Bijlage 4e - Cumulatienotitie milieu stationsgebied zuidoost geactualiseerd jan 2022
Tekst van het document
45 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
de aanleg van een gescheiden rioolstelsel en er wordt verhard oppervlak afgekoppeld. Hierdoor nemen de belasting op het rioolsysteem en de risico’s op wateroverlast op straat af. De maaiveldverlaging aan de noordzijde van het station (Fellenoord), waarvoor een gesloten ondergrondse constructie moet worden aangebracht, en de aanleg van ondergrondse parkeervoorzieningen leiden op de lange termijn tot een beperkte stijging (enkele centimeters) van de grondwaterstanden in het Stationsgebied. Teneinde opstuwing van grondwater te voorkomen zullen mitigerende maatregelen worden getroffen (bijvoorbeeld een grindkoffer rondom de damwand of gaten in de damwand). Hiermee wordt voorkomen dat in bepaalde delen van het gebied met de zes ontwikkelingen grondwateroverlast optreedt. Tijdens de bouw en aanleg van de ondergrondse constructie en parkeergarages zal er, afhankelijk van de wijze van uitvoering, tijdelijk sprake zijn van een sterke daling van de grondwaterstand. Teneinde verzakking van gebouwen of verdroging van (monumentale) bomen te voorkomen, zullen indien noodzakelijk mitigerende maatregelen worden getroffen. Daarbij kan worden gedacht aan retourbemaling en het tijdelijk beregenen en/of bedruppelen van de aanwezige bomen.
Welke effecten treden op in samenhang? De effecten van de ruimtelijke ontwikkelingen op water zijn beschreven in de verschillende aanmeldingsnotities m.e.r.-beoordeling. Gebruiksfase Voor alle ontwikkelingen geldt, dat het afval- en hemelwater gescheiden op de erfgrens wordt aangeboden. Kavel A: bij de realisatie van de ontwikkelingverandert het aantal binnen het plan (op)nieuw gerealiseerde m 2 verharding . Op basis van de rekentool van de gemeente Eindhoven is een (nog) te realiseren waterbergingsopgave van 105 m³ berekend. Compensatie is in deze fase daarom noodzakelijk. Binnen het totale gebied (A t/m H) neemt het verhard oppervlak toe. Om deze toename te compenseren zijn hemelwaterbergende en -vertragende voorzieningen noodzakelijk. Voorzien is in de realisatie van waterberging in ondergrondse voorzieningen met leegloop op het gemeentelijk riool/Gender met een capaciteit van 125 m³. In combinatie met het toevoegen van groen (3 bomen) en het realiseren van faunavoorzieningen (72 stuks) wordt aan de opgave van hydrologisch neutraal ontwikkelen voldaan. De ontwikkelaar heeft de wateropgave verder uitgewerkt in het waterhuishoudingsplan bij de aanvraag omgevingsvergunning. Het plan voor de berging/afwatering van het totale gebied zal gereed en goedgekeurd zijn alvorens het bouwplan van de nieuwe woontoren verleend wordt.
Hierdoor wordt voldaan aan de door de gemeente gestelde eisen en kunnen belangrijke negatieve effecten worden beperkt/uitgesloten. Kavel C en D: hiervoor is een watercompensatieopgave van 16,4 m3 berekend. Compensatie is in deze fase daarom noodzakelijk. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van extra substraatberging van een nieuw groen dak van 7,5 mm over een oppervlakte van 1.940 m². Met de genomen extra maatregelen is de waterbergingsopgave tot ‐1,1 m³ teruggebracht en wordt aan de opgave voldaan. Bij de inrichting‐, bouw‐ en beheerfasen worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond‐ en oppervlaktewatersysteem. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum beperkt worden. Ook een gifvrij beheer van de buitenruimte en daktuin (weg‐ en groenbeheer) levert een belangrijke positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en dient aandacht te krijgen bij het uitwerken van het beheersplan voor de ontwikkeling. Deze nieuwe ontwikkeling zal haar afval‐ en hemelwater ook gescheiden op de erfgrens aanbieden, waarbij het afvalwater wordt geloosd op het gemengde rioolstelsel ten noordwesten van het totale gebied (A t/m H) bij het Stationsplein. Het hemelwater wordt tijdelijk via de gemeentelijke riolering in de Stationsweg afgevoerd.
De aansluitingen op het gemeentelijke stelsel vinden in overleg met de gemeente Eindhoven plaats. De ontwikkelaar dient de wateropgave tot in detail te hebben uitgewerkt bij het indienen van de omgevingsvergunning bijvoorbeeld middels een rioleringsplan. Nadelige beïnvloeding van grondwaterstromingen kan uitspoeling van verontreinigd grondwater naar het oppervlaktewater tot gevolg hebben. Dit doordat bodemverontreinigingen mobiel worden en uitspoelen.
46 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Middels grondwatermodellering zijn deze effecten en gevolgen in beeld gebracht voor de volgende fase van dit plan. In het bestemmingsplan van alle kavels is opgenomen dat ondergronds bouwen mag mits het bouwen niet leidt tot meer dan 0,05 m opstuwing van het grondwater. Hiermee worden negatieve effecten vanuit het aspect water uitgesloten. Lichthoven fase 2 (Edge): bij het bepalen van het vloerpeil van de nieuwbouw wordt rekening gehouden met de beleidsregel ‘Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen’ van de gemeente Eindhoven. De afvoer van hemelwater wordt zodanig ontworpen, dat schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden worden in het regenwaterriool en het vuilwaterriool. Vertragingen worden ingebouwd op eigen terrein om pieken op te vangen. Met de waterbergingstool van de gemeente is een bergingsopgave van 143 m3 berekend. Vanwege de keuze om de berging ondergronds te realiseren volgt vanwege een malusbepaling een compensatieopgave van 180 m3. Deze waterbergingsvoorzieningen worden op het dak en in de kelder gerealiseerd. De ontwikkeling van Lichthoven fase 2 (Edge) resulteert in een hydraulische barrière, waardoor het grondwater slechter in westelijke richting stroomt. Het water dat opgestuwd wordt aan de westzijde van het gebouw zal door de Dommel afgevoerd worden.
Naar verwachting is het effect van de opstuwing maximaal in de orde grootte van 5 cm, waarbij de verlaging aan de stroomafwaartse zijde (oostzijde) van gelijke grootte is. De Gender loopt door het gebied en moet worden ingepast. Aan de oostzijde van het project mondt de Gender uit in de Dommel. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is de Dommelzone aangeduid met ‘Regionale waterberging’. Het bergend vermogen van de Dommel moet behouden blijven. Samenvattend: de toename van de verharding wordt gecompenseerd. Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit en het plan zal niet tot overlast leiden bij extreme regenbuien. Negatieve effecten zijn niet voorzien. District-E: het vloerpeil voor de nieuwbouw is vastgesteld op NAP +16,15 m. Dit vloerpeil is voldoende om het risico op wateroverlast in de stationshal en in de torens bij extreme regenbuien te voorkomen. De afvoer van hemelwater wordt zodanig ontworpen, dat schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden worden in het regenwaterriool en het vuilwaterriool. Vertragingen worden ingebouwd om pieken op te vangen. Uit de waterbergingstool van de gemeente blijkt dat er 145,3 m 3 aan berging gerealiseerd dient te worden, na aftrek van de berging in de groene daktuinen en het hergebruik van hemelwater afkomstig van het dakoppervlak.
