Bijlage 5 - Bp Fietspad Eindhoven - Helmond
Tekst van het document
Archeologische waarden plangebied Nuenen Het plangebied valt grotendeels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting en voor een klein deel in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Ook zijn er gebieden met een lage archeologische verwachtingskans.
Volgens het beleid van de gemeente Nuenen dient in een zone met een hoge archeologische verwachting bij plangebieden groter dan 500 m2 en die de bodem dieper dan 0,3 m (of dieper dan 0,5 m bij esdek) de bodem verstoren archeologisch onderzocht te worden. Bij een middelhoge archeologische verwachting ligt deze verplichting bij plangebieden groter dan 2500 34
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
m2, en bij lage verwachting bij 10.000 m2 en bij MER-plichtige projecten. Derhalve geldt voor het gedeelte van het plangebied in de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Onderhavig planvoornemen betreft een tracé van ruim 530 meter lang met een breedte van circa 12 meter. Voor deze werkzaamheden zullen er per locatie verschillende werkzaamheden plaatsvinden. Sommige deelgebieden zullen verhoogd worden, op andere locaties worden er nieuwe profielen ontgraven. Hoe deze werkzaamheden zich precies verhouden in relatie tot de regels voor archeologie wordt bij aanvraag omgevingsvergunning exact bekeken. Om die reden is voor de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting een dubbelbestemming (voorwaardelijke verplichting) opgenomen.
Meldingsplicht toevalsvondsten De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
3.5.2
Cultuurhistorie
Algemeen In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro is opgenomen dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven en de provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Gemeentelijk beleid Eindhoven Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen.
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
35
Figuur 3.9: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven
Figuur 3.10: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart historisch landschap: landschappen en elementen (Bron: De Groene Zoom van Eindhoven. Een cultuurhistorische waardenkaart van het buitengebied van Eindhoven, alsmede enkele groene delen van de bebouwde kom, RAAP-rapport 3258, Weesp 2017).
Beoordeling plan Eindhoven Het Dommeldal is op de gemeentelijke waardenkaart aangeduid als 'Historisch landschap'. Dit beekdal is kenmerkend vanwege onder andere de kleinschalige percelering, de perceelrandbegroeiiing en broekbossen. Het gebied omvat de lage gronden langs de Kleine Dommel, bestaande uit grasland en broekbos. In het dal liggen kasteel Geldrop en twee watermolens. De percelering kan deels nog dateren uit de periode 1250-1500, toen grote delen van de beekdalen werden ontgonnen. Aanzienlijke delen van het beekdal zijn thans 36
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
bedekt met aaneengesloten bos. Daarnaast sluit het fietspad aan op de Loostraat; een historische wegstructuur van vóór 1900. Het betreft een historische weg die door het oude gehucht Loostraat loopt, te midden van een open akkercomplex dat grenst aan het beekdal van de Kleine Dommel. De bebouwing bestaat overwegend uit aan de weg gelegen langgevelboerderijen (ca.1800-1930) en overige erfbebouwing. Structuur, bebouwingsbeeld en het omringende landschap zijn nog gaaf.
Het beoogde fietspad wordt middels een brug over de historische waterloop de Kleine Dommel geprojecteerd. De Kleine Dommel heeft grote invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en het grondgebruik rondom het plangebied. De aanwezige landschapstypen en -elementen laten deze geschiedenis zien en zijn derhalve van grote cultuurhistorische waarde. Dicht bij deze beken/rivieren, in de beekdalen, bevinden zich de beemden en broekbossen.
In de 'De Groene Zoom van Eindhoven' is het tracé van het fietspad bijna geheel gelegen binnen een groter gebied dat landschappelijk eveneens zeer hoog gewaardeerd is (donker oranje) op gaafheid en bijzondere kenmerken. Er zijn nog resten te vinden van een oud broekbos en het gebied heeft een bijzondere kwaliteit (landschapstype jonge heide- en broekontginningen, subtype broekbebossing). Een klein deel van het tracé valt binnen een groter gebied van het type jonge heide- en broekontginningen, subtype vochtige landbouwontginning dat hoog gewaardeerd is (licht oranje).
