Bijlage 1b Regels, Toelichting en Bijlagen Elburg - Vossenakker Zuid 2 aangepast
Tekst van het document
Daarnaast geldt dat het bedrijf niet wordt belemmerd op dit punt, omdat het Activiteitenbesluit voor wat betreft de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uitsluitend toetst op het geluid van vast opgestelde toestellen en installaties. Bij inkuilen is daar geen sprake van (alleen mobiele bronnen). Voor wat betreft de maximale geluidniveaus geldt dat er in de nachtperiode een (geringe) overschrijding is van de algemene grenswaarde van 60 dB(A), veroorzaakt door het in- en uitrijden van tractoren/R.M.O.'s in de nachtperiode. De hoogst berekende waarden treden op bij de bestaande woning aan de Oostendorperstraatweg 13. Omdat vracht- en overig landbouwverkeer op de openbare weg (dichter bij de woningen) hogere maximale geluidniveaus veroorzaakt, kunnen de berekende maximale geluidniveaus aanvaardbaar worden geacht. In het milieuspoor is dit eventueel vast te leggen in een maatwerkvoorschrift voor geluid; het voorstel is dan maximale geluidniveaus toe te staan tot 65 dB(A). Bij een minimale geluidwering van 20 dB(A) wordt dan voldaan aan de grenswaarde voor maximale binnenniveaus. Conclusie Oostendorperstraatweg 10a Voor wat betreft het geluid van het agrarisch melkveebedrijf aan de Oostendorperstraatweg 10a zijn er akoestisch geen belemmeringen.
Het wel/of niet aanleggen van een geluidscherm op het bestemmingsvlak heeft enig effect in de dagperiode vanwege de beoordelingshoogte van ho =+1,5 m (geluidschaduw). Op de hogere verdiepingen is er geen effect. Voor wat betreft de maximale geluidniveaus geldt dat er in de nachtperiode een (geringe) overschrijding is van de algemene grenswaarde van 60 dB(A), veroorzaakt door het in- en uitrijden van tractoren/R.M.O.'s in de nachtperiode. De hoogst berekende waarden treden op bij de bestaande woning aan de Oostendorperstraatweg 13. Omdat vracht- en overig landbouwverkeer op de openbare weg (dichter bij de woningen) hogere maximale geluidniveaus veroorzaakt, kunnen de berekende maximale geluidniveaus aanvaardbaar worden geacht. In het milieuspoor is dit eventueel vast te leggen in een maatwerkvoorschrift voor geluid; het voorstel is dan maximale geluidniveaus toe te staan tot 65 dB(A). Bij een minimale geluidwering van 20 dB(A) wordt dan voldaan aan de grenswaarde voor maximale binnenniveaus.
38/554
Vanwege het feit dat de aanleg van een geluidsscherm in het voorgaande bestemmingsplan is opgenomen wordt, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, de aanleg van het geluidsscherm wederom op de verbeelding en in de planregels opgenomen. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.2.3 Algemene conclusie Omdat voor de omliggende bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan, is er sprake van het voldoen aan stap 1 van de VNG-systematiek (inpassing in mogelijk). Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Voor het milieuaspect geurhinder vanwege de nabijgelegen melkveehouderij wordt verwezen naar de paragraaf 4.2.
4.2
Geurhinder (agrarische) bedrijvigheid
4.2.1 Toetsingskader Wet geurhinder en veehouderij (milieu) en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel 4.3. Tabel 4.3 - Overzicht geurnormen Wgv binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën buiten bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën
concentratiegebied max. 3 ouE/m3 min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 14 ouE/m3 min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
niet-concentratiegebied max. 2 ouE/m3 min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m3 min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van: 100 m ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; en 50 m ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.
39/554
Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurverordening gemeente Elburg De gemeente Elburg heeft op 14 december 2009 een geurverordening vastgesteld. In die geurverordening zijn voor enkele gewenste ontwikkelingen de geurnormen gewijzigd. In figuur 4.2 is onderhavig plangebied aangegeven als een van gebieden waarvoor aangepaste geur- en afstandsnormen gelden.
