CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4a - TAM-omgevingsplan Vredeoord (Ovaal) - Motivering

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit TAM-omgevingsplan ‘Vredeoord (Ovaal)’31.644 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het risico dat overblijft nadat maatregelen zijn genomen om de veiligheid in het projectgebied te verhogen betreft het restrisico. Het restrisico heeft betrekking op bereikbaarheid voor hulpdiensten, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in verband met fakkelbrand (BAG) en hittestraling en overdruk door BLEVE (EAG): De bereikbaarheid voor hulpdiensten en de aanwezige bluswatervoorziening veranderen niet door het planvoornemen. De bestaande wegenstructuur blijft intact. Aangenomen wordt dat de bestrijdbaarheid bij de risicobronnen (spoor en LPGtankstation) in de huidige situatie voldoende is en daarom ook voor de toekomstige situatie voldoende zal zijn. Bluswatervoorziening: Het appartementencomplex resulteert in hoogbouw nabij de spoorlijn en het LPGtankstation. In geval van een calamiteit op het spoor of het LPG-tankstation die leidt tot brand op de hoger gelegen verdiepingen, zal het voor de brandweer moeilijker zijn om deze verdiepingen met een blusstraal te bereiken. Aangenomen kan worden dat de bewoners zelfredzaam zijn. Conform de scenariokaarten van NIPV blijft het

59/100

pand ten gevolge van overdruk door BLEVE intact. Het gebouw kan door hittestraling in brand raken maar het trappenhuis ondervindt geen directe hittestraling. In de omgeving van het plangebied is voldoende gelegenheid om effectief te vluchten van de risicobronnen af, mocht dit noodzakelijk zijn.

7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

7.8

Verkeer en parkeren

7.8.1

Algemeen

Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende subparagraaf zijn de essentiële elementen voor het projectgebied beschreven. Masterplan Mobiliteit 2050 Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen. Voetgangersverkeer De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor zijn een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren.

In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes. Openbaar vervoer Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Autoverkeer Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de

60/100

wegen waar een maximum snelheid van tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en veiligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen. Hubs Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus. Het STOMP principe In en om het centrum van Eindhoven spelen diverse (grote) verdichtingsopgaven die ieder hun eigen mobiliteitsbehoefte meebrengen. Om het centrum nu en in de toekomst bereikbaar, leefbaar en veilig te houden moet op een andere manier naar de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte gekeken moeten worden. Hierbij wordt uitgegaan van het STOMP principe.

STOMP staat voor hoe we verplaatsingen onderscheiden: Stappen; Trappen; Openbaar Vervoer; Mobility as a Service; Privé-auto. Bij het STOMP-ontwerpprincipe wordt eerst naar de voetganger gekeken (Stappen), vervolgens naar de fietser (Trappen), OV en MaaS en pas daarna wordt naar de privéauto gekeken. Deze aanpak sluit ook aan op de doelstellingen/ambities uit het Masterplan Mobiliteit 2050 dat specifiek inzet op lopen, fietsen en openbaar vervoer, vooral binnen de Ring, terwijl de automobiliteit meer wordt gebundeld en naar de Ring. Verkeersgeneratie Aan de hand van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling. Verkeersafwikkeling Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt of het plan past binnen de bestaande infrastructuur. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer. Meer lopen, fietsen, openbaar

61/100

vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad. De Nota Parkeernormen 2024 is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moet het centrum van Eindhoven goed bereikbaar blijven. De parkeernormen die aan bouwplannen gesteld worden, dragen bij aan de doelstellingen voor een autoluw centrum en aan de verdichtingsopgave in de hele stad en maken het daarom ook mogelijk om plannen te realiseren met minder of zelfs (in het centrum) zonder de aanleg van parkeerplaatsen (nulnorm). De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm van verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast willen we bestaande parkeercapaciteit beter gaan benutten in plaats van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen.