Het grootste deel van het tracé loopt door een bos, dat als cultuurhistorisch element hoog gewaardeerd is (oranje op de laatste kaartuitsnede) vanwege ouderdom, grote gaafheid van de landschappelijke context en bijzonderheden/zeldzaamheid. Het betreft een bos dat is aangelegd tussen 1843-1953.
Daarnaast is de spoorlijn aangemerkt als een 'Historisch geografische lijn met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde'. Doordat het fietstracé is gebundeld met de spoorlijn, wordt deze historische geografische lijn in het landschap versterkt. Bovendien wordt daarmee voorkomen dat het cultuurhistorische landschap en historisch groen rondom de Kleine Dommel verder wordt versnipperd of doorsneden. Met de realisatie direct ten noorden van het spoor blijft het landschap zo veel mogelijk intact. Ten behoeve van de aanleg van het fietspad zullen enkele bomen worden gekapt en gronden worden verhard. De bescherming van houtopstanden overlapt in deze situatie met de compensatieregeling van het NNB. De procedures en termijnen van de NNB-compensatie en de compensatie van houtopstanden zijn beschreven in paragraaf 3.3.2 en 3.7.2.
Gemeentelijk beleid Nuenen, Gerwen en Nederwetten Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
37
Figuur 3.11: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provinicie Noord-Brabant
Beoordeling plan Nuenen Het gebied waarin het fietspad wordt gerealiseerd omvat de lage gronden langs de Kleine Dommel, bestaande uit grasland en broekbos. De graslanden of beemden (oude hooi- en weilanden) hebben plaatselijk nog hun oorspronkelijke kleinschalige percelering met lange, smalle percelen. Sommige percelen hebben randbegroeiing in de vorm van houtsingels of bomenrijen. De percelering kan deels nog dateren uit de periode 1250-1500, toen grote delen van de beekdalen werden ontgonnen.
Aanzienlijke delen van het beekdal zijn thans bedekt met aaneengesloten bos. Voor een deel bestaat dit bos uit (doorgeschoten) hakhout. Het beekdal wordt doorsneden door de spoorlijn Eindhoven-Venlo, het Eindhovensch Kanaal en de A270.
Doordat het fietstracé is gebundeld met de spoorlijn, wordt deze historische geografische lijn in het landschap versterkt. Bovendien wordt daarmee voorkomen dat het cultuurhistorische landschap en historisch groen rondom de Kleine Dommel verder wordt versnipperd of doorsneden. Met de realisatie direct ten noorden van het spoor blijft het landschap zo veel mogelijk intact. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
3.6
Verkeer en parkeren
Gemeentelijke beleid Eindhoven In de visie Eindhoven op Weg (september 2013) geeft gemeente Eindhoven een visie op het toekomstbeeld van de mobiliteit in de stad. De visie is verdeeld in vier gebiedstypen, waarvoor een visie wordt gegeven ten aanzien van vier modaliteiten. Onderhavig plan heeft betrekking op de modaliteit 'fietser' binnen het gebiedstype 'regio en randweg'.
In de visie Eindhoven op Weg zijn ten aanzien van de fietser in het gebiedstype 'Regio en Randweg' een aantal ambities weergegeven. Zo wil de gemeente Eindhoven een aantrekkelijke en optimaal en duurzaam bereikbare stad zijn. Daarnaast wil de gemeente goede verbindingen tussen economische clusters in Brainport, die aanhaken op (internationale) netwerken. Ook streeft de gemeente Eindhoven naar een verbeterde leefbaarheid van stedelijke en groene gebieden en wil ze meer fietsen op korte afstanden stimuleren. De gemeente Eindhoven tracht deze ambities te bereiken door snelfietsroutes naar omliggende kernen te realiseren en een slowlane aan te leggen tussen campussen en economische toplocaties. 38
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
Figuur 3.12: Kaart Regio en Randweg / Fietser
Om de voorgenoemde reden is in de visie een snelfietsroute tussen Veldhoven en Helmond voorzien. Deze route loopt via het centraal station van Eindhoven en loopt vanaf de binnenring parallel aan de spoorlijn richting Venlo. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een deel van dit tracé, te weten het deel tussen de Loostraat in Eindhoven en de Kleine Dommel (gemeentegrens).
3.7
Natuur en Groen
3.7.1
Groenbeleidsplan 2017
Begin 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.
Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
39
hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Figuur 3.13: Uitsnede kaart Strategieën Groenbeleidsplan 2017
Beoordeling plan In het onderhavige plangebied is volgens het Groenbeleidsplan 2017 gelegen in de ruimtelijke strategie 'Natuur en landschap'. Deze strategie omvat gebieden die zijn opgenomen in het door de provincie ontwikkelde Natuur Netwerk Brabant (NNB, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), gebieden die door gemeente in bestemmingsplannen als “Natuur” en “Bos” zijn bestemd en stedelijke ecologische verbindingszones.
Deze Beleidsregel is niet van toepassing bij locaties buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven in de plankaart behorend bij de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant. In dat gebied is de Verordening ruimte (is nu Interim Verordening) leidend.
In enkele van deze gebieden staat een vrijwel ongestoord verloop van ecologische processen voorop, om de natuur haar gang te laten gaan. In andere gebieden is het wenselijk om met beheer of een bepaalde (agrarische) gebruiksvorm een gebied in een bepaalde fase in het ecologische proces vast te houden of een historisch waardevol landschap met specifieke natuurwaarden in stand te houden. Het beleid is er op gericht het contrast tussen stad en landschap te benutten door scheiding van functies na te streven. De functies die aanwezig zijn of worden ontwikkeld staan in dienst van het primaire doel; namelijk natuur- en landschapsbehoud en ontwikkeling. De aanpak van verdroging is daarbij een van de belangrijkste thema's, uiteraard met respect voor het cultuurhistorisch waardevol landschap. 40
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
De gebieden in de strategie Natuur en landschap kennen een hoge mate van biodiversiteit. Het streven naar behoud en vergroting van de biodiversiteit krijgt in deze gebieden vorm door wettelijke opgaven betreffende gebiedsbescherming (NNB) en bijzondere soorten (Wet natuurbescherming).
Voorts is het beleid gericht op het behoud van rust en duisternis. Functies met een geluidsstorend effect passen niet. Uitgangspunt is geen verlichting. Dit is zowel van belang voor de daar aanwezige natuur als voor de beleving van het gebied als “buitengebied”. Maatwerk kan soms aan de orde zijn bij belangrijke fietsroutes, in combinatie met technologische innovaties die verstoring van de aanwezige natuur tot een minimum beperken. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn in deze gebieden de primaire functies, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik.
Er is ruimte om te recreëren en natuur en landschap te beleven, voor zover daar geen verstorende inrichtingsmaatregelen voor nodig zijn. Andere bestaande voorzieningen of gebouwen ter ondersteuning en behoud van natuur en (historisch) landschap worden gedoogd. Gebouwen zonder functie voor het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde, tenzij het gaat om zwaarwegende maatschappelijke belangen, waarvoor alternatieven ontbreken, en met toepassing van compensatie.
Onderhavig bestemminsplan voorziet in de realisatie van een fietspad binnen een gebied dat binnen het Groenbeleidsplan is aangeduid met de strategie 'Natuur'. Het realiseren van infrastructuur is binnen een dergelijk gebied in principe niet gewenst. Een uitzondering wordt gemaakt voor projecten met een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor geen deugdelijke alternatieven zijn en waarvoor compensatie zal plaatsvinden.
Naast ruimtebeslag zal sprake zijn van beperkte toename van verstoring binnen het natuur. Het fietspad wordt weliswaar gebundeld met de spoorlijn, die vanwege het intensieve treinverkeer al een aanmerkelijke verstoringsbron is. Echter, na de realisatie van het fietspad verschuift de randzone van het natuurgebied verder weg van de spoorlijn, zodat de verstoring in de rand iets minder zal zijn.
In de gebruiksfase van het fietspad zal menselijke aanwezigheid in het gebied een aanvullende verstoringsbron zijn. Met het creëren van een dichte bosrand welke voor afscherming zorgt tussen het fietspad en het aangrenzende natuurgebied zal verstoring zodanig beperkt zijn dat dit niet zal leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.
Vanuit de regio en vanuit de Brainport-gedachte is het wenselijk een fietspad voor woon-werkverkeer mogelijk te maken tussen Eindhoven en Helmond. Ook recreatief verkeer profiteert van dit nieuwe fietstracé. Daarom zal een gedeelte natuur moeten plaatsmaken voor het fietspad. Dit wordt in paragraaf 3.3.2 nader beschreven.
Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist. De Beleidsregel geeft hiervoor de vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
41
richtlijnen. Ingevolge deze beleidsregel (hoofdstuk 2, pagina 6) geldt deze Beleidsregel echter niet voor locaties buiten het bestaand stedelijk gebied zoals bedoeld in de provinciale verordening; Buiten het bestaand stedelijk gebied is de provinciale verordening leidend voor natuurcompensatie (o.a. het beginselvan Kwaliteitsverbetering landschap).
3.7.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig.
Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: 42
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.
Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de Nadere Regels voor compensatie.
Figuur 3.14: Overzicht van boomsoorten in de zone langs het spoor (bron: Natuurtoets, Antea Group 2019)
Beoordeling plangebied Ten behoeve van de aanleg van het fietspad zullen enkele bomen worden gekapt. De bescherming van houtopstanden overlapt in deze situatie met de compensatieregeling van het NNB. De houtopstanden vallen buiten de bebouwde kom op grond van de Boswet en daarmee onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Een meldings- en herplantplicht van het te kappen areaal is hier van toepassing. De melding van de voorgenomen velling is één jaar geldig. De compensatie dient binnen drie jaar na velling te zijn gerealiseerd. Deze eisen vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
43
staan los van de voorwaarden die gelden voor compensatie op grond van aantasting van het NNB. De procedures en termijnen van de NNB-compensatie en de compensatie van houtopstanden worden bij dit project op elkaar afgestemd.
3.8
Kabels en leidingen
Binnen het plangebied zijn planologisch relevante kabels, leidingen, trafo's of straalpaden aanwezig. Het betreft namelijk een bovengrondse landelijke hoogspanningslijn (380 KV). De betreffende gronden worden bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning bovengronds' en aangeduid als 'veiligheidszone - hoogspanningsverbinding'. Deze gronden zijn mede bestemd voor een hoogspanningsleiding, waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan. Onderhavig planvoornemen zal niet voorzien in gebouwen.
Daarnaast zijn er belangrijke riooltransportleidingen van het waterschap de Dommel aanwezig die de RWZI vanuit het zuiden voedt. Deze leidingen transporteren ook afvalwater van randgemeenten naar de RWZI aan de Van Oldenbarneveltlaan. De leidingen genieten een beschermende bufferstrook van >4 meter gemeten vanuit de as van de leiding waar een (bouw)activiteiten plaats mogen vinden. Deze leidingenstrook is weergegeven op de verbeelding. Het waterschap stelt eisen en randvoorwaarden bij de uitvoering van werken door derden in de nabijheid van rioolwatertransportleidingen van waterschap De Dommel. In overleg met het waterschap zal hier rekening mee gehouden worden.
44
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.
Vanuit twee sporen kan sprake zijn van verplichtingen ten aanzien van m.e.r.: De voorgenomen activiteit komt voor in het Besluit milieueffectrapportage; Voor de voorgenomen activiteit moet een passende beoordeling worden opgesteld, omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden. M.e.r.-verplichting vanuit Besluit m.e.r. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.
De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.
4.1.2
Toetsing planvoornemen
De activiteit is niet genoemd in de onderdelen C en D van de bijlagen van het Besluit m.e.r. Het betreft namelijk geen autosnelweg/autoweg (activiteit C 1.2) of weg met meer dan 4 rijstroken (C. 1.3). De activiteit geeft daarom in dit geval geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage of vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor dit bestemmingsplan zijn echter wel bepaalde milieueffecten nader onderzocht, zoals de invloed van de aanleg van het fietspad op de bodem, de natuur, en wordt door deze aanleg natuur elders gecompenseerd.
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
45
4.1.3
Conclusie
Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet nodig.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Normstelling
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.
4.2.2
Toetsing planvoornemen
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een fietspad parallel aan de spoorbaan tussen Eindhoven-Venlo. Een fietspad is geen zoneplichtige activiteit of inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit en er gelden conform de VNG-publicatie geen richtafstanden. Het fietspad is daarnaast niet als kwetsbaar object aan te merken.
