CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Beeldvorming 15 mei 2024, gemeente elburg29.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

20 Verkennend asbestonderzoek Uit het verkennend asbestbodemonderzoek blijkt dat op een aantal locaties binnen het plangebied nadere SEM-analyses moet worden uitgevoerd. Ook zal op één locatie (van circa 1 m3 en 4 m3) bodemsanering plaats moeten vinden. Verder zijn op 2 locaties in de bodem asbestgehalten boven de interventiewaarde aangetoond waar nader bodemonderzoek naar de mate, omvang en risico’s moet plaatsvinden. Tijdens het bodemonderzoek moet tevens een inspectiesleuf worden geplaatst ter plaatse van inspectiegat G33 (van dit gat zijn tijdens het onderzoek van de grond en het asbestverdachte materiaal namelijk geen analyses uitgevoerd). Verder moet ter plaatse van boring/inspectiegat G48 nader onderzoek plaatsvinden naar de mate, omvang en risico’s van de aangetroffen sterke verontreiniging met PAK in de grond. Tevens moet boring B06 worden herplaatst en herbemonsterd (bodemtraject van 0,0-0,5 m-mv) en vervolgens separaat worden geanalyseerd op het NEN 5740-pakket incl. OCB. Dit aangezien deze zintuiglijk verontreinigde laag was opgemengd met zintuiglijk schone grond en daardoor dus mogelijk verdunning heeft plaatsgevonden. Voor de overige (detail)informatie omtrent de nog uit te voeren werkzaamheden met de onderbouwing wordt verwezen naar de beoordeling van de Omgevingsdienst Noord Veluwe (ODNV2023AVIF-00741, d.d. 21 september 2023).

Aanvullend bodemonderzoek Door Boluwa Eco Systems BV is een aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd in oktober 2023. In dit onderzoek is een groot aantal boringen en afperkingen nader onderzocht. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. De aangetoonde licht verhoogde gehalten in de bovengrond van boring B06 geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Op het terrein dienen de volgende bodemsaneringen te worden uitgevoerd: 1. Rond boring B25, verontreiniging PAK (10-VROM), geschatte hoeveelheid 25 m³,bodemlaag 0 – 0,50 m-mv;2. Rond boring/inspectiegat G48, verontreiniging PAK (10-VROM), geschattehoeveelheid 10 m³, bodemlaag 0,10 – 0,20 m-mv (onder asfaltverharding); 3. Ter plaatse van G27/inspoelzone MM1A (G26, G27, G28), verontreiniging asbest,geschatte hoeveelheid 9 m³, bodemlaag 0 – 0,50 m-mv; 4. Rond inspectiegat G43, verontreiniging asbest, geschatte hoeveelheid 20 m³,bodemlaag 0 – 0,50 m-mv; 5. Ter plaatse van inspoelzone MM5A (G38 t/m G40), verontreiniging asbest, geschattehoeveelheid 1 m³, bodemlaag 0 – 0,10 m-mv. De verontreinigde grond dient te worden ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Voorafgaand aan de sanering(en) dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf.

De ontgraving en uitvoering van de sanering dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf. 4.5.3 Conclusie Na het aanvullend en nader bodemonderzoek kan gesteld worden dat op vijf plaatsen in het plangebied bodemsanering dient te worden uitgevoerd. Als deze bodemsaneringen worden uitgevoerd vormt het onderdeel ‘bodem’ geen belemmering meer voor dit bestemmingsplan. Het uit te voeren aanvullend- en nader bodemonderzoek is vervolgens ter beoordeling ingediend bij de Omgevingsdienst Noord Veluwe. De Omgevingsdienst heeft beoordeeld dat het ingediende bodemonderzoek voldoende is om vast te stellen of de bodemkwaliteit een beletsel of beperking vormt voor de bestemmingsplanwijziging op de locatie.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

21

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.6.2 Onderzoek Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: • LPG-tankstation • De Zuiderzeestraatweg West: vervoer van gevaarlijke stoffen • Drie hogedruk aardgasbuisleidingen • De A28 • De spoorlijn Amersfoort-Hattem Drie hogedruk aardgasbuisleidingen De hogedruk aardgasbuisleidingen liggen op een dusdanige afstand van het plangebied dat deze in het kader van externe veiligheid niet relevant zijn. A28 en spoorlijn Amersfoort-Hattem De A28 en de spoorlijn Amersfoort-Hattem liggen op ongeveer 3.800 meter van het plangebied. Hierdoor zijn deze twee risicobronnen op dit moment nog externe veiligheid relevant. Immers voor een toxisch scenario moet uitgegaan worden van een effectafstand van 4.000 meter. Met de komst van de Omgevingswet wordt er gesproken over een gifwolkaandachtsgebied.