Het geveloppervlak, welke ingezet wordt voor hergebruik, is in overleg met gemeente niet afgetrokken van de berging. Uitgaande van extra beschikbare berging van 40 mm in de daktuinen in de toren oost en zuid (naast de 60mm berging in de daktuinen, totaal dus 100 mm), zal er nog 60 m3 aan ondergrondse berging worden aangebracht. Uitgaande van de nu beschikbare gegevens zal de ontwikkeling van District E invloed hebben op het grondwater. De toekomstige parkeerkelder maar ook de toekomstige fietskelder (ten oosten gelegen van het gebied) vormen een hydraulische barrière, waardoor het grondwater aan de zuidzijde van de parkeerkelder zal gaan opstuwen. Ten noorden van de parkeerkelder neemt de gemiddelde grondwaterstand af. Vanwege de wijziging van het plan voor District E zijn er geen andere effecten op water (waterkwaliteit, wateroverlast, grondwater) te verwachten. Hierbij wordt er wel vanuit gegaan, dat de reeds voorziene mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Voor de gehele planontwikkeling in het Stationsgebied Zuid is een Integrale grondwateranalyse opgesteld [Movares, 2021]. Hierin staat dat er door de aanleg van de verschillende ondergrondse objecten zowel opstuwing als verlaging van de grondwaterstand optreedt. De verhoging van de grondwaterstand is ten zuiden van District-E en de fietsenkelder NS met circa 0,10 m het hoogst.
De verlaging van de grondwaterstand ten noorden van District-E en de fietsenkelder NS zal maximaal circa 0,15 m bedragen. Dit is berekend met een hoge weerstand van de eerste scheidende laag van 400 dagen, hetgeen worst case is.
47 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Wanneer gerekend wordt met een aannemelijkere lagere weerstand van de eerste scheidende laag (200 dagen), dan zijn de effecten van zowel opstuwing als verlaging van de grondwaterstand kleiner. Wanneer de Gender wordt teruggebracht met een peil van NAP +14,8 m, zal deze de verwachte verhoging van de grondwaterstand volledig compenseren en zelfs voor een verlaging zorgen ten zuiden van District-E en de fietsenkelder NS. Samenvattend: de toename van de verharding wordt gecompenseerd. Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit en het plan zal niet tot overlast leiden bij extreme regenbuien. Belangrijke negatieve effecten zijn, dankzij mitigerende maatregelen voor de effecten op grondwater niet voorzien. Ondergrondse fietsenstalling: het verhard oppervlak neemt toe en dit wordt gecompenseerd. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor deze ontwikkeling. Aanlegfase In alle bestemmingsplannen is in overleg met het Waterschap de volgende bouwregel opgenomen in verband met de aanlegfase: ‘3.2.4 Ondergronds bouwen Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat de bouw niet meer dan 0,05 meter opstuwing van het grondwater veroorzaakt.’ Op deze manier is per project geborgd dat het grondwater niet te veel opgestuwd zal worden. In aanvulling op de afzonderlijke plannen is in december 2021 nog een onderzoek uitgevoerd voor alle projecten gezamenlijk.
In het onderzoeksrapport met de Integrale grondwateranalyse [Movares, 2021] voor het Stationsgebied Zuid zijn modelberekeningen uitgevoerd voor de gevolgen van de (bron)bemalingen bij de aanleg van de ondergrondse parkeergarages en fietsenkelders. Naar verwachting worden de grondwaterstand en stijghoogte in het eerste watervoerende pakket door een gelijktijdige bemaling van alle ontwikkelingen respectievelijk maximaal 1,4 m en 0,2 m verlaagd. Gelijktijdige bemaling voor alle ruimtelijke ontwikkelingen resulteert in ongewenst grote grondwaterstanddalingen met alle risico’s van dien voor de bestaande bebouwing en installaties. Op het moment dat gelijktijdig wordt bemalen, voldoen alle projecten niet meer aan de gestelde eis in de bestemmingsplannen. Derhalve kan die situatie zich niet voordoen. In het onderzoeksrapport [Movares, 2021] staat dat de verontreiniging ter plaatse van de Witte Dame in de deklaag zo’n 1 tot 2 m extra oostwaarts worden verplaatst. In het 1e watervoerende pakket wordt een extra verplaatsing van 8 m tot 17 m verwacht. Dit is echter sterk afhankelijk van welke bronbemalingen gelijktijdig functioneren. De effecten op de verplaatsing van de verontreiniging kunnen hierdoor afwijken. Conclusie Door de ruimtelijke ontwikkelingen zal het verhard oppervlak in het gebied vergroten.
Mitigerende en compenserende maatregelen moeten worden genomen om wateroverlast en schade te voorkomen. Door het toepassen van gescheiden hemelwaterafvoer verslechtert de waterkwaliteit niet. De diverse ontwikkelingen hebben allen een ondergrondse parkeervoorziening/fietsenstalling. Voor de aanleg van deze voorzieningen dienen bemalingen geplaatst te worden, deze beïnvloeden de grondwaterstand in het gebied en kunnen ook in het grondwater aanwezige verontreinigingen zich gaan verplaatsen. Bij iedere omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat er geen onevenredige beïnvloeding is van de waterhuishouding op grond van artikel 3.2.4 van de vastgestelde bestemmingsplannen. Zo wordt voorkomen dat cumulatie van verlaging van het grondwater tot problemen zal leiden. Daarnaast hebben al deze voorzieningen ook een permanente invloed op de grondwaterstroming. Het betreft niet alleen de kelders, maar ook eventuele damwanden die achter blijven in de bodem. Ook hiervoor geldt op grond van artikel 3.2.4 van de bestemmingsplannen dat bij iedere omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat er geen onevenredige beïnvloeding is van de waterhuishouding. Zo wordt voorkomen dat cumulatie van opstuwing van het grondwater tot problemen zal leiden.
48 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Op grond hiervan zijn belangrijke milieueffecten op het aspect water niet te verwachten. zowel in de aanlegals in de gebruiksfase. De wijziging van het plan voor District-E leidt niet tot een andere conclusie.
4.8
Ecologie (inclusief effecten stikstofdepositie)
Wat is het potentiële effect? Door de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen er effecten optreden op beschermde natuurgebieden en kunnen soorten (planten en dieren) die in het gebied leven worden verstoord. Verder kan de stikstofemissie door de ruimtelijke ontwikkelingen toenemen, waardoor er meer stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Natura 2000 Het gebied met de zes ontwikkelingen maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op circa 4,5 km van het gebied en betreft Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven ligt op 7 kilometer hemelsbreed. Het beleid is erop gericht, dat de stikstofdepositie op deze gebieden niet toeneemt. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN is binnen de provincie Noord-Brabant geherdefinieerd als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde NNB-gebied betreft de Ecologische verbindingszone de Dommel. Het oostelijk deel van het gebied (ontwikkeling Edge) valt door een herbegrenzing van het NNB niet meer deels in het NNB (zie bijlage III). Er wordt niet ontwikkeld binnen de begrenzing van het NNB. Beschermde soorten Het gebied vormt mogelijk geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen, maar dit betreft slechts een marginaal deel van het totale foerageergebied.