Figuur 4.2 - Weergave ligging plangebied (paarse ster) met de achtergrondbelasting in de toekomstige situatie (bron: geurverordening gemeente Elburg) 4.2.2 Het plangebied Uit figuur 4.2 blijkt dat het onderhavig plangebied is aangewezen als een van ontwikkelingsgebieden (bebouwde kom) waarvoor een aangepaste geur- en afstandsnorm van 6,5 ouE/m3 en 50 m als aanvaardbaar wordt geacht. De afstand tot het bouwvlak bedraagt circa 55 m. Aan de afstandsmaat van 50 m wordt in het voorkomende geval ruimschoots voldaan. Uit voorgaande figuur blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een redelijk goed leefklimaat. Daarbij wordt opgemerkt dat op basis van het geldende bestemmingsplan 'Vossenakker, 2e uitwerking, tevens
40/554
1e wijziging' op deze locatie de bouw van twee geschakelde woningen al mogelijk is (zie paragraaf 1.3). Conclusie Samenvattend is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Het nabijgelegen agrarische bedrijf worden niet belemmerd vanuit de Wgv, ondersteund door de geurverordening van de gemeente Elburg, welke 6,5 ouE/m3 en 50 m als aanvaardbaar acht voor het plangebied (bebouwde kom). Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
4.3
Geluid
4.3.1 Wegverkeerslawaai 4.3.1.1 Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. 4.3.1.2 Het plangebied Geluidsbelasting Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzones (Wet geluidhinder) van de Oostelijke Rondweg en de Oostendorperstraatweg. Om die reden is in het kader van het voorliggende bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 2 opgenomen in de voorliggende toelichting.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB vanwege zowel de Oostelijke Rondweg als de Oostendorperstraatweg niet wordt overschreden. GES-beoordeling voor wegverkeer Bij de uitwerking van het gemeentelijk 'Beleidskader Geluid Hogere Grenswaarde' (2007) is aansluiting gezocht bij de systematiek van de GezondheidsEffectScreening (GES). GES is ontwikkeld om bij ruimtelijke planvorming in beeld te brengen wat de werkelijke gezondheidsrisico's zijn rondom enkele milieufactoren. Op basis van een GES-score kan worden aangegeven wat de (geluids)kwaliteit in een leefomgeving is. De score loopt van 0 tot 8, waarbij een score van 0 zeer goed is en een score van 8 zeer onvoldoende. In onderstaand tabel 4.4, afkomstig uit het 'Beleidskader Geluid Hogere Grenswaarde', wordt per deelgebied aangegeven wat de relatie is tussen de nagestreefde GES-score en de te onderscheiden deelgebieden binnen de gemeente. Voor een woonwijk wordt uitgegaan van GES-score tussen 0 en 2, waarbij sprake is van een zeer goed tot redelijk woon- en leefmilieu.
41/554
Tabel 4.4 - relatie tussen geluid en gezondheid in verschillende deelgebieden (bron: beleidskader Geluid HGW)
In het 'Beleidskader Geluid Hogere Grenswaarde' zijn de scores voor industrielawaai en voor weg- en railverkeer weergegeven. Voor het voorliggend plangebied zijn alleen de GES-scores vanwege het wegverkeer relevant, zie tabel 4.5. Tabel 4.5 - Geluidsbelasting en GES-scores voor wegverkeer (bron: beleidskader Geluid HGW)
Uit het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 2 van de voorliggende blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB vanwege zowel de Oostelijke Rondweg als de Oostendorperstraatweg niet wordt overschreden. Dat betekent volgens tabel 4.5 dat er sprake is van een GES-score 1. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van het plan mogelijk is binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Een hogere waarde procedure is dan ook niet aan de orde. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
42/554
4.3.2 Spoorweglawaai 4.3.2.1 Toetsingskader Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming wordt mogelijk gemaakt binnen de geluidszone van een spoorlijn, moeten de plannen op grond van de Wet geluidhinder worden getoetst aan de geluidsnormen, zoals opgenomen in het Besluit geluidhinder. De Spoorlijn Harderwijk-Zwolle, gelegen aan de andere zijde van de A28, ligt op een afstand van ruim 4,2 km van het plangebied. Spoorwegen met een geluidszone langs de spoorlijn staan aangegeven op de geluidsplafondkaart of de zonekaart. Op grond van het dichtstbijzijnde geluidsproductieplafond (63,1 dB) bedraagt de zonebreedte 300 m aan weerszijden van de spoorlijn. 4.3.2.2 Het plangebied Het plangebied ligt ruim buiten de geluidszone van de spoorlijn Harderwijk-Zwolle en de A28. De spoorlijn is in het akoestisch onderzoek buiten beschouwing gelaten. Conclusie Aangenomen wordt dat het spoorweglawaai geen belemmering oplevert voor de beoogde plannen. 4.3.3 Geluid warmtepompen 4.3.3.1 Toetsingskader Warmtepompen, en dan met name lucht-/water warmtepompen, kunnen geluid produceren. In artikel 3.8, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking (dus ook Airco's).
Op de perceelsgrens mag het geluidniveau niet meer bedragen dan 40 dB(A), bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en het gestelde in bijlage VIII bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Op basis daarvan geldt dat indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB, wat betekent dat 45 dB(A) is toegestaan. 4.3.3.2 Het plangebied Op grond van het voorliggende bestemmingsplan wordt de bouw van maximaal drie woningen mogelijk gemaakt. In of rond een nieuwe woonwijk kan een cumulatief effect ontstaan vanwege alle individuele warmtepompen. Dit effect is locatiespecifiek en afhankelijk van de per woning te installeren installatie en daarmee op voorhand niet te kwantificeren. Gezien de eisen op de perceelsgrens wordt er geen relevant cumulatief effect verwacht. Een toetsing van dit aspect kan niet eerder plaatsvinden dan ten tijde van de aanvraag van een omgevingsvergunning om te bouwen. Conclusie Aangenomen wordt dat het lawaai vanwege warmtepompen geen belemmering oplevert voor de beoogde plannen.
