Bijlage A bij ontwerp raadsbesluit
Tekst van het document
2.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van regionale waterberging mag maximaal 2 m bedragen.
Hoofdstuk 7 AANLEGACTIVITEITEN Afdeling 7.1 Algemeen Artikel 7.1 Toepassingsbereik 1.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.
2.
Onverminderd afdeling 5.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.
Afdeling 7.2 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten 'beschermingszone archeologie' Artikel 7.2 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
64
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door:
a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen; het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien en vellen van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond; het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies; het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt; het aanbrengen van verhardingen.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van beschermingszone archeologie.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het tegengaan van het ontstaan of kunnen ontstaan van een onevenredige aantasting van de archeologische waarden.
Artikel 7.3 Vergunningplicht aanlegactiviteiten Ter plaatse van beschermingszone archeologie is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde.
Artikel 7.4 Uitzonderingen op de vergunningplicht 1.
Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.
2.
Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van beschermingszone archeologie en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan is aangegeven in tabel 7.4 bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde. Tabel 7.4
archeologische verwachting Gemeente Eindhoven
3.
65
Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van beschermingszone archeologie en de bodemverstoring niet dieper gaat dan is aangegeven in tabel 7.4 bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde.
Artikel 7.5 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt verleend als: a. archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en b. uit het onderzoek blijkt dat door die werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaan of kunnen ontstaan.
Artikel 7.6 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
Artikel 7.7 Advies gemeentelijk adviseur archeologie Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone, wordt advies gevraagd bij de gemeentelijk adviseur archeologie.
Artikel 7.8 Vergunningvoorschriften Als het uitvoeren van de aanlegactiviteit archeologische beschermingszone waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor arecheologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ), en/of; b. de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
Afdeling 7.3 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen' Artikel 7.9 Toepassingsbereik en oogmerk
66
1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen; b. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 m; c. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren; d. het ophogen en egaliseren, bodemverlagen of afgraven of anderszins wijzigen van maaiveld of weghoogte.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding .
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de veiligheid en bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding.
Artikel 7.10 Vergunningplicht aanlegactiviteiten Ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding te verrichten.
Artikel 7.11 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.10 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. het normale onderhoud van leidingen betreffen.
Artikel 7.12 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend als door de genoemde werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.
Artikel 7.13 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding; b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd; c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en d. de te gebruiken materialen.
Artikel 7.14 Advies leidingbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag advies in bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding wordt aangetast.
Artikel 7.15 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.9, derde lid, kunnen aan een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.
Afdeling 7.4 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen' Artikel 7.16 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.17 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.18 Uitzonderingen vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.19 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.20 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
67
Artikel 7.21 Advies leidingbeheerder Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.22 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Afdeling 7.5 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen' Artikel 7.23 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.24 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.25 Uitzonderingen vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.26 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.27 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.28 Advies leidingbeheerder Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.29 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Afdeling 7.6 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van cultuurlandschappen Artikel 7.30 Toepassingbereik en oogmerk
68
1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven; c. het diepwoelen en diepploegen; d. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden; e. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels; f. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting; g. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van het cultuurlandschappengebied.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het aangewezen gebied en/of de aanwezige cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende (landschaps)elementen.
Artikel 7.31 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten Ter plaatse van cultuurlandschappen is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit cultuurlandschappen te verrichten.
Artikel 7.32 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.31 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. het normale onderhoud betreffen.
Artikel 7.33 Beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit cultuurlandschappen wordt alleen verleend als: a. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Ter beoordeling of daarvan sprake is, wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven of de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur, en/of wordt op grond van een cultuurhistorisch onderzoek vastgesteld dat met het uitvoeren van de werken en werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen.
Artikel 7.34 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.30 kan, in aanvulling op het bepaalde in Hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling, ten behoeve van de beoordeling van deze aanvraag door het college worden bepaald dat een bouwhistorisch of cultuurhistorisch onderzoek wordt ingediend. a. Dit is in ieder geval aan de orde in het geval dat sprake is van: 1. ingrijpende verbouwing; 2. onduidelijkheid van de authenticiteit van onderdelen; 3. de aanwezigheid van een verouderd onderzoek dat de huidige feitelijke situatie onvoldoende weergeeft. b. Het bouwhistorisch of cultuurhistorisch onderzoek wordt uitgevoerd door een deskundig bureau.
Artikel 7.35 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.30, kan de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.
Afdeling 7.7 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht' Artikel 7.36 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het wijzigen van straten, wegen, pleinen, bomen en erfafscheidingen, niet zijnde bouwwerken; b. verhardingen aan te brengen, behoudens toegangspaden.
