CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 14 november 2023, gemeente elburg31.595 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ecologie

5.2.1 Inleiding Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatige beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van de waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS) / het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

5.2.2 Soortenbescherming In het kader van onderhavig plan vindt geen sloop van bebouwing of verwijdering van landschapselementen plaats. Een quick scan flora en fauna in het kader van soortenbescherming hoeft dan ook niet te worden uitgevoerd. 5.2.3 Gebiedsbescherming Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het

8

meest nabijgelegen Natura2000 gebied ligt op een afstand van circa 400 meter ten zuiden van het plangebied. Het gaat hier om de Veluwe.

Figuur 9: Uitsnede kaart met ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied

Er dient te worden aangetoond dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op dit natuurgebied. Aangezien het aantal verkeersbewegingen en de activiteiten ongewijzigd blijven, kan dit in onderhavig geval worden geborgd en hoeft geen AERIUS-berekening te worden aangeleverd. 5.3 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. In onderhavig geval wordt er geen nieuw gevoelige functie op locatie toegekend. Immers heeft de woning reeds een woonfunctie. Derhalve is geen verkennend bodemonderzoek benodigd. 5.4

Archeologie

9

De voor ‘Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gerealiseerd met een oppervlakte groter dan 120 m2 en een bouwdiepte van meer dan 0,3 meter. Ten behoeve van onderhavig plan worden geen gebouwen opgericht en vinden tevens geen grondwerkzaamheden plaats. Derhalve hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 5.5 Landschap Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen dient een goed landschappelijk inpassingsplan op gesteld te worden. Dit zodat de ontwikkeling in de omgeving past en niet passende ontwikkelingen worden geweerd. Het opstellen van een nieuw landschappelijk inpassingsplan is in dit geval echter niet noodzakelijk omdat het hier niet gaat om een aanpassing in de ruimtelijke ordening. De aanpassing is enkel planologisch en veranderd niets aan de feitelijke situatie. 5.6 Water Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden. Omdat in onderhavige situatie echter geen wijzigingen plaatsvinden aan watergangen en de waterafvoer, is het doorlopen van de watertoets niet nodig.

5.7 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen treden ook vaak wijzigingen op in het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte. Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een dergelijke ontwikkelingen op deze aspecten. Het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte bij een bedrijfswoning bedragen hetzelfde als bij een burgerwoning. Er zijn dan ook geen effecten te verwachten. 5.8 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid (EV) naar verschillende aspecten te worden gekeken: -

Bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

Externe veiligheid heeft betrekking op de beheersing van de risico’s voor de burger, die verbonden zijn aan het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen bij tal van industriële activiteiten. De aandacht richt zich vooral op veiligheidsaspecten in het kader van de ruimtelijke ordening in relatie tot de beheersing van de risico’s die samenhangen met het grootschalig gebruik van gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij alleen om de direct gevolgen die door het eenmalig vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen ontstaan. De normen zijn uitgedrukt in een groepsrisico en een plaatsgebonden risico.

10

Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van EV relevante bronnen in de nabije omgeving van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van deze bronnen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Figuur 9: Uitsnede risicokaart

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1 Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (N02) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in een betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Pas bij een toename van 1.500 verkeersbewegingen per etmaal wordt hier niet aan voldaan.

11

Figuur 10: Uitsnede van de fijnstofconcentratie (PM10) ter hoogte plangebied. Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten

Figuur 11: Uitsnede van de stikstofconcentratie (NO2) ter hoogte plangebied. Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten

5.9.2 Toetsing Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijnstof concentratie (PM10) tussen de 13 en 14 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 8 en 10 µg/m3. De grenswaarde jaargemiddelde ligt voor beide stoffen op de 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie 2019). De WHO advieswaarden liggen op 15 en 10 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed. Tevens dient een toetsing plaats te vinden van de emissie van fijn stof van het eigen bedrijf. Middels het doorlopen van de NIBM-tool kan de bijdrage worden berekend van projecten aan de luchtkwaliteit. Voor het loonbedrijf is worst case uitgegaan van 60 bewegingen per dag waarvan 75% bestaat uit zwaarder verkeer (o.a. trekkers). In dat geval is er sprake van een NIBM-bijdrage. Een goed woon- en leefklimaat kan in dit kader derhalve worden gegarandeerd.

12

Figuur 12: NIBM tool ingevuld voor loonbedrijf

Tevens dient te worden getoetst aan de fijnstofemissie van het tegenover gelegen agrarisch bedrijf aan de Grevensweg 20. Om dit te toetsen is een ISL3A berekening uitgevoerd. De resultaten zijn onderstaand weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat ruim binnen de norm van 40 microgram/m3 en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van 40 wordt gebleven.

13

Figuur 13: ISL3A berekening ingevuld met gegevens agrarisch bedrijf Grevensweg 20.