Vliegroutes worden niet verwacht door het ontbreken van lijnvormige, opgaande structuren. Ook zijn er geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig in het gebied. Het gebied maakt dus geen deel uit van essentieel of functioneel leefgebied van vleermuizen. Aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroep daarom niet nodig. Het gebied vormt wel potentieel geschikt leefgebied/biotoop voor algemeen voorkomende dier- en plantensoorten, waardoor de aanwezigheid hiervan in het gebied niet op voorhand kan worden uitgesloten. Voor algemeen voorkomende soorten geldt echter een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen werkzaamheden. Aanvullende onderzoeken of ontheffingsaanvragen zijn niet aan de orde. Voor minder algemeen voorkomende diersoorten (grondgebonden zoogdiersoorten zoals eekhoorn en steenmarter en vogelsoorten zoals grote gele kwikstaart, huismus en roek) en plantensoorten vormt het gebied geen geschikt leefgebied/biotoop. De aanwezigheid van dergelijke soorten kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Aanvullende onderzoeken of ontheffingsaanvragen zijn niet aan de orde. Voor andere algemeen voorkomende soorten (zoals reeën, muizen, egels) geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen werkzaamheden.
Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? In 2011 zijn in het kader van het projectMER de effecten op beschermde natuurwaarden in het gebied (Stationsgebied) en de nabijgelegen Dommelzone getoetst. Recentelijk is deze beoordeling geactualiseerd. In de sectie hierna volgt eerst een samenvatting van de getoetste effecten uit 2011. Daarna volgt de geactualiseerde effectbeoordeling. Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? In het projectMER uit 2011 wordt gewezen op de positieve effecten van het project op natuur en groen. Het herstel van de Gender, de aanleg van een gescheiden rioolstelsel en het afkoppelen van verhard oppervlak
49 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit van De Dommel. De Dommel is onderdeel van NNB. Het project draagt hierdoor in positieve zin bij aan het beschermde gebied van de Dommelzone en de daarin voorkomende beschermde soorten. De Dommelzone vormt geschikt leefgebied voor diverse vleermuissoorten. Zo is er geschikt foerageergebied aanwezig en is er in de Dommeltunnel bij de noordelijke ingang een verblijfplaats van de watervleermuis aangetroffen. Verder zijn nesten van kraai en ekster aangetroffen in oudere bomen langs de Fellenoord en J.F. Kennedylaan. In het projectMER uit 2011 is de mogelijke verstoring van beschermde vleermuissoorten en broedende vogels tijdens de uitvoering van de werkzaamheden als aandachtspunt genoemd. Bij uitvoerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het beperken van lichthinder. Dit geldt met name voor de watervleermuis die gevoelig is voor verlichting. Door te kiezen voor een weinig verstorend type verlichting, zorgvuldige plaatsing van nieuwe lantaarnpalen, het hanteren van smalle lichtbundels en naar beneden gerichte armaturen, wordt voorkomen dat de verlichting in de Dommelzone toeneemt. Door het verwijderen van oude bomen langs de Fellenoord en J.F. Kennedylaan kunnen nesten van ekster en zwarte kraai worden vernietigd. Deze werkzaamheden kunnen alleen buiten het broedseizoen plaatsvinden.
Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatvinden hebben ze geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoorten. Het aandeel openbaar groen in het Stationsgebied is beperkt. Maatregelen worden getroffen om meer groenelementen te realiseren. Daarnaast is voorzien in maatregelen om de levensduur en kwaliteit van de monumentale bomen (kastanjes) te verlengen, respectievelijk te vergroten. De verwachte grondwaterstandswijziging heeft geen gevolgen voor het openbaar groen en de monumentale bomen in het Stationsgebied. Actualisatie van de effectbeoordeling Actualisatie van de effectbeoordeling uit 2011 is gedaan in de verschillende m.e.r.-beoordelingsnotities. Deze actualisatie volgt in de secties hierna per regime (Natura 2000, Natuurnetwerk Brabant en Beschermde soorten). Natura 2000-gebieden Gezien de grote afstand van het gebied tot de Natura 2000-gebieden is verstoring of verandering van de waterhuishouding uitgesloten. Omdat stikstofdepositie wel relevant kan zijn, zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor de ruimtelijke ontwikkelingen afzonderlijk. Het resultaat is dat er sprake is van tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. op overbelaste habitattypen en/of leefgebieden in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (tabel 4.4).
De projecten hebben geen permanente bijdrage (van meer dan 0,00 mol N/ha/jr.) op stikstof.
Tabel 4.4 Overzicht van relevante tijdelijke projectbijdrage op Natura 2000-gebieden Project
Hoogste depositie aanlegfase [mol/ha.jr]
Natura 2000
Lichthoven fase 1 (Kavel A)
0,00
n.v.t.
Lichthoven fase 1 (Kavel C en D)
0,02
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
Lichthoven fase 2 (Edge)
0,02
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
District-E
0,01
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
fietsenstalling
0,00
n.v.t.
Tijdelijke projectbijdrage (aanlegfase)
50 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Voor de aanlegfase, waarin sprake is van de hiervoor aangegeven zeer gering tijdelijke stikstofdepositiebijdrage, is er op grond van de partiële vrijstelling (Wet stikstofreductie en natuurverbetering van 1 juli 2021) een vrijstelling van de Wnb-vergunningplicht. Dergelijke tijdelijke bijdragen zijn niet significant. Permanente projectbijdrage (gebruiksfase) De projecten hebben geen permanente bijdrage op stikstof. Vanwege de programmawijziging voor District E is recent een nieuwe Aerius-berekening uitgevoerd [RHDHV, 20 oktober 2021] met dezelfde conclusie. Van significante effecten is geen sprake. Natuurnetwerk Brabant Het gebied met de zes ontwikkelingen valt door een herbegrenzing van het NNB niet meer in het NNB gebied ten oosten van Lichthoven fase 2 (Edge). Er wordt niet ontwikkeld binnen de herbegrensde NNB. Het is wel een voorwaarde de inrichting van het terrein aan te laten sluiten op de aanwezige natuurwaarden, eventueel de doelsoorten van het EVZ, en deze waar mogelijk te versterken (zie Bijlage 1 van de toelichting van het bestemmingsplan Lichthoven fase 2 (Edge) - NL.IMRO.0772.80357-0201). De gehele Dommel alsook de oever tussen het water en het bestaande parkeerterrein vallen buiten de plangrenzen van Lichthoven fase 1 (kavel A t/m D) en District-E). Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten bij deze ontwikkelingen.
Het toetsingskader van provincie Noord-Brabant omtrent het NNB omvat naast directe effecten ook een toets aan externe effecten als gevolg van licht, geluid en optische verstoring. Het gebied (onderdeel kavel C+D) bevindt zich op 140 m van het dichtstbijzijnde NNB‐gebied (natuurbeheertype N03.01 ‘Beek en Bron’). Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNB‐gebied. De werkzaamheden zullen mogelijk leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De kwalificerende soorten van het beheertype N03.01 'Beek en Bron' behoren tot de soortgroepen broedvogels, libellen, vissen en planten. Het is nog onduidelijk of bij de aanleg van de ondergrondse parkeergarage de waterhuishouding van het beheertype N03.01 ‘Beek en Bron’ wordt beïnvloed. Er vindt mogelijk externe werking plaats op het NNB of op kwalificerende soorten door de aanleg van een ondergrondse parkeergarage. Significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan worden uitgesloten als aan de zorgplicht kan worden voldaan. Voor de kavel Edge (Lichthoven fase 2) is uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling een effect heeft op de voorkomende doelsoorten (allen watergebonden). Het project leidt daarmee niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangewezen NNB-gebied.