Voor het gedeelte van de parkeeropgave waar een plan niet in voorziet, bestaat het mobiliteitsfonds waarin de afkoopbedragen terecht komen ten behoeve van stadsbrede duurzame mobiliteitsvoorzieningen. Elk nieuw of bestaand adres waar na 2016 een omgevingsvergunning voor is afgegeven, komt op het AUP-overzicht (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen). Adressen op deze lijst komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden ook vastgelegd: het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.171) regelt dat een woonfunctie over een afsluitbare bergruimte moet beschikken voor het stallen van fietsen en bij collectieve fietsenstallingen gelden de kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen die Eindhoven als gelijkwaardig beschouwt mits de benodigde aantallen fietsparkeerplekken conform de normen worden ingepast.

7.8.2 Toetsing Voetgangersverkeer Aan de zuidzijde van de projectlocatie is een voetgangersgebied ingericht dat door het complex Vredeoord in noordoostelijke richting doorloopt tot aan de Boschdijk en ten zuidwesten van de projectlocatie uitkomt op de Groenewoudseweg. De Boschdijk maakt onderdeel uit van het voetgangersnetwerk van Eindhoven, met vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voetgangers kunnen geregeld oversteken ten hoogte van het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. Daarom wordt de kwaliteit van het omliggende voetgangersnetwerk als goed beoordeeld. Echter is ook de afstand tot de dichtstbijzijnde dagelijkse voorzieningen van belang. Zo is de projectlocatie gelegen aan de overzijde van het stadspark Vredeoord en zijn er twee basisscholen gelegen binnen 1 kilometer afstand van de ontwikkeling. Daarnaast is de projectlocatie ook gelegen op circa 800 meter loopafstand van het gezondheidscentrum Boschdijk. Op ongeveer 500 meter ten

62/100

zuiden van het projectgebied ligt het Celsiusplein en de Edisonstraat (Woensel-West) met diverse voorzieningen zoals een supermarkt, detailhandel, horeca en commerciële- en sociaal-medische dienstverlening. Fietsverkeer In onderstaande afbeelding zijn de doorfietsroutes en stadroutes rondom het projectgebied aangegeven. Ten noorden van de projectlocatie loopt de doorfietsroute op de Vredeoord. Deze route leidt in oostelijke richting naar Nuenen en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven. Voor fietsers zijn op de Vredeoord aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende fietspaden aanwezig, met oversteekplaatsen ten hoogte de kruising met de Dokter Poletlaan. Conform het 'Masterplan Mobiliteit 2050' van de gemeente Eindhoven maakt de Vredeoord onderdeel uit van het fietsnetwerk van Eindhoven als een doorfietsroute, welke in oostelijke richting leidt naar Nuenen en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven. Deze route doorkruist in ten westen van de projectlocatie de Groenewoudseweg en in oostelijke richting de Boschdijk. Beide wegen zijn binnen het gemeentelijke fietsnetwerk gedefinieerd als stadsroutes en leiden dan ook in zuidelijke richting naar het centrumgebied van Eindhoven. Tevens leidt het fietspad langs de Groenewoudseweg naar het treinstation Eindhoven Strijp-S.

Overzicht fietsroutes rondom plangebied (zwart omlijnd), doorfietsroutes (rood), stadsroutes (blauw) Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is gelegen op circa 750 meter loopafstand aan de Boschdijk. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 8, tussen Eindhoven Station en Kapelbeemd via Acht, met een frequentie van 30 minuten. De projectlocatie is tevens gelegen op circa 1,2 kilometer loop- of fietsafstand vanaf het treinstation Eindhoven Strijp-S, vanaf waar gebruik kan worden gemaakt van treinen richting Boxtel, Deurne 's-Hertogenbosch, Weert en Eindhoven Station. Autoverkeer De projectlocatie wordt ontsloten op de Naaldhout, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Naaldhout komt in noordelijke richting uit op de Vredeoord, een gebiedsontsluitingsweg met een

