voorzien van een ander wegdek (financieel argument), daarnaast is het effect van een stiller wegdek niet voldoende om de overschrijdingen weg te nemen. Het toepassen van geluidschermen/wallen is vanuit landschappelijk oogpunt niet gewenst en in hoofdzaak effectief op de begane grond, maar niet op de hogere verdiepingen. Omdat aan de maximale ontheffingswaarde van de Wgh wordt voldaan, kan een hoger waarde worden verleend van ten hoogste Lden = 59 dB voor de eerstelijnsbebouwing. De eerstelijnsbebouwing schermt de overige woningen binnen het plangebied af van het geluid van de Stadsweg/Bovenweg. Schietweg De geluidbelasting vanwege de Schietweg bedraagt ten hoogste Lden = 54 dB op de eerstelijns bebouwing van (een beperkt deel) van het noordwestelijk plandeel. De Schietweg is een relatief rustige weg en vanuit financieel oogpunt zijn maatregelen niet doelmatig. Omdat de maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB niet wordt overschreden, kan een hogere waarde worden verleend. Hokseberg De Hokseberg is eveneens een rustige weg. Omdat de weg op één punt vlak langs het plangebied loopt, bedraagt de hoogste berekende geluidbelasting Lden = 53 dB, waarmee de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB wordt overschreden.
Omdat de maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB niet wordt overschreden kan een hogere waarde worden verleend. Cumulatieve geluidbelasting De totale cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek 110g Wgh bedraagt ten hoogste Lden = 64 dB aan de noordzijde van het plangebied, langs de Stadsweg/Bovenweg. Door bij het dimensioneren van de geluidwering rekening te houden met de cumulatieve geluidbelasting
68/103
exclusief aftrek art. 110g Wgh, dient de karakteristieke geluidwering GA;k dient minimaal GA;k = 64 – 33 = 31 dB(A) te bedragen op basis van de hoogst berekende waarde. Er is dan sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat binnen de woning. Hogere waarden beleid Het plan kan worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder en met een hogere waarde procedure. De geluidbelastingen zijn berekend op de grenzen van het plangebied. Berekeningen op woningniveau zijn in deze fase niet mogelijk omdat de verkaveling/indeling nog niet vastligt. Het hogere waarden beleid van de gemeente is gericht op geluidluwe gevels, de woningindeling en de geluidluwe buitenruimte. In de definitieve planvorming wordt hiermee rekening gehouden. Omdat het bestemmingsplan flexibel wordt opgezet met woongebieden (de indeling ligt niet vast) kan dit pas bij de aanvraag Omgevingsvergunning worden getoetst. Gezien de berekende geluidbelastingen op de grenzen van het gebied kan naar verwachting hieraan worden voldaan. In het akoestisch onderzoek wordt voorgesteld om de hoogst berekende waarde per weg vast te leggen als generieke hogere waarde. De praktische uitwerking hiervan is een goed niveau van gevelgeluidwering en daarmee een goed woon- en leefklimaat binnen de woningen.
Verwerking in de planregels Om zeker te zijn van een goede ruimtelijke ordening bij verdere uitvoering van de plannen zijn de voorwaarden, zoals opgenomen in 'Wet geluidhinder Beleidskader Geluid Vaststelling Hogere Grenswaarde' (vastgesteld in 2007), vertaalt in de planregels. Door middel van nader akoestisch onderzoek wordt voor het afgeven van een omgevingsvergunning aangetoond dat tegemoet wordt gekomen aan de voorwaarden uit het geluidbeleid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.3.2 Spoorweglawaai Wanneer een nieuwe geluidgevoelige bestemming wordt mogelijk gemaakt binnen de geluidszone van een spoorlijn, moeten de plannen op grond van de Wet geluidhinder worden getoetst aan de geluidsnormen, zoals opgenomen in het Besluit geluidhinder. De Spoorlijn Harderwijk - Zwolle, gelegen aan de ander zijde van de A28, ligt op een afstand van ruim 1.700 m van het plangebied. Spoorwegen met een geluidszone langs de spoorlijn staan aangegeven op de geluidsplafondkaart of de zonekaart. Op grond van het dichtstbijzijnde geluidproductieplafond (63,1 dB) bedraagt de zonebreedte 300 m aan weerszijden van de spoorlijn. Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet binnen de onderzoekszone van de spoorlijn ligt. De spoorlijn ligt op een afstand van 1.700 m van het plangebied.
Aangenomen wordt dat het spoorweglawaai geen belemmering oplevert voor de beoogde plannen.