Het plan voorziet verder niet in het mogelijk maken van nieuwe activiteiten die de luchtkwaliteit negatief beïnvloeden (NIBM-project). Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering om medewerking te verlenen aan het plan. 6 Afsluiting Namens cliënt, de heer J. Visch, verzoeken wij u om medewerking aan onderhavig plan. Ons inziens is het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Er wordt voldaan aan de Wet plattelandswoningen, aangesloten bij een bestaande afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan en er treden verder geen fysieke wijzigingen op. Hoogachtend, VANWESTREENEN BV

E.T. (Ester) Haalboom

14

Betreft : Locatie : Bevoegd gezag: Ons kenmerk : Uw kenmerk : Datum advies : Behandelaar :

Aanvullende gegevens Grevensweg 15A Grevensweg 15 A in Doornspijk gemeente Elburg ODNV2023AVIF-00592 11 juli 2023 mevrouw M. Wolbers,

1 Aanleiding Op 2 mei 2023 (zaaknr. ODNV2023AVIF-00277) heeft ODNV geadviseerd met betrekking tot de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bestemmen van de bestaande bedrijfswoning als plattelandswoning. Uit dit advies is gebleken dat de onderbouwing nog aangepast moest worden met betrekking tot luchtkwaliteit. Op 15 mei 2023 is een gewijzigde onderbouwing ontvangen. Deze hebben wij beoordeeld met betrekking tot luchtkwaliteit en bedrijven en milieuzonering, advies van 1 juni 2023 (zaaknr. ODNV2023AVIF-00444). Uit deze beoordeling blijkt dat de onderbouwing voor beide onderdelen nog niet akkoord is. 2 Adviesvraag Gemeente Elburg vraag om de onderbouwing van 22 mei 2023 en de bijbehorende onderzoeken te beoordelen. 3 Samenvatting/beoordeling De onderbouwing is beoordeeld voor de thema’s luchtkwaliteit en milieuzonering. Deze thema’s zijn akkoord bevonden. 4 Beoordeling per milieuthema 4.1 Luchtkwaliteit Paragraaf 5.9 Luchtkwaliteit is beoordeeld en akkoord bevonden. Conclusie luchtkwaliteit Akkoord 4.2 Bedrijven Paragraaf 5.1 Milieuzonering is beoordeeld en akkoord bevonden. Conclusie bedrijven Akkoord

Raadsvergadering Dossiernummer

2280

Extern Zaak ID

0230311991

Vertrouwelijk

Nee

Vergaderdatum

14 november 2023

Agendapunt

7.2

Titel

Raadsvoorstel Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Veluwe (ODVeluwe)

Organisatieonderdeel

Domein Ruimte

Eigenaar

Rouffaer, Willemien

Bijlagen Bijlage 1 Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe Bijlage 2 Raadsvoorstel Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe = vervallen oude versie Bijlage 3 Raadsbesluit Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe = vervallen oude versie 3. Raadsbesluit Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe 2. Raadsvoorstel Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe Geagendeerd

Vergaderdatum

Raadsvergadering

13 november 2023

Raadsvergadering

14 november 2023

Toelichting Henk Wessel Zaaknummer 311991 Voorgesteld besluit

Besluit Allen akkoord, raadsvoorstel vastgesteld. Stemverklaring: De heer Hoeve (CU): blij met de gemeenschappelijke regeling. Gelezen is dat de heer Ten Dam als nieuwe directeur wordt benoemd. De vorige directeur de heer Veenstra wordt bedankt voor zijn inzet en vooral zijn aanwezigheid bij de vergaderingen werd gewaardeerd. De hoop wordt uitgesproken dat de nieuwe directeur dezelfde toegankelijkheid en betrokkenheid zal tonen. Burgemeester geeft aan dat deze dank en wens namens de hele raad aan de ODVeluwe wordt overgebracht.

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Veluwe Regeling op grond van artikel 51 Wet gemeenschappelijke regelingen. Versie 5 april 2023 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Elburg, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek, Putten en Voorst en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; overwegende, dat de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bevoegdheden uitoefenen op grond van onder andere de Omgevingswet, waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften; dat de algemene besturen van de omgevingsdiensten Noord Veluwe en Veluwe IJssel op 16 februari 2022 een intentieovereenkomst hebben ondertekend waarin zij zich uitspreken om samen te bouwen aan een gezamenlijke omgevingsdienst; dat de op te richten omgevingsdienst de vorm van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen krijgt; dat de omgevingsdienst zelf geen beleidstaken uitvoert en dat de bestuurlijke bevoegdheden door de bevoegde gezagen zelf moeten worden uitgevoerd; dat voor wat betreft de omvang van het werkterrein van de omgevingsdiensten de samenwerking wordt gebaseerd op de bestaande regionale

samenwerkingsverbanden in Gelderland (Gelders Stelsel); kennis genomen hebbend van de op grond van artikel 51, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen ontvangen zienswijzen van de raden van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Elburg, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek, Putten en Voorst en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland; dat de raden van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Elburg, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek, Putten en Voorst en provinciale staten van de provincie Gelderland toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 51, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten: te treffen de navolgende

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMGEVINGSDIENST VELUWE

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a.

actualisatie van de begroting: een deelnemer brengt lopende een begrotingsjaar meer taken in dan in een begroting is voorzien en die taken leiden niet tot verhoging van de bijdragen van de andere deelnemers, of een verschuiving binnen de begrotingsposten die niet leidt tot een verhoging van de bijdragen van de deelnemers.

b.

basistaken: taken als bedoeld in artikel 7.1 Besluit omgevingsrecht dan wel -indien in werking is getreden- artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;

c.

bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van de deelnemers aan andere omgevingsdiensten in Gelderland worden verricht en niet zijnde complexe taken;

d.

complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe activiteiten zijnde: -

vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009; of

-

milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is;

-

overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd gezag;

e.

deelnemers: de bestuursorganen die deze regeling hebben vastgesteld;

f.

directeur: de directeur van het openbaar lichaam;

g.

Gedeputeerde Staten: gedeputeerde staten van Gelderland;

h.