Uitgangspunt is wel, dat geen van de groene elementen (grasveld, opgaande groenstructuren), die samenhangen met de Dommel worden verwijderd of beschadigd. Dit uitgangspunt is geborgd doordat rondom de Dommel en haar oevers de bestemming ‘Natuur’ is opgenomen. Het gebied (onderdeel kavel Stationsplein Zuid (District E) maakt ook geen deel uit van NNB. Het NNBgebied de Dommel ligt op circa 300 meter afstand. Gezien de afstand van het gebied tot de Dommel en verder weg gelegen gebieden en de mate waarin gebieden binnen een kilometer van het gebied reeds verstoord zijn door licht, geluid en optische verstoring, is van externe werking ten aanzien van NNBgebieden geen sprake. De wijziging van het plan voor District E heeft geen invloed op deze conclusie. Het gebied (onderdeel fietsenstalling (District-E)) bevindt zich ook op geruime afstand van NNB-gebieden. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op het NNB. Door de voorgenomen plannen zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB derhalve niet worden aangetast. Beschermde soorten In het gebied kavel A en de directe omgeving komen geen beschermde soorten voor en worden ze niet verwacht. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wel dient er voor de uitvoer van de werkzaamheden gewerkt te worden conform de zorgplicht.
De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige
51 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. De zorgplicht geldt dus ook voor soorten zonder specifieke beschermingsstatus onder de Wet natuurbescherming. Voor kavel C en D is gebleken, dat het gebied mogelijk deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de huismus en dat ‘vogels zonder jaarrond beschermd nest’ op de planlocatie aanwezig kunnen zijn. De huismus dient nader onderzocht te worden. Dit nader onderzoek is in bijlage 13 te vinden. In het nader onderzoek wordt er bevestigd dat de huismus aanwezig is en daardoor een wetsovertreding te verwachten valt. Vanwege de huismus is op 4 februari 2021 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Voor de aanvraag ontheffing is een activiteitenplan opgesteld. In maart 2021 zijn tijdelijke compenserende maatregelen getroffen. Overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb kunnen worden uitgesloten. Voor de kavel Edge (Lichthoven fase 2 ) is geconcludeerd, dat overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb kunnen worden uitgesloten. De Dommel en haar oever vallen buiten het gebied van de kavel Edge (Lichthoven fase 2).
Voor Stationsplein Zuid (District-E) is geconcludeerd, dat er geen beschermde planten- of diersoorten voorkomen in en rond het gebied, waardoor overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb uitgesloten zijn. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig ten aanzien van soortbescherming. Voor de kavel fietsenstalling (District E) is geconcludeerd, dat geen aanvullend onderzoek hoeft te worden verricht in het kader van de Wet natuurbescherming. De potenties als leefgebied voor beschermde soorten zijn op basis van het verkennend onderzoek voldoende inzichtelijk. Omdat de kans op overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb kan worden uitgesloten, hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd om uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen doorgang te kunnen laten vinden. Conclusie Natura 2000 Gezien de grote afstand van het gebied tot de Natura 2000-gebieden is verstoring of verandering van de waterhuishouding uitgesloten. Omdat stikstofdepositie relevant kan zijn, zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor de ruimtelijke ontwikkelingen afzonderlijk. Het resultaat is dat er sprake is van tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr.
op overbelaste habitattypen en/of leefgebieden in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (tabel 4.1), waarvoor de partiële vrijstelling (Wet stikstofreductie en natuurverbetering) geldt. De projecten hebben geen permanente bijdrage (van meer dan 0,00 mol N/ha/jr.) op stikstof. Voor het gewijzigde plan voor District E is een nieuwe Aeriusberekening uitgevoerd [RHDHV, 20 oktober 2021] met dezelfde conclusie. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden vanwege tijdelijke stikstofdepositie door de aanlegfase van het planvoornemen zijn uitgesloten op grond van de partiële vrijstelling (Wet stikstofreductie en natuurverbetering). Natuurnetwerk Brabant Het overgrote deel van het gebied ligt niet binnen het NNB. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Verder worden er geen effecten op NNB voorzien als aan enkele voorwaarden wordt voldaan: - in kavel C+D (Lichthoven fase 1), maar ook bij Edge (Lichthoven fase 2) moet bij de aanleg van de ondergrondse parkeergarage aan de zorgplicht worden voldaan, waarbij de waterhuishouding van het beheertype N03.01 Beek en Bron niet wordt beïnvloed om daarmee externe werking te vermijden. In het bestemmingsplan van alle kavels is opgenomen dat ondergronds bouwen mag mits het bouwen niet leidt tot meer dan 0,05 m opstuwing van het grondwater;
52 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
-
voor de kavel Edge (Lichthoven fase 2) is van belang, dat geen van de groene elementen (grasveld, opgaande groenstructuren), die samenhangen met de Dommel worden verwijderd of beschadigd.
Beschermde soorten Voor de verschillende ontwikkelingen is geconcludeerd dat overtreding van één of meerdere verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is in die gevallen niet nodig ten aanzien van soortbescherming. Uitzonderlijk is kavel C en D waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van de huismus. Hiervoor is een activiteitenplan opgesteld met daarin enkele (compenserende) maatregelen waarmee een ontheffing Wnb verkregen kan worden. Naast deze specifieke maatregelen uit het activiteitenplan dient bij de uitvoering van de werkzaamheden de algemene zorgplicht uit de Wnb in acht genomen te worden.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
Wat is het potentiële effect? Het aantreffen van archeologische restanten tijdens de aanlegfase en het aantasten van bestaande cultuurhistorische waarden tijdens de gebruiksfase. Hoe ontwikkelt Cultuurhistorie en archeologie zich autonoom in het gebied? Zie paragraaf 3.3.3. voor de beschrijving van de huidige situatie. De waardering voor de historische stedenbouwkundige structuur betekent evenwel niet dat alle aanwezige bebouwing behouden zou moeten blijven. Het stationsgebouw zelf is in 2009 aangewezen als Rijksmonument en bij de recente verbouwing ervan heeft ook restauratie plaatsvinden. Het gebouw van het stationspostkantoor is in 2002 gewaardeerd. Mede op grond van het advies van de Monumentencommissie is toen een afweging gemaakt waarbij uiteindelijk is besloten om dit gebouw niet te behouden. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? Bij de inrichting van het Stationsgebied wordt rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle monumenten en structuren. Monumenten en andere aanwezige cultuurhistorische waarden blijven gehandhaafd. Het station is aangewezen als rijksmonument. Overige cultuurhistorische waarden zijn de stedenbouwkundige structuur met waardevolle Wederopbouwarchitectuur en het historische wegenpatroon.
Voorschriften in het bestemmingsplan kunnen waarborgen bieden om schade aan cultuurhistorische waarden te voorkomen. De verwachte stijging van de grondwaterstand met enkele centimeters heeft geen gevolgen voor de in het gebied aanwezige cultuurhistorische objecten. Welke effecten treden op in samenhang? Cultuurhistorie In de herinrichting van de omgeving van het station wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische aanduiding. ‘Lichthoven fase 1’ is geprojecteerd op de plaats die ingevolge het Wederopbouwplan de oostelijke begrenzing vormde van het Stationsplein. Tegelijkertijd is er rekening mee gehouden dat het stationsgebouw ruimtelijk voldoende tot zijn recht komt. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in de locatie van de ontwikkeling Lichthoven fase 2 (Edge) en District-E aanwezig. Archeologie Het gebied met de zes ontwikkelingen staat niet als een archeologisch waardevol gebied aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Daarmee zal er hoogstwaarschijnlijk geen archeologische restanten worden aangetroffen tijden de aanlegfase. Het is daarom niet noodzakelijk een archeologisch (voor)onderzoek uit te voeren in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Negatieve effecten kunnen voor het aspect archeologie worden uitgesloten.
Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze wel te worden gemeld.
53 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Conclusie Op basis van bovenstaande inventarisatie worden er geen belangrijke nadelige gevolgen in cumulatie voor het milieu verwacht vanwege de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied met de zes ontwikkelingen op cultuurhistorie en archeologie. In de herinrichting van de omgeving van het station wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische aanduiding. De wijziging van het plan voor District E heeft geen invloed op deze conclusie.
4.10
Trillingen
Wat is het potentiële effect? Tijdens de bouw kunnen de bouwactiviteiten trillingen veroorzaken. Dit geeft tijdelijk hinder voor de omgeving. In de gebruiksfase kan het treinverkeer en het (vracht)autoverkeer trilling veroorzaken. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? Tijdens bouwactiviteiten kunnen tijdelijk verhoogde geluidsniveaus voorkomen en bestaat het risico op trillinghinder. Het gemeentelijk beleid voor bouw- en trillinghinder is erop gericht ernstige hinder en schade zoveel mogelijk te beperken. In de voorbereidingsfase worden met de bouwaannemers afspraken gemaakt over de uitvoering van de werkzaamheden en de communicatie met omwonenden. Voor werkzaamheden waarbij 11 dagen of langer palen en/of damwanden worden geheid/getrild, activiteiten waarbij een overschrijding van geluid- en trillingsnormen plaatsvindt en het ’s avonds en ’s nachts werken, is een ontheffing op grond van de APV vereist. In 2011 was nog sprake van lokaal beleid voor bouwhinder met onder andere de ’11-dagen-regeling voor heien’. Met de invoering van regels voor bouwhinder (geluid, trillingen, etc.) in het Bouwbesluit 2012 is het lokale beleid hiervoor komen te vervallen. Nu kunnen indieningsvereisten gelden voor onderzoek naar de te verwachten geluid- en trillingsoverlast.
Voor het werken in de avond, nacht, zondag is ontheffing nodig. Door het toepassen van trillingsongevoelige constructies, bouwkundige maatregelen die de trillingoverdracht vanuit de bodem naar het gebouw of onderdelen (wanden en vloeren) verminderen, wordt trillinghinder in de gebruiksfase van de woningen en kantoren voorkomen. In 2011 was nog sprake van lokaal beleid voor bouwhinder met onder andere de ‘11-dagen-regeling voor heien’. Met de invoering van regels voor bouwhinder (geluid, trillingen, et cetera) in het Bouwbesluit 2012 is het lokale beleid hiervoor komen te vervallen. Nu kunnen indieningsvereisten gelden voor onderzoek naar de te verwachten geluid- en trilling overlast. Voor het werken in de avond, nacht, zondag is ontheffing nodig. Welke effecten treden op in samenhang? In de verschillende m.e.r.-beoordelingsnotities wordt voor de aanlegfase verwezen naar het Bouwbesluit 2012 en voor de gebruiksfase naar het zodanig ontwerpen, dat geen trillinghinder wordt ervaren. Gebruiksfase Kavel A, C en D: om inzicht te krijgen in het trilling risico is trilling onderzoek uitgevoerd. Uit trilling metingen op de bouwkavel, de overdrachtsmetingen aan TSH en daarop gebaseerde prognoses wordt geconcludeerd dat het huidige spoorgebruik niet tot trillinghinder hoeft te leiden in het nieuw te bouwen kantoorgebouw.
Als er een gebouw wordt gezet met een betonnen draagconstructie en vloeren met een stijfheid zodanig dat de laagste buig-eigenfrequentie tenminste 12 Hz bedraagt, dan zullen hooguit licht voelbare trillingen optreden tijdens goederentreinpassage. Er wordt dan ruim voldaan aan de SBR-B voor kantoren. Lichthoven fase 2 (Edge): in de omgeving van het spoor is een verhoogd trillingsniveau ten gevolge van passages van treinen te verwachten. Voor trillingen geldt geen direct juridisch kader waaraan getoetst kan worden of een ontwikkeling een goede ruimtelijke ordening waarborgt. Royal HaskoningDHV heeft voor de beoordeling van het aspect trillingen de streefwaarden uit de SBR B-richtlijn ‘hinder voor personen in gebouwen’ als normstelling gehanteerd en de SBR A-richtlijn ‘schade aan gebouwen’ voor de aanlegfase. Ter toetsing aan deze richtlijnen zijn een aantal metingen uitgevoerd. De hoogste waarden worden door
54 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
goederentreinen veroorzaakt. Op basis van het ontwerp voldoen naar verwachting alle functies in het plan Lichthoven fase 2 (Edge) aan de beoordelingssystematiek van de SBR B richtlijn ‘hinder voor personen in gebouwen’. Op basis van de gemeten waarden wordt geconcludeerd dat het ontwerp naar verwachting voldoet aan de streefwaarden in de SBR richtlijnen. Daarom wordt dit onderdeel neutraal beoordeeld. District-E: door Royal Haskoning zijn trilling metingen op locatie verricht. Geconstateerd is, dat in de nacht niet overal wordt voldaan aan de streefwaarde voor woningen (SBR-richtlijn B). Hierom is een nadere toelaatbaarheidsoverweging opgesteld: ‘ De overschrijding van de streefwaarden wordt beperkt in mate, beperkt in optredende duur en beperkt tot een deel van de trilling gevoelige objecten geacht. In het plan zijn verdergaande mitigerende maatregelen om diverse redenen niet uitvoerbaar, niet effectief, danwel niet proportioneel. De afwijking van de streefwaarden wordt daarmee toelaatbaar geacht. De beoordelingssystematiek uit de SBR B richtlijn is voor District E zorgvuldig doorlopen, hiermee is in het licht van de SBR B richtlijn aangetoond dat de bestemming spoor en de bestemming wonen en kantoor in het bestemmingsplan zorgvuldig zijn gescheiden.
Geadviseerd wordt om de toekomstige eigenaren/bewoners te informeren dat er sprake is van een licht verhoogde mate van trillinghinder in de woningen.’ Geconcludeerd wordt, dat trillinghinder in beperkte mate optreedt, van beperkte duur is en bij een beperkt deel van de bebouwing. Fietsenstalling: hiervoor is trillinghinder niet relevant omdat mensen er niet langdurig verblijven. Aanlegfase In de aanlegfase zullen door de bouwactiviteiten in het gebied met de zes ontwikkelingen trillingen kunnen ontstaan. Dit kan als hinder worden ervaren door de bewoners in en om het gebied. In de aanlegfase moet worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt de hinder begrensd tot een niveau dat als acceptabel moet worden gezien. Conclusie In de aanlegfase zullen als gevolg van de bouwactiviteiten trillingen kunnen ontstaan. Bij deze activiteiten moet rekening worden gehouden met de bepalingen in het Bouwbesluit 2012. Negatieve effecten kunnen daardoor niet worden vermeden, maar wel tot een aanvaardbaar niveau worden begrensd. Trillinghinder tijdens de aanleg kan wel cumuleren omdat er over meerdere jaren en mogelijk gelijktijdig werkzaamheden plaatsvinden in het gebied. Bij de uitvoering moet zodanig worden gewerkt, dat aan het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Daarmee is dit geborgd. In de gebruiksfase kunnen trillingen ontstaan door treinverkeer.
