Agendabundel
Tekst van het document
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
30
vraaggestuurd worden ingezet voor parkeren. Om te monitoren of er sprake is van autonome groei is met de initiatiefnemer overeengekomen dat om de 10 jaar een parkeeronderzoek wordt uitgevoerd. Onderstaande afbeelding geeft de 126 parkeerplaatsen (blauwe vlakken) en de ruimte voor een mogelijke uitbreiding tot 151 parkeerplaatsen (grijze vlak aan noordzijde) weer.
Parkeren eindsituatie, totaal 126 parkeerplaatsen met ruimte voor uitbreiding tot 151 parkeerplaatsen, versie oktober 2023 (bron: adviesbureau Haver Droeze Fietsparkeren Op basis van de uitgangspunten voor fietsparkeren zoals verwoord in paragraaf 2.5 van het parkeeronderzoek dienen op het eigen terrein in de eindsituatie 75 fietsparkeerplaatsen aanwezig te zijn. Gezien de doelstelling van de initiatiefnemer om het fietsgebruik van de medewerkers van De Voord te stimuleren en het autogebruik te ontmoedigen is er voor gekozen om 112 fietsparkeerplaatsen te realiseren. Parkeren tijdens gefaseerde ontwikkeling Het aantal gebruikers van de locatie blijft tot de laatste fase, de fase waarin de 24 appartementen worden toegevoegd, gelijk aan de bestaande situatie. Omdat het een tijdelijke situatie betreft en omdat het plangebied tijdens de gefaseerde ontwikkeling beperkte ruimte biedt, wordt voorgesteld om tijdens deze fasen te voorzien in de parkeerbehoefte van de parkeertelling met de hoogste bezetting van 87 parkeerplaatsen. Pas in de laatste fase en hiermee de eindsituatie dient de parkeerbehoefte van de 24 appartementen van afgerond 39 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Onderstaande afbeeldingen geven de parkeermogelijkheden tijdens de gefaseerde ontwikkeling weer.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
31
Parkeren fase 1 (realisatie voorvleugel), totaal 99 parkeerplaatsen, versie oktober 2023 (bron: adviesbureau Haver Droeze
Parkeren fase 2 (realisatie rechter vleugel), totaal 108 parkeerplaatsen, versie oktober 2023 (bron: adviesbureau Haver Droeze
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
32
Parkeren fase 3 (realisatie linker vleugel), totaal 120 parkeerplaatsen, versie oktober 2023 (bron: adviesbureau Haver Droeze Op basis van de inrichtingstekeningen wordt geconcludeerd dat zowel tijdens de gefaseerde ontwikkeling als in de eindsituatie wordt voorzien in de parkeerbehoefte voor auto- en fietsparkeren op het eigen terrein. 5.4.3 Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.5 Geluid 5.5.1 Algemeen Ter beperking van geluidshinder worden in de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waar voor bouwplannen en bestemmingsplannen een akoestische toetsing dient te worden uitgevoerd. 5.5.2 Wegverkeerslawaai Wet geluidhinder Met de vervangende nieuwbouw worden er geluidsgevoelige functies toegevoegd aan de omgeving. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat langs wegen geluidszones liggen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. De voor het besluitgebied relevante wegen liggen in binnenstedelijk gebied. De breedte van de geluidszones is als volgt: • •
één of twee rijstroken: 200 meter; drie of meer rijstroken: 350 meter.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
33
Wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt, kennen geen geluidszones. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook van de weg tot de gevel van het geluidgevoelige gebouw. 5.5.2.1 Onderzoek wegverkeerslawaai De vervangende nieuwbouw ligt in de wettelijke geluidzone van de Veldbloemenlaan. De geluidbelasting afkomstig van deze wegen dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente Elburg. In dit kader heeft Econsultancy een wegverkeerslawaai onderzoek uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Lupin, Rolklaver en de Weegbree) in het onderzoek betrokken. Het rapport van het wegverkeerslawaai onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat: Berekeningsresultaten en toetsing Wet geluidhinder Als gevolg van de Veldbloemenlaan treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximale te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Veldbloemenlaan is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Toets gemeentelijk geluidbeleid Voor niet-zelfstandige woonruimtes worden op individueel woningniveau geen eisen gesteld.