63/100

maximumsnelheid van 50 km/u. In oostelijke richting leidt de Vredeoord naar het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. De 2e Lieven de Keylaan en de Boschdijk zijn beide ingericht als gebiedsontsluitingswegen. De 2e Lieven de Keylaan heeft een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt in oostelijke richting naar het winkelcentrum Woensel. Ten zuiden van de aansluiting van de Vredeoord heeft de Boschdijk een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt in zuidoostelijke richting naar de Ring van Eindhoven en vervolgens verder naar het centrumgebied. De Ring van Eindhoven leidt vervolgens naar aansluitingen op de A2, A50, A67 en A270. Ten noorden van de Vredeoord heeft de Boschdijk een maximumsnelheid van 70 km/u en leidt in noordelijke richting naar Best en vervolgens via de A2 richting 's-Hertogenbosch. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling wordt bepaald met behulp van de verkeerskencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. De ligging van de projectlocatie is in de Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Eindhoven gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 84 sociale huurappartementen tussen de 50 m² en 65 m². Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt daarom aangesloten bij de functie 'huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo'.

Voor deze functie geldt conform CROW-publicatie 744 (schil centrum, matig stedelijke buurt) een kencijfer van maximaal 3,2 voertuigbewegingen per appartement, wat leidt tot een verkeersgeneratie van (3,2 x 84 = 268,8 =) 269 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de verkeerstoename gedurende een gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeerstoename van (268,8 x 1,11 = 298,4 =) 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Verkeerstoedeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. De beoogde ontwikkeling wordt via de Naaldhout ontsloten op de Vredeoord. Vanaf de aansluiting op de Vredeoord wordt 60% (179 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer in noordoostelijke richting ontsloten naar het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. Op dit kruispunt wordt 15% (45 mvt/etmaal) in noordwestelijke richting over de Boschdijk ontsloten en 10% (30 mvt/etmaal) in noordoostelijke richting via de 2e Lieven de Keylaan. De resterende 35% (104 mvt/etmaal) wordt via de Boschdijk in zuidelijke richting ontsloten naar de Ring van Eindhoven.

De overige 40% (119 mvt/etmaal) wordt vanaf de Vredeoord in zuidwestelijke richting naar het kruispunt Vredeoord- Groenewoudseweg - Bezuidenhoutseweg. Vanaf dit kruispunt wordt 20% (60 mvt/etmaal) via de Bezuidenhoutseweg en de Achtseweg Zuid in noordelijke richting ontsloten en wordt 20% (60 mvt/etmaal) via de Groenewoudseweg in zuidelijke richting ontsloten naar de Ring van Eindhoven. In de onderstaande figuur is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.

64/100

Beoogde verkeerstoedeling Verkeersafwikkeling Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten in de autonome situatie wordt in eerste instantie aansluiting gezocht bij verkeersgegevens afkomstig uit het BBMA verkeersmodel 2022 van de provincie Noord Brabant. Hieruit zijn verkeersgegevens verzameld voor de prognosejaren 2030 en 2040. Voor het beoordelen van de impact van de planbijdrage is de verkeerssituatie 10 jaar na realisatie maatgevend. Voor de beoogde ontwikkeling wordt als uitgangspunt rekening gehouden met het realisatiejaar 2025 en het toekomstjaar 2035. Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten in het toekomstjaar is per wegvak de 'jaarlijkse autonome groei' bepaald aan de hand van het verschil in de intensiteiten tussen de prognosejaren 2030 en 2040. In de onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten met en zonder planbijdrage weergegeven tot en met de Boschdijk, vanaf waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.