Door bij het ontwerp van de gebouwen rekening te houden met trillinghinder, kunnen negatieve effecten worden vermeden. Voor District E treedt een licht verhoogde mate van trillinghinder op die de streefwaarden overschrijdt. De duur is beperkt en voor een beperkt deel van de woningen. De bewoners/eigenaren moeten hierover worden geïnformeerd. Deze effecten cumuleren niet tussen de ontwikkelingen. De wijziging van het plan voor District E heeft geen invloed op deze conclusie.
4.11
Bezonning en hittestress
Wat is het potentiële effect? Door de realisatie van (hoge) bebouwing in het gebied kunnen schaduwen ontstaan op nabijgelegen woonen kantoorgebouwen. Bebouwing en verharding zullen warmte vasthouden terwijl de vegetatie, schaduw en water verkoeling geven. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? In het projectMER uit 2011 is dit effect niet beschreven.
55 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Welke effecten treden op in samenhang? In de m.e.r.-beoordelingsnotities wordt aandacht besteed aan het effect van de bebouwing op de bezonning van het gebied. Gebruiksfase Voor Lichthoven fase 1 kavel A, C en D: door de architect is een bezonningsstudie uitgevoerd waarbij alle zes ontwikkelingen in het model is opgenomen. Op verschillende data is het effect van de schaduwvorming van het gebouw getoetst. Dit is op de dagen gedaan waar de zon het hoogst (21 juni) en het laagst is (21 december). De zon op 21 maart en 21 september geven het beste beeld van de gemiddelde bezonning door het jaar heen. Hieruit blijkt dat gebouwen (onder andere appartementen) ten zuiden van de Stationsweg geen verandering ondervinden aan de huidige situatie door de nieuwe gebouwen van de zes ontwikkelingen ten noorden van de Stationsweg. De nieuwe gebouwmassa’s creëren over het algemeen alleen een slagschaduw op het spoor en het station. Kavel C en D: door de architect is een bezonningsstudie uitgevoerd, hieruit blijkt dat de gebouwmassa alleen een slagschaduw op het spoor en het station creëert. In december is de zon pas laat op hoogte en tegen die tijd is die al ver genoeg naar het zuiden opgeschoven, om geen slagschaduw te geven op het dak van het stationsgebouw. In maart/september geeft gebouw A een slagschaduw van zonsopgang tot ongeveer 9 uur. In juni is dit vanaf zonsopgang tot 10 uur.
Aangezien de dichtstbijzijnde woningen en ‘The Student Hotel’ zich ten zuiden van gebouw A bevinden, veroorzaakt gebouw A geen schaduw op deze bebouwing. De meeste slagschaduw wordt in het algemeen door The Student Hotel veroorzaakt. Er zijn geen negatieve milieueffecten. De torens van District-E liggen ten noorden van bestaande appartementen aan de Seepaardstaete, Haagstate en Marienburg. Deze noordgevels van de appartementen hebben al vrij weinig zon waarbij in de huidige situatie er niet aan het gemeentelijke beleid met de norm wordt voldaan van minimaal 2 uur bezonning per dag in de woningen. Dit blijft ongewijzigd door de komst van District-E. De schaduw van de torens van District-E valt vooral richting en over het spoor. Als gevolg van de wijziging van het plan voor District-E met een verlaging van de hoogste toren van 170 m naar 155 m, zal de schaduwwerking iets geringer zijn. Ondergrondse fietsenstalling: geen effecten. Hittestress In het hittestress analyse onderzoek (2021) is het effect van de herinrichting van het Stationsgebied met twee methodes geanalyseerd (gevoelstemperatuur en stedelijke hitte-eiland) om kortdurende en langdurende hittestress te onderzoeken. De methode voor het berekenen van de gevoelstemperatuur is gestandaardiseerd voor heel Nederland en gaat uit van 1 juli 2015.
Dit is een hete zomerdag die 1 op de 1.000 zomerdagen (in de maanden april tot en met september) voorkomt. Het gaat dus om een extreme situatie. Langdurig hittestress door warme nachten is berekend door het etmaalgemiddelde stedelijk hitteeiland effect (Urban Climate Assessment and Management). In dit onderzoek zijn voor District-E zowel de maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan als de bouwhoogtes van het bouwplan doorgerekend: oosttoren( 106 m; zuidtoren 75 m; westtoren 138 m). Het effect van de bouwhoogtes is nauwelijks te zien in de resultaten; het grootste verschil is de langere slagschaduw die de gebouwen geven. Gevoelstemperatuur De herinrichting van het Stationsgebied zuidzijde heeft kleine invloed op hittestress in het projectgebied en de directe omgeving. Het ontwerp heeft zowel positieve als negatieve effecten. In het projectgebied zelf veroorzaakt de herinrichting over het algemeen een afname van hittestress. De
56 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
gevoelstemperatuur daalt op het Stationsplein en in de gebieden tussen de gebouwen met 6 tot 12 °C (afbeelding 4.3). Dit is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, omdat hier overdag veel mensen verblijven. Buiten het projectgebied stijgt de gevoelstemperatuur tot 3 °C. Bij het spoor en de perrons van Eindhoven Centraal Station en het gebied rond Piazza Center ter hoogte van de Vestdijktunnel stijgt de gevoelstemperatuur tot 6 °C. De oorzaak van de stijging is de windreductie. Doordat de wind in het model oostelijk is, heeft dit effect op het gebied ten westen van het projectgebied. Hoewel deze windrichting in Nederland relatief weinig voorkomt, gaan hittedagen vaak gepaard met oostenwind. De Vestdijktunnel is een verbindingsweg onder het spoor door voor auto’s, fietsers en voetgangers. Dit is geen verblijfsgebied, maar een doorgang. Dit gebied ligt buiten het projectgebied.
Afbeelding 4.3 Verschil gevoelstemperatuur ontwerp ten opzichte van huidige situatie (Witteveen+Bos, 2021)
Stedelijk hitte-eiland en hittestress door warme nachten De herinrichting van het Stationsgebied zuidzijde heeft beperkt effect op hittegerelateerde gezondheidsrisico’s door langdurige blootstelling aan hitte. Het aantal warme nachten per jaar neemt met 1 toe (naar 17) en de etmaalgemiddelde temperatuur daalt met 0,2°C. Naast de toename van bebouwing is er in het gebied ook een toename van vegetatie, schaduw en water ten opzichte van de huidige situatie. Aan de ene kant versterkt de toename van hoge bebouwing de luchttemperatuur in de nacht, doordat warmte meer wordt vastgehouden. Aan de andere kant zorgt de toename van vegetatie van 14 % naar 32 % voor een verlaging van de luchttemperatuur. Het materiaalgebruik heeft een klein effect op de temperatuur vergeleken met de verdichting en vegetatie. Hierdoor worden positieve en negatieve effecten grotendeels afgevlakt. In artikel 3.3.1. van het bestemmingsplan District-E, artikel 3.3.5 van het bestemmingsplan Lichthoven fase 1 (kavel A) en artikel 3.2.3 van het bestemmingsplan Lichthoven fase 2 zijn regels opgenomen met de verplichting om op en aan de gebouwen een groenvoorziening aan te leggen en in stand te houden.