Op gebouwniveau dient tenminste 50% van de wooneenheden te zijn gesitueerd aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De overschrijding treedt uitsluitend op ter plaatse van de voorgevel van de beoogde vervangende nieuwbouw. Op basis van het ontwerp worden in de voorvleugel (zuidelijk deel) 40 onzelfstandige wooneenheden gerealiseerd. In totaal biedt het hoofdgebouw ruimte aan 154 wooneenheden (130 onzelfstandig, 24 zelfstandig). Hiermee wordt voldaan aan voornoemde eis. Maatregelenafweging Uit de maatregelenafweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard stuiten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de rapportage. Aanvraag hogere waarden Voor de zorginstelling dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Veldbloemenlaan een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: • • • •
bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde; het plan voldoet aan het gemeentelijk geluidbeleid; middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 gewaarborgd.
Cumulatieve geluidbelasting Geconcludeerd wordt dat de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de vervangende nieuwbouw als zeer goed tot zeer matig wordt beoordeeld. Uit de maatregelenafweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. Het woon- en leefklimaat wordt volgens het gemeentelijk geluidbeleid gewaarborgd middels een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels. 5.5.2.2 Conclusie Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de geluidsbelasting ten gevolge van de Veldbloemenlaan dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de zorginstelling dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de 3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
34
zorginstelling is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Hiermee wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. 5.5.3 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een spoorlijn. 5.5.3.1 Conclusie Het aspect 'railverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.5.4 Industrielawaai 5.5.4.1 Onderzoek industrielawaai Zoals aangegeven in paragraaf 5.3 Bedrijven en milieuzonering, liggen enkele woningen aan de Veldbloemenlaan binnen de richtafstand als gevolg van geluid behorende bij de zorginstelling. In dit kader heeft Econsultancy onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de zorginstelling op genoemde woningen. Het rapport van het industrielawaai onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat De richtwaarden uit stap 3 van de publicatie in de dag- en nachtperiode worden overschreden. De grenswaarde uit het Activiteitenbesluit wordt alleen in de nachtperiode overschreden. Omdat de maximale geluidniveaus in de huidige situatie reeds voorkomen en in de toekomstige situatie geen sprake is van een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat worden de overschrijdingen acceptabel geacht.
Hierbij wordt gemotiveerd dat het woon- en leefklimaat in de woning (binnenniveau) als gevolg van de maximale geluidniveaus, bij aansluiting op de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen van 55 dB(A) etmaalwaarde, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. De nieuwe zorginstelling wordt derhalve akoestisch inpasbaar geacht. 5.5.4.2 Conclusie Het aspect 'industrielawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.6 Externe veiligheid 5.6.1 Beoordelingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
35
stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 5.6.2 Risicovolle objecten Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • •
risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
36
Uitsnede risicokaart (plangebied aangeduid met blauwe bolletje) bron: www.atlasleefomgeving.nl Hogedruk aardgasleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Risicovolle inrichtingen Aan de Vrijheidsstraat 20 ten westen van het plangebied is volgens de risicokaart een tankstation gesitueerd met LPG. Voor het LPG-vulpunt en -reservoir gelden een PR 10-6 risicoafstand van 25 meter en voor de LPG-afleverinstallatie 15 meter. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied bedraagt ca. 640 meter. Dit LPG-station is onlangs gesaneerd en vormt derhalve geen risico voor de voorgenomen ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een weg, vaarweg of spoorlijn waar gevaarlijke stoffen vervoerd worden. 5.6.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
37
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
5.7.2 Toetsing De voornomen ontwikkeling bestaat per saldo uit de toevoeging van 24 appartementen, de overige 130 zorgeenheden zijn in de bestaande situatie reeds aanwezig. Deze ontwikkeling valt onder de Regeling NIBM. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
38
5.7.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.8 Water 5.8.1 Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. In het kader van onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen. De watertoets is op 3 november 2023 doorlopen en aanvullend is het aanvraagformulier bij het waterschap ingediend. Het aanvraagformulier, waarin de resultaten van de watertoets zijn beschreven, is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat een smalle strook aan de noordzijde van het plangebied binnen de onderhoudsstrook van 5 meter breed behorende tot een A-watergang van het legger watersysteem van het waterschap ligt. Het gaat om het oppervlaktewaterlichaam bekend als de Oosthoek vijvers (code OWL-34327). Het plan raakt hiermee een waterbelang waardoor de normale procedure van toepassing is. Naar aanleiding van de watertoets is er contact geweest met het waterschap.