43/554
4.4
Bodem
4.4.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.4.2 Het plangebied Voor het bestemmingsplan zelf hoeft geen nieuw bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Uit de voorgaande onderzoeken uit 2005 en 2015 (zie bijlagen 3 en 4) blijkt dat ook de in geel aangegeven locaties globaal gezien geschikt zijn voor de bestemming wonen.
Figuur 4.3 - Onderzoekslocatie Echter, voor de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen van de te bouwen woningen zal nog wél bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden, omdat daarvoor recente bodemgegevens nodig zullen zijn van de boven- en ondergrond en het grondwater. Tijdens het actualisatieonderzoek uit 2015 zijn ter hoogte van de in geel aangegeven bouwkavels 4 ondiepe boringen gezet (tot 50 cm onder maaiveld) en geanalyseerd. Dat betekent dat de laatste gegevens van de ondergrond en het grondwater ter hoogte van de toekomstige
44/554
nieuwbouwlocaties uit 2005 stammen en gemiddeld mogen bodemgegevens voor het beoordelen bij nieuwbouw niet ouder zijn dan 5 jaar. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Water
4.5.1 Het toetsingskader Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de watertoets. Sinds 1 november 2003 is de watertoets voor alle ruimtelijke plannen verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets (bijlage 6) is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Daarnaast heeft de gemeente het Beleids- en Beheerplan Water en Riolering. Hierin wordt een waterberging van 60 mm per m2 verhard oppervlak gevraagd. 4.5.2 Het plangebied Het plangebied is gelegen in het beheergebied van waterschap Vallei & Veluwe. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van drie woningen. Ook wordt een speeltuin en parkeerplaatsen aangelegd. In totaal wordt er minder dan 1.500 m2 aan verhard oppervlak toegevoegd. Gelet op het resultaat van de watertoets is het plan, vanuit de waterhuishouding bezien, niet van belang voor het waterschap.
Wel dient aan de gemeentelijke waterbergingseis te worden voldaan. Het plangebied maakt onderdeel uit van de totale nieuwbouwwijk Vossenakker-Zuid. Hiervoor is in het kader van het (moeder)bestemmingsplan uit 2007 een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder een bodemkundig en hydrologisch onderzoek en een waterstructuurplan, zie bijlage 5. In de wijk zijn wadi's aangelegd waarop ook deze kavels via het infiltratieriool kunnen lozen. Tevens kunnen de woningen in de tuinen mogelijk zelf voorzien in infiltratievoorzieningen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1 Het toetsingskader Bij elk ruimtelijk plan moet, in verband met de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet Natuurbescherming (Wnb). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
45/554
Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van
46/554
nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Ten behoeve van het bestemmingsplan is door Bureau FaunaX een quickscan opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in beeld te brengen. De rapportage 'Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Vossenakker-Zuid te Elburg' is als bijlage 7 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. 4.6.2 Het plangebied: soortenbescherming 4.6.2.1 Quickscan Wnb In de quickscan is aandacht besteed aan uiteenlopende soorten. In onderstaand overzicht worden de potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In tabel 4.6 zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn.
Tabel 4.6 - Overzicht van potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied
47/554
Mits men zich aan de hieronder volgende aanbevelingen houdt, kan het project doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming: Algemeen voorkomende broedvogels Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden, in de bomen, bosschages, bebouwing binnen of grenzend aan het plangebied. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Het onderzoeksbureau adviseert daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Al dan niet afhankelijk van klimatologische omstandigheden kunnen sommige soorten eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is dat een broedgeval altijd beschermd is. Indien de werkzaamheden niet buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden, wordt geadviseerd de werkzaamheden onder begeleiding van een ecoloog uit te voeren. Steenuil (essentieel territorium) Het plangebied vormt mogelijk een onderdeel van het territorium van een nest uit 2018. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het functioneel leefgebied van de soort kunnen derhalve niet op volledig worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om nader onderzoek naar steenuil om vast te stellen/ uit te sluiten of het nest nog bezet is en of het plangebied nog onderdeel uitmaakt van een actief territorium.