2.
Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermde stads- of dorpsgezicht.
Artikel 7.37 Vergunningplicht voor de aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten.
69
Artikel 7.38 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.37 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Artikel 7.39 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht wordt alleen verleend als de ruimtelijke en visuele karakteristiek van de gronden en de gebouwde omgeving niet in onevenredige mate worden aangetast.
Artikel 7.40 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het stads- of dorpsgezicht; b. plattegronden van bestaande en gewenste situatie van het gehele perceel; c. doorsneden met hierop hoogteverschillen aangegeven; d. beschrijving van de kleuren en materialen; e. indien van toepassing: tuin- of landschapsplan.
Artikel 7.41 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.36 derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften worden verbonden.
Afdeling 7.8 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'bos' Artikel 7.42 Toepassingsbereik en oogmerk gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.43 Vergunningplicht gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.44 Uitzondering vergunningplicht gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.45 Beoordelingsregels gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.46 Aanvraagvereisten gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.47 Vergunningvoorschriften gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Afdeling 7.9 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'natuur' Artikel 7.48 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.49 Vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
70
Artikel 7.50 Uitzondering vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.51 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.52 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.53 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Afdeling 7.10 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'water' Artikel 7.54 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het dempen van water; b. het vergraven van oevers; c. het verleggen van water; d. het herprofileren van waterlopen.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van water.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de waterhuishoudkundige belangen.
Artikel 7.55 Vergunningplicht Ter plaatse van water is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit water te verrichten.
Artikel 7.56 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.55 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale onderhoud betreffen; b. de aanleg van ecologische oevers betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.
Artikel 7.57 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwantiteit en waterkwaliteit ontstaat.
Artikel 7.58 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.59 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.54, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water voorschriften worden verbonden.
Artikel 7.60 Advies waterbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water, wordt advies gevraagd bij de waterbeheerder met betrekking tot de vraag of door de ingreep het waterhuishoudkundig belang niet onevenredig wordt aangetast.
71
Afdeling 7.11 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten bij instructieregels Paragraaf 7.11.1 Waterwingebied Artikel 7.61 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.62 Vergunningplicht aanlegactiviteiten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.63 Uitzondering vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.64 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.65 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.66 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 7.11.2 Grondwaterbeschermingsgebied Artikel 7.67 Toepassingsbereik Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.68 Vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.69 Uitzondering vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.70 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.71 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.72 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 7.11.3 Boringsvrije zone Artikel 7.73 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.74 Vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
72
Artikel 7.75 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.76 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.77 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 7.11.4 Attentiezone waterhuishouding Artikel 7.78 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwwerkperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van attentiezone waterhuishouding.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.
Artikel 7.79 Vergunningplicht Ter plaatse van attentiezone waterhuishouding is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding te verrichten.
Artikel 7.80 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.79 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Artikel 7.81 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding kan slechts worden verleend, indien: a. de werken of werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op de waterhuishouding; b. het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.
Artikel 7.82 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.83 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.78, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding voorschriften worden verbonden.
Paragraaf 7.11.5 Behoud en herstel watersystemen
73
Artikel 7.84 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten; b. het ophogen van gronden.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van behoud en herstel watersystemen.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het belang de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
Artikel 7.85 Vergunningplicht Ter plaatse van behoud en herstel watersystemen is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen te verrichten.
Artikel 7.86 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.85 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Artikel 7.87 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden de verwezenlijking of het behoud, beheer en herstel van watersystemen niet in onevenredige mate worden aangetast.
Artikel 7.88 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.89 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.84, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen voorschriften worden verbonden.
Artikel 7.90 Advies waterschap Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen, wordt advies gevraagd bij het waterschap.
Paragraaf 7.11.6 Natuur Netwerk Brabant Artikel 7.91 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.92 Vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.93 Uitzondering vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.94 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.95 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
74
Artikel 7.96 Vergunningsvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 7.11.7 Ecologische verbindingszone Artikel 7.97 Toepassingsbereik en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.98 Vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.99 Uitzondering vergunningplicht Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.100 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.101 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 7.102 Vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Paragraaf 7.11.8 Aardkundige waarde Artikel 7.103 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen; b. het afgraven, ophogen, of egaliseren van de bodem; c. het verwijderen van houtopstanden; d. het diepwoelen of - ploegen van de bodem; e. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van aardkundige waarde.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden.
Artikel 7.104 Vergunningplicht Ter plaatse van aardkundige waarde is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied te verrichten.
Artikel 7.105 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.104 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Artikel 7.106 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige aantasting van de aardkundige waarden plaatsvindt.
75
Artikel 7.107 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.108 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.103, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied voorschriften worden verbonden.
