Bijlage 3 APV gewijzigde tekst integraal met kleuren.docx
Tekst van het document
Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 3 november 2020, nr. 109087; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder:
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren];
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
college: het college van burgemeester en wethouders;
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 of vergunning als bedoeld in artikel 2:11.
Artikel 1:3 (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
b.
c. d.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin
gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.
de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd
is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen
2.
Degene die op een openbare plaats:
of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 (Vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een
is vermeld.
zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 en artikel 2:5 (Vervallen)
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden
2.
Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7, 2:8 en 2:9 (Vervallen)
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte
2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste
anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a.
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
4.
b.
als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
c.
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid
redelijke eisen van welstand; of gelegen onroerende zaak.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid;
c.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
d.
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
e.
door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;
f.
situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
5.
De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin
6.
De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.
7.
De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van
8.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. werkzaamheden worden verricht.
Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening.
5.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en
de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur.
Artikel 2:13 en artikel 2:14 (Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 (Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken
3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Kabels en snoeren 1.
Het is verboden een (elektriciteits)snoer en of kabel voor het opladen van elektrische auto’s,
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
aanhangwagens en/of andere voer- en vaartuigen boven, op of naast de openbare weg te leggen.
a.
de gebruiker van de auto, aanhangwagen en/of ander voer- of vaartuig geen parkeergelegenheid
b.
er geen openbare laadpaal binnen een straal van 300 meter van de woning/het werkadres is;
c.
het snoer geen hinder of gevaar oplevert voor andere weggebruikers;
op eigen terrein heeft;
d.
er geen claim wordt gelegd op een openbare parkeerplaats door het plaatsen van borden of anderszins.
3.
Degene die het snoer over de openbare weg legt is aansprakelijk voor de eventuele schade die andere
4.
De gemeente is niet aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit de aanwezigheid van het snoer als
weggebruikers oplopen door toedoen van het neerleggen van het snoer.
gevolg van de uitvoering van haar taak als wegbeheerder (zoals straatvegen en gladheidsbestrijding).
Artikel 2:20 (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen,
borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 en artikel 2:23 (Vervallen)
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f;
h.
kermissen.
5:22;
2.
3.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue;
f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 500 personen;
b.
de activiteiten (inclusief opbouwen en afbreken) plaatsvinden tussen 8:00 uur en 23:00 uur;
c.
geen versterkte muziek ten gehore wordt gebracht voor 9:00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) of 83 dB(C) gemeten op de dichtstbijzijnde gevels van omringende gebouwen niet wordt overschreden;
d.
de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of het voetgangersgebied plaatselijk bekend als “de ring”, te weten Zuiderkerkstraat, Van
Kinsbergenstraat, Noorderkerkstraat, Ellestraat, Smedestraat, Bloemstraat, Ledige Stede en alles
wat daarbinnen valt of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer, de scheepvaart en de hulpdiensten; e.
er een organisator aanwezig is en deze telefonisch bereikbaar is, hij of zij informeert omwonenden
f.
geen alcoholhoudende dranken worden verkocht en/of verstrekt;
g.
voldoende toiletvoorzieningen aanwezig zijn;
h.
doorgangen niet worden geblokkeerd, percelen van bewoners en bedrijven moeten te allen tijde
i.
toegang voor hulpdiensten te alle tijde geborgd is door een doorgang van minimaal 3,5 meter
minstens een week voorafgaand aan het evenement;
bereikbaar blijven.
breed en 4,2 meter hoog vrij te houden en eventuele aanwezige waterwinpunten vrij te houden van obstakels; en
j.
er is tijdens het evenement minimaal één opgeleide en herkenbare EHBO’er aanwezig.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit
organiseren.
brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het
evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 20 werkdagen
4.
De burgemeester kan binnen 15 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te
voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
6.
Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een evenement
8.
wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. weigeren indien: a.
de aard en het karakter van de locatie voor het beoogde evenement zich hiertegen verzetten;
b.
door het toestaan van het beoogde evenement er geen gevarieerd programma van evenementen
c.
de aanvraag eerder dan drie maanden voor de beoogde datum van het beoogde evenement is
ontstaat;
ingediend.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een
vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
9.
De burgemeester kan gebieden en periodes aanwijzen waarin beperkingen worden gesteld aan het aantal te houden evenementen.
10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die
uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.
