Bijlage 4 - Omgevingseffectrapport omgevingsvisie Eindhoven
Tekst van het document
Bij piekbuien kan de afvoer van water in de weg gezeten worden door opstuwing van grondwater. Overstromingsrisico verschilt niet voor de varianten, omdat er niet gebouwd wordt in overstromingszones. Wat betreft duurzaamheid en circulariteit scoort variant 2 (gevolgd door 1) net wat beter dan de andere varianten. Dit komt omdat inzet van daken (deels) voor de opwek van energie gunstig is in verband met het aandeel opgewekte energie en clustering van woningen gunstiger is in verband met transport van energie en de te overbruggen afstanden en warmteverlies.
55/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
In alle varianten neemt het aantal voertuigkilometers toe, maar het feit dat bij variant 3 verkeer meer de stad in blijft komen zorgt ervoor dat die variant slechter scoort waar het gaat om CO2uitstoot. Een autoluw en emissievrij centrum (variant 1 en 2) en nadruk op OV-gebruik dragen juist positief bij aan vermindering van CO2-uitstoot. Circulair beleid komt niet in de varianten terug, waardoor dit thema niet onderscheidend is. Voor de thema’s cultuurhistorie en recreatie scoort variant 2 net wat beter dan 1. Voor cultuurhistorische waarden is weinig concreet beleid in de varianten benoemd en zijn effecten afhankelijk van precieze inpassing en uitwerking van de plannen. Met name de toevoeging van groen op maaiveld, de versterking en verbinding van de diverse groengebieden in de gemeente en de toevoeging van stedelijke voorzieningen rond stedelijke knooppunten (spreiding) zorgt ervoor dat variant het beste scoort op het gebied van recreatie. Voor kwaliteit openbare ruimte, vestigingsklimaat bedrijven en kantoorlocaties geldt dat varianten 1 en 2 een net wat gunstigere invloed hebben dan variant 3. Voor de kwaliteit van de openbare ruimte komt dat doordat de meeste woningen worden toegevoegd in gebieden waar het kwaliteitsniveau exclusief is en de meeste mensen dus ook van dat kwaliteitsniveau kunnen genieten.
Het feit dat in variant 3 de meeste arbeidsplaatsen worden toegevoegd aan bedrijventerreinen die een boost kunnen gebruiken zorgt ervoor dat deze variant voor dit onderdeel beter scoort. Wat echter positief scoort bij de varianten 1 en 2 is het feit dat er een Brainportlijn wordt toegevoegd die zorgt voor een goede verbinding tussen de campussen (ook gunstig voor kantoorlocaties). Ook wordt bij deze varianten het meest ingezet op goede OV-verbindingen, wat zowel goed is voor bedrijvigheid als voor kantoorlocaties. De varianten 1 en 2 scoren het best als het gaat om kantoorlocaties: bij deze varianten worden de meeste woningen in het centrum en rond OV-knooppunten toegevoegd. Gezien de vraag naar multifunctionele gebieden waar wonen en werken gecombineerd worden, is dit gunstig voor de mogelijke vraag naar kantoorlocaties in deze gebieden. Ook voegen varianten 1 en 2 de meeste arbeidsplaatsen toe binnen de ring, wat een populaire locatie is voor kantoren (centrum/OVknoop) en wordt groen toegevoegd aan het centrum, wat bij kan dragen aan de aantrekkelijkheid voor (vraag naar) kantoorlocaties aldaar. Voor sociale veiligheid scoort variant 2 net wat beter: nabijheid van voorzieningen betekent dat mensen minder ver hoeven te reizen (buiten de eigen wijk) om bij voorzieningen te komen.
(Geconcentreerde) verdichting rond stedelijke knooppunten betekent meer mensen en meer ogen op maaiveld aldaar en dat zorgt voor een groter gevoel van veiligheid.
56/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Voor kansengelijkheid scoren de varianten 3 en 2 het best. Het toevoegen van woningen gebeurt in variant 3 het meest gespreid over de wijken. Daarmee is de meeste kans om sociale huurwoningen toe te voegen en te mengen met koopwoningen: in de wijken zijn veel woningen in eigendom van corporaties die deze desgewenst eenvoudig kunnen slopen en kunnen verdichten, met ruimte voor sociale huurwoningen. Bij variant 1 zal het behalen van de juiste aantallen huurwoningen juist het lastigst worden, vanwege de hoge grondprijzen juist binnen de ring. Bij variant 2 worden de woningen iets meer verspreid toegevoegd dan in variant 1 en is er daarom mogelijk meer/makkelijker ruimte om het gewenste percentage sociale huurwoningen toe te voegen. Voor adequate voorzieningen geldt dat gespreide groei iets positiever is, omdat er dan in potentie meer woongebieden voorzien worden van adequate voorzieningen. Toch scoren alle varianten hetzelfde, omdat de onderlinge verschillen niet groot genoeg zijn om een verschillende beoordeling toe te kennen: in alle gevallen gaat het voorzieningenniveau erop vooruit.
