CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2c Toelichting 't Harde - Hokseberg II

Raadsvergadering 23 september 2024, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan 't Harde - Hokseberg II27.923 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie

Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt niet in een gebied waar sprake is van een matige of sterke functiemenging. In dit geval wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van circa 95 woningen. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het deelgebied bevinden zich enkele op basis van het huidige planologische regime percelen waar (agrarische) bedrijvigheid is toegestaan (zie tabel 3).

Opgemerkt wordt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de paragraaf geur (5.6) nader op ingegaan. Er is in onderstaande tabel getoetst aan de overige aspecten ‘stof’, ‘geluid’, ‘geur’ (voor niet agrarische bedrijven) en ‘gevaar’ op basis van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de adressen van de locaties en de bijbehorende maximale milieucategorie die binnen de bestemming is toegestaan weergegeven. Verder is de afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak dat bedrijvigheid toe laat tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object (woning) dat op basis van dit bestemmingsplan kan worden gerealiseerd weergeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld Locatie

Bestemming en/of toegestane functie(s)

Max. categorie 3.1

Grootste richtafstand 50 m (geluid)

Afstand tot woning Ca. 140 m

Bovenweg 8 en omgeving, ‘t Harde Koeweg 1a, ’t Harde Stadsweg 27, ’t Harde

‘Recreatie’, (sportieve) recreatie

2 4.1

30 m (geluid) 200 m (geluid)

Ca. 150 m Ca. 150 m

Stadsweg 28-30-32

‘Bedrijf’, autohandel ‘Maatschappelijk’, maatschappelijke doeleinden (o.a. schietvereniging (SBIcode 931) Grondgebonden veehouderij

3.2

Ca. 150 m

Stadsweg 20-22

Intensieve veehouderij (varkens)

4.1

Stadsweg 24-26

Intensieve veehouderij (pluimvee)

4.1

Leisteenstraat 1, ‘t Harde Nijverheidsweg 1222/Industrieweg 9 en omgeving, ‘t Harde

‘Maatschappelijk – onderwijs’

2

30 m (geluid en stof), m.u.v. geur 50 m (geluid), m.u.v. geur 50 m (geluid), m.u.v. geur 30 m (geluid)

‘Bedrijf’, tot en met milieucategorie III

3.2

100 m (geluid

Ca. 400 m

Ca. 260 m Ca. 280 m Ca. 350 m

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel, wordt in voorliggend geval in alle gevallen ruim aan de richtafstanden voldaan, met uitzondering van de schietvereniging aan de Stadsweg 27. Echter is voor de schietvereniging een besluit maatwerkvoorschrift van toepassing, waarin is opgenomen dat moet worden voldaan aan de geluidsvoorschriften van milieucategorie 2. Dat betekent dat de richtafstand voor geluid 30 meter bedraagt. Aan de richtafstand wordt voldaan. Gelet op de afstand tot omliggende milieubelastende functies en het vorenstaande wordt er van uit gegaan dat ter plaatse van de woningen in het deelgebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de aspecten geluid, geur (m.u.v. geuraspecten in relatie tot veehouderijen), stof en gevaar. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmering op voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. 5.6.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.

5.6

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv.

Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.1.3 Geurverordening gemeente Elburg De gemeente Elburg heeft op 14 december 2009 een geurverordening vastgesteld. In die geurverordening zijn voor enkele gewenste ontwikkelingen, waaronder de ontwikkeling in het plangebied, de geurnormen gewijzigd. Gekozen is voor het opsplitsen van de geurnormen, met een maximale geurnorm van 14,0 ouE/m 3. Hierdoor gelden voor het aspect geur geen beperkingen meer voor de ontwikkeling in het plangebied. De aanpassing van de geurnormen gaan niet ten koste van de groeimogelijkheden van omliggende veehouderijen. Het aanpassen van de normen heeft gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de woningen die hierin worden gerealiseerd. De geurimmissie binnen het plangebied bedraagt op basis van de geurverordening 2009 6,5-14 ouE/m3. Het grootste deel van het plangebied heeft een geurbelasting van 6,5 ouE/m3. 5.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de woningen. Zoals blijkt uit de paragraaf milieuzonering (5.5) bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele veehouderijen. In de nabije omgeving van het plangebied is een aantal grondgebonden veehouderijen aanwezig voor "het fokken en houden van dieren zonder geuremissie". In dat geval geldt in een niet-concentratiegebied buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf het emissiepunt tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. De afstand tussen de meest nabijgelegen stal (melkveehouderij bij Stadsweg 32) en het plangebied bedraagt circa 150 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de genoemde afstand. Ook wordt voldaan aan de afstanden voor binnen de bebouwde kom waar in de nieuwe situatie sprake van is. Aan de Stadsweg 20-22 en 24-28 bevinden zich twee veehouderijen. Er is hier sprake van een varkenshouderij met 2.600 dieren en een pluimveehouderij met 160.000 legkippen op respectievelijk circa 260 en 280 meter. Deze bevinden zich op voldoende afstand van de plangebied. Omdat in de geurverordening rekening is gehouden met deze bedrijven, is een nader geuronderzoek niet noodzakelijk. De geurimmissie vanwege deze bedrijven is voor het plangebied in 2009 aanvaardbaar geacht. Bovendien dienen deze bedrijven aan de geurverordening te voldoen.

Verder geldt dat er op kortere afstand van deze bedrijven reeds bestaande geurgevoelige objecten aanwezig, zoals (bedrijfs)woningen van derden en een minicamping. Hiermee dient het bedrijf ook al rekening te houden in zijn bedrijfsvoering. Verder is er geen (agrarische) bedrijvigheid in de directe omgeving aanwezig die van invloed is op de milieusituatie in het plangebied of die in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de beoogde ontwikkeling. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. Tevens worden agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en zal er ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naar de toekomstige bewoners wordt transparant gecommuniceerd over de geursituatie in het plangebied. 5.6.3

Conclusie geur

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hierna wordt separaat ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 550 meter afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de ‘Veluwe’. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofberekening met behulp van de AERIUS-calculator uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten Wanneer de verschillende rekenjaren voor de aanlegfase worden gesaldeerd met de referentiesituatie, is er voor de verschillende rekenjaren van de aanlegfase per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van de aanlegfase is dus geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Wanneer de gebruiksfase van het voornemen gesaldeerd wordt met de referentiesituatie, is er voor de gebruiksfase per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarentegen per saldo sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de het voornemen geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het voornemen, per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is in beide fasen sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld 5.7.2.2 Gelders Natuurnetwerk Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de Groene Ontwikkelingszone (GO) is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. Het plangebied behoort niet tot het GNN of GO. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als GNN liggen op minimaal 500 meter afstand van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de NNN.

Afbeelding 5.2

5.7.3

Ligging plangebied ten opzichte van GNN en GO (Bron: BJZ.nu)

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door BJZ.nu een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgesloten in bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. Vogels Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van vogelnesten dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijke geacht. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute verstoord. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Amfibieën Gezien de doortrek, kan er mogelijk een amfibie (opzettelijk) gedood worden. Nader onderzoek is hierbij niet noodzakelijk. Er wordt wel geadviseerd om een amfibieënscherm te plaatsen om intreding, in verband met doortrek, van de soorten in het gebied te voorkomen. Reptielen Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde reptielen optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde.

Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Overige soorten Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde overige soorten optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Een aantal regels uit de Erfgoedwet zullen te zijner tijd overgaan naar de Omgevingswet. Het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld 5.8.1.2 Situatie plangebied Door de gemeente Elburg is in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Daarbij zijn aanwijzingen gegeven over de manier waarop daar in ruimtelijke plannen mee omgegaan moet worden. Het gaat daarbij om gebieden met hogere en lagere (verwachtings)waarden. Uit de kaart blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een zone waaraan een hoge trefkans is toegekend voor archeologische waarden. De bescherming van deze hoge waarde is in doorvertaald naar het geldende bestemmingsplan middels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde’. Voor het plangebied geldt als gevolg daarvan een onderzoeksplicht bij ontwikkelingen met een oppervlakte vanaf 120 m2. Daarvan is in het plangebied sprake. In het kader van bestemmingsplan Hokseberg fase I zijn reeds archeologische (proefsleuf)onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken geven voor de gronden, aangrenzend aan het onderhavig plangebied, geen aanleiding om een aanvullend onderzoek te verlangen. Er worden in de gronden van fase I geen intacte archeologische waarden meer verwacht. Het deel van fase 1 wordt op advies van de regioarcheoloog zodoende vrijgegeven.

Op grond van de resultaten van het vooronderzoek uit dat reeds heeft plaatsgevonden op het noordoostelijke deel is met het bevoegd gezag afgesproken dat er op het zuidwestelijk deel (onderhavig plangebied) geen bureau-booronderzoek hoeft plaats te vinden. Het vooronderzoek dat is uitgevoerd direct ten noordoosten van het plangebied volstaat. Op basis van de gegevens uit dat vooronderzoek kan er binnen het plangebied direct worden over gegaan tot een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hiertoe is reeds een programma van eisen opgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten moeten eventueel vervolgstappen worden ondernomen. Met het oog op de voorgaande archeologische onderzoeken in het plangebied van fase 1 worden er geen relevante archeologische vondsten verwacht. Echter wordt de geldende archeologische dubbelbestemming opgenomen in dit bestemmingsplan, om zo de (mogelijke) archeologische waarden tot die tijd te beschermen. Hiermee wordt voorkomen dat kan worden gestart met de bouwactiviteiten voordat de benodigde archeologische onderzoek zijn afgerond. Het proefsleuvenonderzoek wordt tijdens de procedure of na de vaststelling van het bestemmingsplan uitgevoerd. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Binnen de begrenzing van het plangebied bevindt zich geen monumentale bebouwing. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland gaan er langs het plangebied twee oude hanzewegen (huidige Stadsweg en Bovenweg). Hanzewegen zijn voormalige handelsroutes tussen steden. Op de kadastrale kaart van 1832 werden de gronden in het plangebied gebruikt als bouwland en bos daarnaast lagen er ook twee erven met bebouwing. Zie hiervoor afbeelding 5.3, waarop het plangebied met de rode omlijning is weergegeven. In de opzet van de nieuwe woonwijk is specifiek rekening gehouden met de groenstructuren in het plangebied. Zo wordt de historische groenstructuur behouden en vastgelegd in het bestemmingsplan.

Op deze manier blijft de cultuurhistorische groenstructuren behouden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld

Afbeelding 5.3

5.8.3

Overzicht historisch grond gebruik in 1832 met op de achtergrond een luchtfoto van 2019 (Bron: hisgis.gelderland.nl)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat nader archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 550 meter afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er per saldo geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000-gebied, aangezien er geen sprake is depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/j. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.10

Duurzaamheid

5.10.1 Nationaal milieubeleidsplan In het vierde nationaal milieubeleidsplan (NMP4) worden ambities geformuleerd op het vlak van duurzaamheid. Deze ambities komen samengevat op het volgende neer. • • •

gezond en veilig leven in een aantrekkelijke leefomgeving; behoud en herstel van vitale natuur, geen aantasting van de (mondiale) biodiversiteit; geen uitputting van natuurlijke hulpbronnen.