Bij een gifwolkaandachtsgebied dient rekening gehouden te worden met een afstand van 1.500 meter. Het plangebied valt buiten deze afstand. Rekening houdend met de komst van de omgevingswet adviseert de veiligheidsdienst hierin geen maatregelen anders dan die in de Omgevingswet reeds genoemd worden. LPG-tankstation en vervoer van gevaarlijke stoffen over de Zuiderzeestraatweg West Voor het LPG-verkooppunt geldt een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt op circa 190 meter afstand en voldoet daarmee aan de richtafstand. Over de Zuiderzeestraatweg West vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van LPG is 355 meter. Het plangebied bevindt zich zowel binnen het verantwoordingsgebied als binnen het invloedsgebied van LPG.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

22 Omdat de ontwikkeling een kerk met een hoog aantal personen betreft en vrij dicht op deze weg gelegen is dient het groepsrisico te worden berekend. Tevens dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Over het algemeen wordt geprobeerd om functies die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals senioren of gehandicapten, op een zo groot mogelijke afstand van de risicobronnen te realiseren. Met het plan worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Door AVIV is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder beknopt samengevat. Plaatsgebonden risico Het risico van het transport over de bevoorradingsroute is berekend met RBM II versie 2.3, ontwikkeld in opdracht van Rijkswaterstaat voor evaluatie van transportroutes. De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10-6 contour.

Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico In de toekomstige situatie blijft het groepsrisico, ondanks het toenemende aantal aanwezigen, gelijk. Er is berekend hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Voor zowel de toekomstige als de huidige situatie is dit een factor van 0.019. Dit betekent dat het groepsrisico meer dan 50 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde. De reden dat het groepsrisico ondanks het toenemende aantal aanwezigen niet verandert, heeft als oorzaak dat de bevoorrading van het LPG-tankstation op werkdagen plaatsvindt, terwijl de kerkdienst(en) in het weekend zijn gemodelleerd. Het groepsrisico is kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde en neemt in de toekomstige situatie niet toen. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Conform art. 7 van het Bevt kan volstaan worden met het ingaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Afbeelding 4.1 vat het berekeningsresultaat samen. Het gedeelte van het traject dat het kilometervak met het maximale groepsrisico omvat, is weergegeven met een lichtblauwe kleur. Geel gemarkeerd zijn de ongevalspunten die de grootste bijdrage levert aan het groepsrisico. De planlocatie ligt op ongeveer 85 m afstand van het dichtstbijzijnde punt.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

23

Afbeelding 4.1: Geografische weergave van het toekomstige groepsrisico. (Bron: Externe Veiligheid onderzoek Aviv, Bijlage 5)

Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door het planvoornemen. Daarom kan de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Zelfredzaamheid Het maatgevende scenario voor de Zuiderzeestraatweg West en voor het LPG-tankstation is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij het tankstation kan een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Een ander ongevalscenario betreft een fakkelbrand.

Hierbij breekt de losslang van de LPG-tank af, waardoor LPG uit de tank stroomt en in brand vliegt. Dit wordt veroorzaakt door een botsing op de weg. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Ontvluchting is in dit scenario mogelijk.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

24 Ontvluchting is mogelijk als het plangebied niet te zwaar zou worden getroffen. Dit is afhankelijk van de ernst en de locatie van het ongeval (afstand tot het plangebied). Om te vluchten is het van belang dat de nieuwbouw voldoende (nood)uitgangen heeft die van de bron af gericht zijn. Het perceel wordt alleen ontsloten aan de zijde van de Zuiderzeestraatweg West. Aanbevolen wordt om een vluchtmogelijkheid te creëren aan de zuidzijde van het perceel, zodat men van de weg af kan vluchten. Aan de zuidzijde van het perceel is aan de oostkant Landgoed Klarenbeek gelegen en aan de westkant een grasveld van de Doornspijker IJsvereniging. Vanaf daar kan verder gevlucht worden over paden op Landgoed Klarenbeek of de rode Landsweg richting het zuiden. Opgemerkt wordt dat de bevoorrading van LPG uitsluitend/hoofdzakelijk op werkdagen plaatsvindt zodat het niet waarschijnlijk is dat een ongevalsscenario optreedt tijdens kerkbezoek op de zondag of in de avonden. De Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland heeft 13 aanbevelingen gegeven om de zelfredzaamheid te verhogen, zoals gebruik maken van NL-alert, duidelijke bewegwijzering en goede communicatie over hoe te handelen bij calamiteiten. Deze aanbevelingen zullen worden meegenomen in de nadere uitwerking van het plan en bij de realisatie van het plan.