Wegvak

Vredeoord, ten westen van Naaldhout Vredeoord, ten oosten van Naaldhout

65/100

Intensiteit 2030 autonoom (mvt/etmaal) 7.900

Intensiteit 2040 autonoom (mvt/etmaal) 8.700

Intensiteit Planbijdrage 2035 (mvt/etmaal) autonoom (mvt/etmaal) 8.290 +179

Intensiteit Procentuele 2035 incl. plan toename (mvt/etmaal) planbijdrage 8.469

2,2%

7.900

8.700

8.290

8.409

1,4%

+119

Groenewoudsewe 1.300 g Boschdijk, ten 21.800 noorden van Vredeoord Boschdijk, ten 12.900 zuiden van Vredeoord

1.400

1.349

+60

1.409

4,4%

23.600

22.682

+45

22.727

0,2%

14.200

13.534

+104

13.638

0,8%

Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel gehanteerd dat een verkeerstoename opgaat in het heersende verkeersbeeld wanneer de procentuele toename lager is dan 5%. Uit de bovenstaande tabel blijkt dat op de relevante wegen de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling lager is dan 5%, waaruit wordt geconcludeerd dat het effect op de verkeersdoorstroming van deze wegen verwaarloosbaar is. Alhoewel al het verkeer vanuit de beoogde ontwikkeling wordt ontsloten via de Naaldhout, is deze weg niet meegenomen in de bovenstaande tabel omdat er geen verkeersgegevens voor de weg beschikbaar zijn vanuit het BBMA verkeersmodel. Op dit wegvak zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De Naaldhout is ingericht als een erftoegangsweg-type 2, met een rijbaanbreedte van circa 6,4 meter. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen tot een omvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. De Naaldhout is geen doorgaande weg. Via deze weg worden dan ook enkel de aangelegen woningen en de ondergrondse parkeergarage van het pand ten zuiden van de projectlocatie ontsloten.

Op basis van de aangelegen functies wordt geschat dat de huidige intensiteit op de Naaldhout laag genoeg is om de beoogde verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos op te vangen. Verkeersveiligheid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer. Een apart voetgangersgebied is ingericht direct ten zuiden van de projectlocatie en vormt een autovrije verbinding richting de Boschdijk en de Groenewoudseweg. Op beide wegen zijn aan weerzijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig, met overzichtelijke oversteekplaatsen voor het langzaam verkeer. Tevens geldt voor beide wegen dat de beoogde verkeerstoename opgaat in het heersende verkeersbeeld, waaruit volgt dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid van de weg gering is. Ook voor het fietsverkeer geldt dat de invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid verwaarloosbaar is. Fietsers delen enkel de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer op de Naaldhout tot aan de Vredeoord, vanaf waar het fietsverkeer wordt afgewikkeld over vrijliggende fietspaden. Gezien de korte rechtstand van de Naaldhout en de lage maximumsnelheid is het risico op snelheidsverschillen tussen weggebruikers beperkt. Daarbij geldt zoals eerder benoemd dat de Naaldhout de beoogde verkeerstoename probleemloos kan verwerken.

De beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid.

66/100

Autoparkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van de 'Nota parkeernormen 2024' van de gemeente Eindhoven met behulp van de parkeertool van de gemeente (zie Bijlage 7 bij deze motivering). Binnen het gemeentelijke parkeerbeleid is de ligging van de projectlocatie gedefinieerd als 'rest gebied' en valt de beoogde ontwikkeling onder de functie 'sociale huur appartement 50-75 m²'. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bepaald.

Functie Wonen

Type Sociale huur appartement 50-75 m² Bezoekers Woningen

Aantal Norm Parkeerbehoefte (pp) 84 woningen 0,5 per woning 42

Wonen 84 woningen 0,2 per woning 16,8 Totaal 58,8 Tabel 1. De normatieve autoparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 58,8 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bestaat echter uit verschillende doelgroepen, namelijk bewoners en bezoekers, waarvan de parkeerbehoefte verschilt per weekmoment. Om deze reden kan dubbelgebruik worden toegepast bij het bepalen van de parkeerbehoefte gedurende het maatgevende weekmoment. Voor het bepalen van de maatgevende parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages van de gemeente Eindhoven.