Het is daarbij niet de bedoeling dat de realisatie van deze ambities gepaard gaat met maatschappelijk onacceptabele uitkomsten. Zoals in de stedenbouwkundige opzet is weergegeven wordt het plangebied groen ingericht waardoor een veilige en gezonde leefomgeving wordt gecreëerd. Uit hoofdstuk vijf blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor omliggende natuurgebieden en dat er geen onevenredige aantasting is van de natuur binnen het plangebied. De woningen die worden gerealiseerd in het plangebied zullen voldoen aan de meest recente voorwaarden op gebied van duurzaamheid. Zo worden de woningen gasloos opgeleverd. In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling (bijlage 9) is reeds ingegaan op het aspect gebruik van natuurlijke hulpbronnen. 5.10.2 Energieprestatie – BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: • • •

de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%)

Hierbij zal een aparte isolatie-eis gelden voor de buitenkant van een gebouw, de zogenoemde schil, om de energiebehoefte te limiteren (BENG 1). Verder moet de resterende energiebehoefte zo efficiënt mogelijk worden opgewekt (BENG 2). Ten slotte zal de energievraag van een gebouw zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie moeten bestaan (BENG 3). Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zal rekening worden gehouden met de aspecten uit de Energieprestatie – BENG. De nieuw te realiseren nieuwbouw zal moeten voldoen aan de isolatie-eisen op grond van het bouwbesluit waarin de BENG is verwerkt. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de aspecten uit de Energieprestatie – BENG. 5.10.3 Plangebied Het is de ambitie om de hele wijk Hokseberg (fase 1 en fase 2) bij verdere uitwerking energieneutraal en zo duurzaam mogelijk uit te voeren. Daarbij wordt gestreefd naar een circulaire gebiedsontwikkeling. Vraag en aanbod van energie worden hierbij op elkaar afgestemd. De woningen worden duurzaam ontworpen en voldoen aan de geldende BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouwd). De Trias Energetica staat daarbij voorop: 1. 2. 3.

optimaal ontworpen; uitstekend geïsoleerd; gebruik makend van duurzame energieopwekkers zoals warmtepompen en zonnepanelen op de daken van gebouwen.

Daarnaast wordt bij het ontwerpen van de woningen en de wijk rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. De Hokseberg is een groen gebied en blijft een groen gebied. Via een gebiedsgerichte aanpak krijgt de klimaatadaptatie veel aandacht. Zo worden in de wijk veel bomen, gras en groen aangelegd. Regenwater wordt hierdoor opgevangen en vastgehouden, waarmee de effecten van extreme droge en/of natte periodes worden beperkt. Het vele groen zorgt voor een prettige leefomgeving, denk daarbij aan gemeenschappelijke tuinen en een parkachtige omgeving. Het zorgt voor afvang van fijnstof, vermindert mogelijke hittestress, zorgt voor een reductie van stikstof en CO2-gehalte in de lucht en leidt tot een verbetering van de biodiversiteit. De toegepaste verhardingen laten water door en zijn van duurzaam hergebruikt materiaal. De Hokseberg wordt zo veel mogelijk autoluw. De meeste parkeerplaatsen worden op een paar plekken geconcentreerd aangelegd en 'verstopt' in het groen. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor het centraal realiseren van voldoende oplaadpunten voor elektrische auto's en het gebruik van deelauto's. Door de inrichting van het openbare gebied wordt lopen en het gebruik van de fiets zoveel mogelijk gestimuleerd. De bestaande voorzieningen in de directe omgeving en verderop in het dorp zijn lopend en met de voet voor de meeste bewoners goed bereikbaar.