Bestrijdbaarheid Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. Het plangebied is alleen bereikbaar voor hulpdiensten vanaf de Zuiderzeestraatweg West. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat NL-Alert wordt ingezet. Risicocommunicatie naar de werknemers is zeer belangrijk. Bij indiensttreding kunnen werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015. Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE.

Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. 4.6.3 Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er is formeel advies gevraagd bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De adviezen van de Veiligheidsregio zijn overgenomen en verwerkt in de bovenstaande paragraaf.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

25

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.7.2 Onderzoek De VNG gaat uit van twee omgevingstypen: een rustige woonwijk / buitengebied of een gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging, waar bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies aanwezig zijn. Voor een gemengd gebied zijn de milieuzones kleiner dan voor een rustige woonwijk of buitengebied. Gezien de ligging van de planlocatie en de verschillende functies in de omgeving kan in dit geval uitgegaan worden van gemengd gebied. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Een kerk en een parkeerterrein worden beide aangemerkt als milieucategorie 2. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan een woonbestemming (gevoelige functie).

De richtafstand van 10 m vanuit de bestemmingsgrens valt daardoor over de woonbestemming en de dichtstbijzijnde woning. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de Afdeling in de uitspraak van 13 juli 2011 heeft bepaald dat het klokgelui om kerkgangers op te roepen voor de dienst aangemerkt wordt als een door artikel 6 van de Grondwet beschermde uiting tot het belijden van godsdienst. Dit betekent dat het geluid van klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige plechtigheden en het belijden van godsdienst (het 'kerkelijk leven') en de effecten daarvan op de omgeving buiten beschouwing mogen worden gelaten. Voor wat betreft het nieuwe parkeerterrein is een nadere onderbouwing noodzakelijk. Ten behoeve van deze onderbouwing is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd door KuiperCompagnons. De notitie met bijbehorende berekeningen is opgenomen in bijlage 6. De resultaten van het onderzoek worden hieronder beknopt beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (ruimschoots) voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Tevens is nog geluidruimte beschikbaar voor de overige geluidbronnen van de kerk, zoals eventuele installaties.

Voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder blijkt uit het onderzoek dat voor wat betreft het aspect indirecte hinder sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt dat voor wat betreft het maximale geluidsniveau dat niet zondermeer voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNGpublicatie. Om de geluidbelasting ter plaatse van de woningen te reduceren, kunnen de volgende maatregelen worden overwogen: Maatregel 1: Beperken gebruik parkeerplaatsen in de avondperiode Door de 34 parkeerplaatsen die in afbeelding 4.4.2.1 zijn gemarkeerd in de avondperiode niet te gebruiken, maar de overige 136 parkeerplaatsen te gebruiken, wordt voorkomen dat de overschrijding optreedt. Deze 136 resterende parkeerplaatsen zijn in de representatieve bedrijfssituatie ruim voldoende, omdat het om slechts 32 personenwagens in de avondperiode gaat. Het gebruik van de 34 parkeerplaatsen in de avond kan voorkomen worden door deze fysiek af te sluiten met een ketting of hek, of door een verbodsbord te plaatsen. Voor de incidentele bedrijfssituatie is deze oplossing echter niet toereikend, omdat dan 140 parkeerplaatsen benodigd zijn.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

26

Afbeelding 4.2 Parkeerplaatsen die overschrijding veroorzaken (bron: Akoestisch onderzoek uit bijlage 6)

Maatregel 2: Plaatsing schermen In overleg met HHG Doornspijk is onderzocht wat de mogelijkheden zijn om op de erfgrens afschermende voorzieningen te plaatsen. Hierbij is uitgegaan van een begroeibaar scherm zoals bijvoorbeeld Greenwall. Uitgegaan is van de schermen, zoals in afbeelding 4.2 weergegeven, met een hoogte van 2 meter (scherm A, C en D; met rood weergegeven) respectievelijk 2,4 meter (scherm B, met blauw weergegeven). Voor het scherm gelden de volgende eisen: • De hoogte van de schermen dient minimaal 2 meter respectievelijk 2,4 meter te bedragen; • De massa van de schermen dient minimaal 10 kg/m2 te bedragen; • De schermen dienen gesloten te worden uitgevoerd; • De schermen dienen aan de bronzijde absorberend te worden uitgevoerd;

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

27

Afbeelding 4.3 Positie schermen (bron: Akoestisch onderzoek uit bijlage 6)