69/103
5.4
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het bodemloket (www.bodemloket.nl) geeft een eerste indicatie van mogelijke verontreinigingen in het plangebied.
figuur 5.2: fragment bodemloket (bron: www.bodemloket.nl) Onderzoek Voor het plangebied is in 2011 een bodemonderzoek gedaan. Het betreffende onderzoeksrapport is in bijlage 5 opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van een aantal boringen puin, baksteen- en betonpuin aangetroffen ter plaatse van een tweetal andere boringen zijn kooldeeltjes aangetroffen. Op het maaiveld en in de bodemlagen is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de analyse resultaten blijkt dat de bovengrond (0-0,5 m-mv) plaatselijk licht verhoogde gehalten aan lood,
70/103
PAK, PCB en/of minerale olie bevat. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn bij één enkele peilbuis licht verhoogde concentraties aan barium en zink gemeten. Het grondwater bij overige peilbuizen bevat geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden. Het gaat om concentraties die door natuurlijke oorzaak in de bovengrond en het grondwater terecht zijn gekomen. Formeel gezien kan de onderzoekslocatie niet als multifunctioneel worden beschouwd. Echter, de gemeten gehalten en concentraties in de grond en het grondwater vormen geen gevaar voor de volksgezondheid en het milieu en vormen ook geen directe aanleiding tot de uitvoering van een nader bodemonderzoek. Conclusie Bovenstaande resultaten van het verkennend bodemonderzoek dateren uit 2011. Vooralsnog wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de bodem de ontwikkeling van het plan niet belemmerd. Op de locatie hebben geen grootschalige verdachte (bedrijfs)activiteiten of calamiteiten plaatsgevonden waardoor de bodem op de locatie verontreinigd kan zijn geraakt. Omdat het voorliggende onderzoek meer dan 10 jaar oud is wordt ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden, het verkennend bodemonderzoek geactualiseerd en aangevuld met een verkennend asbestonderzoek.
De resultaten van dit onderzoek worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien daaruit toch blijkt dat er een verontreiniging aanwezig is, zal deze gesaneerd worden. De te realiseren functie 'wonen met tuin' valt niet onder bodembedreigende activiteiten waardoor verontreiniging in de toekomst niet wordt verwacht.
5.5
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is de digitale watertoets uitgevoerd (bijlage 8). Hieruit is gekomen dat de normale procedure gevolgd kan worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW)
71/103
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Blauwe Omgevingsvisie 2050 (https://bovi2050.nl/) Met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 zet het waterschap koers naar een duurzame samenleving waarbij water wordt gezien als een ordenend principe. In de Omgevingsvisie worden 3 gebieden (stroomgebieden) onderscheiden namelijk; Noord-Veluwe, IJsselvallei en oostflank van de Veluwe en de Gelderse Vallei en Eemland. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die als leidende principes zijn toegepast in de BOVI2050. De 3 leidende principes zijn: 1. water als ordenend principe in de ruimtelijke ontwikkeling, 2. maximaal schoonhouden en vasthouden van water, 3. partnerschap als watermerk. Daarnaast zijn 4 thema's opgesteld: Energietransitie, Circulaire economie, Klimaatverandering en Waardevolle leefomgeving. De meest belangrijke verhaallijn uit de BOVI die relevant is voor de voorliggende ontwikkeling is de 'Waterinclusieve bebouwde omgeving'. Stedelijke in- en uitbreiding ten behoeve van de groeiende bevolking moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt kansen om de stad aantrekkelijker te maken.
Overal waar wordt gebouwd, wordt rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groen-blauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Afwegingen over eventuele nieuwe, stedelijke uitbreidingen worden gemaakt vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief. Slim combineren Het bebouwde gebied krijgt in de toekomst te maken met meer regen in kortere tijd, langere perioden van droogte en het daarmee samengaande hitte-eilandeffect; het aantal warme nachten neemt met een factor drie toe. Tegelijkertijd moeten enorm veel woningen worden bijgebouwd, met name door herinrichting en inbreiding en ligt er als gevolg daarvan ook een flinke mobiliteitsopgave. Voor een mooiere en gezondere leefomgeving, moeten we de duurzaamheids- en transitieopgaven met elkaar verbinden en zoveel mogelijk multifunctioneel ontwikkelen. Samenwerking is hiervoor essentieel. Het veelzijdig toepassen van water en groen in stedelijk gebied draagt niet alleen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, maar is ook onderdeel van de oplossing voor de grote opgaven.