4.2.3
Conclusie
Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' is dan ook niet aan de orde.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrie-, luchtvaart-, weg- en railverkeerslawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met nieuwe bestemmingen waar geluidgevoelige gebouwen kunnen worden opgericht (zoals woningen, woonwagens, woonwagenwoningen en gebouwen gericht op onderwijs en gezondheidszorg) moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat de geluidbelasting op de gevels van voor gevoelige functies bestemde gebouwen aanvaardbaar is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken.
Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
46
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
4.3.2
Toetsing planvoornemen
In het voorliggend plan worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.
Een fietspad wordt in de zin van de Wet geluidhinder niet gezien als een weg, omdat de gebruikers ervan niet gezien worden als motorvoertuigen. Een fietser en bromfietser zijn in de zin van de Wet geluidhinder juncto Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen motorvoertuig, waardoor geen sprake is van de aanleg van een rijstrook.
Daarnaast is het fietspad gelegen parallel aan de spoorlijn tussen Eindhoven-Venlo. Gezien de aard en omvang van het gebruik van dit fietspad is niet te verwachten dat deze voor een noemenswaardige extra geluidbelasting zal zorgen, omdat het spoorweglawaai maatgevend is wat betreft geluidsemissie.
4.3.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren en wel zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet worden voldaan aan de Europese grenswaarden. Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en voor fijn stof (PM10) een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram/m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
4.4.2
Besluit niet in betekende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten van een bepaalde omvang grenzen vastgesteld, op grond waarvan kan worden aangenomen dat deze een 'niet in betekenende mate bijdrage' (nibm) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
47
minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek te worden uitgevoerd en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor (PM10) en (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is ingeval het betreft 'gevoelige bestemmingen': 300 meter aan weerszijden van Rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse 'Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' opgesteld. Deze handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
48
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de luchtkwaliteitseisen (Wet milieubeheer) en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een "goede ruimtelijke ordening" blijft naast de toetsing aan de Wet luchtikwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft in artikel 3.1 voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor een goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn. Gedacht kan dan worden aan bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
4.4.5
Toetsing planvoornemen
Dit plan voorziet in de realisatie van een fietspad. Een dergelijk plan is niet te plaatsen onder een categorie die is opgenomen in de bijlage van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Het fietspad is bestemd voor fietsers, brom- en snorfietsers en is dus niet toegankelijke voor ander gemotoriseerd verkeer. Het is niet aannemelijk dat de aanleg van het fietspad zal leiden tot een dusdanige toename van brom- en snorfietsers die invloed heeft op de luchtkwaliteit. Gezien de aard en omvang van het project kan dan ook worden gesteld dat de aanleg van het fietspad niet in betekenende mate zal bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze conclusie kan zeker getrokken worden wanneer het project wordt vergeleken met andere categorieën van ontwikkelingen (bijvoorbeeld woningbouw of kantoorlocaties) die in de bijlage van de Regeling NIBM zijn opgenomen en die eveneens niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van een gevoelige bestemming in de zin van Besluit gevoelige bestemmingen. Daardoor is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing.
Het tracé van het fietspad is voornamelijk gelegen in het buitengebied en in de nabije omgeving zijn geen gevoelige bestemmingen gelegen. De primaire gebruikers van het tracé, fietsers, zorgen in ieder geval niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, maar juist omgekeerd voor een verbetering van de luchtkwaliteit indien het fietspad het fietsgebruik stimuleert ten koste van het autogebruik.
Voor de meeste stoffen geldt dat de combinatie van de duur van de blootstelling en de hoogte van de concentratie tijdens de blootstelling wat zegt over de eventuele schadelijkheid. Het fietsen langs een treinspoor wordt niet gezien als een langdurige blootstelling.
4.4.6
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
49
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. In bijlage 8 van de toelichting is het rapport 'Risicobeschouwing Buitengebied Eindhoven-2017' opgenomen. Hierin wordt uitgebreid beschreven wat de risicobronnen zijn, hierna wordt een verantwoording van het groepsrisico gegeven.