3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 4. Toezicht op horecabedrijven Artikel 2:27 Definitie 1
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, een bed & breakfast met ten minste vier slaapplaatsen, een café, waterpijpcafé, cafetaria, afhaalcentrum,
snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden 2
verstrekt of bereid;
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. 2. 3.
4.
5.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a.
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
b.
een zorginstelling;
c.
d. e. f.
g. h. i.
openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een museum;
een bedrijfskantine of –restaurant; een lunchroom;
een sportkantine; een ijssalon;
een bed & breakfast; of
een inrichting die zich bevindt in een dorpshuis en of gemeenschapshuizen.
6.
De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk heeft
7.
Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
beëindigd.
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.28a Nadere eisen 1.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.28 dient zowel de exploitant als de leidinggevende: a.
b. c. 2.
d.
minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt
te voldoen aan de eisen gesteld in het besluit eisen zedelijk gedrag Drank en horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, en
niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn niet onder curatele staan
Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Horecabedrijven zijn gesloten op maandag tot en met zaterdag tussen 1:00 uur en 7:00 uur, en op
2.
Het bij het horecabedrijf behorende terras is alle dagen van de week gesloten tussen 00:00 uur en
3.
Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 en in afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en
zondag tussen 00:00 uur en 7:00 uur. 7:00 uur.
laten verblijven na sluitingstijd.
derde lid, kan de burgemeester in een vergunningvoorschrift van een horecabedrijf dat deelneemt aan het horecaconvenant bepalen dat: na 00:00 uur op zondag en na 1:00 uur op de overige dagen, geen nieuwe bezoekers meer in het horecabedrijf mogen worden toegelaten, en dat tussen 03:00 uur en 7:00 uur geen bezoekers meer in het horecabedrijf mogen verblijven.
6.
Voor een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a en c gelden dezelfde
7.
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet
8.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
sluitingstijden als voor de winkel of museum. milieubeheer is voorzien.
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een horecabedrijf: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem
handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Zwarte lijst 1.
Het is de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, verboden in die inrichting
toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven.
2.
Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan
de houders van inrichtingen, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een
dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. 3.
Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel
174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciele rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Drank- en Horecawet
Artikel 2.34a Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
zwak alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank en Horecawet.
Artikel 2.34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
In het horecabedrijf van een paracommerciële rechtspersoon wordt alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekt gedurende de periode beginnende met een uur voor aanvang en eindigende met een uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
2.
Onverminderd het eerste lid, wordt in het horecabedrijf van een paracommerciële rechtspersoon
alcoholhoudende drank uitsluitend vertrekt op werkdagen tussen 19:00 en 24:00 uur en op zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen tussen 13:30 en 24:00 uur.
Artikel 2.34c Bijeenkomsten in horecabedrijf paracommerciële rechtspersoon 1.
Het is in het horecabedrijf van een paracommerciële rechtspersoon verboden om alcoholhoudende
drank te schenken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
2.
In afwijking van lid 1 hebben paracommerciële rechtspersonen de mogelijkheid om alcoholhoudende
drank te verstrekken tijdens ten hoogste 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
3.
De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 5 werkdagen vóór een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.
Artikel 2.34d Schenken van sterk alcoholhoudende drank Het is verboden om in een horecabedrijf van een paracommerciële rechtspersoon sterke drank te verstrekken.
Artikel 2.34e Verbod prijsacties / ‘happy hours’ 1.
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een
periode van 24 uur of korter lager ligt dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. 2.
Het is verboden vanuit een inrichting alcoholhoudende drank aan te bieden voor gebruik elders
dan ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van een week of korter lager is dan 70% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2.34f Ontheffingen 1.
De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk, in bijzondere gevallen, ontheffing verlenen van de in
2.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve
3.
Het college is bevoegd om voor dorps- en gemeenschapshuizen nadere regels vast te stellen voor het
artikelen 2.34b, 2.34c en 2.34d opgenomen bepalingen en/of verboden. beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Artikel 2.34g Intrekkingsgronden ontheffing Naast de in artikel 1:6 vermelde intrekkings- en wijzigingsgronden kan de op grond van artikel 2:34f
verleende ontheffing ook worden ingetrokken of gewijzigd indien zich feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister 1.
2.
