CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A bij ontwerp raadsbesluit

Raadsvergadering 20 mei 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling eerste wijziging Omgevingsplan gemeente Eindhoven40.788 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Artikel 5.55 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Deze voorschriften kunnen in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen betreffen.

Artikel 5.56 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de waarde van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaard- en/of grenswaarde, inzicht wordt gegeven in mogelijk te treffen: 1. bronmaatregelen; 2. overdrachtsmaatregelen; 3. maatregelen bij de ontvanger

Subparagraaf 5.2.4.8 Bouwen bij buisleiding gevaarlijke stoffen Artikel 5.57 Geografisch werkingsgebied en oogmerk Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.58 Beoordelingsregel en vergunningvoorschriften Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.59 Aanvraagvereisten Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.9 Waterberging Artikel 5.60 Groen en waterberging

45

1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als vaststaat dat wordt voorzien in voldoende groenopgave, en indien van toepassing compensatie bestaand groen, en waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid. Aan de hand van de ‘Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven’ wordt bepaald of hieraan voldaan is.

2.

Als de onder het eerste lid bedoelde beleidsregeling wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling bepaald of sprake is van voldoende groenopgave, en indien van toepassing compensatie bestaand groen, en waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid.

3.

Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als vast staat dat wordt voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan klimaatbestendigheid, dat in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over waterberging.

Artikel 5.61 Aanvraagvereisten bij waterbergingsopgave gereserveerd

Subparagraaf 5.2.4.10 Trillingen Artikel 5.62 Trillingen Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.63 Aanvraagvereisten trillingen Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.11 Cultuurlandschappen Artikel 5.64 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in cultuurlandschappen.

Artikel 5.65 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Hierbij wordt advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven.

Artikel 5.66 Vergunningvoorschriften In de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden opgenomen waarmee waardoor cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

Artikel 5.67 Aanvraagvereisten cultuurlandschappen gereserveerd

Subparagraaf 5.2.4.12 Natuur Netwerk Brabant (NNB) Artikel 5.68 Toepassingsbereik Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.69 Beoordelingsregels Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.70 Aanvraagvereisten Natuur Netwerk Brabant Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.13 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten Artikel 5.71 Overgangsregeling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg 1.

46

Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.

2.

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5.72 Overige gegevens en bescheiden Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 5.2.4.14 Mobiele verontreinigingssituatie Artikel 5.73 Beoordelingsregel mobiele verontreinigingssituatie De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: a. geen sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie, zoals bedoeld in artikel 5.12; b. sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie zoals bedoeld in artikel 5.12, maar de bron van de mobiele verontreinigingssituatie niet ligt op het perceel waarop wordt gebouwd; of c. sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie en uit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat: 1. gevaar voor het grondwater is uit te sluiten; 2. als gevaar voor het grondwater niet is uit te sluiten, voor de bodemsanering een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingediend; 3. als gevaar voor het grondwater aanwezig is, een grondwatersanering is uitgevoerd in overeenstemming met de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.52 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; of 4. als de bodemsanering of grondwatersanering nog niet is afgerond, de bouwactiviteiten geen belemmering opleveren voor de sanering.

Artikel 5.74 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van het voorafgaande bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.12; b. de resultaten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; c. de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft uitgevoerd; d. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; en e. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht.

Artikel 5.75 Gegevens en bescheiden naar Gedeputeerde Staten Het bevoegd gezag stuurt een kopie van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 5.74, aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.76 Start bouwactiviteit De bouwactiviteit start niet eerder dan nadat het bevoegd gezag is geinformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere maatregelen, die voortvloeien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, zijn uitgevoerd.

47

Subparagraaf 5.2.4.15 Archeologische (verwachtings-)waarde Subsubparagraaf 5.2.4.15.1 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 3 Artikel 5.77 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 3: terrein van archeologische verwachtingswaarde .

Artikel 5.78 Beoordelingsregels 1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als: a. het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en c. uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: a. het bebouwen van gronden waarbij maximaal 50 m2 van de grond wordt geroerd; of b. het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 50 m2 tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld.

Artikel 5.79 Vergunningvoorschriften Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of b. de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen.

Artikel 5.80 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.2 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 4 Artikel 5.81 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 4: hoge verwachting, historische kern.

Artikel 5.82 Beoordelingsregels 1.

48

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als: a. het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

c.

2.

uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: a. het bebouwen van gronden waarbij maximaal 100 m2 van de grond wordt geroerd; of b. het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 100 m2 tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld.

Artikel 5.83 Vergunningvoorschriften Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of b. de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen.

Artikel 5.84 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.3 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 5 Artikel 5.85 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 5: hoge archeologische verwachting.