Doelgroep %

Werkdag ochtend 50%

Werkdag middag 50%

Werkdag Koopavon Werkdag Zaterdag avond d Nacht middag 90% 80% 100% 60%

Zaterdag Zondag avond middag 80% 70%

pp %

21 10%

21 20%

37,8 80%

33,6 70%

42 0%

25,2 60%

33,6 100%

29,4 70%

1,68 3,36 13,44 Totaal 22,68 24,36 51,24 Tabel 2. Parkeerbehoefte per weekmoment

11,76 45,36

0 42

10,08 35,28

16,8 50,4

11,76 41,16

Woningen bewoners Woningen bezoekers

pp

Het maatgevende moment voor de beoogde ontwikkeling is de 'werkdag avond'. Gedurende deze periode bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling 52 parkeerplaatsen. Parkeeroplossing Conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid kan de parkeerbehoefte van de bewoners worden gereduceerd doormiddel van het inzetten van deelauto's en deeltweewieler. Hierbij wordt aangehouden dat één deelauto maximaal 4 reguliere parkeerplaatsen vervangt. Voor de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de inzet van 2 deelauto's, waarmee de parkeerbehoefte wordt gereduceerd met 8 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 6 deeltweewielers aangeboden, die 4 reguliere parkeerplaatsen vervangen.

67/100

Na toepassing van de mobiliteitscorrectie voor inzet van deelmobiliteit bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling (52 + 2 - 8 - 4 =) 42 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte wordt als onderdeel van de beoogde ontwikkeling rekening gehouden met de realisatie van 27 reguliere parkeerplaatsen en 2 parkeerplaatsen voor deelauto's op eigen terrein. Voor het opvangen van de resterende parkeervraag van (42 - 29 =) 13 parkeerplaatsen is met behulp van een parkeerdrukonderzoek de beschikbare parkeercapaciteit in de omliggende openbare ruimte bepaald. Deze parkeerdrukmeting is als Bijlage 8 bij deze motivering gevoegd. Uit de resultaten van het parkeerdrukonderzoek blijkt dat in de omliggende openbare ruimte er een restcapaciteit beschikbaar is van 10 parkeerplaatsen gedurende het maatgevende moment, rekening houdende met de maximaal toegestane bezettingsgraad van openbare parkeerplaatsen van 90%. Rekening houdende met het gebruik van de beschikbare openbare parkeercapaciteit rondom de projectlocatie, is er sprake van een resterende parkeereis van (13 - 10 =) 3 parkeerplaatsen. Voor het oplossen van de resterende parkeereis is in het ontwerp ruimte gereserveerd voor drie extra parkeerplaatsen die pas zullen worden aangelegd als de situatie daar om vraagt.

Fietsparkeren Naast de autoparkeerbehoefte dient conform het gemeentelijke parkeerbeleid ook te worden voorzien in voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. In de onderstaande tabel is de fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend.

Functie

Type

Aantal

Wonen

Sociale huur 84 woningen appartement 50-75 m² Bezoekers Woningen 84 woningen

Wonen Totaal Tabel 3 De fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling

Norm 2,5 per woning 0,2 per woning

Parkeerbehoefte (stallingen) 210 16,8 226,8

De reguliere fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 227 stallingsplaatsen. De fietsparkeerplaatsen voor bewoners worden volledig inpandig voorzien in de vorm van bergingen. Voor bezoekers worden aan de entree fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Ook zullen vier fietsparkeerplaatsen voor deeltweewielers worden gerealiseerd. 7.8.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Op basis van de autonome verkeersintensiteiten op de omliggende wegen wordt geconcludeerd dat de beoogde verkeerstoename al op de Vredeoord zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet is dan ook verwaarloosbaar.