Gelders Stelsel: samenwerking van alle Gelderse omgevingsdiensten in de provincie Gelderland waarbij onderlinge afspraken worden gemaakt over het beleggen van taken;

i.

gemeenteraden: de raden van de gemeenten waartoe de deelnemers behoren;

j.

openbaar lichaam: het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 2;

k.

provinciale staten: provinciale staten van Gelderland;

l.

regeling: de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Veluwe;

m. robuust: in overeenstemming met de VTH Kwaliteitscriteria 2.2 dan wel de daarvoor in de plaats getreden nieuwe versie of andere wet- en regelgeving; n.

Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.

2. Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009: -

het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6;

-

activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m

931.10, 931.B t/m 931.D en 93299); -

het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2);

-

activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet;

-

agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten;

-

activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B);

-

activiteiten met betrekking tot betonmortel en -waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie;

-

activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie.

Artikel 2 Openbaar lichaam Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Veluwe, statutair gevestigd te Apeldoorn.

HOOFDSTUK 2 BELANG, TAKEN, BEVOEGDHEDEN EN BIJDRAGEN Artikel 3 Belang Het openbaar lichaam is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemers op het gebied van het omgevingsrecht. Onder de belangen van de deelnemers wordt tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 4 Basistaken en overige taken 1. Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 3: a. brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 7.1 Besluit omgevingsrecht dan wel -indien in werking is getreden- artikel 13.12, eerste lid, onder a en b en c van het Omgevingsbesluit onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, en b. kunnen de deelnemers de uitvoering van overige taken op het gebied van het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam. Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswet-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 1 genoemde basistaken, taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving. 2. Tot de taken genoemd in het eerste lid kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met die taken. 3. Het besluit van een deelnemer tot deelname aan deze regeling bevat een opgave van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder b. 4. Over de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid onder b, kunnen afzonderlijke samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten tussen de deelnemer die het aangaat en het openbaar lichaam.

5. In afwijking van het derde lid, is het algemeen bestuur bevoegd om op verzoek van een deelnemer de uitvoering van de taken als bedoeld in het eerste lid, onder b, bij het openbaar lichaam onder te brengen. 6. Niet eerder dan twee jaar nadat een taak als bedoeld in het eerste lid, onder b, bij het openbaar lichaam is ingebracht, kan het algemeen bestuur, op verzoek van een deelnemer, de uitvoering daarvan terug leggen bij de deelnemer. 7. Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder de taken als bedoeld in het vijfde lid worden ingebracht respectievelijk van uitvoering van taken als bedoeld in het zesde lid wordt afgezien. Uitgangspunt hierbij is in elk geval dat de deelnemer die afziet van taken als bedoeld in het zesde lid, de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van het afzien van deze taken en de overige deelnemers hiervan geen financieel nadeel ondervinden.

Artikel 5 Bovenregionale en complexe taken 1. Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet robuust kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam, te laten uitvoeren door andere regionale omgevingsdiensten in Gelderland die de taken aan zich hebben getrokken. 2. Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die het openbaar lichaam aan zich heeft getrokken, uit te voeren voor andere omgevingsdiensten in Gelderland. 3. De taken worden uitgevoerd tegen vergoeding van de tussen de omgevingsdiensten in Gelderland overeen gekomen kosten. 4. Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken worden samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen het openbaar lichaam en andere omgevingsdiensten in Gelderland. 5. Over de uitvoering van complexe taken en bovenregionale taken kunnen in daarvoor in het bijzonder aangewezen gevallen samenwerkingsovereenkomsten gesloten worden tussen het openbaar lichaam en andere publiekrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 6 Verzoektaken 1. Naast de taken, genoemd in artikel 4, voert het openbaar lichaam op verzoek van een deelnemer andere uitvoerende, coördinerende, adviserende en ondersteunende taken op het gebied van het omgevingsrecht uit. 2. Over de uitvoering van deze taken worden afzonderlijke samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de rechtspersoon van de deelnemer die het aangaat en het openbaar lichaam.

Artikel 7 Bevoegdheden 1. De deelnemers dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan het openbaar lichaam. 2. De deelnemers beslissen ieder afzonderlijk over de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het openbaar lichaam en stemmen dat zoveel mogelijk met elkaar af.

Artikel 8 Beperking privaatrechtelijke bevoegdheden Het openbaar lichaam is behoudens instemming van de deelnemers niet bevoegd tot: a. het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten; b. het afgeven van garanties of andere waarborgen; c. het in erfpacht aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken;

d. het in eigendom aannemen of uitgeven van onroerende zaken; e. commerciële dienstverlening aan private partijen.

Artikel 9 Bijdragen 1. De deelnemers dragen bij in de kosten van het openbaar lichaam naar rato van de bij het openbaar lichaam ondergebrachte taken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, met dien verstande dat de jaarlijkse bijdrage bestaat uit: a. de kosten voor de ingebrachte formatie, inclusief de kosten voor de overhead, behorend bij de ingebrachte taken, b. de budgetten voor inhuur, uitbesteding en materiele lasten, c. de vergoedingen in het kader van het Gelders Stelsel, d. minus de vergoedingen van andere omgevingsdiensten in Gelderland aan het openbaar lichaam. 2. Daarboven vergoedt een deelnemer de kosten voor het uitvoeren van taken als bedoeld in artikel 6. 3. Geoormerkte budgetten zijn gekoppeld aan de inbrengende deelnemer en hebben geen invloed op de bijdragen als bedoeld in het eerste lid. De deelnemer die een wijziging wil aanbrengen in de bijdrage voor inhuur, uitbesteding en materiele lasten, meldt dat in het lopende begrotingsjaar en voor de opstelling van de begroting van het komende jaar bij het algemeen bestuur. 4. De deelnemers dragen er steeds zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen. 5. De deelnemers betalen de bijdrage per kwartaal vooruit, te weten vijfentwintig procent van de verschuldigde bijdrage.