72/103
Vasthouden van water Het realiseren van meer groen biedt vele kansen voor de leefbaarheid in de stedelijke omgeving. Dit vermindert de invloed van de stedelijke verdichting. Door groen toe te voegen op daken, tegen gevels en tussen de gebouwen op straten en pleinen zorgen we voor natuurlijke koeling waarmee het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan. Meer groen draagt ook bij aan de biodiversiteit in steden en dorpen. Daarnaast kunnen groene ruimtes zoals wadi's (aangelegde plekken waar regenwater wordt opgevangen en in de grond infiltreert) en groene daken worden benut om regenwater vast te houden of te bergen. Door het water in de stad te houden en 'op te sparen' kan dit wordt benut in droge tijden. Andere mogelijkheden zijn waterdoorlatende verharding en waterpleinen. Om tijdens piekbuien water te kunnen afvoeren, kan zelfs de weg tijdelijk als beek worden benut. Huidige en toekomstige situatie Het plangebied maakt deel uit van het landelijk gebied aan de noordwestzijde van het dorp 't Harde en bestaat uit weilanden die omzoomd worden door boomsingels en houtwallen. De locatie heeft een oppervlak van circa 37.000 m2, daarvan is, uitgaande van het verkavelingsvoorstel, circa 16.200 m2 voorzien van verharding zoals bestrating en bebouwing. In de toekomstige situatie zal het plangebied herontwikkeld worden naar een woon-zorggebied.
Er wordt een woon-zorgcomplex en een woongebied met maximaal 73 woningen gerealiseerd. 5.5.1 Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit enkeergronden; fijn zand. Binnen het plangebied is daardoor sprake van een matige infiltratie. Uit het hydrologisch onderzoek van Witteveen+Bos (zie bijlage 7) blijkt dat er op een diepte van circa 10 meter mogelijk storende lagen aanwezig zijn. In het zuidoostelijk deel van het plangebied is er sprake van grondwatertrap VII. Dat wil zeggen dat de hoogste grondwaterstand tussen de 0,80 en 1,40 m-mv is gelegen. De gemiddelde laagste grondwaterstand bedraagt 1,20 m-mv. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 6 m +NAP. Het plangebied ligt in een grondwaterfluctuatiezone zoals deze door de provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Het waterschap hanteert het uitgangspunt dat ontwikkelingen grondwaterneutraal worden uitgevoerd. Zij adviseert om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen, zodat grondwateroverlast in de toekomst voorkomen kan worden.
Het uitgangspunt bij grondwaterneutraal is dat er in principe geen permanente drainage en afvoer van grondwater uit het gebied mag plaatsvinden. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
73/103
figuur 5.3- grondwaterfluctuatiezone (bron: provincie Gelderland) 5.5.2 Oppervlaktewater Aan de noordoostzijde (langs de Stadsweg) bevindt zich een A-watergang waar ook een gemeentelijke overstort aanwezig. Voor de watergang en de naastgelegen zone (5,00 m vanuit de insteek) geldt dat de Keur van het waterschap van toepassing is. Voor de werkzaamheden in de beschermingszone zal een watervergunning (voor het afwijken van de Keur) aangevraagd worden. Aan de zijde van het Stadsweg wordt de woonwijk via een weg/calamiteitenaansluiting en de hoofdentree van het woonzorggebouw op de Stadsweg aangesloten. Daarvoor zijn wel werkzaamheden aan de watergang nodig. Omdat hierdoor van de Keur wordt afgeweken zal vooraf een watervergunning verkregen moeten worden. De A-watergang langs de Stadsweg is op de verbeelding vastgelegd met de bestemming 'Water', de duiker is in de groenbestemming aangeduid. Langs de Schietweg en het Hokseberg is een C-watergang gelegen. Deze watergangen worden niet onderhouden door het waterschap maar zijn wel van belang voor de aan- en afvoer van water. Op deze watergangen geldt een onderhoudsplicht door de aanliggende eigenaar. Mochten hier werkzaamheden plaatsvinden, zal een watervergunning bij het waterschap aangevraagd worden. Er worden aan deze watergangen geen wijzigingen aangebracht.