Paragraaf 7.11.9 Regionale waterberging Artikel 7.109 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen; b. het afgraven, ophogen, of egaliseren van de bodem; c. het verwijderen van houtopstanden; d. het diepwoelen of - ploegen van de bodem; e. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van regionale waterberging.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van het waterbergend vermogen van het regionale waterbergingsgebied.
Artikel 7.110 Vergunningplicht Ter plaatse van regionale waterberging is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit regionale waterberging te verrichten.
Artikel 7.111 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.110 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. noodzakelijk zijn in verband met het op het gebruiksdoel gerichte beheer of gebruik van de grond.
Artikel 7.112 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden.
Artikel 7.113 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.114 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.109, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging, voorschriften worden verbonden.
Artikel 7.115 Advies waterschap Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging, wordt advies gevraagd bij het waterschap.
Paragraaf 7.11.10 Groenblauwe waarde Artikel 7.116 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
76
Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:
a. b. c.
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²; het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; het vellen of rooien van houtgewas.
2.
Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van groenblauwe waarden.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel, of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden.
Artikel 7.117 Vergunningplicht Ter plaatse van groenblauwe waarden is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit groenblauwe waarde te verrichten.
Artikel 7.118 Uitzondering vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 7.110 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale beheer en onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Artikel 7.119 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit groenblauwe waarde kan slechts worden verleend als aangetoond is dat de uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de ecologische, landschappelijke dan wel hydrologische waarden en kenmerken van het gebied.
Artikel 7.120 Aanvraagvereisten gereserveerd
Artikel 7.121 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 7.109, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit groenblauwe waarde, voorschriften worden verbonden.
Artikel 7.122 Advies waterschap Voor zover de aangevraagde ingrepen (mede) effect hebben op de hydrologische waarden, kan het bevoegd gezag, voorafgaand aan de vergunningverlening, advies inwinnen bij het waterschap.
Hoofdstuk 8 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG Artikel 8.1 Toepassingsbereik
77
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van: a. de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; b. de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en c. de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
3.
Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
4.
In afwijking van het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.
Artikel 8.2 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 8.3 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen, met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 8.4 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigingen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of het gebruik van een lokale spoorweg Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen; b. een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit: 1. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; 2. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; 3. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken; 4. het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of 5. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. c. een lokale spoorweg aan te leggen; d. een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit: 1. het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m; 2. het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m; 3. een toename van het aantal sporen; 4. het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of 5. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg; of e. het gebruik van een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door: 1.
het verhogen van de maximumrijsnelheid; 2. het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of 3. het verhogen van de treinintensiteit, waaronder in elk geval ook wordt verstaan de intensiteit van (snel)tram of metro.
Artikel 8.5 Beoordelingsregels
78
1.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.4, wordt alleen verleend als: a. de activiteit in overeenstemming is met artikel 3.2; en b. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
2.
De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft.
3. Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing: a. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; b. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Artikel 8.6 Omgevingsplanactiviteit (spoor)weg aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.
Het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen is aanvaardbaar als het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 8.6: Tabel 8.6: standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
55 Lden 50 Lden
Industrieterreinen 40 Lnight
2.
Artikel 5.78m, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.7 Wijziging van een (spoor)weg en wijziging gebruik ook aanvaardbaar als het geluid niet toeneemt Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.
Artikel 8.8 Overschrijding van de standaardwaarde of toename 1. Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 8.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 8.6 en 8.7 bedoelde waarden te voldoen; b. de overschrijding van de hoogste van de in artikel 8.6 en 8.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 8.8, zoals opgenomen in dit eerste lid. Tabel 8.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
79
Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
65 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
70 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
70 Lden 60 Lden
Industrieterrein 50 Lnight
2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
3.
Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.9 Overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen 1.
Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen.
2.
Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onder c, en de geluidbelasting volgens artikel 8.8 aanvaardbaar is, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
Artikel 8.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 1.
Bij de toepassing van de artikelen 8.8 en 8.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de gelden de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein; e. de aanwezigheid van: 1. minimaal 1 geluidluwe gevel; of 2. er compenserende maatregelen worden getroffen.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
Artikel 8.11 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikelen 8.8 en 8.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.4, vastgelegd.
80
Artikel 8.12 Vergunningvoorschriften Aan een in artikel 8.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen.
Artikel 8.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (spoor)weg Bij een aanvraag om een in artikel 8.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar: 1. het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden; 2. het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; 3. het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen; 4. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; b. een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; c.