4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid van kracht. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
4.5.2
Toetsing planvoornemen
Een verantwoording van het plaatsgebonden risico is conform het Bevt van belang wanneer middels een bestemmingsplan een (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi wordt mogelijk gemaakt. Onderhavig plan heeft betrekking op de aanleg van een fietspad en dit is geen (beperkt) kwetsbaar object. Daarom hoeft in dit geval geen aandacht te worden besteed aan een verantwoording van het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico en hulpverlening Op basis van artikel 7 lid a van het Bevt moet bij een bestemmingsplan dat binnen het invloedsgebied ligt spoorweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op spoorweg. Omdat in dit geval geen (beperkt) kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt, is het niet nodig om in te gaan op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op spoorweg een ramp voordoet (artikel 7, lid b Bevt). In dit geval zijn er vanuit de hoedanigheid van het object, in dit geval het fietspad, geen aanvullende 50
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
risicoreducerende maatregelen denkbaar. Daarbij speelt ook een rol dat vanuit externe veiligheid verkeersdeelnemers niet worden meegenomen in risicoanalyses vanwege de korte tijd dat zij zich op een plaats bevinden.
Het fietspad kan wel een positieve bijdrage leveren aan de hulpverlening bij of bestrijding van een ramp op het spoor. Zo kan via het fietspad het spoor beter worden bereikt, waardoor de hulpdiensten sneller ter plaatse van een calamiteit op het spoor kunnen zijn. Deze aspecten hebben alleen betrekking op de eisen waaraan het fietspad moet voldoen om ook als calamiteitenroute te kunnen functioneren en niet met de functie van verbindingsweg voor fietsers tussen Eindhoven en Helmond.
4.5.3
Conclusie
Gezien het feit dat onderhavig bestemmingsplan geen (beperkt) kwetsbaar object of transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk maakt, kan een verantwoording van het plaatsgebonden- en groepsrisico achterwege blijven. Vanuit de hoedanigheid van het object (fietspad) zijn geen aanvullende risicoreducerende maatregelen denkbaar. Het fietspad kan een positieve bijdrage leveren aan de hulpverlening bij een eventuele ramp of calamiteit op het spoor. Het plan wordt dan ook niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid of vice versa.
4.6
Duurzaamheid
4.6.1
Algemeen
De ambities van de gemeente Eindhoven op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Belangrijke thema's daarbij zijn: 1. Reductie van CO2 Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: bekend als het Klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door in 2016 de 'Klimaatverordening040' vast te stellen. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en met 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk.
We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Sinds 1 juli 2018 moeten kleinverbruikers, zowel nieuwe woningen als nieuwe bedrijven, 'aardgasloos bouwen'. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad bovendien vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en daarom nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
51
Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in uitstoot van CO2 in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad te behouden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen, smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in gebruik van energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. Duurzame energie opwekking Naast de reductie van CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden.
Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2. Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. Geen afval Doelstelling is 0% restafval te hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. Deeleconomie / as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit.
In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik) van het product bij de leverancier.
52
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
3. Natuur Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie, gezonde lucht, bodem en water, beperkte geluidsoverlast, externe veiligheid, openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen, bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). Klimaatadaptatie Extreme regen- en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven klimaatrobuust handelt en dat de hele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde: gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit kan tot meer draagvlak en betere eindresultaten leiden. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
5. Specifiek Eindhovens Daarnaast zijn er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
6. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan en houdt hierbij rekening vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
53
met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.2
Toetsing planvoornemen en conclusie
Met de aanleg van een snelfietspad tussen Eindhoven en Helmond is het voor forenzen mogelijk om per tweewieler van hun woning naar het werk te reizen in plaats van met de auto. Daarmee wordt met dit planvoornemen nadrukkelijk invulling gegeven aan duurzame mobiliteit.
4.7
Bodem
4.7.1
Wettelijk kader
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Daarbij gaat het enerzijds om de bodemgesteldheid en anderzijds om bodemverontreiniging.
4.7.2
Toetsing planvoornemen
In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is in bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies.