74/103
figuur 5.4: Uitsnede legger watergangen waterschap Vallei en Veluwe (bron: Waterschap Vallei en Veluwe) 5.5.3 Hemelwater Voor wat betreft waterkwantiteit hanteert het waterschap de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Dat betekent dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Daarbij mag maximaal 3l/s/ha afgevoerd worden naar het watersysteem, wat over 24 uur gelijk staat aan 26 mm neerslag. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Het waterschap gaat uit van het principe dat het plangebied “zijn eigen broek moet ophouden”. Vanuit het plangebied mag vanwege de plannen dus geen extra water gaan afvoeren naar het plane gebied. Als vuistregel geldt dat bij een T=100-neerslaggebeurtenis (87 mm, waarvan 1 mm verdamping) de maximale afvoernorm van 3 l/s/ha (ofwel 26 mm) niet mag worden overschreden. Dit betekent dat de overige 60 mm neerslag (= 87 mm - 1 mm - 26 mm) in het plangebied dient te worden vastgehouden. Een en ander komt er op neer dat er in het plangebied voor elke m2 verhard oppervlak 0,06 m water geborgen dan wel geïnfiltreerd (vastgehouden) dient te worden.
Deze eis komt overeen met het de gemeentelijke ambitie ten aanzien van klimaatbestendig (her)ontwikkelen zoals opgenomen in het gemeentelijk Beleids- en beheerplan Water en Riolering. Deze gemeentelijke bergingseis gaat opgenomen worden in de hemelwaterverordening. Het plangebied ligt in het landelijk gebied en is omgeven door veel onverhard groene gronden (akkers,
75/103
weilanden, boomsingels). Grote hoeveelheden hemelwater kunnen daarom op een gemakkelijke wijze infiltreren in de bodem, zonder overlast te veroorzaken. Binnen het plangebied is ongeveer 10.000 m2 verhard oppervlak aanwezig, met name op het bedrijfsperceel van de voormalige kwekerij /tuincentrum. Uitgaande van het verkavelingsvoorstel, zoals opgenomen in figuur 4.6 (paragraaf 4.4.1), neemt het verhard oppervlak (bestrating en bebouwing) toe tot circa 16.200 m2. Overeenkomstig de bergingseis zou minimaal 972 m3 (= 16.200 m2 x 0,06 m) water geborgen of geïnfiltreerd dienen te worden. Daarbij kan gedacht worden aan een vijver, grindkoffer of wadi. Om de benodigde berging exact te kunnen bepalen dienen de plannen voor het plangebied verder uitgewerkt te zijn. Zo wordt (half)open verharding bij parkeerplaatsen niet als verhard oppervlak aangemerkt. Hetzelfde geldt ook voor vegetatiedaken (met voldoende opvangcapaciteit). Dit zal bij de nadere uitwerking ten behoeve van de vergunningsaanvraag worden bepaald in een waterhuishoudkundig plan. In de verdere uitwerking van de verkaveling wordt water als ordenend principe meegenomen. In het kader van dit bestemmingsplan is de bergingseis als specifieke gebruiksbepaling in de planregels opgenomen. Bepaald is dat het gebruik van de gronden als woongebied niet is toegestaan zonder dat sprake is van voldoende watercompensatie.
Van voldoende watercompensatie is sprake als wordt voldaan aan de volgende voorwaarde: per vierkante meter verhard oppervlak dient 60 mm waterberging te worden gerealiseerd binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Met het peil van de te bouwen woningen zal, in overeenstemming met het Beleids- en beheerplan Water en Riolering, ten minste 20 cm worden aangehouden ten opzichte van het straatpeil. OP deze wijze wordt voorkomen dat bij hevige neerslag waterschade ontstaat. 5.5.4 Waterkwaliteit Voor de waterkwaliteit wordt de trits 'schoonhouden-scheiden-zuiveren' gehanteerd. Om de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater niet nadelig te beïnvloeden, wordt daarom geadviseerd geen milieuonvriendelijke, uitlogende bouwmaterialen toe te passen of toe te staan. Bij de ontwikkeling in het plangebied wordt zoveel mogelijk duurzaam gebouwd. Daarbij wordt onder meer uitgegaan van het gebruik van duurzame materialen. Het afstromend hemelwater behoudt daarmee een voldoende kwaliteit om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Daarnaast zijn er binnen het plangebied of in de nabije omgeving geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
5.5.5 Veiligheid en waterkeringen In het plangebied lopen geen waterkeringen. Rondom keringen is een veiligheids- en beschermingszone aanwezig. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.