Klimaatadaptatie Onder klimaatadaptief wordt in eerste instantie verstaan het minimaliseren van de energetische footprint van het gebouw door de gebouwvorm en oriëntatie te gebruiken. Waar klimaatadaptief bouwen een sterke stedenbouwkundige vormgever kan zijn, is er bij de Hokseberg voor gekozen om in éérste instantie een prettige woonomgeving te ontwerpen om vervolgens de gebouwen zo vorm te geven dat ze zich klimaattechnisch inbedden in hun locatie. Zo is er een organische structuur ontstaan met vrije bouwvolumes in het groen in divers georiënteerde richtingen. De bouwvolumes zelf kennen een eigen beeldkwaliteit en ‘klimaatkaders’ op basis van de zonoriëntatie. Hierbij wordt er aan de zonzijde ingezet op het weren van warmte en opslaan van energie in periodes van grootte hittestress. De overige gevels worden juist voorzien van middelen om de warmte vast te houden en bieden ruimte aan ecologie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld Warmtepompen Per 1 april 2021 zijn in het Bouwbesluit grenswaarden voor geluid voor warmtepompen opgenomen. Het geluidniveau van een warmtepomp is daarmee op de erfgrens gemaximeerd. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal daar rekening mee gehouden worden. Voorkomen moet worden dat door het plaatsen van meerdere individuele warmtepompen op een relatief kleine locatie alsnog geluidsoverlast door cumulatie kan ontstaan. Voor de installatie, gebruik en bouw van warmtepompen is daarom een vergunningplicht opgenomen. In het kader van het omgevingsvergunningstraject dient door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat de geluidsbelasting door cumulatie geen onevenredige aantasting vormt voor het woon- en leefklimaat van omliggende gronden en gebouwen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de installatiegegevens die op het moment van vaststellen van het bestemmingsplan niet bekend zijn. Het mogelijke optreden van geluidhinder vanwege warmtepompen speelt met name bij de zogenaamde luchtwater warmtepompen. Pas bij de uitvoering zal het type warmtepomp worden geselecteerd, waarbij het aspect geluid mee zal wegen in de selectie. 5.10.4 Conclusie Bij de realisatie van de gebouwen in het plangebied, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen in het Bouwbesluit en lokale ambities.

5.11

Verkeer en parkeren

5.11.1 Algemeen Bij het opstellen van een bestemmingsplan is rekening gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe zijn berekeningen uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROWpublicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. 5.11.2 Situatie plangebied Het voornemen is om een autoluwe woonwijk te creëren. Dit wordt in de visie bereikt door openbare ruimte te scheiden van de logistieke infrastructuur voor de auto's met bijbehorend parkeren.

In de visie wordt voorzien in een ontsluitingsroute die de verschillende parkeerhofjes achter de woningen ontsluiten. In de verdere uitwerking van de plannen wordt ernaar gestreefd om alle kamers binnen Hokseberg middels een centrale ontsluitingsroute onderling te verbinden. Zie hiervoor ook afbeelding 3.1. De te realiseren verdeling is in Hokseberg Fase II als volgt: 28% sociale huur, 11% goedkope koop, 15% betaalbare koop en 46% vrije sector (zie hiervoor ook paragraaf 4.4.2). 5.11.3.1 Parkeren Voor de gemeentelijke parkeerregeling gelden de in september 2014 vastgestelde (inter)gemeentelijke Parkeernota en de door burgemeester en wethouders vastgestelde ‘Nadere regels parkeernormen en hoogte financiële voorwaarde’. Voor parkeren geldt als uitgangspunt dat zoveel mogelijk op eigen erf geparkeerd moet worden. Een bouwplan wordt getoetst aan de algemene bouwregels van voorliggend bestemmingsplan, waarin de eis is opgenomen voor voldoende parkeervoorzieningen. Op basis van de gemeentelijke parkeernota wordt ten aanzien van de parkeerbehoefte uitgegaan van de volgende uitgangspunten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld

Het verkavelingsplan gaat uit van 66 grondgebonden woningen en 26 appartementen. Het bestemmingsplan laat maximaal 95 woningen toe. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de maximale planologische situatie (70 woningen en 25 appartementen). De verdeling van de woningen is niet direct door te vertalen naar de woningtypen uit de parkeernota. Daarom wordt voor de vrije sector uitgegaan van vrijstaande koopwoningen, gaat betaalbare koop uit van de parkeernorm van tussen/hoekwoningen en wordt voor de goedkope koop rekening gehouden met de parkeernorm van goedkope etagewoningen. Dit geeft het volgende beeld: Woningtype

Aantal woningen

Parkeernorm

Parkeerbehoefte

Vrije sector, koop (46%)