Hierbij wordt het volgende opgemerkt: - De schermen C en D zijn vanuit akoestisch oogpunt niet noodzakelijk, maar komen voort uit het participatietraject met de omwonenden. - Zolang de bestaande uitbouw van de woning Zuiderzeestraatweg West 69A aanwezig, mag het scherm A uit twee delen worden opgebouwd die aansluiten op de uitbouw. Het is dus niet noodzakelijk het scherm langs de uitbouw door te trekken. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het maximale geluidsniveau inclusief schermen: - Ter plaatse van de woning Zuiderzeestraatweg West 69A ten hoogste 70 dB(A) bedraagt; - Ter plaatse van de woning Zuiderzeestraatweg West 69B ten hoogste 66 dB(A) bedraagt; - Ter plaatse van de woning Zuiderzeestraatweg West 71 ten hoogste 62 dB(A) bedraagt. Met deze maatregel wordt dus in de dagperiode op alle woningen voldaan aan de 70 dB(A) en wordt de eerder geconstateerde overschrijding ter plaatse van de woning Zuiderzeestraatweg West 71 teniet gedaan. Zoals in afbeelding 4.3 zichtbaar is neemt het aantal parkeerplaatsen dat in de avondperiode niet gebruikt kan worden met 8 af tot 26 en zijn derhalve 144 parkeerplaatsen beschikbaar, waarmee ook in de incidentele situatie voldaan kan worden. 4.7.3 Conclusie Naar het effect van de toekomstige parkeerplaatsen op de naastgelegen woonfunctie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Er wordt niet zondermeer voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie wat betreft het maximale geluidsniveau. Hierdoor zullen maatregelen getroffen moeten worden. Zodra aan het geluidsniveau wordt voldaan vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

28

4.8

Water

4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

29 voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021-2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1. Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2. Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3. Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid waterbeheerder Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 is in november 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe. Het BOP is het waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027, en vervangt het waterbeheerprogramma 2016-2021. Het waterschap heeft samen met haar partners de doelen van het BOP opgesteld, met de strategische Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) als vertrekpunt.

Ze laten zien waar het waterschap voor staat in de periode 2022-2027. Daarbij is rekening gehouden met de wettelijke taken van het waterschap: waterveiligheid en schoon en voldoende oppervlaktewater. De BOP-doelen zijn gebiedsgericht vertaald en terug te vinden in de gebiedsprogramma’s (Eemland, Noord Veluwe, Gelderse Vallei, IJsselvallei). Om een waardevolle leefomgeving te waarborgen staan vijf maatschappelijke thema’s centraal tijdens de planperiode 2022-2027: - Waardevolle leefomgeving; - Klimaatverandering; - Energietransitie; - Circulaire economie; - Biodiversiteit. Keur, legger, algemene regels en beleidsregels De Keur (Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013) is de algemene verordening van het waterschap, waarin de regels van het waterschap rondom water staan. Het gaat onder meer om regels over beheer en onderhoud van waterstaatswerken en handelingen in watersystemen. Op de bijbehorende legger (Legger watersysteem en waterkeringen) is te zien op welk gebied deze regels van toepassing zijn. Gebaseerd op de Keur heeft het waterschap algemene regels gesteld. Voor activiteiten die niet zijn toegestaan kan een vergunning worden aangevraagd, waarbij het waterschap deze aanvraag toetst aan de beleidsregels.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

30 Beleid gemeente Programma van eisen voor de inrichting van de openbare ruimte In het PvE voor de inrichting van de openbare ruimte heeft de gemeente Elburg eisen opgenomen ten aanzien van infiltratievoorzieningen. Regenwater afkomstig van daken van woningen en dergelijke mag niet rechtstreeks worden afgevoerd naar de riolering, maar dient op een infiltratievoorziening te lozen. Deze infiltratievoorziening moet op het perceel waarop de bebouwing staat worden gerealiseerd. Deze infiltratievoorziening moet door middel van een overloopconstructie worden aangesloten op het regenwaterriool. Een uitzondering hierop, afhankelijk van het onderzoek en plan, zijn gebouwen die gelegen zijn nabij/aan open water. Hiervan mag het regenwater van daken direct op open water geloosd worden. Voor openbare achterpaden geldt dat een goede afwatering gewaarborgd moet zijn. Het regenwater afkomstig van deze openbare achterpaden moet worden aangesloten op het vuilwaterriool. Daar waar zich bijzondere gevallen voordoen en dit programma van eisen daarin niet voorziet, dient dit in overleg met de gemeente opgelost te worden. Ten aanzien van de bergingscapaciteit is bepaald dat infiltratievoorzieningen een capaciteit hebben om minimaal 60 mm per m2 verhard oppervlak te bergen. Tuinen op particuliere percelen worden voor 50% toegerekend aan verhard oppervlak.