57 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Conclusie Er zijn geen negatieve effecten vanwege de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied met de zes ontwikkelingen op de bezonning. De nieuwe gebouwmassa’s creëren over het algemeen alleen een slagschaduw op het spoor en het station. Uit de bezonningsstudies blijkt dat de gebouwmassa van gebouw C vooral een slagschaduw op het spoor en het station creëert. Ten oosten en westen van het gebouw veroorzaakt de massa minimale slagschaduw. Gebouwen ten zuiden van de Stationsweg ondervinden geen verandering aan de huidige situatie door de nieuwe gebouwen ten noorden van de Stationsweg. Uit het hittestress onderzoek kan geconcludeerd worden dat de herinrichting over het algemeen zorgt voor een afname van hittestress en beperkt effect heeft op hittegerelateerde gezondheidsrisico’s door langdurige blootstelling aan hitte. Gevoelstemperatuur daalt in het projectgebied met 6 tot 12 °C, waaronder op het stationsplein maar stijgt in de directe omgeving van het projectgebied tot 3 °C. Bij het spoor en de perrons van Eindhoven Centraal Station en het gebied rond Piazza Center ter hoogte van de Vestdijktunnel stijgt de gevoelstemperatuur tot 6 °C. De oorzaak van de stijging is de windreductie. Doordat de wind in het model oostelijk is, heeft dit effect op het gebied ten westen van het projectgebied.
Het langdurig gezondheidseffect blijft binnen dezelfde categorie als de huidige situatie voor hitte gerelateerde gezondheidsrisico’s, namelijk categorie II risicovol: extra risico door bebouwingsinvloed voor gevoelige doelgroepen.
4.12
Windhinder
Wat is het potentiële effect? Door de realisatie van (hoge) bebouwing in het gebied met de zes ontwikkelingen kan windhinder in het gebied ontstaan. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? In het projectMER uit 2011 is dit effect niet beschreven. Er was toen geen beleidsregel voor windhinder. Bouwregel windmaatregelen in het bestemmingsplan Stationsplein Zuid (District-E) In januari 2022 stelt de gemeente de bouwregels voor het bestemmingsplan Stationsplein Zuid (District-E) vast met in paragraaf 3.3.2 de regels met betrekking tot windmaatregelen. Via deze maatregelen staat vast dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen sprake is van een acceptabel windklimaat, dat wil zeggen dat het windklimaat voldoet aan minimaal windklasse D op grond van NEN 8100. Dit betekent dat voor de activiteit ‘doorlopen’ een matig beoordeling acceptabel is en voor de activiteiten ‘slenteren’ en ‘langdurig zitten’ een slechte beoordeling. Door deze regels toe te voegen aan het bestemmingsplan wordt voor de lange termijn geregeld dat er geen windklasse E (slecht windklimaat) kan ontstaan in het Stationsgebied Zuid-Oost. Welke effecten treden op in samenhang? In de verschillende aanmeldingsnotities m.e.r.-beoordeling is ingegaan op het effect van windhinder in het gebied.
De gemeente Eindhoven heeft een eigen Hoogbouwbeleid. Hierin is aangegeven dat op locatieniveau wordt gevraagd om een Hoogbouw Effect Rapportage (HER) op te stellen waarin het effect van het gebouw op het windklimaat op de locatie wordt beschreven. In opdracht van de gemeente Eindhoven heeft Actiflow een windonderzoek uitgevoerd met de cumulatieve effecten van de zestal ontwikkelingen samen [Actiflow, 2021]. Dit windonderzoek is de meest recente onder de windonderzoeken van de afzonderlijke ontwikkelingen en bevat alle zes ontwikkelingen in het model (afbeelding 4.4).
58 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Afbeelding 4.4 Impressie van het model van de toekomstige situatie [Actiflow, 2021]
Het windonderzoek bevat twee varianten met verschillende bouwhoogtes voor district-E. Variant B gaat uit van de maximale mogelijkheden: - variant B maximale planologische ruimte: · oosttoren = 118,6 m; · zuidtoren = 88,4 m; · westtoren = 170,4 m. Variant B komt overeen met de voorgenomen bouwhoogtes van Amvest voor de oosttoren met circa 120 en zuidtoren met circa 90 m hoogte. Alleen de westtoren is in het windonderzoek van variant B hoger dan het voornemen van Amvest met een bouwhoogte van 155 meter. De effecten van variant B is hieronder beschreven waardoor de cumulatienotitie uitgaat van een worst-casebenadering. Openbare ruimte voldoet over het algemeen aan de ondergrens van de bouwregel in het vastgesteld bestemmingsplan Het windonderzoek is uitgevoerd volgens de voorgeschreven NEN‐norm (NEN 8100:2006 nl ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’). De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 4.5 en 4.6: - door het realiseren van de beoogde nieuwbouw in het projectgebied zal in de toekomstige situatie een meer gevarieerd windklimaat optreden; - ten zuidoosten van het plangebied geldt nog steeds een windluw klimaat, gekenmerkt door klasse A.
In de Hermanus Boexstraat en Vestdijk treedt een meer windluw klimaat op vergeleken met de bestaande situatie, welke overwegend gekenmerkt wordt door klasse A en B; - het projectgebied Lichthoven 1 en 2 wordt beschut van de aanstromende wind uit de dominante windrichting westzuidwest door het projectgebied District E. Als gevolg hiervan laat het windklimaat rondom het projectgebied District E een sterk gevarieerd beeld zien, gekenmerkt door de klassen A t/m E. Een windrijk klimaat wordt gezien in de relatief smalle doorgangen tussen de torens, rondom de gebouwhoeken en ter plaatse van het Stationsplein, welke gekenmerkt wordt door klassen C t/m E . In de doorgangen (oost- en westtoren, en oost- en zuidtoren) en ter plaatse van de noordwestelijke hoek van westtoren zouden drie zones met klasse E kunnen optreden. Via het bestemmingsplan zijn echter regels gesteld dat maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat windhinderklasse E zich voordoet; - na toevoeging van blokken C en D kent de directe omgeving een luw windklimaat: · het windklimaat aan de noordwestzijde van blok C en D, het gebied tussen blok C en D en zuidoostzijde van blok D is luw met overwegend windhinderklasse A; · nabij de entreegebieden is het windklimaat goed;
59 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
-
er is geen sprake van de aanduiding ‘gevaarlijk’ in het projectgebied. In de nabijheid van de gebouwen bevinden zich twee zones waarin een ‘beperkt risico’ optreedt op windgevaar (afbeelding 4.7). In het overgrote deel van de openbare buitenruimte, ook ter plaatse van de ondergrondse fietsenstallingen, is er geen risico op windgevaar.
Afbeelding 4.5 Windhinder voor de toekomstige situatie [Actiflow, 2021]
Afbeelding 4.6 Windhinder beoordeling per activiteit voor de toekomstige situatie [Actiflow, 2021]
Afbeelding 4.7 Windgevaar voor de toekomstige situatie [Actiflow, 2021]
60 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
Private buitenruimte voldoet aan de bouwregel in het vastgesteld bestemmingsplan De beschouwde balkons en dakterrassen aan de Stationsweg hebben een gunstige oriëntatie (noord, noordwest) ten opzichte van de meest voorkomende windrichting (zuidzuidwest, westzuidwest) in het projectgebied. Dit gegeven in combinatie met de beschutte ligging van de private buitenruimten door de aanwezigheid van dichte balustrades zorgt ervoor dat de windcondities op deze private buitenruimten gekenmerkt worden door de kwalificatie ‘goed’ in zowel de bestaande als toekomstige situatie (Actiflow, 2021). In het geval van de dakterrassen treedt er in de bestaande situatie nog wel een kleine zone op welke gekenmerkt wordt door de beoordeling ‘matig’ voor de activiteit langdurig zitten. In de toekomstige situatie zijn deze zones echter niet meer aanwezig, er gelden dan op alle balkons algehele condities gekenmerkt door de beoordeling ‘goed’. De resultaten op de private buitenruimten geven daarnaast weer dat er geen risico op windgevaar optreedt. Aandachtspunten De toename van de gebouwhoogtes van de zestal ontwikkelingen zal windhinder tezamen versterken door een toename van wind1 (afbeelding 4.5). Windhinder met een windhinderklasse E in de openbare ruimte als gevolg van de nieuwe stedelijke configuratie dient te worden voorkomen door middel van mitigerende maatregelen.