Het waterschap is op de hoogte gesteld dat er geen activiteiten plaatsvinden binnen genoemde onderhoudsstrook. Het belang van het waterschap is hiermee niet in het geding. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap in de resultaten van de digitale watertoets aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. De aandachtspunten zijn in deze paragraaf verwerkt. 5.8.2 Beleid waterschap Vallei en Veluwe Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitgebreide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven en vormt de uitwerking van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050). In het BOP is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Dit is uitgewerkt in een aantal programma’s: • • • •
Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder andere op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
39
•
Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 5.8.3 Beleid gemeente Elburg Het waterbeleid van de gemeente Elburg is verwoord in het Programma van Eisen (PvE) voor de inrichting van de openbare ruimte. Ten aanzien van hemelwaterberging is het beleid dat 60 mm van het nieuw verhard oppervlak binnen het plangebied moet worden opgevangen. Tuinen op particuliere percelen worden voor 50% toegerekend aan verhard oppervlak. Vegetatiedaken worden niet aangemerkt als verhard oppervlak (mits voldoende opvangcapaciteit). 5.8.4 Effect planvoornemen Onderstaande afbeelding verbeeldt de verharding in de bestaande en toekomstige situatie.
Verharding bestaande en beoogde situatie, versie oktober 2023 (bron: Van den Berg Architecten en adviesbureau Haver Droeze) In onderstaande tabellen is het verhard oppervlak voor de huidige en de toekomstige situatie voor het totale plangebied berekend. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2 hectare. Tabel 5.1 verhard oppervlak bestaande situatie Onderdeel
Opp. in m²
% verhard
Verhard opp. in m²
Hoofdgebouw 1996
5.250
100
5.250
Gebouw 2007
585
100
585
Bijgebouwen
100
100
100
Erfverharding
8.050
100
8.050
Totaal verharding
13.985
Tabel 5.2 verhard oppervlak toekomstige situatie Onderdeel
Opp. in m²
% verhard
Verhard opp. in m²
Hoofdgebouw verhard
3.944
100
3.944
Daktuin/ sedumdak
2.137
0
0
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
40
Gebouw 2007
585
100
585
Bijgebouw, sedum
164
0
0
Erfverharding dicht
6.070
100
6.070
Erfverharding halfopen
450
50
225
Totaal verharding
10.824
Verschil verhard oppervlak bestaande en toekomstige situatie Geconcludeerd wordt dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie, door verwijderen van erfverharding en gedeeltelijke toepassing van daktuinen/ sedumdaken en halfopen verharding met ca. 3.161 m² afneemt. Conform het waterschapsbeleid geldt voor de voorgenomen ontwikkeling geen watercompensatie opgave omdat hiervan uitsluitend sprake is bij een toename van verharding van 1.500 m² of meer. Door afname van het verhard oppervlak wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling een positief effect heeft op de waterhuishouding binnen het plangebied. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een aanzienlijk deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater wordt voorkomen. Conform het gemeentelijk beleid dient per m² verhard oppervlak 60 mm hemelwater binnen het plangebied te worden opgevangen. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of er ten opzichte van de bestaande situatie sprake is van een afname aan verhard oppervlak. In het plan worden diverse maatregelen getroffen om zoveel mogelijk water te bergen.
In onderstaande tabel is aangegeven hoe hier invulling aan wordt gegeven. Als bijlage 6 bij deze toelichting is een tekening opgenomen waarop deze maatregelen in beeld zijn gebracht. Tabel 5.3 opgave en invulling waterberging Onderdeel
Opp. in % verhard m²
opgave waterberging
invulling waterberging
in m³
in m³
Hoofdgebouw verhard
3.944
100
237
Daktuin/ sedumdak
2.137
0
0
Gebouw 2007
585
100
0
Bijgebouw, sedum
164
0
0
Erfverharding op riool
3.806
100
228,5
Erfverharding halfopen op riool
450
50
13,5
Erfverharding op aanliggend groen
2.264
100
136
Capaciteit wadi’s Totaal waterberging
136 340
615
476
Uit bovenstaande berekening blijkt dat het grootste deel van de wateropgave is ingevuld, waarbij geprobeerd is dit water ten goede te laten komen aan het groen. Er rest nog een opgave van 139 m³. Als aanvullende maatregel wordt het regenwaterriool dat het water van de verhardingen en gebouwen naar de wadi’s en aangrenzende watergang brengt uitgevoerd als infiltratieriool. Daarbij wordt het riool dusdanig gedimensioneerd dat bij een hoosbui tijdelijk water op de parkeervelden
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
41
blijft staan (zogenaamde piekberging) en vertraagd wordt afgevoerd. Op deze wijze wordt de resterende opgave van 139 m³ ingevuld. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/drainen van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert dan ook om voorafgaande aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoonmaken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. 5.8.5 Hemelwater In de bestaande situatie wordt het hemelwater wat op de erfverharding en de daken valt afgevoerd naar het direct ten noorden van het plangebied gelegen oppervlaktewater, ook wel bekend als de Oosthoek vijvers.