HOOFDSTUK 3 ALGEMEEN BESTUUR Artikel 10 Samenstelling en stemverhouding 1. Het algemeen bestuur bestaat uit 13 leden, waaronder de voorzitter. 2. Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid en een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan niet tevens medewerker in dienst van of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor het openbaar lichaam. 3. Bij een stemming wordt gestemd en besloten op basis van de principes ‘elk lid één stem’ en ‘gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen’. 4. In afwijking van het derde lid is voor besluiten gericht op de vaststelling van de begroting, de jaarrekening en de bestemming van de reserves in plaats van een gewone meerderheid een meerderheid van ten minste tweederde van de uitgebrachte stemmen nodig om een besluit tot stand te brengen. 5. Voor de totstandkoming van besluiten tot vaststelling van een uittredingsovereenkomst en, bij opheffing van deze regeling, het liquidatieplan is unanimiteit van stemmen vereist. 6. Indien 3 leden van het algemeen bestuur van opvatting zijn dat een besluit als bedoeld in het derde lid tot ongewenste en onrechtvaardige gevolgen leidt voor de deelnemers die zij vertegenwoordigen, kunnen zij een herstemming aanvragen. 7.

Bij een herstemming geldt het principe van gewogen stemmen, waarbij de stemmen als volgt worden gewogen:

-

het aantal stemmen per deelnemer wordt vastgesteld op basis van het aandeel in de begroting. Uitgangspunt is hierbij de begroting van het jaar waarin de herstemming plaatsvindt.

8. Bij de herstemming is slechts sprake van een rechtsgeldig genomen besluit als het met in achtneming van het bepaalde in het zevende lid is genomen en wordt gedragen door ten minste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 11 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden algemeen bestuur 1. De deelnemers wijzen de leden van het algemeen bestuur aan. 2. In geval van periodiek aftreden blijven de aftredende leden hun functie als lid van het algemeen bestuur waarnemen, totdat in hun opvolging is voorzien. 3. Als tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan. 4. De deelnemer die een lid heeft aangewezen dat niet langer diens vertrouwen bezit, kan dat lid schorsen of ontslaan. De schorsing of het ontslag gaat onmiddellijk in. De deelnemer vervangt het lid door een plaatsvervangend lid, totdat er een nieuw lid door de deelnemer is aangewezen. 5. Van elke aanwijzing, schorsing of ontslag geeft de deelnemer die het aangaat terstond kennis aan de voorzitter. 6. Een lid van het algemeen bestuur kan ontslag nemen. Hij stelt de voorzitter en de deelnemer die hem heeft aangewezen hiervan tijdig op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien. 7. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid geen lid meer is van het bestuursorgaan dat hem heeft aangewezen. 8. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

Artikel 12 Werkwijze 1. Het algemeen bestuur vergadert zo dikwijls als het daartoe zelf besluit, als de voorzitter dat nodig oordeelt of als ten minste een vijfde van het aantal leden daarom met opgaaf van redenen verzoekt, doch ten minste twee maal per jaar. 2. In de vergadering van het algemeen bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van de leden aanwezig is. 3. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het tweede lid niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag. 4. In een vergadering als bedoeld in het derde lid kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd indien meer dan de helft van de leden aanwezig is. 5. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 13 Bevoegdheden 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting en de jaarrekening vast. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 55a van de Wet.

3. Het algemeen bestuur kan bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet, maar in ieder geval met uitzondering van de bevoegdheden tot het vaststellen van de begroting en wijziging en actualisatie daarvan, de vaststelling van de jaarrekening en het besluit tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen. 4. Het algemeen bestuur kan instructies geven voor de werkwijze van het dagelijks bestuur. 5. Het algemeen bestuur beslist over alle andere aangelegenheden waarvoor de bevoegdheid niet op grond van de Wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter toekomt.

HOOFDSTUK 4 DAGELIJKS BESTUUR Artikel 14 Samenstelling en stemverhouding 1. Het dagelijks bestuur bestaat naast de voorzitter uit vier andere leden. 2. De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem. Ingeval de stemmen staken, is de uitgebrachte stem van de voorzitter, of, bij diens afwezigheid, van de plaatsvervangend voorzitter, beslissend.

Artikel 15 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden dagelijks bestuur 1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur aan. Het algemeen bestuur wijst daarbij ook één van deze vier leden aan als plaatsvervangend voorzitter van het dagelijks bestuur. 2. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer een ontslag uit het dagelijks bestuur ingaat. In geval van periodiek aftreden van de leden van het algemeen bestuur, blijven de aftredende leden van het dagelijks bestuur hun functie waarnemen, totdat het algemeen bestuur in zijn eerste vergadering in nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen. 3. Als tussentijds een vacature in het dagelijks bestuur ontstaat, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan. 4. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in zodra in de opvolging is voorzien. 5. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, waaronder begrepen de voorzitter, schorsen of ontslag verlenen als dat lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

Artikel 16 Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het dagelijks bestuur hierom verzoekt. 2. Het dagelijks bestuur stelt met inachtneming van artikel 13, vierde lid, een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. 3. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van de leden aanwezig is. 4. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het derde lid niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

5. In een vergadering als bedoeld in het vierde lid kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd indien meer dan de helft van de leden aanwezig is. 6. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

Artikel 17 Bevoegdheden 1. Het dagelijks bestuur is belast met en bevoegd tot het voeren van het dagelijks bestuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan: a. de voorbereiding van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter beraadslaging en besluitvorming wordt voorgelegd; b. de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur; c. het voorstaan van de belangen van de regeling en het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het dagelijks bestuur van belang is; d. het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en alles doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. 2. Het dagelijks bestuur is belast met het aangaan van arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur. 3. De arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur alsmede het overige personeel van het openbaar lichaam worden door het dagelijks bestuur vastgesteld. 4. Het dagelijks bestuur bepaalt de wijze waarop de directeur bij verhindering of ontstentenis wordt vervangen. 5. Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast die ten minste de taken van de directeur en de aansturing van het personeel betreft. 6.

