Bijlage 4a - TAM-omgevingsplan Vredeoord (Ovaal) - Motivering
Tekst van het document
Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag. Beschrijving watersysteem plangebied Checklist Watersysteem Hoofdwatergang cq open water Zijwatergang Keurgebied binnen plangebied? Binnen 25-100 jaarszone? Binnen boringsvrije zone? Ecologische verbindingszone? Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? Attentiegebied EHS Rioolwatertransportleiding Waterschap gemaal Verdachte/verontreinigde locaties? Infiltratie praktisch mogelijk? Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee matig Nee
Samenvattend Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De
82/100
gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn. 7.11.2 Toetsing Door de bouw van 84 woningen zal het aanbod aan huishoudelijk water (afvalwater) toenemen. Dit afvalwater zal op gebruikelijke wijze gescheiden worden van het hemelwater. Beide waterafvalstromen worden aangesloten op het gescheiden riool in de straat Naaldhout. In het kader van het bestemmingsplan "Vredeoord" is voor de totale ontwikkeling van complex Vredeoord, waartoe ook voorliggend plangebied behoort, een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Sweco, Vredeoord te Eindhoven: Kader voor waterhuishouding bij gefaseerde woningbouwrealisatie, 7 april 2016, definitief (revisie 5)) (zie ook Bijlage 9 bij deze motivering). In dat plan is met onderstaande afbeelding de waterhuishoudkundige eindsituatie weergegeven. Daaruit blijkt dat centraal binnen het complex Vredeoord een zone (De Groene Dreef) wordt ingericht voor berging en infiltratie van hemelwater afkomstig uit de verschillende kamers van een groot deel van het voormalige complex.
Deze voorzieningen zijn inmiddels gerealiseerd en voorliggend plangebied (bouwveld Ovaal) is één van de kamers waarop de voorzieningen zijn berekend.
Het hemelwater dat op daken binnen het plangebied neerkomt wordt via een hemelwaterriool naar centrale bergingsvoorziening in De Groene Dreef gebracht. Daar wordt het water vastgehouden en kan het infiltreren. Het voorliggende plan brengt, met name vanwege de bouwhoogte (> 30 meter) conform de ingevulde rekentool (zie Bijlage 10) een grotere waterbergingsopgave met zich mee dan waarop de voorziening in de Groene Dreef is berekend. Het gaat om 200 m² dakoppervlak dat hoger dan 30 meter zal zijn. Deze wordt vermenigvuldigd met een factor van 0,25 (= 50m²), welke belast wordt met de wateropgaaf uit de groen-grijs verhouding. Uitgaande van een bergingseis van worstcase 75mm (bij volledige verharding), neemt de benodigde waterbergingsopgave met 3,75 m³ toe ten opzichte van hetgeen voorheen in het plan Vredeoord is berekend. Deze extra wateropgaaf is in het planvoornemen verwerkt door onderstaande maatregelen:
83/100
570 m² extensief groendak met >100mm substraat en 40mm drainagelaag; 5 bomen; 21 natuurvoorzieningen; 200 m² gevelgroen. Er wordt dan ook ruimschoots aan de gemeentelijke beleidsnormen voor waterberging voldaan.
84/100
7.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.12 Archeologie 7.12.1 Algemeen Wettelijk en beleidsmatig karakter Nationaal beleid Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie.
Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
85/100
Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor het omgevingsplan. Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding opgenomen als Waarde – Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.
Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn.
Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger. Meldingsplicht toevalsvondsten De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van
86/100
OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
7.12.2 Toetsing Het Paraplubestemmingsplan archeologie 2023 (onderdeel omgevingsplan) stelt regels met betrekking tot de bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Binnen het projectgebied komen verschillende beschermingsregimes voor: Archeologische verwachting Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 6
Waardering Middelhoge archeologische verwachting
Onderzoeksplicht bij bodemingrepen: Groter dan Dieper dan 2.500 m² 30 cm-mv
Uitsnede Archeologische waardenkaart Eindhoven. Projectgebied blauw omlijnd. Het volledige projectgebied is aangewezen als terrein van middelhoge archeologische verwachting. Vanwege de onderzoeksplicht is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 14 bij deze motivering. Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Er is een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met late middeleeuwen en een hoge verwachting voor sporen van ontginning uit de nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft aangetoond dat het archeologische niveau waarop deze sporen zich kunnen aftekenen (in de top van het pleistocene zand) niet langer intact is. Zodoende kan de archeologische verwachting voor het plangebied bijgesteld worden naar laag. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd
87/100
worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. RAAP adviseert het plangebied vrij te geven van verder archeologisch onderzoek en de bestemming 'Waarde - Archeologie 6' ter plaatse op te heffen. Het bevoegd gezag heeft besloten dit advies over te nemen, en onderbouwt dit als volgt: Het onderzoek is uitgevoerd door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de gemeentelijke onderzoeksrichtlijnen. Uit het archeologisch vooronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied tot op grote diepte recentelijk geroerd is. Daarom is de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten zeer klein. Er hoeven geen maatregelen meer te worden genomen om archeologisch resten te behouden. Daarom hoeft voor het aspect Archeologie geen dubbelbestemming meer te worden opgenomen. De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten blijft altijd gelden (Erfgoedwet, artikel 5.10 en 5.11). Ook wanneer er archeologisch (voor)onderzoek is uitgevoerd.
7.12.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.13 Cultuurhistorie 7.13.1 Algemeen Op 29 november 2022 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven geactualiseerd. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart bestaat uit twee deelwaardenkaarten, te weten de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed. Op de waardenkaart historisch cultuurlandschap zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven Op de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historisch-stedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven.
88/100
7.13.2 Toetsing Gemeente Eindhoven beschikt over een cultuurhistorische waardenkaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente is te zien dat er binnen het projectgebied zelf geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen of objecten voorkomen. Het tegenovergelegen Landgoed De Grote Beek (actieve heidebebossing) en met name de zijde aan de straat Vredeoord (bos voor 1843, bomenrij/houtsingel/houtwal, dijk of wal (reliëf)) is wel cultuurhistorisch waardevol. Hier staat ook een rij monumentale bomen en ligt een historisch geografische waardevolle lijn (pad, voor 1850, nu nog herkenbaar). Ook de spoorlijn ten westen van het projectgebied vormt zo een historisch geografisch waardevolle lijn.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven. Projectgebied blauw omlijnd. De voorgenomen ontwikkeling beperkt zich tot het eigen kadastrale perceel en vormt dan ook geen onderbreking van de cultuurhistorische waardevolle structuren in de omgeving. Gelet op de aard van het project in relatie tot de afstand van de diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen en waardevolle bomen doet dit project geen afbreuk aan deze bomen en elementen. 7.13.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.14 Duurzaamheid 7.14.1 Algemeen De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. CO2 reductie
89/100
Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.
Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
90/100
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In de toekomst willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen
91/100
We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering.
Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
92/100
7.14.2 Toetsing Trudo heeft de ambitie om een gebouw te ontwikkelen met een kleine ecologische voetafdruk. Door de implementatie van duurzame klimaatinstallaties wordt de energiebehoefte geminimaliseerd. Daarnaast is er het streven om deels gebruik te maken van biobased materialen, zodat CO2 in het gebouw wordt opgeslagen. Door het minimaliseren van de parkeerbehoefte, en het faciliteren van deelmobiliteit, wordt duurzaam gedrag door bewoners gemotiveerd. 7.14.3 Conclusie In dit project is voldoende oog voor duurzaamheid.
7.15 Windhinder 7.15.1 Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. De gemeente Eindhoven heeft in de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder een toetsingskader vastgesteld. 1. De gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad. De gemeente Eindhoven stelt daarbij ook eisen aan windhinder en windgevaar. 2. Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. 3. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een 'goed' (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor 'langdurig zitten' wordt altijd een kwalificatie 'goed' verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor 'slenteren' wanneer een hoofdentree van een gebouw in een dergelijk gebied is gelegen. Een beoordeling 'matig' kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol. Een 'slecht' windklimaat is niet toegestaan.