Beoogd wordt om dit in de toekomstige situatie te handhaven voor het te behouden gebouw uit 2007 ten westen van de vervangende nieuwbouw. Voor de nieuwbouw en erfverharding geldt dat water zoveel mogelijk in groenvakken en wadi’s wordt geborgen met een overstort op de bestaande uitstroompunten in de oever van de Oosthoek vijvers. Uit de boorprofielen van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in ieder geval tot de maximale boordiepte van 3,5 m-mv bestaat uit matig tot zeer fijn zand. Tijdens het eind november uitgevoerde veldwerk werd de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van 1,7 mmv. Gezien de periode van het jaar zal dit redelijk overeenkomen met de gemiddelde grondwaterstand binnen het plangebied. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat aflopend hemelwater ter plaatse kan infiltreren. Nader onderzoek (K-waarde bepaling) is nodig om de snelheid in te kunnen schatten waarmee het water infiltreert. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal de definitieve opbouw van de wadi’s worden bepaald. 5.8.6 Afvalwater Evenals in de bestaande situatie het geval is, wordt het afvalwater aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering zoals aanwezig onder de Veldbloemenlaan.
5.8.7 Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling, indien van toepassing, gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. 5.8.8 Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen Hittestress Door de ligging van het plangebied tegen het groene gebied van de Oosthoek vijvers en de groene inrichting van het plangebied met beperkte toepassing van erfverharding, speelt hittestress geen grote rol. Door (gedeeltelijke) toepassing van sedumdaken wordt de isolatiewaarde van de daken verbeterd. Hierdoor heeft warm weer minder effect op het binnenklimaat van het gebouw. Daarnaast betreft het een ruim opgezet plangebied waarbij bestaande bomen zoveel mogelijk worden gehandhaafd en het plangebied zo groen mogelijk wordt ingepast. De schaduwwerking van bomen en de groene inpassing van het plangebied dragen bij aan het voorkomen van hittestress.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
42
Wateroverlast In voorgaande paragraaf is reeds aangegeven hoe wateroverlast wordt voorkomen. Daarnaast worden (gedeeltelijk) groendaken gerealiseerd. Door de bufferende functie wordt hiermee een positief effect geleverd bij extreme neerslag. Droogte Door het hemelwater lokaal te infiltreren, (gedeeltelijke) toepassing van groendaken, het beperken van erfverharding tot het hoognodige en het behoud en realisatie van zoveel mogelijk groen, wordt droogte zoveel mogelijk voorkomen. Overstromingen Het plangebied ligt op een gemiddelde hoogte van circa 2 meter + NAP. Conform de informatie op www.atlasleefomgeving.nl is de kans op overstroming van het plangebied zeer klein. 5.8.9 Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.9 Ecologie 5.9.1 Beoordelingskader Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Verder zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regels opgenomen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. 5.9.2 Quickscan flora en fauna Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken heeft Gras Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. De quickscan is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Veluwerandmeren op ca. 2 km afstand van het plangebied. Omdat het plangebied zich ruim buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied bevindt, kan verstoring van Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Eventuele effecten van de stikstofemissie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden en het toekomstig kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en dient doormiddel van AERIUS-berekeningen te worden onderzocht. AERIUS-berekeningen Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen, zijn door Gras Advies AERIUS-berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in een stikstofrapportage welke als bijlage 8 bij deze toelichting is opgenomen. 3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
43
Uit de berekening volgens de AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase is gebleken dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebieden (stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden). Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom m.b.t. stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het NNN ligt op ca. 850 meter afstand. Omdat het plangebied zich buiten de begrenzing van het NNN-gebied bevindt, kan verstoring van NNN-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Houtopstanden Omdat het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is het onderdeel ‘Houtopstanden’ van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Beschermde soorten Flora Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde plantensoorten in het plangebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vegetatie en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Zoogdieren Er worden enkel sporadisch bezoekende zoogdieren verwacht binnen het plangebied. Een nader onderzoek naar beschermde zoogdieren en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes kan niet op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is benodigd. Vogels Er zijn geen beschermde vogelsoorten, jaarrond beschermde nesten of geschikte broedlocaties voor vogels waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is (onderdeel van) het leefgebied voor o.a. zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het plangebied als broedlocatie gaan gebruiken. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen, globaal tussen 15 maart en 15 juli, uit te voeren. Een nader onderzoek naar vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig, mits werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages niet verstoort te worden. Ook is het mogelijk vlak voor de werkzaamheden het onderzoeksgebied door een deskundig ecoloog te laten controleren op de aanwezigheid van broedende vogels. Reptielen Er zijn geen beschermde reptielen, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het plangebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde reptielen binnen het plangebied voorkomen.