5 Voorkeursalternatief (VKA): de verstedelijkingsprincipes voor Eindhoven in 2040 In de Omgevingsvisie 2.0 zijn zes verstedelijkingsprincipes opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe de gemeente de ambities wil gaan behalen en welke keuzes daarbij gemaakt zijn. Deze keuzes zijn ontstaan vanuit beleid, de input van specialisten, de participatie op de omgevingsvisie en de effectbeoordeling van de onderzoeksvarianten. De verstedelijkingsprincipes vormen het voorkeursalternatief (VKA) in het OER.
5.1
Participatie
Er is een uitgebreid participatietraject gevoerd rondom de omgevingsvisie. Hierbij is met de stad besproken hoe Eindhoven, met de verdichtingsopgave waar zij voor staat, een fijne en leefbare stad blijft. De uitkomsten van de participatie zijn opgenomen in een uitgebreid participatieverslag dat onderdeel uitmaakt van de vast te stellen stukken (te vinden via www.eindhoven.nl/omgevingsvisie). In het verslag is opgenomen of en hoe de input verwerkt is in de omgevingsvisie.
5.2
Effectbeoordeling
Vanuit de effectbeoordeling is een algemene beoordeling gemaakt om te kijken welke van de drie varianten over het geheel genomen de beste score had. Iedere variant had positieve en negatieve effecten. Het bleek echter dat de variant waarbij ingezet werd op meerdere centra en op een geconcentreerde verdichting op meerdere plekken (variant 2) de meest positieve effecten had. Dit sloot goed aan op de input vanuit de participatie en de ingeslagen beleidsrichting van de gemeente.
57/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Om de effecten op de mobiliteitstransitie en de leefbaarheid in de stad zo groot mogelijk te maken is gekozen voor een compacte stad met verdichting rondom stedelijke en stadsdeelcentra en HOV-knopen en -lijnen. Dit helpt bij het verwezenlijken van de 15-minutenstad en de gewenste mobiliteitstransitie, zodat de stad schoner en gezonder wordt. Om het ruimtegebruik te maximaliseren wordt ingezet op meervoudig ruimtegebruik. Daarnaast is gekozen om het groen in de stad te koesteren en nieuw groen toe te voegen, waardoor de effecten voor groen- en water en ecologie positief zijn.
5.3
Verstedelijkingsprincipes
De verstedelijkingsprincipes zijn beschreven in hoofdstuk 3 van de Omgevingsvisie 2.0 en voor verdere toelichting wordt daarnaar verwezen: De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk
Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe
In bijlage 1 is de (meer kwantitatieve) uitwerking van deze principes ten behoeve van het OER opgenomen.
6 De effecten van de omgevingsvisie op de leefomgeving In dit hoofdstuk worden de omgevingseffecten van het beleid uit de omgevingsvisie beschreven, conform het beoordelingskader uit paragraaf 2.1.
6.1
Overzichtstabel invloed omgevingsvisie
Hieronder allereerst een overzichtstabel (tabel 6.1) met daarin de invloed van het VKA ten opzichte van de referentiesituatie en de drie varianten. Te zien is dat het VKA een ‘tussenvorm’ is tussen variant 2 en 3.