76/103
5.5.6 Afvalwater Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het plangebied is aangesloten op een drukriolering en heeft een beperkte afvoer capaciteit. Binnen het plangebied wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd. Het hemelwater zal afstromen naar de aan te leggen oppervlaktewater voorzieningen. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande riool. Ter plaatse van de Stadsweg, dat tegen het plangebied aan ligt, is een vuilwater ontvangstput gelegen. Deze is voorzien van 1 pomp. Voor het aansluiten van de geplande maximaal 73 woningen en een zorgcomplex moet technisch onderzocht worden of de ontvangstput ook als gemaal kan functioneren. Het plaatsen van een extra pomp is noodzakelijk om het afvalwater op een juiste manier af te voeren. Conclusie Voor de werkzaamheden in en in de nabijheid van watergangen en daarmee samenhangede kunstwerken is een watervergunning noodzakelijk.
Eveneens geldt een vergunningplicht voor het graven van nieuw oppervlaktewater en het lozen van hemelwater op het bestaande oppervlaktewater. Ten behoeve van de vergunningaanvraag zal, in samenspraak met het waterschap, nader onderzoek naar de exacte ligging van de aanwezige storende lagen en een waterhuishoudkundig ontwerp/ plan moeten worden voorgelegd aan het waterschap en de gemeente.
5.6
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, in verband met de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet Natuurbescherming (Wnb). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden
77/103
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij
78/103
provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 5.6.1 Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.
figuur 5.5: het Natura 2000-gebied Veluwe (geel) en de NNN (groen) Zoals in figuur 5.5 is te zien is het plangebied gelegen nabij het Natura 2000-gebied “Veluwe” (op circa 765 m afstand). Ook is binnen een straal van 4 km het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" gelegen. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 570 m. Gevolgen voor de Natura 2000-gebieden De gevolgen van de ontwikkeling voor de Natura 2000-gebieden zijn in 2011 onderzocht (zie bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat in verband met de aard van de ingreep en de barrièrewerking die uitgaat van de tussenliggende bebouwing ('t Harde) en infrastructuur, geen significant negatieve effecten op de gebieden worden verwacht. Ook op Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" zijn om bovengenoemde redenen geen significant negatieve effecten te verwachten. Daarop aanvullend toont het meest recente Natura 2000-gebied (januari 2016) geen noemenswaardige wijzigingen aan rondom 't Harde: de grenzen van het Natura 2000-gebied liggen nog op dezelfde afstand van het plangebied als in 2010. Er worden dan ook nog steeds geen significant negatieve effecten op de gebieden verwacht. Stikstofdepositie Het nabij gelegen Natura 2000 gebied Veluwe is gevoelig voor stikstofdepositie. In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de sloop van het voormalige tuincentrum en de aanleg- c.q.
exploitatiefase van de voorliggende plannen met behulp van AERIUS-calculator (bijlage 13).
79/103
Voor de verschillende berekeningen is uitgegaan van het volgende: Voor de referentiesituatie is voor het plangebied uitgegaan van één agrarisch perceel dat momenteel in gebruik is. Dit houdt in dat er mest gebruikt wordt met bijbehorende ammoniak-emissie als gevolg. Deze emissie komt als gevolg van de voorliggende plannen te vervallen. Daarbij is uitgegaan van 50%/50% gebruik als grasland en als mais met een maximale (dierlijke) bemesting voor grasland, een worst-case scenario. Binnen het plangebied zijn de bestaande bedrijfsgebouwen van het voormalige tuincentrum nog in gebruik voor opslag. Als gevolg van de voorliggende plannen komen deze activiteiten, met het bijhorende verkeer te vervallen. Deze zijn in de berekening vooralsnog buiten beschouwing gelaten (eveneens worst-case). Voor de sloop- en aanlegfase wordt rekening gehouden met verkeersbewegingen (verkeersaantrekkende werking) en de inzet van diesel aangedreven materieel voor de aanlegfase (indicatief). Voor het dieselgebruik is in de berekening uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Voor het aantal verkeersbewegingen wordt in de sloop- en aanlegfase voor de aan- en afvoer van materiaal/materieel en machines uitgegaan van zware motorvoertuigen (1.281 mvt/jaar). Voor het licht bouwverkeer (bouwpersoneel e.d.) is uitgegaan van de verkeersgeneratie uit de exploitatiefase (worst-case).