Artikel 5.86 Beoordelingsregels 1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als: a. het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en c. uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: a. het bebouwen van gronden waarbij maximaal 250 m2 van de grond wordt geroerd; of b. het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 250 m2 tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld.

Artikel 5.87 Vergunningvoorschriften Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of

49

b.

de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen.

Artikel 5.88 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.4 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 6 Artikel 5.89 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 6: middelhoge archeologische verwachting.

Artikel 5.90 Beoordelingsregels 1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als: a. het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en c. uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: a. het bebouwen van gronden waarbij maximaal 2.500 m2 van de grond wordt geroerd; of b. het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 2.500 m2 tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld.

Artikel 5.91 Vergunningvoorschriften Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of b. de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen.

Artikel 5.92 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

50

Subsubparagraaf 5.2.4.15.5 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 7 Artikel 5.93 Toepassingsbereik eze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 7: lage archeologische verwachting.

Artikel 5.94 Beoordelingsregels 1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als: a. het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en c. uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: a. het bebouwen van gronden waarbij maximaal 25.000 m2 van de grond wordt geroerd; of b. het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 25.000 m2 tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld.

Artikel 5.95 Vergunningvoorschriften Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of b. de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen.

Artikel 5.96 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); b. de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of c. naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Afdeling 5.3 Omgevingsplanactiviteit slopen Paragraaf 5.3.1 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht Artikel 5.97 Toepassingsbereik en oogmerk

51

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen binnen beschermd gezicht.

2.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

3.

Deze paragraaf stelt regels met het oog op het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het aangewezen gebied en de bebouwing daarin.

Artikel 5.98 Vergunningplicht sloopactiviteiten Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen beschermd gezicht te verrichten.

Artikel 5.99 Uitzonderingen vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 5.98 geldt niet als de bedoelde activiteiten: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend; c. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 5.100 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen beschermd gezicht wordt alleen verleend als: a. de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben, en b. een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor: 1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, of 2. het verbouwen van het bouwwerk.

Artikel 5.101 Aanvraagvereisten In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen beschermd gezicht wordt, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: a. een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overlegd waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven een advies is uitgebracht. Dit onderzoek dient aan te tonen dat de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben; b. aannemelijk wordt gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd; c. een rapport wordt verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.102 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen beschermd gezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 5.97, derde lid, genoemde belang.

Paragraaf 5.3.2 Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van karakteristiek Artikel 5.103 Toepassingsbereik en oogmerk 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk.

2.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van Karakteristiek.

3.

Deze paragraaf stelt regels voor het behoud en het bevorderen van karakteristieke gebouwen of delen van gebouwen.

Artikel 5.104 Vergunningplicht sloopactiviteiten Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk te verrichten.

52

Artikel 5.105 Uitzonderingen vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 5.104 geldt niet voor actviteiten die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend; c. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag; d. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 5.106 Beoordelingsregels Een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk wordt alleen verleend als: a. de sloopactiviteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben; en b. een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor: 1. een in plaats van het de slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, of 2. het verbouwen van het bouwwerk.

Artikel 5.107 Aanvraagvereisten In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk wordt, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: a. een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overlegd waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven een advies is uitgebracht. Dit onderzoek dient aan te tonen dat de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben.

Artikel 5.108 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 5.103, derde lid, genoemde belang.

Afdeling 5.4 Overige regels bouwwerken en activiteiten over bouwwerken Paragraaf 5.4.1 Algemeen Artikel 5.109 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk.

Artikel 5.110 Maatwerkvoorschriften 1.

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over paragraaf 5.4.2.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in paragraaf 5.4.2.

Paragraaf 5.4.2 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 5.111 Repressief welstand

53

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

3.

Totdat beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.112 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.113 Aansluiting op distributienet voor gas 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.114 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 5.115 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.116 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

54

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor

afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.110 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.117 Bluswatervoorziening 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.118 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

55

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.119 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.118, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Hoofdstuk 6 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN Afdeling 6.1 Algemeen Artikel 6.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.

Artikel 6.2 Beperking geografisch toepassingsbereik Paragraaf 6.3.3 tot en met Paragraaf 6.3.6 zijn uitsluitend van toepassing ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.

Artikel 6.3 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 6.9, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 6.2 Voorrangsregel ruimtelijke regels bouwwerken Artikel 6.4 Voorrangsregel ruimtelijke regels bouwwerken 1.

56

Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

2.

Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met paragraaf 6.3.1 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

3.

In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

Afdeling 6.3 Ruimtelijke regels over bouwwerken Paragraaf 6.3.1 Bouwwerken in beginsel overal toegestaan Artikel 6.5 Algemene afbakeningseisen 1.

Artikel 6.7 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van artikel 6.7 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 6.7 onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 6.6 Mantelzorg als functioneel verbonden met hoofdgebouw Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Artikel 6.7 Bouwwerken die zijn toegestaan Ongeacht het bepaalde in paragraaf 6.3.3 tot en met 6.3.6 zijn de volgende bouwwerken toegestaan: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als voldaan wordt aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; 5. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; 6. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 7. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II.

functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 8. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 9. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

57

I. II.

b.

c.

een woonwagen; een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. een erf- of perceelafscheiding, als voldaan wordt aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor de huisvesting van mantelzorg.

Artikel 6.8 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7 onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 6.7, onder a, onder 7, onder 2, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 6.7, onder a, onder 8, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 6.9 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed 1.

Artikel 6.7 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding 'rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht' is gegeven.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

3.

Het tweede lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functieaanduiding te geven.

Artikel 6.10 Beperkingen vanwege externe veiligheid 1.

Artikel 6.7, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. ter plaatse van plaatsgebonden risicocontour; b. ter plaatse van brandaandachtsgebieden binnen ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen; c. ter plaatse van explosieaandachtsgebieden binnen ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.

2. Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is artikel 6.7, aanhef en onder a en c, niet van toepassing als de activiteit wordt verricht:

58

a.

b.

c.

d.

op een locatie in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5.

artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13.

artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2. bijlage VIII, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; 3. artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of 4. bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 6.3.2 Gebruik van bouwwerken Artikel 6.11 Bouwwerken uitsluitend toegestaan voor het toegestane gebruik Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in artikel 3.2 eerste lid; b. de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid; c. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels voor gebruik, bedoeld in artikel 3.2; d. een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

59

Paragraaf 6.3.3 Gebouwen Subparagraaf 6.3.3.1 Algemeen Artikel 6.12 Waar zijn gebouwen toegestaan 1.

Een gebouw is, tenzij in dit omgevingsplan anders bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van een bouwvlak.

2.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.13 Bouwhoogte gebouwen 1.

Ter plaatse van maximale bouwhoogte is de maximum bouwhoogte van een gebouw de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van minimale bouwhoogte is de minimum bouwhoogtevan een gebouw de daar bepaalde waarde.

3.

Ter plaatse van karakteristiek mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan bestaand.

4.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste en tweede lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.14 Goothoogte gebouwen 1.

Ter plaatse van maximale goothoogte is de maximum goothoogte van een gebouw de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van minimale goothoogte is de minimum goothoogtevan een gebouw de daar bepaalde waarde.

3.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste en tweede lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.15 Bebouwd oppervlak (m2) 1.

Ter plaatse van maximale bebouwde oppervlakte is de maximum bebouwd oppervlak van gebouwen de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van minimale bebouwde oppervlakte is de minimum bebouwd oppervlakvan gebouwen de daar bepaalde waarde.

Artikel 6.16 Bebouwd oppervlak (%) 1.

Ter plaatse van maximale bebouwingspercentage is het maximum bebouwingspercentage van gebouwen de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van minimale bebouwingspercentage is het minimum bebouwingspercentage van gebouwen de daar bepaalde waarde.

Artikel 6.17 Bruto-vloeroppervlakte (m2) 1.

Ter plaatse van maximale bruto-vloeroppervlakte is de maximum bruto-vloeroppervlakte van gebouwen de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van minimale bruto-vloeroppervlakte is de minimum bruto-vloeroppervlak bedrijf van gebouwen de daar bepaalde waarde.

Artikel 6.18 Begraafplaats Woensel Noord Ter plaatse van begraafplaats zijn gebouwen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 5 m en een totale maximale oppervlakte van 100 m2 .

60

Artikel 6.19 Volkstuinen Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 6.3.3.2 Bijbehorende bouwwerken bij wonen Artikel 6.20 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van wonen.

Artikel 6.21 Bijbehorend bouwwerk binnen en buiten bouwvlak Bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Artikel 6.22 Afstand voorgevel tot bijbehorend bouwwerk Een bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan gebouwd wanneer de zijzijde aan het openbaar toegankelijk gebied grenst. In andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 m.

Artikel 6.23 Oppervlakte bijbehorend bouwwerk 1.

De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%.

2.

In afwijking van het gestelde in het eerste lid geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10 % van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen.

Artikel 6.24 Goothoogte bijbehorend bouwwerk De maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,5 m, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap bedraagt de maximale bouwhoogte 4,5 m.

Artikel 6.25 Bijbehorend bouwwerk voor de voorgevel van de woning Voor de voorgevel van een woning mag een bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden tot een maximum diepte van 1,5 m en met een maximale goothoogte van 3,5 m, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert.