Op basis van de analyseresultaten blijkt de ondergrond zeer plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt en nikkel. Verder zijn zowel in de bovengrond als in de ondergrond geen verhoogde gehaltes gemeten van het standaardpakket grond. De indicatieve bodemfunctieklasse betreft klasse altijd toepasbaar. Verder zijn zowel in de boven- alsook in de ondergrond van dit traject geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarden zijn gemeten. De bodem voldoet hiermee voor de parameter PFAS-indicatief aan de klasse Landbouw/Natuur (AW). Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Op basis van de gehanteerde onderzoeksinspanning en de onderzoeksresultaten kunnen hoeveelheidsbepalingen worden verricht en beslissingen ten aanzien van de omgang met de vrijkomende materiaalstromen en duurzaam waterbeheer worden genomen.
4.7.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
54
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
4.8
Natuur
4.8.1
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
4.8.2
Toetsing planvoornemen
In het kader van dit bestemmingsplan is een Natuurtoets uitgevoerd. Het plan kan worden uitgevoerd als de werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wnb en het beleid van Natuurnetwerk Nederland. Met de Natuurtoets is inzichtelijk gemaakt in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies en advies.
Gebiedsbescherming Op basis van de Wnb is het niet toegestaan een plan of project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Het kabinet heeft besloten om de stikstofproblematiek structureel aan te gaan pakken, wat heeft geleid tot de introductie van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), welke op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet wordt beoogd de natuur te versterken en de stikstofuitstoot en depositie te verminderen. De wet bevatte ook een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Naar aanleiding van de ‘Porthos-uitspraak’ omtrent de bouw-/aanlegfase van 2 november 2022 moet worden geconcludeerd dat de vrijstelling, zoals opgenomen was onder de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), niet in overeenstemming is met de Europese wetgeving. Daarom dient ook de aanlegfase betrokken te worden in de planvorming/vergunningverlening en bijbehorende berekening stikstofdepositie.
In het plangebied is geen Natura 2000-gebied aanwezig. Er komen ook geen beschermde Natura 2000-gebieden voor binnen de invloedssfeer van het plangebied, omdat het dichtstbijzijnde gebied op circa 5 km afstand ten zuiden van het plangebied is gelegen. Het betreft het gebied het Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het project wat betreft verdroging of geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het projectgebied, de ligging in het stedelijke gebied en daardoor de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. Er is mogelijk een effect te verwachten op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie. In de gebruiksfase wordt geen langdurige toename in stikstofemissie in het projectgebied verwacht.
Om de mogelijke (toename van) stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige Natura 2000vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
55
gebieden inzichtelijk te maken, zal voor de beoogde ontwikkeling een berekening stikstofdepositie voor de aanlegfase worden opgesteld. Dit middels het rekeninstrument AERIUS Calculator. De actualisatie van Aerius is uitgesteld tot 26 januari 2023. De resultaten van deze berekening zullen bij vaststelling van dit bestemmingsplan worden verwerkt in deze paragraaf.
Zoals in paragraaf 3.3.2 van de toelichting is aangegeven is een groot deel van het plangebied conform de Interim Omgevingsverordening aangeduid als 'Natuur Netwerk Brabant'. Binnen deze gebieden is het beleid erop gericht om natuur en water te versterken. Er is sprake van directe aantasting van de NNB, in de vorm van ruimtebeslag. Negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB in het plangebied kunnen niet worden uitgesloten.
Aangezien sprake is van ruimtebeslag binnen het NNB op de locatie, kan het project alleen doorgang vinden door herbegrenzing van het NNB. Gezien de aard en omvang van de ingreep dient de herbegrenzing plaats te vinden met gebruikmaking van artikel 3.21 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd). Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.2.
Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld in de Wnb. Onder de werking van deze wet vallen circa 1.000 dier- en plantensoorten. Zo zijn alle inheemse zoogdieren, amfibieën en reptielen een beschermde status, evenals een aantal soorten planten, vissen, insecten en ongewervelden. Volgens de wet mogen beschermde soorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust en gedood. Ook mogen voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Om een goed beeld te vormen van de binnen het plangebied aanwezige beschermde soorten en habitats is een natuurtoets noodzakelijk.
Op basis van de Natuurtoets (zie bijlage 4) is gebleken het plangebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor algemene (broed)vogels, vleermuizen, marterachtigen en dagvlinders. Om deze reden is er enkel op deze soort(groep)en een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soort(groep)en. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.
Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele werkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde.
Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in de opgaande beplanting. Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden 56
vastgesteld Fietspad Eindhoven - Helmond Gemeente Eindhoven
voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.