Bijlage 4c - TAM-omgevingsplan Motivering
Tekst van het document
De gemeente Eindhoven heeft de instructieregels voor gemeente- en waterschapswegen verwerkt in een nota "Geluidbeleid Verkeers- en spoorwegen zonder Geluidproductieplafonds".
Tabel 7.1 Standaardwaarde en grenswaarde vanuit het Bkl.
Geluidbronsoorten
Standaardw aarde in Lden (dB)
Grensw aarde in Lden (dB) Nieuw e geluidgevoelige gebouw en
Aanleg of aanpassing bron
Rijks- en provinciale w egen
50
60
65
Gemeente- en w aterschapsw egen
53
70
70
Gemeente- en 53 Waterschapsw egen in uitleggebieden voor stroomw egen, gebiedsontsluitingsw egen en w ijk-/buurtontsluitingsw egen
58
58
Hoofd- en lokale spoorw egen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnigh
45 Lnight
50 Lnight
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 37 Gemeente Eindhoven
In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.
Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt activiteiten met geluidruimte mogelijk in de nabijheid van geluidgevoelige gebouwen. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. 7.3.2
Toetsing
In opdracht van Enexis is een akoestisch onderzoek verricht door Peutz in verband met geprojecteerde uitbreidingen bij hoogspanningsstation (HS) Eindhoven Zuid, gesitueerd aan de Genneperweg 170 te Eindhoven. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 3. Op het huidige station zijn o.a. vier transformatoren (Tr1 t/m Tr4) aanwezig. In de huidige representatieve bedrijfssituatie worden Tr2, Tr3 en Tr4 belast. Tr1 is wisseltrafo en staat uit.
Resultaten Uit de berekening volgt dat voor de toekomstige representatieve bedrijfssituatie de etmaalwaarde, inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid, ter plaatse van de meest nabij gesitueerde woningen buiten het bedrijventerrein maximaal 49 dB(A) zal bedragen. Hiermee wordt voldaan aan de toepasselijke criteria op basis van de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. Op de rand van het bouwvlak van de woonbestemming van Genneperweg 170 (positie 02A) wordt een etmaalwaarde van 53 dB(A) berekend. Opgemerkt is dat volgens de huidige bestemmingsplan in het betreffende bestemmingsvlak slechts één woning is toegestaan. Uitbreiding van de bestaande woning in noordelijke richting tot de rand van het bouwvlak lijkt niet waarschijnlijk. Ter plaatse van woningen gelegen op het bedrijventerrein bedraagt de geluidbelasting maximaal 52 dB(A) etmaalwaarde. 38 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Ter plaatse van woningen buiten het bedrijventerrein bedragen de maximale geluidniveaus LAmax ten hoogste circa 62 dB(A). Bij de woningen gelegen op het bedrijventerrein kunnen maximale geluidniveaus optreden tot 66 dB(A). Deze piekgeluiden kunnen optreden bij het schakelen met de vermogensschakelaars. Normaliter wordt alleen overdag geschakeld (maximaal enkele schakelingen per dag. Overigens wordt er de meeste dagen niet geschakeld). In het Bkl zijn overigens als 'standaardwaarde' geen normen opgenomen voor het LAmax in de dagperiode. Er bevindt zich één woning, die gelegen is buiten het bedrijventerrein, binnen het geluidaandachtsgebied (op 30 meter hoogte). Echter wordt bij deze bestaande woningen (toetspunten 01 en 02 op 5 meter hoogte) wel voldaan aan de toepasselijke criteria op basis van de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. In onderstaand figuur zijn de begrenzingen van het beoogde plan en de grootte van het geluidaandachtsgebied na uitbreiding weergegeven. Het geluidsaandachtsgebied geeft het gebied weer waarbinnen de nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag aan de hand van het Bkl. Ten aanzien van de maximale geluidniveaus LAmax zijn in het Bkl geen normen opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.
Omdat alleen overdag wordt geschakeld (behoudens storing-situaties) kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de 'standaardwaarden' uit het Bkl.
Figuur 7.1: Aanduiding industrieterrein en geluidaandachtsgebied (inclusief toeslag).