In situaties waar, vanwege specifieke locatieomstandigheden, in zeer beperkte mate op niet voor verblijf relevante plekken, het windhinderklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, hebben B&W de bevoegdheid van deze eis af te wijken. Bij windgevaar moet de kwalificatie 'gevaarlijk' te allen tijde worden vermeden.
7.15.2 Toetsing Volgens de genoemde NEN-norm kan met behulp van een beslismodel worden bepaald of windonderzoek nodig is: gebouwen hoger dan 30 m: windonderzoek is nodig; beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is;
93/100
onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Dit project voorziet een woongebouw met diverse hoogtes en maximaal twaalf bouwlagen. Omdat het gebouw hoger dan 30 meter wordt is een windonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 15 bij deze motivering gevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de Nederlandse norm "NEN 8100:2006: Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving". Hierbij is een geometrisch model van het gebouw en zijn omgeving opgesteld. Een rekenrooster met hoge resolutie is rond deze geometrie opgetrokken als basis voor Computational Fluid Dynamics (CFD)-simulaties van de windstroming. Het windonderzoek laat het volgende zien: Het heersende windklimaat in het projectgebied is zeer windluw, met overwegend windhinderklasse A en daarmee geschikt is voor alle activiteiten. De entree van het VS-gebouw bevindt zich in een ruime zone met windhinderklasse A. Het windklimaat op de balkons van het VS-gebouw maken ze goed geschikt voor het gebruik als private buitenruimten. Er is geen risico op windgevaar gevonden in het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat na de realisatie van de nieuwbouw er een goed windklimaat zal heersen in het projectgebied dat voldoet aan het lokale beleid. 7.15.3 Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.16 Bezonning 7.16.1 Algemeen In juli 2024 zijn nieuwe beleidsregels voor bezonning woningen vastgesteld voor woningen. Deze vervangen het bezonningsbeleid uit 2017. Het bezonningsbeleid geldt voor de hele stad. Dit gaat over de hoeveelheid zonlicht op de gevel en in de tuin. In het vorige bezonningsbeleid gelden de bezonningsregels niet in de binnenstad. Dat komt omdat er in de binnenstad naast woningen, ook andere centrumfuncties zijn. Bijvoorbeeld: winkelen, werken en horeca. Als gevolg hiervan is er minder zonlicht op woningen. Bij het aangepaste bezonningsbeleid geldt deze uitzondering voor het hele centrum: de binnenstad, Knoop XL en het Emmasingelkwadrant. Dit is omdat de omgevingsvisie en het Verstedelijkingsakkoord uitgaan van veel nieuwbouw in dit gebied. In de beleidsregels zijn regels opgenomen over sunspots. Dit zijn plekken waar extra aandacht is voor voldoende zon. Daarnaast staan in de regels over bezonning bij woningen waar aan voldaan moet worden. 7.16.2 Toetsing Voor dit project is een bezonningstudie uitgevoerd. Deze is als Bijlage 16 bij deze motivering gevoegd. Uit de studie volgt dat zowel voor het nieuwe woongebouw zelf als voor woningen in de omgeving aan de gestelde normen wordt voldaan.
94/100
7.16.3 Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.17 Privaatrechtelijke belemmeringen 7.17.1 Algemeen Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van de ontwikkeling niet aannemelijk is.
7.17.2 Toetsing Het projectgebied beperkt zich tot het kadastrale perceel dat eigendom is van Trudo. Het gebouw wordt gelet op het burenrecht op voldoende afstand van naburige percelen gebouwd, waardoor er geen inbreuk wordt gemaakt op privacy van omwonenden Er zijn dan ook geen privaatrechtelijke belemmeringen.
7.17.3 Conclusie Het aspect privaatrechtelijke belemmeringen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.18 Kabels, leidingen en straalpaden 7.18.1 Algemeen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.