Een nader onderzoek naar beschermde reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) beschermde amfibieën waargenomen. Aangezien er binnen het plangebied geen geschikte voortplantingsbiotopen voor beschermde soorten uit deze
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
44
soortgroep voorkomen, kan de aanwezigheid van beschermde amfibieën redelijkerwijs worden uitgesloten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde amfibieën is niet nodig. Vissen Aan de rand van het plangebied is een watergang aanwezig. Deze zal behouden blijven. Negatieve effecten op beschermde vissen als gevolg van de werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde vissen is niet nodig. Ongewervelden Er zijn geen beschermde ongewervelden, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het plangebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde insecten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. 5.9.3 Aanvullend vleermuizenonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van de quickscan flora en fauna heeft Gras Advies aanvullend vleermuizenonderzoek verricht. Het aanvullend onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten opgenomen. Onderzoeksresultaten Op basis van de resultaten van het aanvullend soortenonderzoek kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat verblijfplaatsen van onderstaande soorten aanwezig zijn.
Negatieve effecten op essentiële habitatfuncties van deze soorten als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, zijn niet uit te sluiten. Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling geldt voor deze soorten daarom een ontheffingsplicht. • •
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Tabel 5.4 geeft per soort aan welke essentiële habitatfuncties worden aangetast, het aantal, areaal en/of lengte dat het betreft en wat het gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de desbetreffende habitatfunctie is. Tabel 5.4 Negatieve effecten op aanwezige essentiële habitatfuncties per soort(groep) Soort
Habitatfunctie
Aantal
Negatief effect
Gewone dwergvleermuis
Zomerverblijfplaats
4
Vernieling
Gewone dwergvleermuis
Paarverblijfplaats
2
Vernieling
Gewone dwergvleermuis
Zomer en paar verblijf
1
Vernieling
Ruige dwergvleermuis
Paarverblijfplaats
1
Vernieling
Scholekster Op het dak van het pand is een (vermoedelijk) broedende scholekster waargenomen. Broedende scholeksters mogen niet verstoord te worden. Broedvogels (in het bijzonder scholekster) Nesten van broedvogels mogen niet verstoord worden. Verstoring wordt voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden. Er dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met de scholekster. Ecologische begeleiding is noodzakelijk om verstoring van broedende scholeksters te voorkomen.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
45
Advies Gras advies adviseert de resultaten en conclusies voor te leggen aan het bevoegd gezag, de provincie Gelderland. Daarnaast wordt het aanvragen van een ontheffing voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis geadviseerd. 5.9.4 Conclusie Het vleermuisonderzoek is ondertussen beoordeeld en akkoord bevonden en de aanvraag ontheffing Wet Natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis is ingediend. De ontvangstbevestiging van de ontheffingsaanvraag is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Bij de ontheffingsaanvraag voor genoemde vleermuissoorten is een projectplan bijgevoegd waarin onder andere de mitigerende en compenserende maatregelen zijn beschreven. In het projectplan staan alle benodigde zaken vermeld zoals de achtergrond van de onderzoeken, de te nemen maatregelen, de beschrijving van de gunstige staat van instandhouding, de alternatieven afwegen en het wettelijk belang. Bij zowel de mitigerende als compenserende maatregelen is rekening gehouden met de ecologie van beide soorten. Het realiseren van de maatregelen wordt gedaan in meerdere windrichtingen en op meerdere locaties verspreid over het plangebied. Deze manier van werken nadert zo goed mogelijk de huidige situatie. Er is ook sprake van boven wettige maatregelen bij dit plan.