Vegetatiedaken worden niet aangemerkt als verhard oppervlak (mits voldoende opvangcapaciteit). Om uniformiteit aan te brengen in de omvang van de voorzieningen, hanteert de gemeente voor woningen drie categorieën met een minimale bergingseis: vrijstaande woningen (7,50 m3/perceel), twee-onder-één-kappers (5,40 m3/perceel) en rijtjeswoningen (3,60 m3/perceel). Bij de berging zal de infiltratievoorziening (theoretisch) gemiddeld éénmaal per jaar het wateraanbod niet geheel kunnen verwerken. Bij extreme neerslag kan het overige regenwater via de noodoverloop zijn weg vinden naar het gemeentelijke riool. Wanneer (bij calamiteiten) ook deze afvoermogelijkheid geblokkeerd is, zal het regenwateroverschot via de bladvang naar de tuinen van de woningen stromen. Het aanbrengen van een regenton leidt niet tot reductie van de benodigde berging in de infiltratievoorziening. 4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.

De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Oppervlaktewatersysteem Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten en zuiden van het plangebied loopt een watergang, die aan de zuidkant het plangebied begrenst en met een slingerende beweging door het landgoed Klarenbeek loopt. De beschermingszone bij oppervlaktewaterlichamen bedraagt voor oppervlaktewaterlichamen A aan beide zijden 5 meter, gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Op de Legger watersysteem van het waterschap (zie afbeelding 4.4) is de watergang aangemerkt als A-water met aan weerszijden een onderhoudsstrook van 1 meter. Omdat de nieuwe situatie het mogelijk maakt machinaal onderhoud aan de watergang uit te voeren, zal hier in de toekomst een 5 meter brede onderhoudsstrook op de legger worden opgenomen.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

31

Afbeelding 4.4: Uitsnede legger watersysteem waterschap Vallei en Veluwe.

Waterveiligheid Zoals blijkt uit de leggerkaart van het waterschap ligt het projectgebied niet binnen of nabij een beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. In het vigerende bestemmingsplan is ook geen beschermende dubbelbestemming opgenomen. Zodoende vormt waterveiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling. Waterkwantiteit In de huidige situatie is het plangebied voor een deel bebouwd en verhard met een inrit en parkeerplaatsen, maar zijn deze verhardingen omgeven door groen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing gesloopt en vervangen door een nieuw kerkgebouw. Ook worden extra parkeerplaatsen aangelegd. Daarbij zal het bestaande groen zoveel mogelijk behouden blijven. Daarnaast zullen de parkeerplaatsen (gedeeltelijk) in halfverharding worden uitgevoerd. Zoals te zien in afbeelding 4.5, kent de bestaande bebouwing in het plangebied gezamenlijk een oppervlak van 1.250 m2. De overige terreinverhardingen (inrit, parkeerplaatsen) beslaan een oppervlak van circa 787 m2. In totaal is daarmee circa 2.037 m2 verhard. De overige 3.634 m2 van het plangebied is grotendeels groen ingericht en onverhard. De nieuw op te richten kerk kent een oppervlak van circa 1.050 m2. Het bestaande gebouw aan de noordoostkant blijft ongewijzigd.

Zoals te zien in afbeelding 4.6 kent het nieuwe kerkplein aan de zijde van de Zuiderzeestraatweg West een oppervlak van 385 m2. De aan te leggen toegangsweg en bestrating leveren een verharding op van 1.466 m2. Voor de parkeerplaatsen tussen het kerkplein en de Zuiderzeestraatweg West (349 m2) wordt uitgegaan van verharde bestrating; met als alternatieve optie het realiseren van waterdoorlatende verharding. De overige parkeerplaatsen en gronden rondom de bebouwing worden ingericht met waterdoorlatende verharding. Deze gronden beslaan een oppervlak van 2.164 m2. De ‘waterdoorlatende verharding’ wordt uitgevoerd in een systeem waarbij hemelwater volledig kan infiltreren. Dit oppervlak kan dan ook als onverhard terrein worden beschouwd.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

32

Afbeelding 4.5: Oppervlakten en verharding bestaande situatie.

Afbeelding 4.6: Oppervlakten en verharding toekomstige situatie (bron: Architectenbureau Born, 12 april 2024).