44

2,5

110

Betaalbare koop (15%)

14

2,2

30,8

Goedkope koop (11%)

10

1,8

18

Sociale huur (28%) Totaal

27 95

1,8

48,6 207,4

In totaal bedraagt de parkeerbehoefte in fase 2 op basis van de bovenstaande uitgangspunten afgerond 208 parkeerplaatsen. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning(en) voor de bouw van de woningen of appartementen, moet worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid. In het plangebied is voldoende ruimte om aan te voldoen in de parkeerbehoefte. 5.11.3.2 Verkeersgeneratie De te realiseren woningen brengen een bepaald aantal verkeersbewegingen met zich mee. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Elburg (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom.

In de publicatie van het CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Het verkavelingsplan gaat uit van 66 grondgebonden woningen en 26 appartementen. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie dient te worden uitgegaan van de maximale planologische invulling. Het bestemmingsplan laat maximaal 95 woningen toe, dus dat aantal wordt aangehouden bij het bepalen van de verkeersgeneratie. De verdeling van de woningen (zie paragraaf 5.11.2) is niet direct door te vertalen naar de woningtypen uit de CROW. Daarom wordt voor de vrije sector uitgegaan van vrijstaande koopwoningen, gaat betaalbare koop uit van de parkeernorm van tussen/hoekwoningen en wordt voor de goedkope koop rekening gehouden met de parkeernorm van goedkope appartementen. Dit geeft het volgende beeld: Binnen het plangebied wordt één appartementengebouw gerealiseerd. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om – met een omgevingsvergunning en onder voorwaarden - dit gebouw, naast reguliere

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld appartementen, ook in richten als wonen met zorg. In dit geval wordt bij het berekenen van de verkeersgeneratie uitgegaan van reguliere appartementen, aangezien deze woningen een hogere verkeersgeneratie kennen. Daarnaast wordt voor de vrije sector qua verkeersgeneratie uitgegaan van vrijstaande woningen, terwijl een groot deel als twee-onder-een-kap woning (lagere verkeersgeneratie) wordt gebouwd. Oftewel het betreft een worst-case benadering. Dit geeft het volgende beeld: Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld: Functie:

Verkeersbewegingen per woning

Aantal woningen

Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek Koop, appartement, goedkoop Huur, huis, sociale huur Totaal

8,2 7,4 5,6

44 14 10

7,4

27

Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdag (gemiddeld) 360,8 103,6 56 199,8 720,2

De totale worst-case verkeersgeneratie voor de te realiseren woningen komt bij benadering maximaal neer op afgerond 721 verkeersbewegingen per weekdag. Het plangebied wordt ontsloten via een hoofdontsluiting ter hoogte van de kruising met de Bovenweg en de Stadsweg. Ter plaatse wordt een verkeersveiliger kruispunt (met middengeleider) ontworpen en gerealiseerd. Via de Bovenweg en Munnikenweg wordt het plangebied ontsloten op het dorpscentrum, en via de Bovenweg, Wolkamerweg en N309 naar Elburg en de A28. Voor de interne ontsluiting wordt een logische rechte structuur gehanteerd, die de verdeling in de kamers verder versterkt en tegelijkertijd zorgt voor een goede ontsluiting van alle kamers. Dit is ook van belang voor de hulpdiensten. Er is sprake van een tweede aansluiting op de Stadsweg in het gebied van fase 1. Dit betreft een ‘calamiteitenontsluiting’ die door middel van uitneembare palen voor het reguliere autoverkeer wordt afgesloten en kan enkel in geval van een calamiteit door hulpdiensten worden gebruikt. Aan de zuidwestzijde sluit de woonwijk uitsluitend ten behoeve van het langzaam verkeer aan op de Hokseberg. De Hokseberg blijft in gehandhaafd in het gebied en draagt hiermee bij aan de interne structuur van de toekomstige inrichting van het gebied.