Het nader onderzoek dient uitgevoerd te worden door middel van twee/drie bezoeken tijdens de avondschemer gedurende het jaar maar bij voorkeur in de periode 15 februari – 15 april, waarbij geluidsopnames van steenuil baltsroepen worden afgespeeld bij potentiële nestlocaties (bron: Kennisdocument Steenuil, BIJ12). Wanneer er een actief nest van steenuil wordt vastgesteld, kan er een effecten analyse van toepassing zijn om te bepalen of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor het functioneel leefgebied van de soort. Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht Er komen in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid niet beschermde of vrijgestelde soorten voor, zoals verschillende soorten zoogdieren en amfibieën. Voor schade aan deze soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. 4.6.2.2 Nader onderzoek Wnb Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wnb is een nader onderzoek uitgevoerd om de aanwezigheid van essentieel foerageergebied van steenuil vast te stellen, dan wel uit te sluiten.
Het rapport 'Nader Onderzoek Wet natuurbescherming Ontwikkeling Vossenakker Zuid te Elburg' is als bijlage 8 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de rapportage blijkt dat bij het nader onderzoek naar de steenuil tijdens twee van de drie bezoeken baltsroepen van de steenuil uit oostelijke richting werden gehoord. Ook werd de steenuil eenmalig waargenomen in een boom ten zuiden van het plangebied. In de rapportage is een ecologische functiekaart opgesteld (zie figuur 4.4). In de functiekaart is het maximale leefgebied van de waargenomen steenuil aangegeven met een cirkel met een straal van 200 meter (12 ha) rondom het gebied waar zich vermoedelijk een nest- of rustplaats van deze soort bevindt. In totaal komt dit neer op een gebied met een straal van 300 meter. Geschikt leefgebied voor steenuil is binnen deze cirkel aangegeven met blauwe vlakken. De totale oppervlakte van het plangebied is slechts 2,5% van het totale geschikte
48/554
leefgebied van steenuil in de omgeving.
Figuur 4.4 - Ecologische functiekaart van de omgeving van het plangebied als leefgebied van steenuil (bron: Nader onderzoek Wnb, Faunax) Als gevolg van het planvoornemen zal 2,5% van het geschikte leefgebied van een steenuil verloren gaan. Volgens het onderzoek gaat dit niet gepaard met significant negatieve effecten op een nest- of rustplaats van steenuil in de omgeving van het plangebied. Voor deze soort hoeft derhalve geen ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen werkzaamheden niet gepaard gaan met significant negatieve effecten op het leefgebied van een steenuil in de omgeving hiervan. Er zijn in het kader van de Wet natuurbescherming geen vervolgstappen benodigd voor steenuil. Overige adviezen uit de Quickscan Wnb (zie paragraaf 4.6.2.1), zoals het werken buiten de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 juli) blijven van kracht. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. 4.6.3 Het plangebied: gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie, die onderdeel uitmaakt van de quickscan, zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN, voormalig EHS), Natura 2000 of andere vormen van gebiedsbescherming (bron: Geoportaal provincie Gelderland).
4.6.4 Stikstofdepositie In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase van drie nieuwbouwwoningen op de hoek van de Kruidenlaan en de Enkweg in Elburg en de realisatie van een speeltuin. De rapportage is als bijlage 9 in de toelichting opgenomen.
49/554
Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 6 november 2023) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden die binnen 25 kilometer van het plangebied zijn gelegen betreffen Veluwe, Veluwerandenmeer, Ketelmeer & Vossemeer, Rijntakken, Zwarte meer, Olde Maten & Veerslootslanden, Uiterwaarden zwarte Water en Vecht. Alleen het natura 2000-gebied Ketelmeer & Vossemeer is niet overbelast door stikstof, de andere Natura 2000-gebieden ervaren wel overbelasting van stikstof. Voor de aanlegfase is rekening gehouden met het aantal verkeersbewegingen voor de aan- en afvoer van materiaal en machines voor de bouw van de woningen en de speeltuin. Aanvullend is ook rekening gehouden met het vervoer van personeel. Omdat de gronden al bouwrijp zijn is alleen rekening gehouden met de bouwfase; grondwerk is al verricht. Voor de exploitatiefase is uitgegaan van drie gasloze woningen: er is dus geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de woningen. Voor het extra aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de kengetallen van het CROW (CROW publicatie 381). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde.
Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) 4.6.5
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteit en nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling heeft tevens geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Kwetsbare of beperkt kwetsbaar object De realisatie van de drie woningen en de speeltuin dienen in het kader van externe veiligheid te worden afgewogen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten: de vrijstaande woningen worden aangemerkt als nieuwe kwetsbare objecten omdat sprake is van een woningdichtheid van meer dan twee woningen per hectare (artikel 1, lid 1 sub l onder a, van het Bevi); de speeltuin wordt aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object (artikel 1, lid 1 sub b onder e, van het Bevi). Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang als het relevant wordt om te bepalen of er sprake is van een grenswaarde of een richtwaarde.
50/554
Besluit externe veiligheid inrichtingen Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het PR en het GR: het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur; het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting).
Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De 'Wet basisnet' is een heel stelsel van wetten en regels.
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling
51/554
is in lijn met het Bevi. Circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid' in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom lpg-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een lpg-tankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (PR en GR), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom lpg-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een lpg-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een lpg-tankstation. Beleidsvisie externe veiligheid Veluwe Noord In de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeenten in de regio Veluwe-Noord (Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) is aan de hand van drie thema's beschreven hoe de gemeenten in de regio Noord-Veluwe omgaan met externe veiligheid.
De beleidsvisie biedt de gemeenten de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Grote delen van het grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten liggen binnen het invloedsgebied van risicobronnen, waardoor bij veel ruimtelijk besluiten een verantwoording van het GR vereist is. Een risicoloze maatschappij bestaat niet; een bepaald risiconiveau moet geaccepteerd worden. Maar welk niveau is dan te verantwoorden? Wie bepaalt dit? En wie draagt deze verantwoordelijkheid? Omgaan met externe veiligheid betekent ook het maken van keuzes. Het thema 'keuzes maken' heeft als doel het opstellen van uniforme ruimtelijke zones die aangeven wat de gemeenten wel en niet wensen in bepaalde zones. Hierdoor kunnen beleidskwesties in samenhang en op de juiste schaal beoordeeld worden en wordt ad hoc-besluitvorming voorkomen. Ook heeft de beleidsvisie tot doel de elementen van groepsrisicoverantwoording te uniformeren waardoor niet per locatie (besluit) de wijze van uitvoering bedacht hoeft te worden. 4.7.2 Het plangebied Op basis van de publieke risicokaart zijn de aanwezige risicobronnen geïnventariseerd. In navolgende figuur 4.5 is de situering van het plangebied (blauwe ster) ten opzichte van deze risicobronnen grafisch weergegeven.
52/554
Figuur 4.5 - Ligging risicobronnen ten opzichte van plangebied (blauwe ster) (bron: www.risicokaart.nl) 4.7.2.1 Risicovolle inrichtingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die onder het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde inrichting bevindt zicht ten westen van het plangebied en betreft een tankstation met lpg. De afstand tot dit tankstation bedraagt circa 1,1 kilometer. Het plangebied is gelegen buiten de PR-contouren die het tankstation kent. Overige inrichtingen liggen op nog grotere afstand van het plangebied. Gezien de grote afstand tot deze dichtstbijzijnde inrichting worden geen belemmeringen verwacht. 4.7.2.2 Route gevaarlijke stoffen Naast risico's vanwege risicovolle inrichtingen, moet ook rekening worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij is van belang dat de A28 en de Eperweg/N309 (route van A28 naar Elburg) worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De A28 valt onder het Bevt. Dit betekent dat bij een toename van de bevolking binnen de risicocontour van 200 m langs de weg het GR verantwoord moet worden. Het onderhavige plangebied ligt ruim buiten die risicocontour (i.c. op ruim 5 km van de A28 en op circa 440 m van de N309). Er is geen noodzaak voor onderzoek. De spoorlijn Amersfoort-Zwolle heeft volgens de risicokaart een invloedsgebied van 4 km.
De afstand tot het plangebied bedraagt bijna 4,2 km. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van de risicokaart is een verantwoording van het GR nodig. Uit de beleidsvisie externe veiligheid Veluwe-Noord blijkt echter dat een verantwoording van het GR noodzakelijk is vanwege het risico op een toxische wolk wanneer de planlocatie binnen 1,5 km van de risicobron is gelegen. Het plangebied ligt buiten deze zone waardoor een verantwoording van het GR niet noodzakelijk wordt geacht. Bovendien is de A28 een weg zonder veiligheidszone, waardoor het PR (PR 10-6) van die weg geen beperkingen oplevert. Ook dit aspect hoeft niet nader onderzocht te worden. Daarnaast is geen sprake van plasbrandaandachtsgebied, de risicocontour hiervan is 30 m rond de weg. Het
53/554
plangebied ligt ook hier ruim buiten. Het vervoer van gevaarlijke stoffen en het daardoor veroorzaakte PR leveren daarom voor het bestemmingsplan geen beperkingen op. 4.7.2.3 Hoofdgastransportleidingen Ten zuidwesten van het plangebied op een afstand van ruim 2,4 km bevindt zich een aardgastransportleiding van de Gasunie (NEN 3650-leiding). Het betreft buisleiding A-570-01. Ook bevindt zich een vergelijkbare leiding ten zuidoosten van het plangebied (ruim 2,3 km). Gezien de grote afstand tussen het plangebied en beide buisleidingen worden er geen belemmeringen verwacht. Het GR voor beide buisleidingen hoeft niet berekend of verantwoord te worden. 4.7.2.4 Advies Veiligheidsregio Noord- Oost-Gelderland Van de Veiligheidsregio Noord- Oost- Gelderland (VNOG) wordt in het kader van het vooroverleg advies gevraagd over zaken betreffende de algemene fysieke veiligheid van het ontwerp. Het advies is als bijlage 10 in de toelichting opgenomen. In het advies van de VNOG wordt aangegeven dat met de conclusie die in de toelichting is opgenomen kan worden ingestemd. Naar aanleiding van het aanvullend advies van de VNOG is contact geweest met de lokale accounthouder met betrekking tot de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Geconstateerd is dat het voorliggend plangebied deel uitmaakt van het totale project Vossenakker-Zuid.
De bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen voor de totale wijk zijn destijds al beoordeeld en akkoord bevonden. De bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zijn voor het voorliggende plangebied derhalve op orde. Conclusie Vanuit het aspect 'externe veiligheid' is er geen sprake van een belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Het toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
54/554
Tabel 4.7 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: 1. een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); 2. een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. 4.8.2 Het plangebied In de beoogde situatie worden drie nieuwbouwwoningen en een speeltuin gerealiseerd. De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat 'niet in betekenende mate' van invloed is op de luchtkwaliteit.
De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee vaak een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden (cultuurhistorie) en op het erfgoed onder de grond (archeologie).
55/554
4.9.1 Archeologie 4.9.1.1 Het toetsingskader Op grond van de Erfgoedwet moet in ruimtelijke plannen rekening gehouden worden met bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.9.1.2 Het plangebied Inventariserend veldonderzoek archeologie Voor het geldende bestemmingsplan 'Vossenakker' is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Arcadis, Inventariserend veldonderzoek archeologie Elburg Vossenakker, mei 2005). Ook het voorliggende plangebied is in dit onderzoek meegenomen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Uit dit onderzoek zijn drie gebieden naar voren gekomen die nader onderzocht moesten worden. Slechts een fractie van deze gebieden valt binnen het voorliggende plangebied.
De aanbevelingsgebieden zijn weergegeven op figuur 4.6.
56/554
Figuur 4.6 - Kaart behorend bij inventariserend veldonderzoek met daarop aanbevelingsgebieden Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Vervolgens is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd (De Steekproef, Een inventariserend Archeologisch Veldonderzoek middels proefsleuven, Rapport 2006-01/05, februari 2006). In bijlage 12 van deze toelichting is dat onderzoek toegevoegd. De proefsleuven zijn gegraven binnen aanbevelingsgebieden 2 en 3. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische waarden van belang vastgesteld binnen het zuidelijk deel van Vossenakker. In totaal zijn er vijf mogelijke laatste restanten van paalkuilen ontdekt, verdeeld over drie putten. Eén paalkuil dateert uit de Nieuwe tijd, van de overige sporen is de datering onbekend. De structuren waarvan deze sporen ooit deel uitmaakten zijn niet meer aangetroffen. De weinige vondsten dateren uit de Nieuwe tijd en zijn in het esdek aangetroffen. Slechts een vondst, een fragment baksteen, is afkomstig uit een paalkuilrestant. De vindplaats is 'niet behoudenswaardig' gewaardeerd aan de hand van de KNA scoretabel. Bij de voorliggende ontwikkeling is dan ook geen sprake van aantasting van archeologische waarden. Er is dan ook geen reden tot vervolgonderzoek.
57/554
Conclusie Ter voorbereiding op het voorliggende bestemmingsplan plan is overleg geweest met de regio-archeoloog met betrekking tot het aspect 'archeologie'. Uit het overleg is gebleken dat de conclusie uit de bovengenoemde rapporten nog steeds voldoende actueel zijn voor het voorliggende plangebied. Er zijn binnen het plangebied geen archeologische waarden aanwezig, er is geen aanvullend onderzoek nodig.
4.9.2 Cultuurhistorie Historische (steden)bouwkundige waarden In het plangebied bevinden zich geen bouwwerken met cultuurhistorische (steden)bouwkundige waarden. Direct buiten het plangebied is de woning Oostendorperstraatweg 13 een gemeentelijk monument. Het plangebied is gesitueerd 'achter' deze woningen. In de huidige situatie heeft het plangebied al uit te werken woonbestemmingen. De cultuurhistorische waarden van dit object wordt met de voorliggende plannen niet aangetast. Historische structuren en patronen Medio 1900 is langs de Oostendorperstraatweg een boerderijenlint ontstaan. Deze slingerende weg vormt samen met de bebouwing en het opgaande groen een ruimtelijke scheiding tussen de hoge en lage gronden. Op de kaart is dit af te lezen aan de verschillende kavelrichtingen aan de oostzijde (lage gronden) en de westzijde (hoge gronden) van de Oostendorperstraatweg. De karakteristieken zijn van cultuurhistorische betekenis en maken dat de ontstaansgeschiedenis heden ten dage afleesbaar is in de landschappelijke en bebouwingsstructuur.
