CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 APV gewijzigde tekst integraal met kleuren.docx

Raadsvergadering 25 januari 2021, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijzigen APV 2020-202123.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2:85 Intrekking en wijziging van een vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 intrekken of wijzigen indien:

a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

c. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of

d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

Artikel 2:86 Sluiting bedrijf 1. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:83 wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:85, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:87 Geboden en verboden exploitant 1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.

2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 3. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

4. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

Artikel 2:88 Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen In afwijking van het eerste lid van artikel 2:83 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2:82 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op

bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van

inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 

advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van

toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; 

klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het

verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; 

seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning 1.

Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van

3.

Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten

4.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig

5.

Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.

6.

De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.

7.

De vergunning kan ten hoogste eenmaal worden verlengd.

beschikbare vergunningen.

hoogste twaalf weken worden verlengd. beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen 1.

Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

2.

Er kan voor in totaal ten hoogste 1 (één) seksinrichting [van prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven] vergunning worden verleend.

Artikel 3:6 Aanvraag 1.

Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan

2.

Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder

vastgesteld formulier.

geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

c.

of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

f.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

g.

een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de

h.

voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

i.

een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de

j.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor

k.

voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning

l.

voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt

geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

exploitant;

Belastingdienst;

de uitoefening van het seksbedrijf;

wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

3.

Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige

4.

Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

toepassing op de beheerder.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: a.

de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b.

de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict

c.

de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag

e.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de

f.

er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn

of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

vermelde in overeenstemming zal zijn;

vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

g.

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

h.

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning

wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere

hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de

Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i.

een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;

j.

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

2.

Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld: a.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b.

vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek

van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

3.

De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een

4.

Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode

5.

Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

a.

voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en

onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de

voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de

aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

c.

als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een

prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

d.

als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van

prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

e.

als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

f.

als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal

g.

als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als

naleven[;

bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning 1.

De vergunning vermeldt in ieder geval: a.

de naam van de exploitant;

b.

voor zover van toepassing, die van de beheerder;

c.

voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f.

voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting

g.

de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h.

voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i.

het nummer van de vergunning.

waarvoor de vergunning mede is verleend;

2.

De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.

De vergunning wordt ingetrokken als:

a.

de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c.

is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, tweede lid, 3:15 en

d.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht

e.

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

f.

de vergunninghouder dat verzoekt;

g.

de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een

2.

De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

a.

is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde

3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c.

een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d.

is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen,

e.

is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

f.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht

onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g.

de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde

h.

er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een

i.

gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

belemmert of bemoeilijkt;

gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11 Verlenging vergunning 1.

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en

bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden. 2.

Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.

Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 1:00 en 8:00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

2.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die

3.

Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksrichting tussen 1.30 uur en 7.30 uur, tenzij

4.

Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben

inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. bij vergunning anders is bepaald.

bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a.

geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e,

b.

vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

c.

als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf

1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a.

nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

b.

in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

3. Het is een prostituee verboden: a.

te handelen in strijd met het eerste lid;

b.

werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan 1.

2.

Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.

op het gebied van hygiëne;

b.

ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

c.

ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d.

ter voorkoming van strafbare feiten.

De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.

de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden

b.

inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en

c.

in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik

d.

in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

e.

de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en

en dat dit controleerbaar is;

inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; beschikbaar zijn;

door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

f.

de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g.

de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h.

de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden

i.

de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar

j.

aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van

gevolgen heeft;

werkzaamheden gevolgen heeft;

agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k.

de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l.

de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuurof arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden

gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

n.

de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de

o.

de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt

mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; wordt.

3.

Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

4.

De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde

bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5.

De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift

gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

6.

In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt

dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:16 (Vervallen)

Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.

De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

2.

De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: a.

de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden

b.

er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn

kunnen bepalen;

opgenomen van in ieder geval; i.

de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

ii.

de verhuuradministratie;

iii.

met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de

documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;

iv.

de werkroosters van de beheerders.

c.

de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen

d.

medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het

tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

e.

onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van

f.

onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand

dwang en uitbuiting;

geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

g.

gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie Artikel 3:18 Raamprostitutie Het is een prostituee verboden: a.

zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg

b.

passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of

bevinden beschikbaar te stellen; en

vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:19 Straatprostitutie Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een

politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Afdeling 4. Overige bepalingen Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten 1.

Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of

redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

2.

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is

te maken van de diensten van een prostituee. verleend.

Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften,

aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de

rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,

opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: 

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien

verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; 

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit

milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: Elburg/Oostendorp, ’t Harde en/of Doornspijk (inclusief Hoge Enk).

4.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond

6.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 45 dB(A),

7.

De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A)

8.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de

als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 23:00 uur beëindigd.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan op maximaal één dag of dagdeel per kalenderjaar incidentele

festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar in

verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve

van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

4.

De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd

5.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een

6.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 45 dB(A),

7.

De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A)

8.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de

op de plaats op dat formulier vermeld.

inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 23:00 uur beëindigd.

9.

De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 (Vervallen)

Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1.

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.

de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden

als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b.

de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens

c.

de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden

van het terrein;

in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;

d. 2.

bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

Tabel 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen

3.

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Voor de duur van vier (4) uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door

muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting

gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de

samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. artikelen 4:2 en 4:3.

Artikel 4:6 Geluidhinder overig, motorvoertuigen en bromfietsen 1.

Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te

3.

Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet

gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het

Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Omgevingsverordening Gelderland.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen (vervallen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Vastgelegd in de Bomenverordening 2013.

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter

voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid

aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of

buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of

daarvan;

aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 4:14 (Vervallen)

Artikel 4:15 Omgevingsvergunning handelsreclame 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te

maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die van af de weg zichtbaar is.

2.

Het verbod geldt niet voor: a.

onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendige gedeelte van de

b.

onverlichte opschriften of aankondigingen, daartoe aangewezen door de overheid;

c.

onverlichte opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en de langste zijde korter dan 1

d.

onroerende zaak, tenzij deze in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand;

meter die betrekking hebben op: i.

een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een

ii.

het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of

onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; waarvoor die zaak is bestemd;

onverlichte en verlichte opschriften of aankondigingen in gebieden op bedrijventerreinen die

volgens de Welstandsnota als welstandsvrij zijn aangemerkt, tenzij deze worden geplaatst bij of op panden aan de randen van het bedrijventerrein en mits die betrekking hebben op het beroep, de dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak wordt uitgeoefend;

e.

onverlichte en verlichte (mits niet periodiek oplichtend of bewegend) opschriften of

aankondigingen die worden geplaatst bij of op panden aan de randen van het bedrijventerrein als bedoeld in de Welstandsnota indien het gaat om: i.

maximaal één opschrift of aankondiging per bedrijfsunit, die vlak op de gevel wordt

geplaatst, die maximaal 2 meter hoog is en niet breder dan de helft van de breedte van de bedrijfsunit met een maximale breedte van 6 meter;

ii. iii.

ii. maximaal 2 vrij geplaatste opschriften of aankondigingen op de onroerende zaak die

niet breder zijn dan 2 meter en niet hoger dan 3,5 meter;

maximaal 1 vrij geplaatste vlag per bedrijf met een maximale stoklengte van 6 meter en

een maximale oppervlakte van 4 m2,

mits die betrekking hebben op het beroep, de dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak wordt uitgeoefend; f.

onverlichte opschriften of aankondigingen in het beschermd stadsgezicht indien het gaat om: i.

maximaal 2 vlaggen per pand aan de gevel met een maximale stoklengte van 1 meter en

ii.

ii. maximaal 1 historisch verantwoord bord per gevel met een maximale oppervlakte van

een maximale oppervlakte van 1,5 m2

0,5 m2 die op de gevel van de begane grond van een horecabedrijf wordt bevestigd met daarop de dag- dan wel weekaanbiedingen dan wel menu’s,

mits die betrekking hebben op het beroep, de dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak wordt uitgeoefend; g.

onverlichte opschriften of aankondigingen op panden met een detailhandelsbestemming, niet gelegen op bedrijventerreinen en niet in het beschermd stadsgezicht indien het gaat om: i.

maximaal 2 vlaggen per pand aan de gevel met een maximale oppervlakte van 1,5 m2,

mits die betrekking hebben op het beroep, de dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak wordt uitgeoefend; h.

onverlichte opschriften die betrekking hebben op de naam of de aard van in uitvoering zijnde

bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk

betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; i.

onverlichte opschriften of aankondigingen dienstbaar aan het openbare vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

3.

Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid de

4.

In afwijking van artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

a.

indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan

b.

in het belang van de verkeersveiligheid;

c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de

redelijke eisen van welstand;

nabijheidgelegen onroerende zaak.

5.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor voorwerpen waarop artikel 2.10 van toepassing is.

6.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien

7.

De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;

8.

De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde

door de Provinciale landschapsverordening;

onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 4:16 (Vervallen)

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen

omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de

rechthebbende op een terrein.

bescherming van: a.

natuur en landschap; of

b.

een stadsgezicht.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.

Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Afdeling 6 Bescherming Planten Artikel 4.20 Planten, paddenstoelen, mossen 1.

2.

Het is verboden planten, paddenstoelen en mossen, behorende tot de in het tweede lid van dit artikel genoemde soorten of delen daarvan: a.

van hun groeiplaats te verwijderen;

b.

onder zich te hebben of te koop aan te bieden.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is van toepassing op: a.

de plantensoorten: lelietje-der-dalen (Convallaria majalis), beemdkroon (Knautia arvensis),

duifkruid (Scabiosa columbaria), gagel (Myrica gale), brem (Sarothamnus scoparius), gele anemoon (Anemone ranunculoides), bosanemoon (Anemone nemorosa), dotterbloem (Caltha palustris), speenkruid (Ranunculus ficaria), margriet (Chrysanthemum Leucanthemum);

3.

b.

alle soorten paddestoelen (Funghi);

c.

alle soorten veenmossen (Sphagnum);

d.

alle soorten niet op stenen groeiende korstmossen (Lichenes);

e.

kussentjesmos (Leucobryum glaucum).

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet, indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde handelingen; a.

betrekking hebben op planten gekweekt in tuinen of kwekerijen;

b.

geschieden in het kader van werkzaamheden, die verband houden met normaal onderhoud en/of

c.

niet meer dan twee exemplaren of delen van de in het tweede lid onder b. genoemde

exploitatie van terreinen;

paddenstoelen betreffen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de soorten paddenstoelen

d. 4.

niet meer dan één dm² van de in het tweede lid onder c. genoemde mossen betreffen.

Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen, al dan niet onder voorschriften.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (Vervallen)

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

2.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

b. 3.

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren of op de

weg te laten neerzetten door personeel of door derden die gebruik maken van de diensten van het bedrijf binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve

doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk

plaatsen of te hebben;

is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve

Wegenverordening 2010 en/of in de provinciale nadere regels Wegenverordening 2010. fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve

parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en

kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

4.

Het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag,

5.

Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve

dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of

een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers

vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.

Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 (Vervallen)

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege

2.

Dit verbod is niet van toepassing op:

3.

aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

a.

de weg;

b.

voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of

c.

voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn

openbaar lichaam; bestemd.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter

voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid

aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te

werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.

Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of

gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.

Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a.

in besloten kring; of

b.

door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en

wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

c. 4.

door een andere, door het college aangewezen instelling.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten Artikel 5:14 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop

aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

2.

Onder venten wordt niet verstaan: a.

het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in

b.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op

artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

c.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod 1.

Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de

2.

Het is verboden te venten op zondagen, algemeen erkende feestdagen en maandag t/m zaterdag

3.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve

volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. tussen 20:00 uur en 9:00 uur.

voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:16 (Vervallen)

Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

g, van de Gemeentewet;

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2.

Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

a.

de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke

b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de

eisen van welstand; of

gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.

Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet

milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of voorzien door de provinciale Wegenverordening 2010 en/of in de provinciale nadere regels Wegenverordening 2010.

2.

De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21 (Vervallen)

Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:22 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

2.

Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.

een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de

b.

een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Gemeentewet;

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend

3.

De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,

in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

2.

Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving,

constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water

of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 3.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer

rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een

2.

Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor

3.

vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a.

nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid,

b.

beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale landschapsverordening.

4.

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,

volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met

6.

Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor de haven en het havenkanaal als bedoeld in afdeling 10

betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. van dit hoofdstuk.

Artikel 5:26 en artikel 5:27 (Vervallen)

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing,

bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=02c36d19-426f-4126-b0be-8406ae959c64