In de bestaande situatie wordt er geen hemelwater van de verharding in het plangebied op de Klarenbeek geloosd (dit wordt afgevoerd naar de zuivering via het gemend riool). Enkel dat wat vertraagd afstroomt via het groen komt in de beek terecht. In de toekomstige situatie zal het hemelwater Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

33 dat op het verhard oppervlak valt uiteindelijk worden geloosd op de Klarenbeek. Met het oog op het watersysteem is dit positief, omdat er geen schoon water meer wordt vermengd met vuil water en onnodig naar de zuivering getransporteerd, met eventuele vuilwater overstorten tot gevolg. Dit sluit aan bij het beleid van waterschap en gemeente; evenals het beleidsuitgangspunt dat ruimtelijke ontwikkelingen niet meer worden afgewenteld op benedenstrooms gebied maar voor hun eigen waterberging zorgen. Gezien het bovenstaande zorgt de voorgenomen ontwikkeling in ieder geval voor een verharding van (1.050 + 385 + 1.466 + 349 =) 3.250 m2. Voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam via nieuw verhard oppervlak binnen de bebouwde kom geldt in de Keur een verbod (art. 3.4). Omdat het nieuwe verharde oppervlak meer bedraagt dan 1.500 m2 wordt de vrijstellingsgrens uit de algemene regels (art. 3.2.54) overschreden. Dit betekent dat een vergunning benodigd is. Volgens de beleidsregels van het waterschap dient daarbij een berging van 60mm per m² verhard oppervlak te worden gerealiseerd (art. 4.5.12). Dit sluit aan bij bergingscapaciteit die de gemeente in haar beleid hanteert. Het waterschap gaat daarbij uit van een bui van 87 mm waarbij geen wateroverlast optreedt. Niet al het water dat vrijkomt gedurende een regenbui, wordt afgevoerd.

Een deel van het water zal verdampen (1 mm), een deel mag afgevoerd worden (26 mm). Hiermee rekening houdend gaat het waterschap ervan uit dat er zonder voorzieningen 60mm meer geloosd wordt dan in een onverharde situatie. Deze hoeveelheid moet daarom worden gecompenseerd, door het realiseren van een berging van 60 mm per m² verhard oppervlak. Op basis van een verhard oppervlak van 3.250 m2, resulteert dit in een waterbergingsopgave van 195 m3. Om hierin te voorzien wordt gedacht aan de toepassing van BIMS als infiltratiemateriaal. Voor BIMS geldt dat het volume hiervan voor 40% kan worden meegerekend als watercapaciteit. Met een bergingsopgave van 195 m3 betekent dit een omvang van circa 487,5 m3. Om het hemelwater op te vangen en te laten infiltreren zal er onder het oppervlak een pakket van minimaal 30 cm dik moeten worden aangebracht. Op basis van informatie uit het DINO loket (zie paragraaf 2.4 van bijlage 4) bevindt het freatisch grondwater rond het plangebied op circa 1,36 m beneden maaiveld. Op basis van een inhoud van 487,5 m2 zal daarvoor een oppervlak van minimaal 1.625 m2 voor nodig zijn. Daarmee kan worden voldaan aan de bergingsnorm van 60mm/m2. Daarbij zal het hemelwater in de infiltratievoorziening moeten gebracht worden. Het kerkgebouw kan rechtstreeks afwateren op de infiltratievoorziening.

De gronden met de waterdoorlatende verharding wateren zelf af, rechtstreeks de infiltratievoorziening in. De overige terreinverharding zal middels kolken en/of goten afgewaterd moeten worden op de infiltratievoorziening. Na het bergen van de benodigde 60 mm/m2 kan de rest van de regenbui wel overlopen in het oppervlaktewater van de beek. Dit kan via een uitstroomvoorziening. Voor een uitstroomvoorziening is wel een vergunning nodig. Hiervoor gelden beleidsregels ten aanzien van objecten en bouwwerken in een oppervlaktewaterlichaam (art. 4.5.3). Dit zal in het vervolg nader worden uitgewerkt aan de hand van de criteria van het waterschap. Waterafvoer en riolering In de omgeving van het plangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Het vuilwater (droogweerafvoer, DWA) van het kerkgebouw wordt hierop aangesloten. Het hemelwater dat op de bebouwing en andere verharding valt wordt afgekoppeld van het DWA en gescheiden afgevoerd. Dit is onder ‘waterkwantiteit’ nader beschreven. Hierbij zal moeten worden voldaan aan de regels van het waterschap. Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten.

Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

34 of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater en het beheer en onderhoud van hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaren. Daarnaast moet de gemeentelijke riolering bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Daarnaast zal het beoogde infiltratiesysteem voor de waterberging (zie onder ‘waterkwantiteit’) ook onderhouden moeten worden (regulier onderhouden en schoonmaken). Het onderhoud hiervan ligt bij de eigenaar van het kerkgebouw. 4.8.3 Conclusie De precieze omvang en invulling van eventueel benodigde watercompensatie wordt nog nader bepaald. De overige waterthema’s leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Bro nog aan het waterschap voorgelegd.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

35 instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. In het licht van de voorgekomen ontwikkelingen is daarom onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Ter voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling heeft Inventarium in juni 2021 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De Omgevingsdienst Noord-Veluwe heeft dit rapport beoordeeld, op basis daarvan is de quickscan aangevuld. De volledige quickscan is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat het overtreden van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is bij het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden in het plangebied. Er zijn geen beschermde soorten flora en fauna aangetroffen, die met de voorgenomen ontwikkeling worden aangetast. Beschermde bomen (PM onderzoek) Uit de Groene Kaart van de gemeente Elburg (afbeelding 4.7) blijkt dat er drie beschermde bomen op het voorterrein van het plangebied staan. Deze beschermde bomen blijven behouden.

Naar deze bomen is door idverde een Bomen Effect Analyse (voortaan BEA) uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat twee van de aanwezige bomen zijn beoordeeld als gezond, met een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. Eén boom is beoordeeld met een matige conditie en een toekomstverwachting van 10 tot 15 jaar.

Afbeelding 4.7: Uitsnede van de Groene Kaart gemeente Elburg.

Op basis van een eerder ontwerp werd geconcludeerd dat er bomen niet behouden konden blijven. Door idverde zijn vervolgens alternatieven geformuleerd. Het ontwerp voor de ontwikkeling is vervolgens aangepast volgens optie 2 (zie pagina 15, paragraaf 4.3 van de BEA, bijlage 10). Het huidige maaiveld wordt verhoogd door het plaatsen van Sandwichconstructies binnen het donkerblauw gearceerde vlak Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

36 op afbeelding 4.8 Hierbij zullen boven op de wortels beluchtingskratten worden geplaatst, waarop een dunne laag cunetzand en de nieuwe bestrating geplaats kan worden. De kratten bieden ruimte voor de aanwezige wortels om te groeien zonder opdruk te veroorzaken en functioneren daarnaast als drukverdelende laag voor de transportbewegingen die auto’s rond te boom zullen maken. De nieuwe verharding zal bij het toepassen van de dunste maat kratten 20-25 centimeter hoger komen te liggen dan nu het geval is. Hierdoor zullen de voor de werkzaamheden afgezette wortels niet verder beschadigen. Er zal gewerkt worden conform de in de Bomen Effect Analyse omschreven randvoorwaarden. Een deel van het achter terrein van het plangebied is aangeduid met de groene zone ‘Boomzone (gebied met bomen/houtwallen)’. Binnen deze zone geldt dat bomen kapvergunningsplichtig zijn. Binnen deze zone worden circa vijf bomen gekapt. Hiervoor zal een kapvergunning worden aangevraagd en de bomen worden binnen het plangebied herplant.

Afbeelding 4.8: aangepast ontwerp ten behoeve van behoud monumentale lindes. (bron Architectenbureau BORN, 12 april 2024)

Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander beschermd natuurgebied. In de omgeving van het plangebied zijn wel verschillende (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden aanwezig. Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe (circa 2 km afstand). De Veluwerandmeren, op circa 2 km afstand van de bestemmingsplanlocatie, zijn niet stikstofgevoelig. Emissie van stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase kan een stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen op voorhand Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

37 niet worden uitgesloten. In ieder geval is een stikstofdepositie-berekening nodig om te bepalen of effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Ten behoeve van de aanleg- en gebruiksfase is in april 2024 door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief berekeningen is opgenomen als bijlage 8. Er is worst-case uitgegaan van 850 kerkgangers. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 4.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de Wnb ten aanzien van beschermde soorten of gebieden. Daarnaast kan met zekerheid worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling.

Het aspect natuur en ecologie vormt geen belemmeringen.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. 4.10.2 Onderzoek Archeologie In het vigerende bestemmingsplan ‘Doornspijk en Hoge Enk’ is aan het hele voorliggende plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend.