Bij de planvorming van het gebied Vossenakker is niet alleen uitgangspunt geweest dat de karakteristiek van de Oostendorperstraatweg zo veel mogelijk gehandhaafd blijft, maar dat tevens een drietal monumentale boerderijen, gelegen aan de oostzijde van de Oostendorperstraatweg in het verlengde van de Kruidenlaan met het bijbehorende groen (verderop ten noordoosten van het plangebied), beeldbepalend blijven. De cultuurhistorische waarden van het boerderijlint wordt met de voorliggende plannen niet aangetast. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Trillingen In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar trillingsbronnen en de mogelijke overlast daarvan. Bij nieuwbouw binnen 100 m van een spoorweg kan trillinghinder relevant zijn (overschrijding streefwaarde Vmax = 0,1). In bijzondere situaties (grondopbouw of bekende klachten) kan onderzoek tot op 250 m noodzakelijk geacht worden. In het voorliggende geval ligt het spoor op ruim 4,1 km afstand, waarbij de gehele kern 't Harde tussen het plangebied en de spoorlijn ligt. Aangenomen wordt dat mogelijke trillinghinder vanwege het spoor niet nader onderzocht hoeft te worden.
58/554
4.11 Kabels en leidingen Naast de eerder genoemde gasleidingen (zie paragraaf 4.7.2.3) zijn in en direct rond het plangebied geen andere ruimtelijk van belang zijnde kabels en leidingen aanwezig. Voor de nieuwbouw moeten mogelijk nieuwe kabels en leidingen worden aangelegd. Hiermee moet in de uitvoeringsfase van het plan rekening worden gehouden.
4.12 Duurzaamheid en energie 4.12.1 Het toetsingskader Nederland is bezig met een energietransitie van fossiele naar meer duurzame energiebronnen. In dit kader is op 1 juli 2018 de Wet Voortgang Energietransitie in werking getreden (Wet VET). Met deze wet is de Gaswet gewijzigd, waardoor onder de 40 m³ doorlaatwaarde per jaar netbeheerders nieuwe gebouwen niet meer op het gasnet mogen aansluiten. In de praktijk betekent dit dat nieuwe woningen en (kleinere) bedrijfsgebouwen gasloos moeten worden gebouwd. Dit betekent dat voor het in dit bestemmingsplan voorziene project moet worden omgezien naar alternatieven voor verwarming en andere energievoorziening. Hiervoor is een mix van oplossingen mogelijk. Gelet op de strengere energieprestatienormen moeten nieuwe gebouwen beter worden geïsoleerd. In combinatie met zonnepanelen of -collectoren op daken, vloerverwarming, meer apparatuur op elektriciteit, (lucht)warmtepompen is doorgaans gasloos bouwen goed mogelijk. Hiermee kan het project uitvoerbaar worden geoordeeld. 4.12.2 Het plangebied Het is de ambitie om Vossenakker Zuid 2 bij verdere uitwerking energieneutraal en zo duurzaam mogelijk uit te voeren. Daarbij wordt gestreefd naar een circulaire gebiedsontwikkeling. Vraag en aanbod van energie worden hierbij op elkaar afgestemd.
De woningen worden duurzaam ontworpen en voldoen aan de geldende BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouwd). De Trias Energetica staat daarbij voorop: 1. optimaal ontworpen; 2. uitstekend geïsoleerd; 3. gebruik makend van duurzame energieopwekkers zoals warmtepompen en zonnepanelen op de daken van gebouwen. Daarnaast wordt bij het ontwerpen van de woningen en de wijk rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. Conclusie In het bestemmingsplan wordt niet bij voorbaat aangegeven welke mogelijkheden moeten worden gekozen. De regeling in het bestemmingsplan geeft voldoende ruimte voor voorzieningen om gasloos te kunnen bouwen.
59/554
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en de m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en de mogelijk mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen 6 weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
4.13.2 Het plangebied Gezien de omvang van het project wordt de ontwikkeling gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D.11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer, een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m² of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Kenmerken van het project Het bestemmingsplan voorziet in een beperkte toevoeging van woningen. In totaal worden drie woningen planologisch mogelijk gemaakt. In paragraaf 2.3 wordt nader ingegaan op de gewenste situatie. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Plaats van het project Het plangebied vormt de afronding van de woonwijk Vossenakker. Zo sluit het plangebied aan de zuidkant direct aan op de het reeds gerealiseerde deel van de woonwijk. In de directe nabijheid van het nieuwe woongebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig.