68/100

De maatgevende autoparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 52 parkeerplaatsen. Met behulp van de inzet van deelauto's en deeltweewielers, de realisatie van 29 parkeerplaatsen op eigen terrein (waarvan 2 voor deelauto's) en het gebruik maken van de beschikbare parkeercapaciteit in de omliggende openbare ruimte is er sprake van een resterende parkeereis van 3 parkeerplaatsen. De resterende parkeerdruk wordt gecompenseerd met behulp van een donatie aan het gemeentelijke mobiliteitsfonds. De reguliere fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 227 stallingsplaatsen en wordt volledig op eigen terrein opgelost door middel van inpandige fietsbergingen (bewoners) en fietsparkeerplaatsen aan de entree voor bezoekers. Ook zullen vier fietsparkeerplaatsen voor deeltweewielers worden gerealiseerd. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

7.9

Groen

7.9.1 Algemeen Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een gezonde woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen 2024 en Nadere regels bomen) en beleidsregel groencompensatie, die is vervangen door de beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met

69/100

zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

Ruimtelijke Strategieënkaart (plangebied blauw omcirkeld) Het projectgebied zelf is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood bepalend', maar het gebied ligt ook tegen 'Structureel stadsgroen' (spoortracé) en 'Natuur en landschap' (Landgoed De Grote Beek en Philips de Jonghpark). In deze gebieden wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden: Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Strategie 4: Structureel stadsgroen In deze gebieden gaat het om het netwerk van de binnenstedelijke groenstructuur. Het groen is bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Als uitgangspunt wordt ingezet op een robuust groen netwerk.

Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur. Strategie 6: Natuur en landschap

70/100

In deze gebieden staat ongestoorde verloop van ecologische processen en de natuurontwikkeling voorop. Het beleid is gericht op het contrast tussen stad en landschap te benutten door scheiding van functies na te streven. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn de primaire functies, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik. De gebieden omvatten het door het rijk en de provincie ontwikkelde Natuur Netwerk Nederland en een nadere detaillering van de door het provincie aangegeven Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszones en delen van de regionale natuurontwikkelingsgebieden. Bestaande voorzieningen of gebouwen worden gedoogd, maar zullen voor zover ze niet ten dienste staan van het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde tenzij in zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. 7.9.2 Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden.

Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit. Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen. Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan.

Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.

71/100

7.9.3 Verordening bomen 2024 In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of

houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.

Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand.

72/100

Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.

7.9.4 Groene kaart Er is een Groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); groenarme gebieden; centrumgebied; bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen. De informatie op de groene kaart is nodig om: te duiden waar de waardevolle bomen staan; te duiden waar de monumentale bomen staan; inzicht te geven in de Bebouwingscontour houtkap; inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is; het centrumgebied en de groenarme gebieden (zie Nadere regels compensatieplicht).

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

7.9.5 Toetsing Groenstrategie De strategie 'Stad, rood beeldbepalend' is aan de orde. Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van groene elementen of functies, waarbij het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. Binnen als zodanig aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het projectgebied ligt volgens de Groene Kaart 2024 binnen een groenarme buurt waar naar uitbreiding van het groenareaal wordt gestreefd. Bij de herontwikkeling van het volledige complex is hieraan al veel aandacht besteed, getuige de stedenbouwkundige opzet van het complex zoals op navolgende afbeelding te zien is.

73/100

Het ruimtelijk kader van Vredeoord Een belangrijk element is de groene Dreef die Vredeoord en Woensel-West verbinden met het buitengebied (het Groene Woud / landgoed De Grote Beek). De beukenhaag rondom het gebied geeft het terrein samenhang en markeert de bijzondere plek. De bestaande bomenstructuur wordt grotendeels gehandhaafd. Nieuwe lineaire groenstructuren worden toegevoegd waardoor kamers ontstaan, die onafhankelijk van elkaar geprogrammeerd worden. De auto-ontsluiting en parkeervoorzieningen zijn gekoppeld aan de lineaire groenstructuren. De ontsluiting vindt plaats vanuit de randen en prikt halverwege het gebied in. De beplanting van de inprikkers bestaat uit gebiedseigen soorten, die refereren aan het oorspronkelijke heidegebied. Met dit project wordt volume in de hoogte aangebracht zodat bestaande bomen zo veel mogelijk behouden kunnen blijven en op maaiveld ruimte blijft voor toevoeging van groen. Daarbij wordt geprobeerd de aansluiting te zoeken met het structurele stadsgroen (groene hoofdstructuur) ten zuidwesten van het projectgebied en het groene natuurlandschap ten noord(west)en van het projectgebied.