Dat is geborgd in de bouwregels van de desbetreffende bestemmingsplannen. De volgende aandachtspunten gelden met betrekking tot windhinder: - regio's met windhinderklasse D worden toegeschreven aan de versnelling van de stroming rond de hoeken van het gebouw (hoekstroomeffect), maar ook als gevolg van de positionering van de nabijgelegen gebouwen. Deze regio’s voldoen aan de bouwregel; - met name District E beïnvloedt (gedeeltelijk) het windklimaat in de directe nabijheid van de nieuwbouw. In de doorgangen (oost- en westtoren, en oost- en zuidtoren) en ter plaatse van de noordwestelijke hoek van westtoren van District-E treden zonder maatregelen drie zones op met klasse E. Via het bestemmingsplan zijn regels gesteld dat maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat klasse E zich voordoet; - er worden kleine zones met een beperkt risico op windgevaar gevonden. De zone bij het Student Hotel zou aanleiding kunnen geven om hiervoor maatregelen te voorzien mits er in de buurt een gebouwentrée aanwezig is. Mitigerende maatregelen De hierna genoemde aanbevelingen zijn bedoeld om het windcomfort te verbeteren. Het lokale windklimaat kan worden geoptimaliseerd op basis van mitigerende maatregelen. Deze zijn afhankelijk van de functie van het gebied. De belangrijkste aandachtspunten zijn aanwezig op de hoeken van het bouwvolume.
- maatregelen voor Lichthoven fase 1 en 2: om de zones met windhinderklasse D te verminderen alsmede de zone met beperkt risico op windgevaar te verkleinen of zelfs te voorkomen wordt aanbevolen om vegetatie te plaatsen rondom de zuidwesthoek van het gebouw en de entree. Er wordt aanbevolen om hier vegetatie met een afwisselende hoogte (struiken: 2 tot 3 m, bomen: 5 tot 8+ m), opbouw (kruin hoog of laag) en ook porositeit (wintergroen of bladverliezend) toe te passen. Daarnaast wordt aanbevolen om lagere vegetatie toe te passen op het Stationsplein en nabij de vernauwingen ten westen en ten zuiden van kavel A (groenblijvende hagen/struiken 1,5 tot 3 m hoogte); - maatregelen voor District-E: bij het ontwerp van de torens van District E is rekening gehouden met windhinder. Het ontwerp is daarop aangepast ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp. Het terugleggen van de torengevel ten opzichte van de plintgevel beperkt windhinder of - gevaar op maaiveldniveau. De maximum bouwhoogte is aangepast van 170 naar 155 m en fysieke windmaatregelen aan het pand worden verankerd in het bestemmingsplan.
1
Twee redenen voor een toename van windhinder door hoogbouw: A. De windsnelheid aan het aardoppervlak is altijd nul en neem toe met hoogte. Een hoog gebouw heeft dus bovenaan hogere windsnelheden te verwerken en zorgt ervoor dat de druk op de gevel veel is. Vanuit dat hoge drukpunt gaat die lucht, windstroom naar beneden waar minder hoge druk is. B. De combinatie van smalle straten en hoogbouw kan resulteren in een wind-tunneleffect en daarmee een toename van wind op menselijke maat.
61 | 76
Witteveen+Bos | 129469/22-000.953| Definitief 02
De maatregelen voor wind zijn opgenomen en daarmee geborgd in de bouwregels voor het bestemmingsplan Stationsplein Zuid (District-E) (artikel 3.3.2 windmaatregelen). De maatregelen voor het voorzien in groen en vegetatie in Lichthoven fase 1 zijn geborgd in artikel 3.3.5 (inrichtingsplan). De maatregelen voor het voorzien in groen en vegetatie bij Lichthoven fase 2 zijn geborgd in artikel 3.2.3. De aanbevelingen worden dus ook meegenomen in het inrichtingsplan, waarvan de opstelling een voorwaardelijke verplichting is voor het kunnen uitvoeren van de bestemming ‘gemengd’ Dit inrichtingsplan wordt momenteel integraal opgesteld voor de gebiedsontwikkeling Lichthoven. Om de uitvoerbaarheid hiervan te garanderen, is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om het inrichtingsplan uit te voeren en in stand te houden. Met de gemeente is afgesproken dat zij met deze aanbevelingen rekening houden bij het herinrichten van het Stationsplein. Door het toepassen van de hierboven genoemde aanbevelingen worden negatieve effecten uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen risico op windgevaar optreedt als gevolg van de nieuwbouw. Door het realiseren van de beoogde nieuwbouw in het projectgebied zal in de toekomstige situatie een meer gevarieerd windklimaat optreden.
Een windrijk klimaat wordt gezien in de relatief smalle doorgangen tussen de torens, rondom de gebouwhoeken en ter plaatse van het Stationsplein, welke gekenmerkt wordt door klassen C t/m E . De doorgangen (oost- en westtoren, en oost- en zuidtoren) en ter plaatse van de noordwestelijke hoek van westtoren van District-E worden in het windonderzoek gekenmerkt door windhinderklasse E. Om dit te voorkomen worden aanvullende mitigerende maatregelen (zoals vegetatie en luifels dienende als windschermen) getroffen, die in artikel 3.3.2 van het bestemmingsplan District-E zijn geborgd. Daarnaast bevatten de bestemmingsplannen voor Lichthoven fase 1 kavel A en kavels C en D een verplichting tot inrichting van de openbare ruimte die rekening houdt met het aanbrengen van voldoende vegetatie.
4.13
Sloop- en aanlegwerkzaamheden
Wat is het potentiële effect? In het gebied moeten bestaande bebouwing en parkeerterreinen worden gesloopt en nieuwe bebouwing worden gerealiseerd. Hierbij ontstaat hinder voor de omgeving, vooral door extra verkeersbewegingen en geluid vanwege de sloop- en bouwactiviteiten. Sloopafval moet worden afgevoerd en bouwmaterialen worden aangevoerd. De effecten zijn per definitie tijdelijk. Welke effecten waren in het projectMER uit 2011 voorzien? In het projectMER uit 2011 staat geen effectbeschrijving en beoordeling voor sloop- en aanlegwerkzaamheden. Wel is het volgende opgenomen: Stationslocatie Zuid-Oost is geen gebied met archeologische verwachtingswaarde. Sloop- en grondwerkzaamheden zullen niet leiden tot schade aan archeologische waarden in de ondergrond (paragraaf 3.5.2). Welke effecten treden op in samenhang? De hinder van sloop- en aanlegwerkzaamheden wordt sterk bepaald door de realisatie van de verschillende kavels. Daar zal bij de werkzaamheden acht op geslagen moeten worden, waarbij de betrokken aannemers zich hebben te houden aan het Bouwbesluit 2012. De bepalingen hierin zijn maatgevend voor de hinder. Aanlegfase De realisatie van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zal niet gelijktijdig plaatsvinden, zodat de bouwhinder gespreid wordt.