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 39 Gemeente Eindhoven
7.3.3
Conclusie
Uit het onderzoek volgt dat er vanuit akoestisch oogpunt sprake is van een planologisch inpasbare situatie. De geluidproductieplafonds (GPP) zijn geborgd in de regels. Het geluidaandachtsgebied is te raadplegen via de Centrale Voorziening Geluidgegevens. Het aspect geluid levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.
7.4
Luchtkwaliteit
7.4.1
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2.
in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Tabel 7.2 Jaargemiddelden luchtkwaliteitsnormen. Stof
Norm
Jaargemiddelde grensw aarde NO2
40 µg/m3
Jaargemiddelde grensw aarde PM10
40 µg/m3
Daggemiddelde grensw aarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden. Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten 40 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 7.4.2
Toetsing
De beoogde ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking en leidt niet op een andere manier tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Tijdens de aanleg van het hoogspanningsstation zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. In de gebruiksfase is het hoogspanningsstation onbemand en vindt enkel verkeer plaats voor toezicht en onderhoud. Het voornemen beïnvloedt dan ook niet in betekenende mate de luchtkwaliteit. Aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In de drie onderstaande figuren wordt getoond dat dat huidige concentraties voor PM2,5, PM10 en NO2 ruimschoots onder de grenswaarden zitten.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 41 Gemeente Eindhoven
Figuur 7.2a: Huidige concentraties PM2,5/m3 (Bron: Atlasleefomgeving).
Figuur 7.2b: Huidige concentraties PM10/m3 (Bron: Atlasleefomgeving).
42 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Figuur 7.3: Huidige concentraties NO2/m3 (Bron: Atlasleefomgeving).
7.4.3
Conclusie
Voor luchtkwaliteit is getoetst op de verkeersaantrekkende werking en toename van concentraties luchtverontreinigende stoffen. Door de wijze van gebruik van het hoogspanningsstation wordt de luchtkwaliteit niet beïnvloedt. Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 43 Gemeente Eindhoven
7.5
Geur
7.5.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).
Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
Tabel 7.3: Waarden geur 98-percentiel
99,9 percentiel
Omgevingscategorie Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Wonen
1,0
2,0
4
8
Gemengd
2,0
4,0
8
16
Overig
10
10
40
40
Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke 44 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
beoordelingsregels voor geur. 7.5.2
Toetsing
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen activiteit mogelijk gemaakt met een gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen. De ontwikkeling laat geen geurgevoelig gebouw toe in de buurt van bestaande activiteiten met geurveroorzakende bedrijven. Nadere toetsing op het aspect geur is niet benodigd. 7.5.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.6
Bodem
7.6.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.6.2
Toetsing
Door Antea Group is een historisch bodemonderzoek opgesteld, het rapport is meegenomen als bijlage 4. In het rapport conform NEN 5725 is een verwachting voor de bodemkwaliteit ter plaatse vastgesteld. Grond Op basis van eerder uitgevoerd bodemonderzoek wordt verwacht dat er geen interventiewaarden worden overschreden ter plaatse van de beoogde werklocaties. Echter is er onvoldoende informatie beschikbaar met betrekking tot de kwaliteit van grond, het voorkomen vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 45 Gemeente Eindhoven
van asbest en de parameter PFAS voor de afvoer van grond. Grondwater Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek worden geen interventiewaarde-overschrijdingen in het grondwater verwacht. Asbest Op basis van de verzamelde gegevens wordt de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest beschouwd omdat er geen aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen. Vervolgonderzoek Om de bodemkwaliteit met voldoende zekerheid vast te stellen wordt een booronderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de grond, het voorkomen van asbest en de parameter PFAS voor de eventuele afvoer van grond. 7.6.3
Conclusie
Er bestaan geen aanwijzingen voor (een geval van ernstige) bodemverontreiniging, wel wordt er nog vervolgonderzoek gedaan naar kwaliteit van de grond, asbest en PFAS, dit is onderdeel van de uitvoeringsfase. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.7
Omgevingsveiligheid
7.7.1
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per 46 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Figuur 7.4: Aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 47 Gemeente Eindhoven
Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Programma externe veiligheid De gemeente Eindhoven heeft op het programma externe veiligheid vastgesteld. In dit programma is aangegeven waar nieuwe risicobronnen mogen komen en welke risicobronnen daar zijn toegestaan. Ook is een stappenplan in dit programma opgenomen om te komen tot een passende bescherming. 7.7.2
Toetsing
In de omgeving van het plangebied ligt een aantal risicobronnen. Het betreft de Rijksweg A2/A67 en het bedrijf 'CVM High Tech Campus Eindhoven U.A.' De risicobronnen worden hieronder beschouwd.
Rijksweg A2/A67 Ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A2/A67. De Rijksweg heeft een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 33 meter, deze contour reikt niet tot aan het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het plangebied valt wel deels in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied, weergegeven in onderstaand figuur.
48 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Figuur 7.5: Risicocontouren en aandachtsgebied ten opzichte van plangebied. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 49 Gemeente Eindhoven
CVM High Tech Campus Eindhoven U.A. Ten westen van het plangebied ligt CVM High Tech Campus Eindhoven U.A. Dit bedrijf heeft een opslag van gevaarlijke stoffen. De relevante plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bevindt zich binnen het bedrijventerrein. De opslag van gevaarlijke stoffen heeft een (placeholder) gifwolkaandachtsgebied. Het plangebied valt hier volledig binnen, gezien onderstaand figuur.
Figuur 7.6: Ligging van het plangebied ten opzichte van de opslag (rood) en het gifwolkaandachtsgebied (geel).
Risicobeschouwing Het hoogspanningsstation wordt niet beschouwd als een beperkt kwetsbaar gebouw aangezien er geen mensen verblijven (Bkl, artikel 5.15). 7.7.3
Conclusie
Door de ligging van het plangebied ten opzichte van de Rijksweg A2/A67 en de activiteit rondom het hoogspanningsstation vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
50 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
7.8
Verkeer en parkeren
7.8.1
Algemeen
Welke mobiliteitsbehoefte een ruimtelijk plan exact met zich meebrengt, is per definitie onbekend. De eindgebruiker is er immers nog niet. Het plan moet evenwel voorzien in een adequate mobiliteitsoplossing. Om de mobiliteitsbehoefte wel zo goed mogelijk in te schatten worden parkeernormen gebruikt. Dit zijn theoretische normen die gestoeld zijn op de gemiddelde behoefte aan (fiets)parkeerplaatsen bij functies van gebouwen en voorzieningen in de Nederlandse praktijk, aangevuld met lokale gegevens. Door uit te gaan van deze normen zal de parkeer/mobiliteitsoplossing van een plan tegemoet komen aan de mobiliteitsvraag van dat plan. 7.8.2
Toetsing
De beoogde ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het hoogspanningsstation Eindhoven Zuid, deze functie heeft geen verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte. 7.8.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.
7.9
Groen en landschappelijke inpassing
7.9.1
Algemeen
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.
Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds (beleidsregel Groen en Water met bijbehorende rekentool). De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 51 Gemeente Eindhoven
Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als multifunctioneel groen. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden: Strategie 5: Multifunctioneel groen Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap met een goede balans tussen intensief en extensief recreatief gebruik waarbij de landschappelijke en ecologische waarden worden beschermd. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen en kleinschalige landbouw.
Figuur 7.7a: Ruimtelijk e Strategieënkaart
Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit.
Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 52 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen. Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.
Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen 2024.
Verordening bomen 2024 In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand,
of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 53 Gemeente Eindhoven
bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.
Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand. Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.
Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: 1. Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); 2. Groenarme gebieden; 3. Centrumgebied; 4. Bebouwde komgrens. De informatie op de groene kaart is nodig om: 1. 2. 3. 4.
Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.
Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Onderstaand een uitsnede van de Groene Kaart bij het plangebied. De blauwe stippen zijn beschermde bomen. Verder ligt het plangebied binnen de Groene weg en buiten de bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde kom grens Wet natuurbescherming).