Het behoud en versterken van groen rondom het nieuwe woongebouw draagt bij aan klimaatambities (minder verharding ten behoeve van hemelwaterinfiltratie en tegengaan hittestress door schaduw en onverhard oppervlak), biodiversiteit, en het welzijn (en daarmee de gezondheid) van bewoners. Groenopgave Om te beoordelen of het ontwerp van een project aan de groennorm voldoet is de online rekentool gebruikt. Daarin is ook de norm voor hemelwaterberging (zie paragraaf 7.11) verwerkt. Het resultaat is opgenomen als Bijlage 10 bij deze motivering (Rekentool klimaatopgave). Bij stap 1 van de Rekentool Klimaatopgave worden de kerngegevens van het project ingevuld, zoals ligging, oppervlakte en programma. Daaruit volgt de behoefte aan groen en waterberging die gerealiseerd dienen te worden. Bij stap 2 wordt nader gespecificeerd welk oppervlak van het maaiveld, dak en gevel groen wordt uitgevoerd. Ook kan worden aangegeven welke maatregelen in het project worden genomen om groen toe te voegen en/of water vast te houden, zoals een groen dak, wadi of ondergrondse waterbergingen. De ontwikkeling is klimaatneutraal of -positief als aan de vereiste groen- en waterbergingsopgave wordt voldaan.

74/100

Zoals uit bijgevoegde uitvoer van de rekentool blijkt worden rondom de nieuwbouw diverse groenmaatregelen getroffen, zoals aanplant van bomen, toepassing halfverharding (en grasbetonelementen) en gezamenlijk groen en dood hout op maaiveld. Initiatiefnemer is voornemens 570 m² extensief groen dak, diverse natuurvoorzieningen in de gevel (diverse nestplaatsen) en 200 m² groene gevel te realiseren. Daarmee wordt voldaan aan de groennorm. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor realisatie van het bouwplan zal dit nader worden uitgewerkt. In de regels van dit wijzigingsbesluit omgevingsplan wordt een voorwaarde opgenomen waarmee deze verplichting juridisch-planologisch wordt geborgd. Bomen De nieuwbouw binnen het projectgebied kan gevolgen hebben voor bestaande bomen binnen en rondom het projectgebied. Daarom is een bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 11 bij deze motivering opgenomen.

Samenvattende afbeelding BEA (Bron: Van Helvoirt Groenprojecten) Uit de BEA volgt dat ter plaatse van het parkeerveld en ontsluiting vijf bomen (8, 9, 10, 11 en 13) niet duurzaam behouden kunnen blijven. Eén daarvan (8) kan bovendien niet behouden blijven vanwege de slechte kwaliteit in de huidige situatie, wat ook voor drie andere bomen (7, 27, 33) geldt. Het advies is om deze bomen te rooien. Voor drie andere bomen (9, 10, 11) ter plaatse van het parkeerveld wordt geadviseerd deze (onder voorwaarden) te verplaatsen. Voor de boom ter plaatse van de ontsluiting (13) en twee andere bomen in de omgeving (41 en 46) wordt geadviseerd het ontwerp dusdanig aan te passen dat de boom een volwaardige groeiruimte krijgt. Voor boom 41 geldt echter dat deze ten onrechte op deze manier is beoordeeld, omdat de boom feitelijk al voldoende ruimte heeft en deze inkeping in het straatwerk behouden blijft (op de tekening is dit dus verkeerd

75/100

weergegeven). In het ontwerp van de openbare ruimte zal rekening worden gehouden met de geadviseerde aanpassingen en het herplanten van enkele bomen. Voor het kappen van bomen is (mogelijk) een omgevingsvergunning voor kappen nodig. In de rekentool Klimaatopgave (zie bijlage bij deze motivering) is alleen de aanplant van nieuwe bomen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de groenopgave van de nieuwbouw vanwege de 'Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen'. De compensatie voor de te kappen bomen wordt meegenomen bij opzet van het compensatieplan ten tijden van de kapvergunning.