5.11.4 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

De provincie Gelderland onderscheidt 3 speerpunten als het gaat om waterbeleid. Ruimte voor water De provincie streeft hier bij voorkeur rivierkundige maatregelen na waarin ruimte voor de rivier wordt gekoppeld aan andere ruimtelijke ontwikkelingen. Indien ruimte voor de rivier noodzakelijk is zal binnendijks gebied aan het winterbed worden toegevoegd. Hiervoor zullen planologische reservering worden ingesteld. Het bovenstaande geldt niet voor de twee locaties. Regionale berging Waterbergingsgebieden zijn een belangrijk onderdeel van het watersysteem. Voornamelijk zijn deze gebieden bedoeld voor het tijdelijk bergen van water uit regionale watersystemen ten tijde van extreme neerslaghoeveelheden. In deze gebieden wordt verstedelijking, de aanleg van bedrijventerreinen etc. uitgesloten. Gemeenten dienen deze waterbergingsgebieden vast te leggen in hun bestemmingsplannen. De percelen vallen niet binnen een dergelijk zoekgebied zoals deze staan weergegeven in het Streekplan Gelderland 2005. Drinkwater In Gelderland zijn een aantal gebieden aangewezen als grondwaterbeschermingsgebieden. Het doel van deze gebieden is er voor te zorgen dat het grondwater op eenvoudige wijze, zonder ingrijpende en kostbare zuivering ervan, kan worden gebruikt voor de bereiding van drinkwater. De locaties liggen niet nabij of binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe en is in november 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Het Programma gaat onder meer in op doelen omtrent waterveiligheid, het watersysteem en de zuivering van water. Verder gaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld het Blauw Omgevingsprogramma in op een vijftal maatschappelijke thema's: waardevolle leefomgeving, klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De hierbij behorende ‘Watertoets’ is opgenomen in bijlage 10 bij deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is omdat bet plan invloed heeft op het watersysteem. Verder raakt het plangebied een grondwaterfluctuatiezone. Doordat er sprake is van een ‘normale procedure’, wordt het waterschap betrokken in de ontwikkeling om te bepalen wat de invloed is en welke maatregelen eventueel kunnen worden genomen. Hierna wordt kort ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied. 6.2.3

Waterhuishoudkundige aspecten

6.2.3.1 Algemeen Water inclusieve bebouwde omgeving Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaaten duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Algemene aandachtspunten ▪

▪

Vasthouden, bergen en afvoeren. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld

▪

ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden, scheiden, schoon maken. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap adviseert om duurzame bouwmaterialen te gebruiken.

6.2.3.2 Toename verharding Het verhard oppervlak in het plangebied neemt toe. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met kans op wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er compenserende maatregelen getroffen worden. Het waterschap stelt eisen voor waterberging wanneer er sprake is van een toename verharding van 1.500 m 2 of meer. Het grondwaterpeil is vrij laag en bevindt zich op een diepte van 1,5 - 3 m onder het maaiveld. Hierdoor staan de aanwezige watergangen voor het grootste deel van het jaar droog. Het introduceren van oppervlaktewater voor het vergroten van de waterberging en als compenserende maatregel, lijkt geen reële optie. In het plan worden wadi’s gerealiseerd, waar het regenwater de mogelijkheid krijgt in de bodem te infiltreren. De wadi’s zullen ingezet worden met een dubbelfunctie van enerzijds waterberging en anderzijds speelnatuur voor de kinderen van de wijk. Daarbovenop zullen de parkeervakken in het plangebied waterdoorlatend zijn.