Voor de exploitatiefase wordt uitgegaan van gasloze woningen en zorgeenheden. Dat betekent dat er geen sprake van stikstofemissie vanwege het verstoken van aardgas. De aan het plan te relateren stikstofemissie wordt veroorzaakt door de toename van de autoverkeersbewegingen als gevolg van de woningen en zorgcentrum (verkeersgeneratie). Daarbij wordt uitgegaan van de verkeersgeneratie zoals als beschreven in paragraaf 4.4.2 van deze toelichting, te weten 642 verkeersbewegingen per etmaal. Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van de provinciale vuistregels. Aangenomen wordt dat de aanleg van de woningen en het zorggebouw niet over één jaar zullen plaatsvinden. De aanleg van 73 woningen en het woon-/zorggebouw zal niet in één jaar plaatsvinden. De totale aanleg van het initiatief zal over een periode van circa 6 jaar plaatsvinden met het zwaartepunt van de activiteiten in 1-2 jaar. Voor de AERIUS-berekening van de sloop en bouwfase is een worst-case scenario gehanteerd waarin alle woningen en het woon-/zorggebouw in één jaar worden gerealiseerd, samen met de sloop van het tuincentrum. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt het volgende: Uit de (verschil)berekening voor de exploitatiefase blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is.
Omdat er sprake is van een 'verschildepositie' van 0,00 mol/ha/jaar is er geen vergunningplicht in het kader van de Wnb voor de exploitatiefase. Uit de verschilberekening voor de tijdelijke sloop- en aanlegfase (waarbij ook rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van de exploitatiefase (bouwpersoneel)) blijkt dat als alle werkzaamheden in één jaar plaatsvinden de hoogst berekende (indicatief) depositie 0,07 mol/ha/jaar bedraagt. In de rapportage, zoals opgenomen in bijlage 13, wordt aangegeven dat voor dergelijke situaties door BIJ12 (de uitvoeringsorganisatie voor de gezamenlijke provincies) een beoordelingsrichtlijn is gegeven. In de beoordelingsrichtlijn wordt als uitgangspunt gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase -kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan)- in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. In beginsel geldt deze beoordelingsrichtlijn voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met
80/103
name mobiele werktuigen en de aan-/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Uit de rapportage blijkt dat de berekening is uitgevoerd voor de “worst-case” situatie waarin de realisatie/aanleg plaatsvindt in de periode van één jaar plaatsvindt en dat binnen de aangegeven uitgangspunten voor wat betreft verkeer en dieselverbruik kan worden gewerkt. Daarom is sprake van een tijdelijke situatie met en depositie niet hoger dan 0,1 mol/ha/jaar (mogelijk verspreid over 6 jaar, maar nooit meer dan 0,1 mol/ha) voor de duur van het project (aanleg/realisatie). Op basis van de Handreiking Voortoets Stikstof is het project daarmee uitvoerbaar. Tot slot wordt opgemerkt dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) een vrijstelling regelt van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. Het project vormt daarmee geen belemmering in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast het Natura 2000-gebied zijn in de nabijheid ook NNN-gebieden te vinden.
Het plangebied zelf is niet begrensd als NNN, het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 330 m van het plangebied. Omdat het plangebied zelf geen deel uitmaakt van een NNN-gebied, is er geen sprake van directe aantasting. 5.6.2 Soortenbescherming De soortenbescherming vindt primair plaats via de Wet Natuurbescherming. Omdat uitvoering van het bestemmingsplan negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden dient dit initiatief getoetst te worden aan het natuurbeschermingsrecht. In het kader van dit bestemmingsplan is dat al meerdere malen gebeurd in 2011 (zie bijlage 9), in 2016 (zie bijlage 10) aangevuld met een nader onderzoek voor vleermuizen en steenuilen in 2017 (zie bijlage 11). Omdat de juridische houdbaarheid van de onderzoeksgegevens is verlopen en de natuurwetgeving in de provincie Gelderland is veranderd zijn in 2020 de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen opnieuw getoetst aan het beschermingskader van de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten. Uit het veldbezoek tijdens de quickscan bleek dat op basis van het aangetroffen biotoop in combinatie met bekende verspreidingsgegevens (met name NDFF) verblijfplaatsen van hazelworm en kleine marterachtigen niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Voor deze soorten is als onderdeel van de natuurtoets nader onderzoek uitgevoerd om de aan- of afwezigheid aan te tonen.