Bovenop de in de protocollen en kennisdocumenten beschreven aantallen, wordt een aantal extra maatregelen gerealiseerd. Bij de werkzaamheden is bovendien sprake van ecologische begeleiding en wordt er rekening gehouden met gewenningsperiodes en kwetsbare periodes van vleermuizen. Verstoring van vleermuizen zal op deze manier minimaal zijn. Het projectplan beschrijft daarnaast ook of de gunstige staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis in het geding komen. De conclusie is dat dit niet het geval is. Als laatste is er sprake van een duidelijk wettelijk belang; huisvesting van zorgbehoevenden, dit is ook beschreven in het projectplan. De combinatie van mitigatie, compensatie, ecologische begeleiding, werken buiten kwetsbare periodes en het wettelijk belang geeft zicht op verlening van de ontheffing. Hiermee is de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voor wat betreft het aspect ‘ecologie’ in voldoende mate aangetoond.
5.10 Archeologie en cultuurhistorie 5.10.1 Archeologie 5.10.1.1 Beoordelingskader Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2024 in werking. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. 5.10.1.2 Toetsing Archeologische beleidskaart en vertaling in geldend bestemmingsplan Op onderstaande uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is te zien dat het centrale gedeelte van het plangebied is aangeduid als 'Waarde - archeologie 2' en de overige gronden als 'Waarde - Archeologie 3'. Deze waarden zijn vertaald naar dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp'. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat binnen de gronden met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' onderzoeksplicht geldt bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m-mv en een oppervlakte >120 m². Voor
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
46
de gronden met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m-mv en een oppervlakte > 500 m².
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Elburg (plangebied geel omlijnd) Advies regioarcheoloog Noord-Veluwe Omdat de voorgenomen ontwikkeling vervangende nieuwbouw betreft welke grotendeels op dezelfde plek als de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd, is bij aanvang van de ontwikkeling advies ingewonnen bij de regioarcheoloog Noord-Veluwe over de nut en noodzaak van archeologisch onderzoek. De regioarcheoloog heeft een archeologisch adviesdocument opgesteld welke als bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen. Uit het advies blijkt dat door het historisch gebruik van het plangebied als landbouw grond en de realisatie van het bestaande hoofdgebouw, aanleg van kabels en leidingen en parkeerplaatsen de bodem binnen het plangebied zodanig geroerd is dat archeologische waarden niet meer worden verwacht. Hiertoe hoeft geen onderzoek te worden verricht en kunnen de archeologische dubbelbestemmingen komen te vervallen. De archeologische dubbelbestemmingen zijn daarom niet overgenomen op de verbeelding van dit nieuwe bestemmingsplan. 5.10.1.3 Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.10.2 Cultuurhistorie 5.10.2.1 Beoordelingskader Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
47
5.10.2.2 Toetsing Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van molen De Tijd aan de Zuiderzeestraatweg Oost 18. De kortste afstand tussen de vervangende nieuwbouw en de molen bedraagt 347 meter. In artikel 2.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is ter bescherming van de windvang van molens opgenomen dat bestemmingsplannen voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mogen maken als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Hiervoor geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter. Om invulling te geven aan het gestelde in de provinciale Omgevingsverordening is op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ (de 400 meter straal gerekend vanaf het middelpunt van de molen) opgenomen. In artikel 6.1 van de regels van dit bestemmingsplan is de provinciale molenbiotoop formule opgenomen waarmee hoogtebeperkingen worden gesteld aan bebouwing en beplanting.
De provinciale molenbiotoopformule luidt: Hx = X/n + c*z Waarin: Hx = toelaatbare bouw- en beplantingshoogte in meters (gemeten vanaf het peil (maaiveld) ter plaatse van de molen). Het maaiveld ter plaatse van de molen bedraagt 2,80 m + NAP. X = de afstand in meters vanaf het gebouw of de beplanting tot aan de wieken van de molen. n = 50 (ruwheidscoëfficient voor het stedelijk gebied) c = 0,2 (windreductiecoëfficiënt, constante bij 5%) Z = askophoogte in meters = 15,30 meter (helft van het gevlucht + molenstellinghoogte, ofwel 22,80/2 + 3,90 = 15,30 meter) Voorbeeld Hx op 347 meter van de molen (kortste afstand tussen plangebied en molen) Hx = (347/50) + (0,2 x 15,30) Hx = 10,00 meter De maaiveldhoogte van de molen en het plangebied bedragen respectievelijk 2,70 m en 1,95 m + NAP. Gezien het verschil in maaiveld hoogte (plangebied ligt 0,75 m lager) is op een afstand van 347 m een maximale hoogte van 10,75 m toegestaan. Bebouwing Voorliggend bestemmingsplan maakt ter plaatse van het bouwvlak bebouwing met een maximale bouwhoogte van 11,25 m mogelijk. Het beoogde bouwplan is over het algemeen ca. 11,2 m hoog met plaatselijk 12,24 m ten behoeve van een luchtbehandelingsinstallatie en de daaromheen geplaatste akoestische wand.