95/100
Voorzorgsbeleid (bovengrondse) hoogspanningsverbindingen Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit noodzakelijk is om gezondheidsredenen, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid bestaat uit bronmaatregelen (door netbeheerders te treffen aan de hoogspanningsverbinding) en afstandsmaatregelen. Afstandsmaatregelen gelden alleen bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Het advies is om een bepaalde afstand aan te houden tussen nieuwe gevoelige gebouwen en bovengrondse hoogspanningsverbinding. De afstand wordt berekend aan de hand van de magneetzone van de hoogspanningsverbinding (het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla). Voor ondergrondse 7.18.2 Toetsing Op ongeveer 500 meter ten noordwesten van het projectgebied ligt hoogspanningstation Eindhoven-Noord. Vanuit dit station lopen twee bovengrondse 150kV-hoogspanningsverbindingen in noordwestelijke en noordoostelijke richting en twee ondergrondse 150kV-verbindingen in zuidwestelijke en zuidoostelijke richting.
Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart met het projectgebied rood omcirkeld. De bovengrondse hoogspanningsverbindingen hebben een rekenafstand van 2x110m (noordwestelijke verbinding) en 2x85m (noordoostelijke verbinding). Het projectgebied ligt dan ook niet binnen de magneetzone en adviesafstand van deze bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Een van de ondergrondse nadert het projectgebied ter hoogte van de Groenewoudseweg tot op ongeveer 60 meter. Ondanks het feit dat voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen geen adviesafstand geldt, wordt hiermee een behoorlijke afstand tot de ondergrondse hoogspanningsverbinding aangehouden. Verder zijn er voor dit project geen andere kabels, leidingen of straalpaden van belang.
96/100
7.18.3 Conclusie Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.19 Niet gesprongen explosieven 7.19.1 Algemeen De gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge's (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge's worden aangetroffen worden deze geruimd. 7.19.2 Toetsing Het projectgebied is volgens de kaart 'Veilige bodem' van de Atlas van de ondergrond van gemeente Eindhoven niet gelegen binnen gebied dat verdacht is op niet-gesprongen explosieven. Een risicoanalyse of detectieonderzoek kan dan ook achterwege blijven. 7.19.3 Conclusie Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.20 Gezondheid 7.20.1 Algemeen Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. In het kader van gezondheidsbescherming moet daarnaast ook gekeken worden naar gezondheidsrisico's voortkomende uit de agrarische sector (geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen, spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen). Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
97/100
7.20.2 Toetsing Uit de voorgaande paragrafen is gebleken dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor een nieuw woongebouw op de projectlocatie. Gezondheidsrisico's vanwege geitenhouderijen, endotoxinen of spuitzones zijn uitgesloten aangezien deze niet in de omgeving van het projectgebied voorkomen. Met deze ontwikkeling wordt (samen met het in voorbereiding zijnde plan voor herontwikkeling van het VB-gebouw) de volledige herontwikkeling van het complex Vredeoord afgerond. Nadat het terrein door de jaren heen braak lag, als bouwdepot heeft gediend en er tijdelijke woningen hebben gestaan, krijgt het nu een permanente invulling met een nette afronding van de openbare ruimte. Daarin blijft het groen aan de randen zo veel mogelijk behouden. Dit komt de uitstraling van het gebied ten goede, wat bedraagt aan het welzijn van bewoners. De locatie is goed bereikbaar met de fiets en OV en voorzieningen bevinden zich bovendien op loop- en fietsafstand. Dit nodigt uit om de auto te laten staan en lopend of fietsend van huis te gaan. Ook het de nabijheid van het Philips de Jonghpark nodigt uit om te bewegen en te ontmoeten. In het project is dan ook voldoende rekening gehouden met het thema gezondheid.
7.20.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
98/100
Hoofdstuk 8
Financiele haalbaarheid
De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. In dit geval is sprake van "a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;" en dus van een kostenverhaalplichtige activiteit. De initiatiefnemer realiseert het project voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar is. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling anderszins is verzekerd. Tevens zijn afspraken gemaakt over nadeelcompensatie.
Gelet hierop is de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar.
99/100