De geactualiseerde natuurtoets is als bijlage 12 in de toelichting opgenomen. Het plangebied In de geactualiseerde natuurtoets wordt ten aanzien van het onderhavige plangebied het volgende geconstateerd: In het plangebied is potentieel leefgebied met verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) en hazelworm aangetroffen. Uit het aanvullende onderzoek naar deze soorten blijkt dat wezel,
81/103
hermelijn, bunzing en hazelworm geen gebruik maken van het plangebied. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Door aanwezigheid van beplanting is geschikt foerageergebied van vleermuizen aanwezig. De werkzaamheden leiden echter niet tot aantasting van onmisbare foerageergebieden. De aanwezige beplanting fungeert mogelijk ook als vliegroute. Van een onmisbare vliegroutes is echter geen sprake. In of nabij het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen. Wel zijn enkele algemeen voorkomende vogels als ekster, merel, houtduif, fitis en roodborst broedend aangetroffen/ te verwachten. Overige beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen wel enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is. Advies en vervolgstappen In de natuurtoets wordt benadrukt dat werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen altijd voorkomen moeten worden.
Dit is voor de te verwachte soorten mogelijk door de werkzaamheden in elk geval op te starten na half juli en voor begin maart. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te voeren. Vervolgstappen voor vogels zijn niet aan de orde, mits rekening gehouden wordt met het broedseizoen. Het onderdeel broedvogels vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Archeologie en cultuurhistorie
Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee vaak een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden (cultuurhistorie) en op het erfgoed onder de grond (archeologie). 5.7.1 Archeologie Door de gemeente is in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Daarbij zijn aanwijzingen gegeven over de manier waarop daar in ruimtelijke plannen mee omgegaan moet worden. Het gaat daarbij om gebieden met hogere en lagere (verwachtings)waarden. Uit de kaart blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een zone waaraan een hoge trefkans is toegekend voor archeologische waarden. De bescherming van deze hoge waarde is in het geldende beheersplan en bestemmingsplan vastgelegd (zie paragraaf 1.3). Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht bij ontwikkelingen met een oppervlakte vanaf 120 m2. Daarvan is in het plangebied sprake.
82/103
Het plangebied Verkennend archeologisch onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is in 2010 voor het gehele plangebied een verkennend archeologisch onderzoek Het rapport is in de toelichting opgenomen als bijlage 14. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat geen concrete aanwijzingen voor archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Hiervoor zijn een bureau- en een veldonderzoek uitgevoerd. Bij het bureau-onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende schriftelijke bronnen. Bij het veldonderzoek is uitgegaan van een inventariserend veldonderzoek. In het plangebied zijn 17 grondboringen uitgevoerd. Desondanks kan op basis van de bodemopbouw en de hieraan gekoppelde archeologische potentie van het gebied, niet worden uitgesloten dat ter plaatse toch archeologische waarden in de ondergrond schuilgaan. Hier doet zich het probleem gelden dat een booronderzoek zijn beperkingen kent. Gezien tegen deze achtergrond wordt aanvullend archeologisch onderzoek bepleit. Aanbevelingen Gelet op het feit dat niet kan worden uitgesloten dat in het plangebied (min of meer intacte) archeologische resten aanwezig zijn en deze bij werkzaamheden dieper dan 60 cm -Mv verstoord kunnen worden, wordt een aanvullend archeologische (voor)onderzoek met behulp van proefsleuven.
Door middel van een dergelijk onderzoek kan meer duidelijkheid worden verschaft in hoeverre aan het plangebied daadwerkelijk een archeologisch belang kan worden toegekend. In week 36 van 2021 heeft Econsultancy het sleuvenonderzoek uitgevoerd. De beschrijving en het (voorlopig) resultaat van het proefsleuvenonderzoek voor het noordwestelijk deel van het plangebied is als bijlage 15 toegevoegd bij de toelichting. De sleuven laten een bodemopbouw zien die eerder tijdens booronderzoek was opgetekend. Een humeus dek (bouwvoor) ligt koud op de natuurlijke ondergrond die bestaat uit geel zand. In het horizontale vlak is in de sleuven een aantal sub-recente greppels aangetroffen. De oriëntatie is deels noordwest-zuidoost en deels noordoost-zuidwest. Het haakse patroon toont een structurele aanpak van een ontwateringssysteem. Het geringe aantal vondsten bestaat uit geglazuurd aardewerk en dateert uit de 16e tot en met 19e eeuw. De vondst van een zilveren vingerhoed is vermeldingswaardig. Alle vondsten komen uit de humeuse bovenlaag en hebben zodoende geen archeologische context. Bovenstaande resultaten geven geen aanleiding om een aanvullend onderzoek te verlangen. Er worden in het noordelijke deel van het plangebied geen intacte archeologische waarden meer verwacht. Het noordelijke deel wordt op advies van de regioarcheoloog zodoende vrijgegeven.