7.9.6 Conclusie Op basis van de gemaakte afspraken wordt voldaan aan de groennorm. Bij het ontwerp is zo veel mogelijk rekening gehouden met bestaande bomen. Het aspect groen (waaronder bomen) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

7.10 Natuur 7.10.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

76/100

3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.10.2 Toetsing 7.10.2.1 Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" dat op ongeveer 6,7 km ten zuidwesten en -oosten van het projectgebied is gelegen. Twee andere dichtbijgelegen Natura2000-gebieden het gebied "Kempenland-West" op ongeveer 9,1 kilometer ten westen en het gebied "Strabrechtse heide en Beuven" op ongeveer 9,8 km ten zuidoosten van het projectgebied. Groen op Landgoed De Grote Beek op ongeveer 50 meter ten noordwesten van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de Omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.

77/100

Uitsnede digitale kaart 'Natuurnetwerk Nederland (EHS)' en 'Natura 2000-gebieden' (Bron: Atlas Leefomgeving). Projectgebied met blauwe marker aangeduid. Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als Bijlage 12 bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde. Voor de uitvoering van dit project geldt geen vergunningplicht voor een Natura2000-activiteit. 7.10.2.2 Soortenbescherming Als beschermde soorten in het projectgebied voorkomen dan kan het project gevolgen hebben voor deze soorten. Om vast te stellen of er mogelijk beschermde soorten in het projectgebied voorkomen, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

De rapportage is als Bijlage 13 bij deze motivering gevoegd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen: Algemene in gras en opgaande vegetatie broedende vogels: In de bomen en de grasvegetatie in het projectgebied bevinden zich tijdens het broedseizoen mogelijk nesten van algemene vogelsoorten als de houtduif of grasmus. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de bomen buiten de periode 15 maart - 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart - 15 juli broeden, kan het verwijderen van de bomen toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik

78/100

zijnde nesten niet worden vernield. Vleermuis vliegroutes en foerageerroutes: De bomen in het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Omdat bij eventueel rooien van bomen voldoende alternatieve geleiding is in de vorm van een bosrand aan de westzijde en een bomenrij aan de zuidzijde, zijn er geen aantastingen van een eventuele vaste vliegroute voor vleermuizen te verwachten. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

In het plangebied komen echter mogelijk ook een wezel voor en die is in de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Conform de Provincie Noord-Brabant hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen als de wezel (Bouwens, 2017). Omdat het plangebied circa 0,65 ha groot is, dient er dus geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen plaats te vinden. Wel dient de vegetatie buiten de kwetsbare periode (voortplantingsperiode) van de wezel te worden verwijderd (dus buiten maart t/m oktober). 7.10.3 Conclusie Bij de uitvoering van dit project wordt conform de hiervoor beschreven gedragsregels gehandeld. Zodoende kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van gebieds- en soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor dit project.

7.11 Water 7.11.1 Algemeen Algemeen (wettelijk kader /gemeentelijk beleid) Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te

79/100

bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl. Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang: In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd.

Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk.

De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is. Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

80/100

Waterschap Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt 'water en bodem sturend' kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. In de Keur van Waterschap De Dommel bevat artikel 3.6 een verbod op afvoer door verhard oppervlak zonder vergunning. Op basis van de algemene regel 15 (Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak) geldt een vrijstelling als het waterschap na 1 januari 2019 heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Eindhoven is dit geval. Dat betekent dat de rekentool klimaatadaptie opgave leidend is bij elke nieuwe ontwikkeling. Gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond.

Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool. Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan. Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het voor een ontwikkeling mogelijk interactief het plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan.

Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. Principewerking van de rekentool

81/100

De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. Wat zijn de kerngegevens van het project? 2. Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? 3. Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481159/1