In artikel 6.1.2 van de regels van dit bestemmingsplan is geregeld dat afwijken van de hoogtebeperkingen voor gebouwen uitsluitend is toegestaan als vooraf advies wordt ingewonnen van een onafhankelijke ter zake deskundige waaruit blijkt dat de bebouwing niet zal leiden tot een (extra) beperking van de windvang. Hiertoe heeft SIMstudio onderzoek verricht naar het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de windvang van molen De Tijd. Het windonderzoek is als bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat gezien de geringe overschrijding van de maximale bebouwingshoogte, de herstelafstand van het windprofiel en de reeds aanwezige (hoge) bebouwing en bomen tussen het plangebied en molen De Tijd er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) beperking van de windvang optreedt.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
48
Beplanting Voor de aanleg van beplanting (planten, heesters, bomen en andere opgaande beplanting) geldt dat deze in volwassen staat niet hoger mogen zijn de hoogtebeperkingen die op basis van de molenbiotoopformule worden gesteld. Aanleg van beplanting is conform artikel 6.1.4 van de regels van dit bestemmingsplan vergunningsplichtig gesteld. Hierbij geldt dat de vergunning kan worden verleend als uit een beplantingsplan met hoogten van beplanting in volwassen staat blijkt dat de maximale beplantingshoogten niet worden overschreden. Behoud belevingswaarde en historisch karakter Gezien de geringe overschrijding van de maximale bebouwingshoogte, de kortste afstand van 347 meter tot het plangebied en de (hoge) bebouwing en bomen tussen het plangebied en molen De Tijd heeft de voorgenomen ontwikkeling geen nadelig effect op het behoud van de belevingswaarde en het historische karakter van de molen. 5.10.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) beperking van de windvang optreedt en de belevingswaarde en het historisch karakter niet nadelig worden beïnvloed.
Op basis van de onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek naar het effect op de windvang van molen De Tijd kan de omgevingsvergunning voor afwijken van de bouwregels (toestaan hogere bebouwingshoogte dan de maximale bouwhoogte conform molenbiotoopformule) worden verleend. De provincie Gelderland heeft positief geadviseerd aangaande de afwijkende bouwhoogte binnen de molenbiotoop en heeft akkoord gegeven op onderhavig bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.11 Ontplofbare Oorlogsresten (OO) 5.11.1 Beoordelingskader De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat regels voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandige ondernemers te bevorderen. Doel is om ongevallen en ziekten te voorkomen die door het werk kunnen worden veroorzaakt. Tevens is in het Arbobesluit een directe verwijzing opgenomen naar het zogenoemde Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten (CS-OOO). In deze CS-OOO worden proceseisen gesteld aan het daadwerkelijk opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten op een projectlocatie. Daarnaast is in artikel 4.10 van het Arbobesluit een wettelijke verplichting geformuleerd voor initiatiefnemers van werkzaamheden om risico’s omtrent ontplofbare oorlogsresten ten minste op basis van een oriënterende studie in kaart te laten brengen. Omdat de wijze waarop een initiatiefnemer van werkzaamheden aan deze wettelijke eis zou moeten voldoen nogal breed geformuleerd is, is voor bureaustudies een privaat certificatieschema in het leven geroepen, te weten het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (CS-VROO). In dit schema is beschreven aan welke onderzoeksinspanningen ten minste voldaan moet worden om tot een gedegen onderzoeksresultaat te kunnen komen.