Bovenstaande resultaten zijn niet één op één over te zetten naar het zuidelijke deel van het plangebied. In verband met de ontwikkeling zal het zuidelijke deel later beschikbaar komen voor archeologisch onderzoek. Er is door de gemeente ingestemd om dit onderzoek als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te koppelen. Het is goed mogelijk dat ook het zuidelijke deel geen intacte archeologische waarden bevat. Met het oog op een dergelijke verwachting zal in het Programma van Eisen de strategie aangepast worden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling
83/103
op het noordelijke deel van het plangebied (Fase 1/A). Ter plaatse van fase 1/A komt in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' te vervallen. Door onderzoek op het zuidelijke deel (fase 2/B) als voorwaarde op te nemen in de omgevingsvergunning wordt voldoende rekening gehouden met de archeologische waarden van het gebied. Voor het resterend deel van het plangebied blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' dan ook gehandhaafd. 5.7.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het plangebied zelf zijn geen aangewezen monumenten aanwezig. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland gaan er langs het plangebied twee oude hanzewegen (huidige Stadsweg en Bovenweg). Hanzewegen zijn voormalige handelsroutes tussen steden. Op de kadastrale kaart van 1832 werden de gronden in het plangebied gebruikt als bouwland en bos daarnaast lagen er ook twee erven met bebouwing (zie figuur 5.6).
Figuur 5.6: Overzicht historisch grond gebruik in 1832 met op de achtergrond een luchtfoto van 2019 (Bron: Hisgis.Gelderland.nl) Deze indeling van het grondgebruik is ook vandaag ten dag nog terug te zien in het plangebied (zie afbeelding figuur 5.7). In de opzet van de nieuwe woonwijk is specifiek rekening gehouden met de groenstructuren in het plangebied
84/103
(zie paragraaf 4.5). Zo wordt de historische groenstructuur behouden en vastgelegd in het bestemmingsplan. Op deze manier blijft de cultuurhistorische groenstructuren behouden.
Figuur 5.7: Grondgebruik in het plangebied van de afgelopen 150 jaar (Bron: topotijdreis) Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet
85/103
beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt +-bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. beleidsvisie externe veiligheid Veluwe Noord In de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeenten in de regio Veluwe-Noord (Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) is aan de hand van drie thema's beschreven hoe de gemeenten in de regio Noord-Veluwe omgaan met externe veiligheid. De beleidsvisie biedt de gemeenten de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Grote delen van het grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten ligt binnen het invloedsgebied van risicobronnen, waardoor bij veel ruimtelijk besluiten een verantwoording van het groepsrisico vereist is. Een risicoloze maatschappij bestaat niet; een bepaald risiconiveau moet geaccepteerd worden.
Maar welk niveau is dan te verantwoorden? Wie bepaalt dit? En wie draagt deze verantwoordelijkheid? Omgaan met externe veiligheid betekent ook het maken van keuzes. Het thema "keuzes maken" heeft als doel het opstellen van uniforme ruimtelijke zones die aangeven wat de gemeenten wel en niet wensen in bepaalde zones. Hierdoor kunnen beleidskwesties in samenhang en op de juiste schaal beoordeeld worden en wordt ad hoc-besluitvorming voorkomen. Ook heeft de beleidsvisie tot doel de elementen van groepsrisicoverantwoording te uniformeren waardoor niet per locatie (besluit) de wijze van uitvoering bedacht hoeft te worden.
86/103
5.8.1 Risicovolle inrichtingen In en in directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die onder het Bevi vallen. Op ruim 170 m van het plangebied, aan de Wolkamerweg in 't Harde, bevindt zich wel een zwembad met (kleinschalige) chlooropslag. De afstand van het plangebied tot deze opslag is voldoende om gevaar te voorkomen. Chlooropslag valt onder het Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO). Het risico van een chlooropslag wordt vooral gevormd door het transport van het chloor van en naar het zwembad toe. De opslag zelf heeft, omdat het een kleinschalige opslag is, een kleine risicocontour. De risicoafstand is 50 m wanneer de opslaghoeveelheid onder de drempelwaarde van het BRZO ligt (cf de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De drempelwaarde voor de opslag van chloor is 10.000 kilogram; de chlooropslag is lager dan de drempelwaarde. Bovendien is de afstand van de geplande nieuwbouw tot de chlooropslag aanmerkelijk groter dan 50 m. Wanneer de opslag voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, kunnen risico's als gevolg van een calamiteit met de chlooropslag tot een minimum worden beperkt. 5.8.2 Route gevaarlijke stoffen Naast risico's vanwege risicovolle inrichtingen, moet ook rekening worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen.