Bijlage A bij ontwerp raadsbesluit
Tekst van het document
Artikel 4.11 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
26
1.
Bij de toepassing van artikel 4.8 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenin-
c.
d.
delingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt.
5.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
Artikel 4.12 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid – zwaarwegende belangen 1.
Bij de toepassing van artikel 4.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt.
5.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
Artikel 4.13 Vergunningvoorschriften 1.
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Dit betreft in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen.
2.
Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 5 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 5 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing.
Artikel 4.14 Aanvraagvereisten
27
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5 wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaard en/of grenswaarde, inzicht wordt gegeven in de mogelijk te treffen: 1. bronmaatregelen; 2. overdrachtsmaatregelen; 3. maatregelen bij de ontvanger.
Paragraaf 4.2.2 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties binnen plaatsgebonden risicocontour Artikel 4.15 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Plaatsgebonden risicocontour.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met 'plaatsgebonden risicocontour'.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.16 Verbod gebruik binnen plaatsgebonden risicocontour 1.
Het is ter plaatse van de plaatsgebonden risicocontour verboden om de gronden te gebruiken: a. voor een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw; b. als een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie.
2.
Het verbod geldt niet voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het plaatsgebonden risicocontour is opgenomen.
Paragraaf 4.2.3 Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen brandaandachtsgebied Artikel 4.17 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf geldt binnen een brandaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een brandaandachtsgebied.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.18 Verbod gebruik binnen brandaandachtsgebied Binnen een brandaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.
Paragraaf 4.2.4 Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen explosieaandachtsgebied Artikel 4.19 Toepassingsbereik en oogmerk
28
1.
Deze paragraaf geldt binnen een explosieaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een explosieaandachtsgebied.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.
Artikel 4.20 Verbod gebruik binnen explosieaandachtsgebied Binnen een explosieaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.
Paragraaf 4.2.5 Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof [Gereserveerd]
Afdeling 4.3 Overige algemene regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (voorheen gesteld door het Rijk) Paragraaf 4.3.1 Algemeen Artikel 4.21 Maatwerkvoorschriften 1.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over deze afdeling.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 4.3.2 Gebruik van bouwwerken Artikel 4.22 Overbewoning woonruimte 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 4.23 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 4.24 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 4.3.3 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
29
Artikel 4.25 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.25. Tabel 4.25
ADR-klasse 1
Omschrijving
Verpakkingsgroep
Toegestane maximum hoeveelheid
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)
n.v.t.
50 kg
3
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton
II
25 liter
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C
Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten
III
50 liter
4.1, 4.2, 4.3
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide
II en III
50 kg
5.1
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide
II en III
50 liter
5.2
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide
n.v.t.
1 liter
1
Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
30
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 4.25 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en
f.
brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Artikel 4.26 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 4.27 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Hoofdstuk 5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN Afdeling 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk; b. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; c. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen.
Artikel 5.2 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil 1.
31
Met het bouwen van een hoofdgebouw waarvoor een melding bouwactiviteit, een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat ten aanzien van vloerpeil en perceelsgrenzen op basis van een actueel hoogteplan (inclusief een voorstel voor het vloerpeil) overleg heeft plaatsgevonden met de gemeentelijk landmeetkundige.
2.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.
Artikel 5.3 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functieaanduiding te geven.
Artikel 5.4 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 5.16, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 5.5 Mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 5.6 Verbod hyperscale datacentra 1.
Het is verboden om een hyperscale datacentrum te bouwen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig wordt verricht of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of voor 16 februari 2022.
Afdeling 5.2 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken Paragraaf 5.2.1 Algemeen Artikel 5.7 Toepassingsbereik Afdeling 5.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Paragraaf 5.2.2 Vergunningplicht bouwen, in stand houden en gebruiken bouwwerk Artikel 5.8 Vergunningplicht bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
Artikel 5.9 Verbod om te bouwen: rijksbeschermd stadsgezicht In afwijking van het bepaalde in artikel 5.8 is het ter plaatse van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, behoudens interne verbouwingen, verboden om te bouwen.
32
Artikel 5.10 Algemene beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 5.2.4 zijn gesteld.
Artikel 5.11 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m3 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; en g. bodemonderzoek naar mobiele verontreinigingssituatie; h.
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 5.12 Invulling algemeen aanvraagvereiste mobiele verontreinigingssituatie 1.
Voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, wordt onderzocht of sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie, zoals aangegeven in artikel 5.11 sub g, door: a. raadpleging van het bodeminformatiesysteem Nazca Bodem; b. voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het overleggen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel het voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2; of b. een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 . 3. Er is sprake van een mobiele verontreinigingssituatie als het grondwater: a. een verontreinigingscontour heeft in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume die de signaleringsparameter grondwatersanering, zoals opgenomen in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord Brabant overschrijdt; of b. in een kwetsbaar gebied, als bedoeld in artikel 3.49 van de Omgevingsverordening NoordBrabant, de verontreinigende stof in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume de
33
voorkeurswaarde grondwater overschrijdt, bedoeld in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Paragraaf 5.2.3 Bouwwerken waarvoor vergunningplicht niet geldt (ruimtelijke regels onverkort van toepassing) Artikel 5.13 Toepassingsbereik 1.
In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.8, niet van toepassing is.
2.
Op bouwwerken waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.8 niet van toepassing is, is artikel 6.4 onverkort van toepassing.
Artikel 5.14 Afbakeningseisen 1.
Artikel 5.15 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van artikel 5.15 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 5.15 lid 1 onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 5.15 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod als bedoeld in artikel 5.8 geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in het achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag, en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; d. een zwembad, een bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; e. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m, maar niet hoger dan 2 m; 2.
op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. en ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; g. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of h. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
34
Artikel 5.16 Inperkingen vanwege cultureel erfgoed 1.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 5.15 niet van toepassing.
2.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 5.15, aanhef en onder d tot en met h, van toepassing.
3.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 5.15 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is artikel 5.15, aanhef en onder a en b, ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 5.17 Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 5.15 niet, vergunningplicht artikel 5.8 van toepassing Artikel 5.15 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 6.4.
Paragraaf 5.2.4 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten Subparagraaf 5.2.4.1 Algemeen Artikel 5.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Subparagraaf 5.2.4.2 Beoordeling aan algemene regels over bouwwerken en afwijkmogelijkheden Subsubparagraaf 5.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 5.19 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
35
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 6.4.
2.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit passend is binnen: a. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken; of b. een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingswet om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.
3.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als: a. in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.
4.
In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of b. artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
Artikel 5.20 Beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorpsof stadsgezicht 1.
In aanvulling op artikel 5.19 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 5.21 Beoordelingsregels bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
36
1.
In afwijking van artikel artikel 5.19, eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
c.
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Subsubparagraaf 5.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 5.22 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.4, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a. een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan; b. een bouwwerk dat is uitgezonderd van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.15, voor zover daarop vanwege artikel 5.16 of artikel 5.17, toch de vergunningplicht uit artikel 5.8, van toepassing is; c. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom tot 1.000 m2; d. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, 2. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; e.
een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p sub 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 5 m, en; 2. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 10 m, en; 2. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; g. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; h. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; i. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; j.
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; k. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; l. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages, (dak)hellingen tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen, percentages en (dak)hellingen; m. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 m, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen 2 m is; n. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvangen/of sirenemasten 20 m is; o. de overschrijding van het bouwvlak met maximaal 40 cm ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen; p.
de realisatie van bouwwerken ten behoeve van het opwekken van duurzame energie en toestaan dat de maximum oppervlakte wordt vergroot tot maximaal 100 m2.
37
Artikel 5.23 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.22 1.
Aan artikel 5.22 wordt alleen toepassing gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast; c. door de activiteit de beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast; d. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; e. de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 5.22 onder a en b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 6.10; f. het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 3.2; g. het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald, of wanneer er geen maximum is bepaald is, het toevoegen van woningen niet toegestaan, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; h. voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in paragraaf 5.2.4.
2.
Aan artikel 5.22, eerste lid, aanhef en onder c en d, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5.24 Voorschriften Bij toepassing van artikel 5.22 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 5.23 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
Artikel 5.25 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 5.22, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 5.23, te kunnen doen.
Subsubparagraaf 5.2.4.2.3 Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden Artikel 5.26 Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.47, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, toch worden verleend indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.
Artikel 5.27 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.26 Aan artikel 5.26 wordt alleen toepassing gegeven als een advies is ingewonnen van de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven waaruit blijkt dat de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.
Artikel 5.28 Vergunningvoorschriften Bij toepassing van artikel 5.26 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken kunnen worden behouden.
Subparagraaf 5.2.4.3 Uiterlijk en plaatsing bouwwerk
38
Artikel 5.29 Beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken 1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
3.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van strijd met de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5.30 Vergunningvoorschriften uiterlijk en plaatsing van bouwwerken Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 5.29, eerste lid, genoemde belang.
Artikel 5.31 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 5.29 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 5.29, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.
Artikel 5.32 Aanvraagvereisten beoordeling uiterlijk plaatsing van bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk of de plaatsing van bouwwerken, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 5.29: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Subparagraaf 5.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 5.33 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.34 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
39
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
b.
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen.
2.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
4.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 5.35 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 5.34, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van tevoren is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.36 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden, als het onverminderd de regels in artikelen 5.34 en 5.35, van oordeel is dat de bodem zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw. Deze voorschriften strekken ertoe dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.
Artikel 5.37 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.34 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten.
Subparagraaf 5.2.4.5 Parkeernormering auto's en fietsen Artikel 5.38 Beoordelingsregel parkeerplaatsen
40
1.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Aan de hand van de beleidsregeling 'Nota parkeernormen 2024' en de 'Beleidsregels kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen' wordt bepaald of hieraan voldaan is.
2.
Als de onder het eerste lid genoemde beleidsregelingen worden gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling(en) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
3.
Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, gelet op het beoogd gebruik,
in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over parkeren. 4.
Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over parkeergelegenheid waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd, in overeenstemming is met die afwijkende regels.
Artikel 5.39 Met vergunningvoorschrift afwijken van de parkeernormen Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 5.38 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
Artikel 5.40 Maatwerkvoorschrift maatvoering parkeervoorzieningen Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, indien dit gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
Artikel 5.41 Aanvraagvereisten beoordeling normering auto's en fietsen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
Subparagraaf 5.2.4.6 Windhinder Artikel 5.42 Beoordelingsregel windhinder Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 5.43 Instandhouding acceptabel windklimaat Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Artikel 5.44 Aanvraagvereisten windhinder Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.
Subparagraaf 5.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Artikel 5.45 Toepassingsbereik
41
1.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van afweging geluid bij wijziging gebruik.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met afweging geluid bij wijziging gebruik.
3.
Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied.
4.
Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
5.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.
Artikel 5.46 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van de waarden voor het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 5.47 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen, met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 5.48 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 5.49 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.
Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.49: Tabel 5.49: standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
55 Lden 50 Lden
Industrieterreinen 40 Lnight
42
2.
Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 5.50 Overschrijding van de standaardwaarde 1. Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.49 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. het gaat om de realisatie van 10 of minder geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen); b. het gaat om de realisatie van 11 of meer geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) en de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, waarbij de regels met betrekking tot financiële doelmatigheid volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gevolgd, dan wel er met redenen omkleed geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; c. minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is per woning/studio of er worden compenserende maatregelen getroffen; en d. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.50. Tabel 5.50: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
60 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
70 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
65 Lden 55 Lden
Industrieterreinen 45 Lnight
2.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
3. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.50 gelezen voor «Lden»: »Lde». 4. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 5.50 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 5.51 Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.50 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen; b. door middel van onderzoek aangetoond wordt dat: 1. het doel in redelijke verhouding staat tot de afwijking van de grenswaarde; 2. het afwijken van de grenswaarde geschikt is om het doel te behalen; 3. het initiatief niet anders uitgevoerd kan worden en maatregelen en compensatie niet mogelijk zijn en monitoring mogelijk noodzakelijk is; 4. maatschappelijk draagvlak voor het afwijken van de grenswaarde aanwezig is; en
43
c.
Minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is of minimaal 1 gedeeltelijk geluidluwe gevel aanwezig is en hierbij compenserende maatregelen worden getroffen.
Artikel 5.52 Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.50 bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. de uitwendige scheidingsconstructie van de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van de vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert; of b. aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde.
Artikel 5.53 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 1.
Bij de toepassing van de artikelen 5.50 en 5.53 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBSdan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt.
4.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
5.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.54 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid - zwaarwegende belangen 1.
Bij de toepassing van de artikelen 5.50 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2. Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
44
3.
Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt.
4.
Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.
5.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.