54 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Figuur 7.7b: Uitsnede van de Groene Kaart. Bron: Gemeente Eindhoven. 7.9.2
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toename aan verharding waardoor landschapselementen benodigd zijn om dit te compenseren. In het landschapsplan, bijgevoegd in bijlage 1, wordt beschreven hoe het toevoegen van groene elementen zorgt voor een landschappelijke inpassing. Op 4 meter vanaf het zuidelijk hekwerk wordt een struweelrand met boomvormers (18 stuks) gerealiseerd. De totale oppervlakte van de struweelrand bedraagt 1.838 m². De struweelbeplanting zorgt voor een ecologische compensatie voor de steenmarter. Aan de zuidzijde buiten het hekwerk worden in de struweelzone een aantal marterbunkers opgenomen. Aan de westzijde van het plangebied wordt een wadi gerealiseerd met een oppervlakte van 510 m².
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 55 Gemeente Eindhoven
Figuur 7.8: Landschapsplan – Vlekkenplan (bron: CB5).
Beleidsregel groen en water Voor de ontwikkeling geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (bvo) moet worden vergroend om te voldoen aan de groencompensatie regeling. Het landschapsplan voldoet aan deze eis en het toepassen van de beleidsregel is geborgd in de regels van het onderhavige TAM-omgevingsplan. De toetsing aan het onderdeel water in de beleidsregels wordt behandeld in de waterparagraaf 7.11.
Houtopstanden De beoogde ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het hoogspanningsstation Eindhoven Zuid, derhalve is het verwijderen van bosschage en bomen noodzakelijk. Hieronder wordt getoond welke bomen en bosschages worden verwijderd. Voor het kappen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap dient een kapmelding bij de provincie aangevraagd te worden. De grond waarop de gekapte houtopstand heeft gestaan, moet binnen drie jaar na het kappen "bosbouwkundig verantwoord" herbeplant zijn (herplantplicht) conform artikel 3.93 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Binnen het plangebied wordt binnen het hekwerk geen opgaande beplanting toegepast in verband met de aanwezigheid van ondergrondse en bovengrondse kabels en leidingen. Voor de uitbreiding binnen het hekwerk van het plangebied dient 1.100 m2 opgaande beplanting en 67 bomen te worden gerooid. De herplant van 18 bomen en herbeplanting van de opgaande beplanting vindt plaats binnen het plangebied. De compensatie van de overige 49 bomen dienen elders gerealiseerd te worden. Dit wordt nader uitgewerkt in een compensatieplan dat bij de kapmelding wordt gevoegd.
56 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Figuur 7.9: Landschapsplan – te verwijderen begroeiing (bron: CB5).
Groenblauwe waarden Het hoogspanningsstation is conform de omgevingsverordening gelegen in een groenblauwe waarde (zie ook paragraaf 6.2.2). De groenblauwe waarde beschermt het Natuurnetwerk en zorgt voor de verbinding tussen omliggende gebieden. Om de groenblauwe waarden van het plangebied te behouden en te versterken wordt het hoogspanningsstation landschappelijk ingepast. Er is ruimte geboden voor waterretentie door middel van wadi's, afscherming van het station door middel van struweelranden met rakkenrillen aan de zuidzijde en bloemrijk grasland rondom het hele station. Ook de te kappen bomen worden gecompenseerd. Er is daarmee sprake van behoud en versterking van de ecologische en landschappelijke waarden ter plaatse. De groenblauwe waarde wordt ook geborgd in de regels van het onderhavige TAM-omgevingsplan.
Kwaliteitsverbetering In paragraaf 6.2.2 is de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap reeds behandeld. Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen mogelijkheden om het bedrag fysiek te investeren. Het gehele bedrag wordt geïnvesteerd in het gemeentelijke groenfonds. Enexis is voornemens bij te dragen aan de landschappelijke versterking van het manegeterrein binnenterrein gelegen ten noorden van de Genneperweg. De kwaliteitsverbetering is geborgd in het onderhavige TAM-omgevingsplan middels een voorwaardelijke verplichting.
7.9.3
Conclusie
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpassing door het toevoegen van groene landschapselementen. Het aspect groen levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 57 Gemeente Eindhoven
7.10
Natuur
7.10.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijnen en de EU-habitatrichtlijnen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.
Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale 3. of economische aard; en 4. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en 58 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 7.10.2
Toetsing
de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De QuickScan is bijgevoegd in bijlage 5.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 2,3 kilometer afstand van zuidoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Op ongeveer 7,1 kilometer afstand naar het oosten ligt Natura 2000 gebied Stabrechtse Heide & Beuven en westelijk op 10 kilometer Natura 2000 gebied Kempenland-West. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn de effecten met betrekking tot stikstofdepositie als gevolg van de voorliggende ontwikkeling in beeld gebracht, zie bijlage 6. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont de AERIUS Calculator nergens een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 260 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de 'wezenlijke kenmerken of waarden' aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
Soortenbescherming Flora Het plangebied biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. In het zuiden van het plangebied staat een aantal grove dennen met enkele berken en beuken welke gekapt zullen worden voor de beoogde uitbreiding.
Vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid al vleermuishabitat. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek gecontroleerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Er zijn hiervan geen waarnemingen gedaan. In het plangebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroutes voor vleermuizen. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep en de werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebieden van vleermuizen.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 59 Gemeente Eindhoven
Marterachtigen De ruigte aan de zuidzijde van het afgerasterde terrein met de aanwezige houtrails zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen. Deze houtrails zal bij de uitbreiding verwijderd dienen te worden waardoor het niet uit te sluiten is dat er marterachtigen verstoord zullen worden omdat dit deel een belangrijk onderdeel van het leefgebied van marterachtigen is.
Vogels Er zijn tijdens het veldbezoek nesten en nestplaatsen aangetroffen in de te kappen bomen. De nestkastjes zullen voor aanvang van de werkzaamheden en buiten het broedseizoen dienen te worden verwijderd. Indien het kappen van de bomen buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk.
Amfibieën, vissen en reptielen Tijdens het terreinbezoek is een hagedis waargenomen. Deze schoot echter weg voordat deze gedetermineerd kon worden. Mogelijk betrof dit een levendbarende hagedis maar het kan ook een zandhagedis geweest zijn. Gezien de biotoop voorkeur en verspreiding van de zandhagedis is dit echter als onwaarschijnlijk ingeschat. Negatieve effecten op de levendbarende hagedis met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. De ecologische QuickScan gaat er vanuit dat er geen waterstructuren aangetast worden. Er is nader onderzoek benodigd als dit wel het geval is. 7.10.3
Conclusie
Voor gebiedsbescherming zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Voor soortenbescherming wordt nader onderzoek uitgevoerd, wat mogelijk kan leiden tot de noodzaak tot het nemen van maatregelen, wat reeds geborgd is door het onderdeel flora en fauna in de Omgevingswet. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
7.11
Weging van het waterbelang
7.11.1
Algemeen
Er moet voldaan worden aan de beoordelingsregels voor die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan. Daarnaast moet er voldaan worden aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap. In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.
Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet 60 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.
Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang: In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan.
Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.
Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Zuid 61 Gemeente Eindhoven
Waterschap Door de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt de Waterschapsverordening waterschap De Dommel de Brabant Keur. De Waterschapsverordening is een verordening met de wettelijke regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). In de Waterschapsverordening wordt specifieker gekeken naar de regelgeving voor verschillende soorten gebieden en activiteiten. De Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 verbiedt het zonder vergunning afvoeren van hemelwater ontstaan door een toename aan verhard oppervlak naar oppervlaktewater. Vrijstelling voor het genoemde verbod wordt gegeven indien de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 schriftelijke goedkeuring heeft gekregen van het waterschap en de maatregelen daarvan zijn uitgevoerd, of de toename aan verhard oppervlak een maximale hoeveelheid van 500 m2 bedraagt en/of de toename aan verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak. Bij een ontwikkeling met een toename aan verharding tussen 500 m² en 10.000 m² is op basis van de Waterschapsverordening geen vergunning vereist, mits voldoende compenserende waterbergingsmaatregelen zijn uitgevoerd.
Gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool. Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.
Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. 62 uid
vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven-Z
Gemeente Eindhoven
Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. 2. 3. 4.
Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.
Samenvattend Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatiemaatregelen moet zijn. 7.11.2