Zie hiervoor ook het stedenbouwkundig plan in bijlage 1. Het waterschap gaat uit van het principe dat het plangebied “zijn eigen broek moet ophouden”. Vanuit het plangebied mag vanwege de plannen dus geen extra water gaan afvoeren. Als vuistregel geldt dat bij een T=100-neerslaggebeurtenis (87 mm, waarvan 1 mm verdamping) de maximale afvoernorm van 3 l/s/ha (ofwel 26 mm) niet mag worden overschreden. Dit betekent dat de overige 60 mm neerslag (= 87 mm - 1 mm - 26 mm) in het plangebied dient te worden vastgehouden. Een en ander komt er op neer dat er in het plangebied voor elke m2 verhard oppervlak 0,06 m water geborgen dan wel geïnfiltreerd (vastgehouden) dient te worden. Deze eis komt overeen met de gemeentelijke ambitie ten aanzien van klimaatbestendig (her)ontwikkelen zoals opgenomen in het Beleids- en beheerplan Water en Riolering van Gemeenten Hattem, Oldebroek, Elburg en Nunspeet, in samenwerking met Waterschap Vallei en Veluwe. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit enkeerdgronden; fijn zand. Deze gronden zijn goed geschikt voor infiltratie van hemelwater. Op basis van het stedenbouwkundig plan is de benodigde waterberging berekend. In overleg met de gemeente en het waterschap is besloten om het toepassen van infiltratiekratten zoveel mogelijk te voorkomen.

Het uitgangspunt is dat bij benadering 60% van de totaal benodigde waterberging voor de grondgebonden woningen wordt gerealiseerd op eigen terrein, het overige deel wordt gerealiseerd in het openbaar gebied. In het openbaar gebied wordt bij benadering de helft van de totaal benodigde waterberging gerealiseerd middels wadi’s en de andere helft middels een zo natuurlijk mogelijke vorm van infiltratie, bijvoorbeeld door het toepassen van een aquaflowsysteem onder verharding. Bij de civieltechnische uitwerking wordt de bergingsopgave exact uitgewerkt. In het plangebied is voldoende ruimte om verspreid over de locatie te infiltreren. 6.2.3.3 Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het waterschap hanteert het uitgangspunt dat ontwikkelingen grondwaterneutraal worden uitgevoerd. Zij adviseert om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen, zodat grondwateroverlast in de toekomst voorkomen kan worden. Het uitgangspunt bij grondwaterneutraal is dat er in principe geen permanente drainage en afvoer van grondwater

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld uit het gebied mag plaatsvinden. Als de verwachte klimaatveranderingen doorzetten, dan zal de hoeveelheid neerslag toenemen. Ook op de Veluwe zal dit gebeuren en de verwachting is dat daardoor de grondwaterstand zal stijgen. Op de flank van de Veluwe zal er – behalve in bestaand bouwgebied – ook in nieuw in te richten (en her in te richten) gebieden wateroverlast kunnen ontstaan als er geen maatregelen worden genomen. Te denken valt hierbij aan ondergelopen kelders, natte kruipruimten, vocht in huizen/gebouwen, aantasting van wegen en hogere waterpeilen en afvoeren. In het bouwplan wordt hier rekening mee te houden om zo toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. In dit geval wordt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ontworpen, zodat grondwateroverlast in de toekomst voorkomen wordt. 6.2.3.4 Leggerwatergang Het plangebied raakt een leggerwatergang (C-watergang, zie afbeelding 6.1). In de Keur en de legger van het waterschap is informatie vastgelegd over de bestaande watergangen. Het is van belang dat het plan geen negatieve invloed heeft op de aan- en afvoerfunctie van de watergang en de watergang bereikbaar is voor onderhoud. Omdat het een C-watergang is hoeft er geen onderhoudsstrook van 5 meter te worden gehanteerd. Er geldt geen beschermingszone.

Afbeelding 6.1

Uitsnede legger Waterschap

6.2.3.5 Afvalwater Voor de afvoer van afvalwater wordt een pompput in fase I gerealiseerd ter hoogte van de hoofdontsluiting van de wijk. Bij de berekening van de afvalwatercapaciteit is in fase I ook fase II al meegenomen. Het vuilwaterriool verlaat ter plaatse van de hoofdontsluiting de wijk. En wordt aangesloten op de bestaande persleiding in de Bovenweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan ‘t Harde – Hokseberg II Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=b9ca8329-8652-4edb-b562-7c11b72c9577