Op basis van artikel 160 van de Gemeentewet ligt de beslissingsbevoegdheid om al dan niet tot het opsporen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten over te gaan bij het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente. Op basis van de artikelen 172, 175 en 176 van de Gemeentewet kan de burgemeester voor het handhaven van de openbare orde of voor het beperken van eventueel gevaar bevelen of algemeen verbindende voorschriften opstellen voor de locatie(‘s) waar naar ontplofbare oorlogsresten wordt gezocht of waar een munitieartikel is aangetroffen.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
49
Om in aanmerking te komen voor een overheidsbijdrage in opsporingskosten, dienen deze kosten voor rekening te komen van de gemeente, met dien verstande dat voor bepaalde kostensoorten van rijkswege een bijdrage kan worden verstrekt via het gemeentefonds. Uitzondering vormen kosten van werkzaamheden die verband houden met opsporingen die het gevolg zijn van door het Rijk of door een houder van een concessie als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Spoorwegwet (Rijkswaterstaat en ProRail) geïnitieerde grootschalige infrastructurele projecten, zoals de aanleg en onderhoud van wegen en spoorlijnen, baggerwerken en dijkverbeteringen. Vanaf 2015 is de Bommenregeling gewijzigd en kunnen alle gemeenten in geval van opsporing en ruiming van explosieven een bijdrage van 68% in de kosten ontvangen door een raadsbesluit in te dienen. De kosten die in aanmerking komen voor vergoeding zijn gelijk aan de kosten die onder het oude Bijdragebesluit gedeclareerd konden worden, inclusief de daaromtrent eerder gecommuniceerde beleidsregels. Met de overheveling naar het gemeentefonds werd geen verandering in het soort kosten dat voor vergoeding in aanmerking komt, beoogd. 5.11.2 Onderzoek In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Xplosure B.V. vooronderzoek verricht naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO).
Doel van dit onderzoek is om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van OO, en indien deze aanwijzingen er zijn, om het verdachte gebied af te bakenen. Het onderzoek is als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten uit de notitie overgenomen. Voor de conflictperiode (1940-1945) is vooronderzoek verricht of er oorlogshandelingen of gebeurtenissen achterhaald konden worden die mogelijk OO in het onderzoeksgebied hebben achtergelaten. In het tweede onderdeel, het onderzoek na-conflictperiode, is gekeken of er na 1945 bodemactiviteiten plaatsvonden die het risico op het aantreffen van OO hebben verlaagd. Hierbij geldt de aanname dat aangetroffen OO dan zijn gemeld en verwijderd. Uit het vooronderzoek blijkt dat binnen het onderzoeksgebied geen sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van OO. Het gehele onderzoeksgebied is daarom als onverdacht aangemerkt. Xplosure adviseert hiertoe om het ‘Protocol Toevalsvondst’ te hanteren. Dit protocol is als bijlage bij het vooronderzoek naar OO bijgevoegd. Wanneer munitie of munitiegelijkende objecten worden aangetroffen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden stil te leggen en de politie van de vondst op de hoogte te stellen.
Indien dit protocol door het onverhoopt aantreffen van munitie(gelijkende) vondsten in werking is getreden, moet worden bekeken of voortzetting/uitbreiding van het opsporingsproces wenselijk is. 5.11.3 Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten De milieu- en omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
50
6 Besluit Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Elburg en Oostendorp'. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is een besluit in het kader van artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk, in casu een bestemmingsplan. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing.
6.2 Beoordelingskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn, is vastgelegd in het Besluit m.e.r. De activiteiten zijn onderverdeeld in: • •
activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).
Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij.
6.3 Procedure In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden: 1. de initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
51
6.4 Aanmeldnotitie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld. In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. De Aanmeldnotitie is als bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen.
6.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Beoordeling De concrete omstandigheden in dit geval betreft het slopen van het bestaande hoofdgebouw van de zorginstelling en realisatie van vervangende nieuwbouw met bijbehorende voorzieningen. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2 hectare en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt 130 onzelfstandige zorgeenheden en 24 appartementen mogelijk. Per saldo worden uitsluitend de 24 appartementen toegevoegd omdat de 130 onzelfstandige zorgeenheden reeds aanwezig zijn in het bestaande te slopen hoofdgebouw van de zorginstelling. De ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.
Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet overschreden. Het project is kleinschalig van karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en de locatie ligt niet in of bij beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van de overige relevante milieu- en omgevingsaspecten is er als gevolg van het project geen sprake van nadelige effecten op de leefomgeving. Om deze redenen kan worden volstaan met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
6.6 Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3 juni 2024 | bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’ | Witpaard
52
7 Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Veldbloemenlaan 25, Elburg' worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de vervangende nieuwbouw met daarbijbehorende voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp' en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.