60/554
Kenmerken van het potentiële effect Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden, dat de nieuwe ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben op bestaande natuur- en/of landschapswaarden. Ook worden geen cultuur-historische en/of archeologische waarden aangetast. Door de nieuwe ontwikkelingen worden bestaande bedrijven in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt. De bodem en het grondwater zijn geschikt voor de beoogde functie. Voor de bouwaanvraag zal opnieuw bodemonderzoek worden uitgevoerd. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Mitigerende maatregel Als gevolg van het melkveebedrijf aan de Oostendorperstraat 10a zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Door de realisatie van de woningen wordt dit bedrijf in zijn bedrijfsvoering beperkt. Echter, de woningen hoeven niet beperkend te zijn voor wat betreft het onderdeel geluid, mits een geluidwerende voorziening wordt gerealiseerd. Derhalve is het in de planregels van dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt om een geluidsscherm te realiseren.
Een geluidsscherm van 2,10 m in combinatie met de karakteristieke geluidwering van gevels en daken ter plaatse van geluidgevoelige ruimten voldoet aan de gestelde grenswaarden uit het Bouwbesluit. Door deze mitigerende maatregel toe te passen, kunnen negatieve effecten op de omgeving worden uitgesloten. Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een formele m.e.r-procedure te doorlopen.
61/554
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
In de voorgaande hoofdstukken zijn de in het plangebied voorkomende functies, de ontwikkelingen daarbinnen én de uitgangspunten ten aanzien daarvan aan de orde gesteld. Het beschreven beleid krijgt zijn juridische vertaling in bestemmingen. Deze bestemmingen regelen de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plan. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen, zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding van het plan. Het bestemmingsplan geeft dus aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd en wat daarvoor (on)mogelijk is.
5.1
Wro en Wabo
Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is opgezet volgens de wettelijke regelgeving en qua systematiek volgens de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (versie 2012), met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het plan is digitaal raadpleegbaar uitgevoerd. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties.
5.2
De bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die in dit plan voorkomen. Bij de bestemmingen wordt een toelichting gegeven op de inhoud van de daarbij horende regels. 5.2.1 Groen Binnen de groenbestemming zijn naast de groenvoorzieningen wandel- en fietspaden, in- en uitritten en ook watervoorzieningen toegestaan. 5.2.2 Recreatie - Speelvoorziening De bestemming 'Recreatie - Speelvoorziening' heeft betrekking op de speellocatie in het oostelijk deel van het plangebied. Binnen die bestemming zijn speelvoorzieningen mogelijk. 5.2.3 Tuin De bestemming heeft de functie tuin als hoofdfunctie. Daarnaast zijn echter andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en parkeervoorzieningen mogelijk. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk. 5.2.4 Verkeer - Verblijfsgebied Binnen het plangebied liggen twee straten (de Kruidenlaan en de Enkweg). Hierop is de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied' van toepassing. Aan beide straten bestaat er de mogelijkheid om te parkeren. Binnen de bestemming zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan van maximaal 8,50 m.
62/554
5.2.5 Wonen De hoofdfunctie van de bestemming is wonen. Daarnaast zijn parkeervoorzieningen, gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven mogelijk. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk. Ten behoeve van een verplicht te realiseren geluidswal achter de beoogde woningen (zie paragraaf 4.1.2.2) is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - scherm' opgenomen. Op de verbeelding van het plan is het bouwvlak en de goot- en bouwhoogten aangeduid. Voor de hoofdgebouwen (de woningen) is bepaald dat deze in het aangeduide bouwvlak gebouwd moeten worden. Tevens wordt op de verbeelding aangeduid hoeveel woningen er per bouwvlak zijn toegestaan.
63/554
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In de bestemmingsplanprocedure, zoals die is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is inspraak niet verplicht, tenzij het door middel van een Inspraakverordening verplicht is gesteld. Vooroverleg vindt verplicht plaats, volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
6.1
Inspraak
Ten behoeve van de voorbereiding van het voorliggende plan is op woensdagmiddag 15 juni een inloopmiddag georganiseerd op de planlocatie. In een stand aan de Kruidenlaan zijn twee stedenbouwkundige modellen gepresenteerd en twee modellen voor de speeltuinlocatie. Direct aanwonenden waren middels een brief uitgenodigd met de vraag om actief mee te denken met de plannen en een voorkeur uit te spreken voor een van de modellen. Nadrukkelijk is gevraagd om ook de kinderen mee te nemen en hen te laten vertellen hoe zij de herontwikkeling van de speeltuin voor zich zien. De bewoners hebben ideeën opgeschreven op basis waarvan een van de stedenbouwkundige ontwerpen is gekozen. In bijlage 13 is een samenvatting van de opbrengst van de inloopmiddag opgenomen. Het stedenbouwkundig ontwerp, zoals weergegeven in paragraaf 2.3, vormt de basis voor dit bestemmingsplan. Overige ideeën worden meegenomen in de verdere planvorming. De herinrichting van de speeltuin wordt momenteel verder uitgewerkt, de exacte invulling is in principe niet relevant voor dit bestemmingsplan.