Voor het oprichten van bebouwing en uitvoeren van werken geldt een onderzoeksplicht met als vrijstellingsgrens een oppervlakte van meer dan 120 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m. In overleg met de regioarcheoloog is afgestemd dat voor de voorgenomen ontwikkeling archeologisch onderzoek niet benodigd is. Cultuurhistorie Landgoed Klarenbeek De locatie bevindt zich naast en gedeeltelijk op het Rijksmonument Landgoed Klarenbeek. Het landgoed bestaat uit verschillende onderdelen, te weten het Huis Klarenbeek, de historische tuin- en parkaanleg, het voormalige koetshuis, twee dienstwoningen, een garage en een brug en toegangspoort. Landgoed Klarenbeek en de verschillende monumenten (bruin omlijnd) Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

38 Het voormalige koetshuis maakt deel uit van de locatie van de kerk en zal behouden blijven. Het pand zal dienst gaan doen als dienstwoning, waardoor het pand behouden blijft.

Afbeelding 4. Ligging van het landgoed Klarenbeek en positie plangebied ten opzichte van het landgoed

Het plangebied ten opzicht van het landgoed.

De overige bebouwing, die niet op het landgoed behoort, wordt gesloopt. In de nieuwe opzet maakt deze bebouwing plaats voor de kerk die op een zodanige wijze gesitueerd wordt dat deze aansluit op de stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristieken van het landgoed. In verschijningsvorm moet de kerk echter duidelijk afwijken van het landgoed om niet met het landhuis Klarenbeek te concurreren. Duidelijk moet zijn dat de kerk niet tot het landgoed zelf behoort, maar daar wel bij aansluit. Een streekeigen architectuur is wel wenselijk.

Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

39 De relatie tussen locatie en landgoed is uitgebreid beschreven in de studie en het schetsontwerp van Ars Virens en is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Inpassing van de kerk In het ontwerp van het kerkgebouw wordt gezocht naar samenhang met het naastgelegen Landgoed Klarenbeek. In een vroeg stadium is er door de landschapsarchitect een studie gedaan naar de randvoorwaarden, positionering, bouwvolume, materialisering etc. Dit alles is in bijlage 2 opgenomen. In het kort worden hieronder de ontwerpuitgangspunten genoemd die van belang zijn voor het aspect cultuurhistorie: - In stedenbouwkundige en landschappelijke opzet dient te worden gezocht naar samenhang tussen de kerk en het landgoed; - De kerk moet in functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan het naastgelegen landgoed en wat vormgeving en detaillering betreft af wijken van de architectuur van het landhuis. Hiermee wordt bedoeld dat het kerkgebouw te herkennen is als ‘kerk’ en niet ook als een landhuis; - Het kerkgebouw dient een streekeigen architectuur te hebben; - Historiserende bebouwing is mogelijk, mits de detaillering zorgvuldig uitgevoerd wordt. Door deze zorgvuldige benadering en manier van ontwerpen ontstaat er een passend ensemble met het landgoed.

Hoewel er aanzienlijke aanpassingen plaatsvinden op de locatie, voegt het kerkgebouw, samen met de groen ingerichte parkeerplaats en accentuering van de bestaande monumentale lindes door het toevoegen van een bankje, meer ruimtelijke kwaliteit toe dan in de huidige situatie. Op deze wijze levert de kerk en de inrichting van het groen een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de dorpskern van Doornspijk. Een belangrijk aspect om aansluiting en samenhang met het landgoed te verkrijgen en de kwaliteit te verbeteren is de maximale groene invulling van het perceel. Dit wordt bereikt door een groot deel van de terreininrichting te realiseren met groen. In het document dat is opgesteld door landschapsarchitectenbureau Ars Virens is dit verder uitgewerkt (zie bijlage 1). Naast het document van Ars Virens zijn in bijlage 2 meer concrete en toetsbare beeldkwaliteitsrichtlijnen opgenomen. Deze gaan in op de situering, de massa en hoofdvorm, de gevels, het materiaal- en kleurgebruik en de terreininrichting en kunnen worden gebruikt als toetsingskader voor het ontwerp voor Welstand. 4.10.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Kader Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES).

De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de Bestemmingsplan ‘Zuiderzeestraatweg West 69, Doornspijk’ Toelichting Vaststelling – 16 april 2024

40 ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet.

De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). 4.11.2 Onderzoek en conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke normen en vereisten, en aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders. Zo wordt het kerkgebouw in ieder geval gasloos en als BENG gerealiseerd. In aanvulling daarop worden in de stedenbouwkundige uitwerking duurzaamheids- en klimaatadaptieve maatregelen meegenomen. Zo wordt de inrichting van het terrein rondom de bebouwing zo groen mogelijk ingericht, wat bijdraagt aan de biodiversiteit en het tegengaan van hittestress.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=5480f89f-0b8c-4bc4-b78b-c25d07fd93bc