Het dagelijks bestuur is bevoegd om te besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wet. 7. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het voeren van rechtsgedingen namens het openbaar lichaam.

HOOFDSTUK 5 VOORZITTER Artikel 18 Voorzitter 1. Het algemeen bestuur kiest uit zijn midden de voorzitter. 2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter vervangt bij diens verhindering of ontstentenis. 3. De voorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in, zodra in opvolging is voorzien. 4. Als tussentijds de functie van de voorzitter vacant wordt, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuwe voorzitter aan.

Artikel 19 Bevoegdheden 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur. 2. De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan. 3. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

HOOFDSTUK 6 INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 20 Openbaar lichaam ten opzichte van deelnemers Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers steeds kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk twee van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn.

Artikel 21 Openbaar lichaam ten opzichte van andere omgevingsdiensten Ten aanzien van de taken als bedoeld in hoofdstuk twee van deze regeling stemt het openbaar lichaam de wijze van benaming en ontsluiting van de op die taken betrekking hebbende informatie af met de informatie van de andere omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 22 Dagelijks bestuur en voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven samen en ieder afzonderlijk gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen en ieder afzonderlijk inlichtingen aan het algemeen bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt.

Artikel 23 Informatieplicht 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de gemeenteraden en provinciale staten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door de gemeenteraden en provinciale staten gevoerde en te voeren bestuur nodig zijn. 2. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de gemeenteraden en provinciale staten alle inlichtingen die door een of meer leden van de gemeenteraden of provinciale staten worden verlangd.

Artikel 24 Leden algemeen bestuur ten opzichte van de deelnemers 1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer worden verlangd. 2. Alvorens de gevraagde inlichtingen te verstrekken, kan het lid zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur. 3. Een lid van het algemeen bestuur is de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze.

Artikel 25 Uitbrengen van zienswijze door de raad 1.

Voorafgaand aan het nemen van de in het derde lid van dit artikel genoemde besluiten door het bestuur worden de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie Gelderland gedurende 8 weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren brengen. Zienswijzen dienen schriftelijk naar voren te worden gebracht.

2.

Als op grond van het eerste lid zienswijzen naar voren zijn gebracht, dan stelt het dagelijks bestuur voorafgaand aan het nemen van een besluit, de raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten van de provincie Gelderland en, indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

3.

De raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie Gelderland worden in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen over besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van kaderstellende strategische en meerjarenplannen.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op beschikkingen zoals bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting en besluiten zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb.

Artikel 26 Participatie ingezetenen en belanghebbenden De regeling voorziet niet in participatie door ingezetenen en belanghebbenden. De deelnemende gemeente- en provinciebesturen bepalen ieder voor zich of, en zo ja, op welke wijze ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling worden betrokken.

Artikel 27 Evaluatie 1.

Deze regeling wordt eens in de vier jaar geëvalueerd.

2.

De evaluatie vindt plaats in het laatste jaar van een raadsperiode.

3.

Het algemeen bestuur regelt de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt.

4.

Het algemeen bestuur kan bepalen dat een aanvullende evaluatie plaatsvindt die afwijkt van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.”

HOOFDSTUK 7 DIRECTEUR Artikel 28 Directeur 1. De directeur fungeert als ambtelijk secretaris voor het algemeen en het dagelijks bestuur en is als zodanig het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam in alles dat de hun opgedragen taken aangaat. 2. De directeur is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. 3. De directeur medeondertekent de stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan. 4. De directeur is hoofd van de ambtelijke organisatie.

HOOFDSTUK 8 SAMENWERKING GELDERS STELSEL Artikel 29 Voorzitters- en Directeurenoverleg 1.

De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland.

2.

De directeur heeft regelmatig overleg met de directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland.

3.

De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.

HOOFDSTUK 9 FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 30 Administratie en controle 1. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het beheer van geldmiddelen. 2. De begroting, begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig de bepalingen van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 31 Begrotingsprocedure 1. De begroting heeft betrekking op een boekjaar dat gelijk is aan een kalenderjaar. 2. Het dagelijks bestuur betrekt bij het opstellen van de ontwerpbegroting de door provinciale staten en de gemeenteraden opgestelde begrotingsrichtlijnen. 3. De ontwerpbegroting geeft tenminste inzicht in: a. de taken, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 voor zover van toepassing; b. de formatie, die nodig is om deze taken uit te voeren; c. de kosten van de uitvoering van deze taken; d. de financiële bijdragen van de deelnemers aan het openbaar lichaam over het begrotingsjaar; e. de bijdragen van derden. 4. Onverminderd artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting. 5. De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers algemeen verkrijgbaar gesteld. 6. Provinciale staten en de gemeenteraden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 7.

De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat deze aan de gemeenteraden en provinciale staten is verzonden. 8. Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan provinciale staten en de gemeenteraden, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 9. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september aan de minister.

10. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat de daarin genoemde data niet gelden. 11. Een actualisatie van de begroting wordt door het algemeen bestuur vastgesteld zonder de toepassing van de procedure, genoemd in het eerste tot en met negende lid.