Artikel 6.26 Bestaande situatie Voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde in artikelen 6.22 tot en met 6.25, gelden die maten als maximum.

Subparagraaf 6.3.3.3 (dak)opbouw Artikel 6.27 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van wonen, met dien verstande dat deze regels niet van toepassing zijn op rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 6.28 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw Er mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een woning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van een bungalow en/of patiowoning; b. aan de achterzijde van het hoofdgebouw; c. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 m onder de nok van het hoofdgebouw blijft;

61

d. e.

de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd; en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 m is.

Artikel 6.29 Opbouw bungalow/patiowoning Er mag een opbouw op een bungalow of een patiowoning worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden: a. de opbouw wordt geplaatst op het hoofdgebouw; b. de oppervlakte van de opbouw bedraagt maximaal 25% van het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw; en c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 7 m, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een reeds bestaande tweede bouwlaag op een bungalow / patiowoning niet hoger mag zijn dan de bestaande bouwhoogte van de tweede bouwlaag.

Subparagraaf 6.3.3.4 Gebouwen voor het opwekken van duurzame energie Artikel 6.30 Gebouwen voor het opwekken van duurzame energie 1.

Gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan.

2.

De maximale bouwhoogte bedraagt 3 m.

3.

De maximale oppervlakte bedraagt 15 m2.

Subparagraaf 6.3.3.5 Woonwagen of woonwagenwoning Artikel 6.31 Woonwagen of woonwagenwoning Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 6.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Artikel 6.32 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1.

Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 5 m.

2.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.33 Erf- en terreinafscheiding 1.

Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum hoogte van een erf- en terreinafscheiding: a. 2 m, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn; b. 1 m, voor zover gelegen voor de voorgevelrooilijn.

2.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.34 Lichtmasten 1.

Lichtmasten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkeer, verblijf en sport.

2.

De maximum bouwhoogte van een lichtmast bedraagt 10 m.

3.

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.35 Geluidwerende voorzieningen Geluidwerende voorzieningen zijn uitsluitend toestaan ter plaatse van geluidwerende voorzieningen, met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.

62

Artikel 6.36 Kunstwerken 1.

Kunstwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkeer.

2.

De maximum bouwhoogte van kunstwerken bedraagt 8 m.

Artikel 6.37 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen Ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding zijn uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leidingen toegestaan.

Artikel 6.38 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkooppunt motorbrandstoffen 1.

Ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum van 5 m, met uitzondering van: a. reclamezuilen waarvan de maximum bouwhoogte 15 m bedraagt; b. een overkapping waarvan de maximum bouwhoogte 5,5 m bedraagt; c. terreinafscheidingen waarvan de maximum bouwhoogte 2,5 m bedraagt.

2.

Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.39 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van begraafplaatsen Ter plaatse van begraafplaats zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum hoogte van 5 m, met uitzondering van: a. verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten waarvan de maximum bouwhoogte 15 m bedraagt.

Artikel 6.40 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor dagrecreatie Ter plaatse van dagrecreatie zijn: a. erf- en terreinafscheidingen toegestaan tot maximaal 2 m; b. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum hoogte van 6 m.

Artikel 6.41 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor volkstuinen Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 6.3.5 Bijzondere bouwwerken [Gereserveerd]

Paragraaf 6.3.6 Overige regels over bouwwerken Artikel 6.42 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

63

1.

De gevel ter plaatse van niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Totdat de in het eerste lid bedoelde naam aan een locatie is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 5.52, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

3.

Ter plaatse van geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel dienen aan een geluidgevoelig gebouw maatregelen te worden getroffen en in stand gehouden die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

b.

4.

borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

Ter plaatse van bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 6.43 Bouwregels waterwingebied Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.44 Bouwregels grondwaterbeschermingsgebied Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.45 Bouwregels behoud en herstel watersystemen 1.

Ter plaatse van behoud en herstel watersystemen mogen geen gebouwen worden gebouwd.

2.

Ter plaatse van behoud en herstel watersystemen mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m bedragen.

Artikel 6.46 Bouwregels ecologische verbindingszone Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.47 Bouwregels cultuurhistorische gebieden Ter plaatse van cultuurhistorische gebieden gelden de volgende bouwregels voor hoofdgebouwen: a. de bestaande voorgevelrooilijn mag niet worden overschreden; b. de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet worden overschreden; c. van de bestaande dakvorm, dakhelling en nokrichting van gebouwen mag niet worden afgeweken.

Artikel 6.48 Onderdoorgang Ter plaatse van minimale bouwhoogte onderdoorgang mogen de gronden tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd.

Artikel 6.49 Bouwregels regionale waterberging 1.

Ter plaatse van regionale waterberging zijn uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de waterberging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15349436/2