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 8.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en d. bij een aanvraag waarop artikel 8.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaan. J Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 9 KOSTENVERHAAL K Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 10 [Gereserveerd] [Vervallen] L Hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 11 [Gereserveerd] [Vervallen] M
81
Na hoofdstuk 9 worden twee hoofdstukken ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk 10 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Afdeling 10.1 Algemene bepalingen Artikel 10.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten.
Artikel 10.2 Voorrangsbepaling 1.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften verbonden zijn aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 10.3 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 10.4 Specifieke zorgplicht
82
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.3, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
j.
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 10.5 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikelen 10.3 en 10.4.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 10.3.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.6 Gegevens en bescheiden op verzoek 1.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 10.7 Informeren bij ongewoon voorval 1.
Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
3.
Het eerste en het tweede lid gelden niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 10.2 van toepassing is.
Artikel 10.8 Zelfstandige informatieplicht bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba 1.
83
Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt
over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of te beperken. 2.
De verstrekte informatie is voldoende om de beoordeling of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk, bedoeld in artikel 8.9, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, te kunnen maken.
3.
De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.
Afdeling 10.2 Milieubelastende activiteiten anders dan lozen of bodembeheer Paragraaf 10.2.1 Algemene bepalingen Artikel 10.9 Toepassingsbereik 1. Afdeling 10.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 10.1, met uitzondering van: a. activiteiten bij wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de ten tijde van het vaststellen van dit omgevingsplan geldende Algemene plaatselijke verordening; 2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of 3. dat niet aangemerkt kan worden als festiviteit behorende bij een milieubelastende activiteit; f. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; g. lozingen; h. graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; i. situaties waarbij sprake is van het opslaan van propaan in tanks bij woningen; en j.
milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen.
2.
In afwijking van het eerste lid, onder a, is deze titel wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.
Artikel 10.10 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.
Paragraaf 10.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten Subparagraaf 10.2.2.1 Energiebesparing
84
Artikel 10.11 Toepassingsbereik gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 10.12 Energie: maatregelen gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 10.2.2.2 Zwerfafval Artikel 10.13 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Subparagraaf 10.2.2.3 Geluid Subsubparagraaf 10.2.2.3.1 Algemene bepalingen Artikel 10.14 Toepassingsbereik Subparagraaf 10.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 10.9, met uitzondering van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. op het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; c. windturbines; d. bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
Artikel 10.15 Meerdere activiteiten beschouwen als 1 activiteit Voor de toepassing van deze subparagraaf worden als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 10.16 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds 1.
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
85
g. h. i.
3.
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 10.17 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
4. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 5.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 10.17 In welke gevallen akoestisch onderzoek
86
1.
In de volgende gevallen wordt er altijd een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden (gemiddeld gemeten over de periode van een jaar) met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; c. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; d. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; e. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; f. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; g. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1.
in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: I. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II. 80 dB(A), in andere gevallen; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het bevoegd gezag ziet af van het verzoeken om een akoestisch rapport indien: a. op basis van redelijke kennis aannemelijk is dat de geluidswaarden zoals bedoeld in deze paragraaf niet worden overschreden of voldaan kan worden aan de voorschriften in de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift; b. voldoende vaststaat dat de activiteiten niet relevant zijn mee te nemen in het kader van het toezicht op de omgevingswaarde geluidproductieplafond die voor het industrieterrein is gesteld op grond van dit omgevingsplan.
3.
Dit artikel is niet van toepassing als artikel 10.8 van toepassing is.
Artikel 10.18 Onderzoek op verzoek bevoegd gezag 1.
Een geluidonderzoek wordt in afwijking van artikel 10.17 ook verricht als het bevoegd gezag hierom verzoekt omdat: a. het gelet op de aard, omvang of locatie van de activiteit aannemelijk is dat niet voldaan wordt aan de van toepassing zijnde geluidswaarden van dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
2.
Bij het verzoek wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 10.19 Termijn overhandigen akoestisch onderzoek Een akoestisch onderzoek wordt verstrekt: a. ten minste vier weken voordat een nieuwe activiteit wordt uitgevoerd; b. ten minste vier weken voordat de activiteit akoestisch relevant wijzigt en de activiteiten op een andere manier worden verricht dan op grond van een eerder opgesteld geluidonderzoek bekend was bij het bevoegd gezag; c. ten minste vier weken voorafgaand aan een nieuwe of bestaande activiteit als met toepassing van artikel 10.18 om onderzoek wordt verzocht, tenzij een andere termijn wordt gecommuniceerd.
Artikel 10.20 Inhoud akoestisch onderzoek Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen: a. wat de geluidbelasting is en of waarmee aan de waarden bedoeld in dit omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan; b. welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze maatregelen worden getroffen.
Artikel 10.21 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen 1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; c. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; d. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; e. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire terreinen.