Artikel 32 Jaarrekening 1. De jaarrekening geeft tenminste inzicht in: a. de taken, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 voor zover van toepassing; b. de formatie, die nodig was om deze taken uit te voeren; c. de kosten van de uitvoering van deze taken; d. de financiële bijdragen van de deelnemers aan het openbaar lichaam over het rekeningjaar; e. bijdragen van derden. 2. In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk betaalde bedrag opgenomen. 3. Het dagelijks bestuur zorgt vóór 30 april van het jaar na afloop van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft voor de toezending van de jaarrekening aan de gemeenteraden en aan provinciale staten. 4. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister. 5. De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. 6. Vaststelling van de jaarrekening door het algemeen bestuur strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 7.

Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de jaarrekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 33 Verdeling saldo 1. Het algemeen bestuur stelt een algemene reserve en bestemmingsreserves in om bedrijfsmatige risico’s op te vangen. 2. De omvang van de reserves is gemaximeerd op 5 % van de jaarlijkse exploitatielasten. Binnen deze norm is de omvang van de algemene reserves gemaximeerd op 2,5% van de jaarlijkse exploitatiekosten. Dit geldt eveneens voor de omvang van de bestemmingsreserves. 3. Het algemeen bestuur beslist of een nadelig saldo geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht. 4. Het algemeen bestuur beslist met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid of een batig saldo geheel of gedeeltelijk ten gunste van bestaande reserves zal worden gebracht. 5. Het batig saldo van enig jaar, zoals vastgesteld in de jaarrekening, dat niet ten gunste van de bestaande reserves wordt gebracht, vloeit terug naar de rechtspersonen van de deelnemers in de verhouding waarin zij bijdragen aan de begroting.

HOOFDSTUK 10 ARCHIEF Artikel 34 Zorg en beheer archief openbaar lichaam 1. Ten aanzien van de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente Apeldoorn van overeenkomstige toepassing. Indien de voorschriften van de gemeente Apeldoorn wijzigen, dan worden deze wijzigingen gevolgd. 2. De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is het Regionaal Archief Apeldoorn de archiefbewaarplaats. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de zorg en het beheer als bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 11 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 35 Toetreding 1. De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling. Het algemeen bestuur wordt in de gelegenheid gesteld hierover een zienswijze in te dienen.

2. Het verzoek tot toetreding wordt schriftelijk ingediend bij het dagelijks bestuur. 3. Het dagelijks bestuur beslist met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen over het verzoek tot toetreding, met inachtneming van de zienswijze van het algemeen bestuur.

Artikel 36 Uittreding 1.

Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer, doch niet eerder dan vijf jaar na toetreding tot deze regeling.

2.

Een deelnemer die voornemens is uit te treden, maakt dit kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het voornemen onverwijld door aan de overige deelnemers.

3.

Het algemeen bestuur stelt een voorstel op voor de financiële, personele en overige gevolgen van de voorgenomen uittreding. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: a.

de uittredende deelnemer draagt de kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en de overige deelnemers ondervinden geen financieel nadeel van de uittreding;

b.

als een deelnemer een verzoek tot uittreding heeft gedaan, wordt een onafhankelijk onderzoek naar de financiële, personele en overige gevolgen uitgevoerd. De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de deelnemer die het verzoek tot uittreding heeft gedaan;

c.

in het voorstel voor de gevolgen van de voorgenomen uittreding worden de volgende kostensoorten onderscheiden: −

frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden);

−

direct vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken);

−

op termijn te vervallen kosten (kosten die op termijn door te bezuinigen vervallen);

−

schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden gedurende vijf jaar na uittreding);

− 4.

aandeel in de reserves en voorzieningen.

De deelnemer die voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel, bedoeld in het tweede lid, een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede tot en met vijfde lid, van de wet. De uittreding vindt plaats per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste een vol kalenderjaar

5. De gevolgen van de uittreding worden, op basis van het voorstel bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door de deelnemers. Voor het tot stand komen van een besluit hierover is unanimiteit vereist van het algemeen bestuur.

Artikel 37 Wijziging en opheffing 1. De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven als de deelnemers daartoe unaniem besluiten.

2. De deelnemers en het algemeen bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het dagelijks bestuur zendt het voorstel aan de deelnemers.

3. Ingeval van opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast. Dit plan wordt gebaseerd op een verdeling naar rato van het aandeel van de deelnemers in de actuele begroting. Het plan bevat tevens bepalingen over wat de gevolgen zijn die de opheffing heeft voor het personeel.

4. Het dagelijks bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen. 5. Zo nodig blijven de organen van de regeling na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid.

HOOFDSTUK 12 KLACHTENREGELING Artikel 38 Klachtenregeling 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht een klachtenregeling vast. 2. De Nationale ombudsman is bevoegd ter zake van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9, titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN Artikel 39 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt 1 januari 2024 in werking. 2. Gedeputeerde staten van Gelderland dragen zorg voor bekendmaking van de geconsolideerde tekst in het Provinciaal blad van Gelderland.