De houder van een inrichting dan wel ieder ander die bedrijfsmatig kamers verhuurd en/of anderszins overnachting aanbiedt of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van Strafrecht, bij te houden.
De burgemeester kan voor het nachtregister een model verplicht voorschrijven.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk
leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke
gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
doen exploiteren.
a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b. 4.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken,
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen,
wettelijk voorschrift.
eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of
verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen of geprepareerde tassen en voorwerpen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn
gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een tas of andere voorwerpen die
er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken te vervoeren of bij zich te hebben.
Artikel 2:45 (Vervallen)
Artikel 2:46 Dragen gevaarlijk voorwerp 1.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het
publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgens artikel 6:2 aangewezen
toezichthouders, dan wel op basis van andere wetgeving aangewezen personen die bevoegd zijn tot het dragen van een wapen ter uitvoering van hun beroep.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. 2.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
zich in een portiek of poort op te houden;
b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een
soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op
een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een
raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt,
kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikelen 2:53 tot en met 2:56 (vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats,
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is
d.
op een openbare plaats als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander
zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
aangelijnd;
identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de
eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort
aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
4.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een
zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek
identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de
openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
2.
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d.
te voeren.
aanwijzingsbesluit gestelde regels;
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:61 Vloekverbod 1.
Het is verboden in het openbaar de naam van God vloekende te gebruiken.
2.
Het is verboden in het openbaar ruwe of onzedelijke taal te gebruiken.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover gedachten of gevoelens worden
geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet of indien het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 en artikel 2:64 (Vervallen)
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en
d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
nummer van het goed;
2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de
2.
van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;
3.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de
bij zijn onderneming behorende vestiging;
rechthebbende verloren is gegaan.
2.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
3.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de
4.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat
onderneming duidelijk zichtbaar zijn; waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 en artikel 2:70 (Vervallen)
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter
beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
2.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of
3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. overlast kan veroorzaken.
onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
2:73a Carbidbussen 1.
Het is verboden op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijk terrein met gebruikmaking van carbid voorwerpen af te schieten: a.
binnen de bebouwde kom
b.
buiten de bebouwde kom op andere tijden dan op 31 december na 10.00 uur en op 1 januari voor
c.
met meer dan vier carbidbussen in georganiseerd verband.
02.00 uur.
2.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor zover de Wet geluidhinder of het Vuurwerkbesluit Wet
3.
Van het in het eerste lid onder c gestelde verbod kan ontheffing worden verleend voor het schieten (in
milieugevaarlijke stoffen van toepassing is.
georganiseerd verband) met vijf of meer carbidbussen in directe nabijheid van elkaar op 31 december. Deze ontheffing dient ten minste vier weken van tevoren te worden aangevraagd bij de burgemeester.
Indien 31 december op een zondag valt, kan de burgemeester ontheffing van het eerste lid onder b en c verlenen, zodat op 30 december in plaats van 31 december in georganiseerd verband met vijf of meer carbidbussen geschoten kan worden.
Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden
met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te
gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen
ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1, 2.16, 2.33, 2.47, 2.48, 2.50, 2.73 en/of 2.73a van de deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare
orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast,
het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht] een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of
openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste twaalf weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.
Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de
openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4.
De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft
aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluid- of geurhinder;
b.
hinder van dieren;
c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of
e.
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Afdeling 13. Het tegen gaan van ondermijning Artikel 2:80 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet
zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:81 Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid, het
woon- en leefmilieu of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke ruimte en/of de daarbij behorende erven bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de ruimte die het betreft.
2.
De burgemeester kan de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid in ieder geval toepassen, als er in
het voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet: a.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen
b.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
c.
d. e.
ontheffing, vergunning of verlof is verleend;
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de
burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw en/of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig
3.
gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.
Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd dat de ruimte
krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit voor publiek 4.
5.
gesloten dient te zijn.
Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering van: a.
de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de gemeente zijn ingeschreven als
b.
logeergasten;
c.
bewoners van de bij de ruimte behorende woning;
hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt vereist.
Artikel 2:82 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2:83 van toepassing is.
2. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.
3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. 4. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Artikel 2:83 Vergunning uitoefening bedrijf 1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:82 aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:82 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f. als niet voldaan is aan de bij of krachtens in artikel 2:84 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het
eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:84 Vergunningaanvraag 1. De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.