Artikel 40 Duur van de regeling Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 41 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Veluwe. Ondertekening

Toelichting Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Veluwe Algemene toelichting

Aanleiding Het Rijk, het IPO en de VNG hebben in 2009 afspraken gemaakt om de kwaliteit van milieuvergunningverlening, toezicht en handhaving te verbeteren (hierna: VTH). Onderdeel van deze afspraken was het oprichten van regionale omgevingsdiensten in 2012-2013, waarin de uitvoering van een bepaald minimum takenpakket (het basistakenpakket voor milieutaken) werd ondergebracht. Het onderbrengen van andere taken in het kader van het omgevingsrecht is daarbij als optie open gehouden. Afgesproken is toen ook dat de uitvoeringsdiensten de vorm zullen hebben van een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna ook: Wgr). In 2020-2021 zijn de gemaakte afspraken tegen het licht gehouden door de Commissie van Aartsen. Het eindrapport is zeer kritisch over het huidige VTH milieustelsel. In de kern stelt de commissie dat met het huidige stelsel tenminste 5 miljard vermijdbare milieuschade niet wordt voorkomen door de betrokken partijen, op zowel landelijk, provinciaal als gemeentelijk niveau. In het eindrapport staan tien adviezen voor verbeteringen. Het Rijk (en partners) heeft negen van de tien adviezen overgenomen. Naar aanleiding van het rapport is een landelijk verbetertraject gestart, het Interbestuurlijk Programma (IBP) waarin alle landelijke partijen samenwerken om het VTH milieustelsel te verbeteren langs de negen overgenomen adviezen.

Het Programma kent zes Pijlers waarbinnen weer diverse projecten vallen. De looptijd is twee jaar (2023-2024) en de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat spreekt ieder halfjaar over de voortgang met de betreffende Tweede Kamer commissie. Dat zegt veel over de gevoelde urgentie en gewenste ambitie. Naast deze landelijke ontwikkelingen was al een traject gestart om de bestaande samenwerking tussen Omgevingsdienst Noord Veluwe (hierna: ODNV) en Omgevingsdienst Veluwe IJssel (hierna: OVIJ) te evalueren. Dit zijn de twee kleinste omgevingsdiensten in Nederland en vanaf de oprichting hebben de diensten samengewerkt. Bij beide omgevingsdiensten bleek dat met de huidige werkwijze in de toekomst niet meer kan worden voldaan aan de eisen die de externe ontwikkelingen en de eigen deelnemers aan hen stellen. Er is onvoldoende bezetting op de cruciale functies en er kan niet meer volledig voldaan worden aan de landelijke kwaliteitseisen. In een breed bestuurlijk overleg in september 2021 is afgesproken om te laten onderzoeken of fusie tussen beide diensten antwoord zou kunnen geven op de situatie. Er was nadrukkelijk sprake van het nemen van regie van de bestuurders van beide diensten. Zij wilden niet de landelijke ontwikkelingen afwachten (vervolgstappen Commissie van Aartsen), maar proactief een stap zetten voor het belang van beide organisaties.

In de eerste helft van 2022 is er een onderzoeksrapport gemaakt en besproken, In de tweede helft van 2022 is dit rapport aan beide kanten bestuurlijk vastgesteld en is aan de hand van het rapport geconcludeerd dat er voldoende reden en draagvlak is om een fusietraject in te gaan. De inrichtingsfase is nu in volle gang. Eén van de belangrijkste mijlpalen is het moment dat de deelnemende colleges een positief advies geven bij deze nieuwe GR tekst en deze als zodanig voorleggen aan de raden. De ODVeluwe wordt opgericht om beter te kunnen voldoen aan de huidige én toekomstige maatschappelijke vraagstukken en opgaven. Doel is een robuuste omgevingsdienst neerzetten, die

vanuit eigen overtuiging, visie en kracht werkt. De op te richten fusieorganisatie past uitstekend bij de landelijke eisen die nu ontwikkeld worden. De OD Veluwe streeft ernaar een robuuste omgevingsdienst te zijn, die voldoet aan de eisen die volgen uit het IBP en die kan bijdragen aan de stevige transitieopgaven waar we mee te maken hebben. Gelderse maat De provincie en de Gelderse gemeenten hebben in verband met de vorming van omgevingsdiensten in 2009 gekozen voor de Gelderse maat. Onderdeel daarvan is de vorming van destijds zeven omgevingsdiensten -en na deze fusie zes- waardoor de uitvoering van taken zo dicht mogelijk bij het lokaal bestuur wordt gelegd. De omgevingsdiensten hebben onderling een taakverdeling afgesproken om enkele specialistische taken goed uit te kunnen voeren. Dit wordt het Gelderse stelsel genoemd. Het gaat om complexe taken en bovenregionale taken. In de kwaliteitscriteria is vastgelegd bij welke bedrijven vergunningverlening en handhaving complex is. Wanneer een Gelderse Omgevingsdienst onvoldoende robuust is voor de aan haar gemandateerde Vergunningverlening Handhaving en Toezicht taken (VTH) dan geldt het volgende: de Omgevingsdienst Regio Nijmegen voert de complexe vergunningverlening uit voor de hiervoor niet robuuste Omgevingsdiensten in Gelderland.

De complexe handhaving voor Omgevingsdiensten die hiervoor niet robuust zijn, inclusief de werkzaamheden van bureau milieumetingen, taken met betrekking tot vuurwerk en het toezicht op de bodemsaneringen, wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst regio Arnhem. Over de breedte van de uitvoering van deze taken worden nadere inhoudelijke en financiële afspraken tussen de regio’s gemaakt. De beschrijving van de wijze waarop de bovenregionale handhaving en vergunningverlening van de complexe bedrijven wordt uitgevoerd, zal worden geïnitieerd door de Omgevingsdienst regio Arnhem en de Omgevingsdienst regio Nijmegen. De gemeenten en de provincie hebben ervoor gekozen om aanvullend op het voorgaande nog een aantal bovenregionale taken in samenhang uit te voeren. Met deze onderlinge stelselafspraken wordt zowel tegemoet gekomen aan het principe van nabijheid en efficiency, als ook aan samenhang en kwaliteit van de omgevingsdiensten. Om het Gelders stelsel van zes omgevingsdiensten blijvend, op een kwalitatief goed niveau te laten functioneren is het van groot belang om duurzaam met elkaar in gesprek te zijn. De Omgevingsdienst in de Vallei voert daarover de regie en coördineert de agenda ten behoeve van dat gesprek. De Omgevingsdienst Veluwe heeft in het bedrijfsplan de stelseltaak Portaal GO ingericht. De stelseltaak Portaal GO geeft invulling aan de onderdelen Portaal en Communicatie.

Het Portaal is de spil in de contacten tussen de Gelderse Omgevingsdiensten en externe partners, met name met Openbaar Ministerie en politie op het gebied van strafrecht en coördinatie BOA inzet en BSBM. Portaal Communicatie onderhoudt en optimaliseert communicatiekanalen en middelen binnen de Gelderse Omgevingsdiensten. Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) voert namens de Gelderse Omgevingsdiensten Ketentoezicht uit. Team Ketentoezicht richt zich op het terugdringen van milieucriminaliteit. Dit programmateam is verantwoordelijk voor de analyses, de keuze van de ketens en de uitvoeringsplanning. De ketenprogramma’s worden uitgevoerd in samenwerking met de overige omgevingsdiensten. In het Gelders stelsel heeft ketentoezicht prioriteit. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) coördineert de overkoepelende HRM systemen en onderhoud hierover contact met de vakbonden. Brzo-taken Vanuit het Rijk is er extra aandacht voor de kwaliteit van Omgevingswet-brede vergunningverlening, toezicht en handhaving van bedrijven die vallen onder het Besluit risico zware ongevallen (Brzo). Dit zijn bedrijven die bijvoorbeeld werken met gevaarlijke stoffen of chemische processen. In Gelderland werken de gemeenten en de provincie al vanaf 2007 samen bij de uitvoering van de handhaving van Brzo-taken. In 2009 is de samenwerking uitgebreid met Flevoland, Overijssel en Utrecht.

Vanaf 2013 zijn voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving landelijk zes omgevingsdiensten belast met vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) bij deze risicovolle ondernemingen. Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) voert deze taken uit voor de provincies Gelderland en Overijssel.

Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Hier worden begripsbepalingen toegelicht. Artikel 2. Openbaar lichaam Met toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is een openbaar lichaam ingesteld. Ter uitvoering van artikel 10, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is de vestigingsplaats Apeldoorn vastgelegd. Het betreft hier de statutaire vestigingsplaats. Die moet worden onderscheiden van de feitelijke plaats waar het openbaar lichaam zijn taken uitvoert. Die plaats kan verschillen van de statutaire vestigingsplaats. De regeling verzet zich er bovendien niet tegen dat de taken op meerdere plaatsen worden uitgeoefend.

HOOFDSTUK 2 BELANG, TAKEN, BEVOEGDHEDEN EN BIJDRAGEN Artikel 3. Belang Ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt hier het belang vermeld ter behartiging waarvan het openbaar lichaam is ingesteld. Het begrip omgevingsrecht is in deze omschrijving ruim bedoeld en omvat op grond daarvan niet alleen het milieurecht, maar ook bouwrecht, ruimtelijke ordeningsrecht, natuurbeschermingsrecht en dergelijke. Vanwege het belang van alle deelnemers bij een goed werkend Gelders stelsel, in verband waarmee er relaties ontstaan tussen het openbaar lichaam en andere omgevingsdiensten bijvoorbeeld op het punt van complexe of bovenregionale taken, wordt onder de belangen van de deelnemers tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten in Gelderland. Artikel 4. Basistaken en overige taken De bestuurlijke eis van het Rijk is dat de uitvoering van ten minste de taken zoals opgenomen in het basistakenpakket worden belegd bij een omgevingsdienst. Artikel 4 komt aan die eis tegemoet door te bepalen dat de deelnemers ter behartiging van het belang genoemd in artikel 3 de uitvoering van de basistaken onderbrengen bij het openbaar lichaam. Naast de basistaken kunnen de deelnemers bij het treffen van de regeling de uitoefening van overige taken in het omgevingsrecht aan de omgevingsdienst overlaten.

Het tweede lid bepaalt dat tot de in het eerste lid genoemde taken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken. Daarbij kan worden gedacht aan interne advisering, documentondersteuning et cetera. De omschrijving is zo gekozen dat een ruime categorie van werkzaamheden daaronder kan worden verstaan, waaronder bijvoorbeeld ook het heffen van leges. Door de formulering wordt bovendien duidelijk dat er geen verplichting bestaat om dergelijke taken onder te brengen bij de omgevingsdienst. Ingevolge het derde lid bevat het besluit van een deelnemer tot het treffen van de regeling een opgave van de bij de omgevingsdienst ondergebrachte overige taken. Zowel het toevoegen van taken als het terugnemen van taken vergt een wijziging van de regeling, in verband waarmee ook de bijdrage van de deelnemers, de stemverhoudingen en andere zaken in de regeling opnieuw kunnen worden bezien. Een en ander is de uitwerking van bestuurlijke afspraken daaromtrent. Met betrekking tot zowel de basistaken als de overige taken worden dienstverleningsovereenkomsten gesloten tussen de omgevingsdienst en de betrokken deelnemer. Er kunnen tussen de omgevingsdienst en een deelnemer op basis van het vierde lid overeenkomsten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=6727c733-cfb2-4ab9-ba44-a1290feaa219