58/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Tabel 6.1 Effectbeoordeling onderzoeksvarianten Subindicator
Beoordelings-
Huidige
Autono
criterium
situatie
me
Variant 1
Variant 2
Variant 3
4,3%
4,7%
5,6%
VKA
ontwikk eling Natura 2000-
Staat van
gebieden
instandhouding Natura 2000gebieden
Natuurnetwerk
Staat van
Brabant (NNB),
instandhouding
buiten Natura
soorten en
2000-gebieden
habitattypen
Biodiversiteit
Omvang biodiversiteit: aantal en omvang leefgebied soorten
Groenstructuren
Kansen voor versterking van bestaande en aanleg van nieuwe groenstructuren
Geluidshinder
Merkbare toename
(door verkeer)
geluidbelasting wegverkeer (op basis van aantal voertuigkilometers)
Luchtkwaliteit
Luchtkwaliteit (NO2/PM10) (op basis van aantal voertuigkilometers)
Omgevingsveiligh
Groepsrisico
eid
Plaatsgebonden risico
MGRi
MGRi-score (percentage ziektelast als gevolg van geluidhinder en luchtvervuiling)
Windhinder en
Omgevingsadressen
bezonning
-dichtheid
Gezondheidsbevor
Afstand tot
dering: mate
bestaande en
waarin de
toekomstige plekken
59/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Subindicator
Beoordelings-
Huidige
Autono
criterium
situatie
me
Variant 1
Variant 2
Variant 3
VKA
ontwikk eling omgeving uitnodigt
om te bewegen
tot gezond leven
(groen, speelplekken, wandel- en fietspaden, ontmoetingsplekken, maatschappelijke voorzieningen, sport en recreatie)
Modal split:
Auto-, fiets- en OV-
verdeling
gebruik als
(auto/fiets/OV)
hoofdvervoersmiddel in alle verplaatsingen
Wijkvreemd
Aandeel
verkeer
verplaatsingen op
wegennetwerk
hoofdwegen versus onderliggend wegennet
Duurzame
Percentage
automobiliteit
elektrische auto’s en
/
beschikbaarheid oplaadvoorzieningen Verkeersveiligheid
Mate van verkeersveiligheid in de stad (of op de belangrijkste wegen op basis van het risicocijfer)
Milieuhygiënische
Verwachte
bodemkwaliteit
ontgravingsklasse en toepassingseis
Ondergronds
Intensiviteit gebruik
ruimtegebruik
ondergrond in relatie met eventueel effect bovengronds
Beschikbaarheid
Omvang waterwin-
drinkwater
en grondwaterbescher mingsgebieden
60/125
Kenmerk
Subindicator
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Beoordelings-
Huidige
Autono
criterium
situatie
me
Variant 1
Variant 2
Variant 3
VKA
ontwikk eling Waterkwaliteit
Kwaliteit van KRW grond- en oppervlaktewater
Wateroverlast
Aantal wateroverlastlocatie s als gevolg van hevige neerslag (60 mm in 1 uur)
Droogte
Mate van aanpassing gebiedsinrichting aan toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering
Hittestress
Aantal rode (warmere) tot en met paarse (heel veel warmere) gebieden in Eindhoven
Overstroming
Aantal inwoners dat bloot wordt gesteld aan gevolgen van een overstroming
Opgewekte
Aandeel lokaal
duurzame energie
opgewekte duurzame energie
CO2-uitstoot
Mate van CO2reductie
Circulair beleid
Concreetheid van aanpak en bijbehorende acties, kans op behalen gestelde ambitie voor 2040
Cultuurhistorische
Kwaliteit van
waarden
cultuurhistorische waarden en erfgoed
Recreatie
Aantal recreatiegebieden
61/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Subindicator
Beoordelings-
Huidige
Autono
criterium
situatie
me
Variant 1
Variant 2
Variant 3
VKA
ontwikk eling en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning (bv theater, concertzalen) Kwaliteit openbare
Kwaliteitsniveaus uit
ruimte
het Handboek Openbare Ruimte Eindhoven (2021): basis, plus, bijzonder en exclusief
Vestigingsklimaat
Kwaliteit van de vier
bedrijven
typen bedrijventerreinen
Kantoorlocaties
Balans vraag en aanbod kantoorlocaties
Sociale veiligheid
Percentage inwoners dat zich wel eens onveilig voelt
Kansengelijkheid
Mate gemengd woningaanbod (% sociale huur)
Adequate
Beschikbaarheid van
voorzieningen
basisvoorzieningen binnen een acceptabele reistijd
6.2
Toekomstbestendig: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad
Deze paragraaf bevat de kwalitatieve effectbeoordeling en onderbouwing van het VKA voor de indicatoren die vallen onder de toekomstbestendige stad.
62/125
Kenmerk
6.2.1
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Natuur
Tabel 6.2 Effectbeoordeling natuurindicatoren Indicator
Criterium
Natura 2000
Omvang en staat van instandhouding Natura 2000
NNB (buiten Natura 2000gebieden)
Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen in NNB-gebied
Biodiversiteit
Omvang biodiversiteit: aantal en omvang leefgebied
VKA
beschermde soorten Groenblauwe structuren
Kansen voor versterking van bestaande en aanleg van nieuwe groenstructuren
6.2.1.1
Natura 2000
Binnen de gemeente Eindhoven zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Wel direct om de gemeente heen liggen (binnen een straal van 3 kilometer) een drietal Natura-2000 gebieden. Een schaalsprong in inwoneraantal en aantallen arbeidsplaatsen en daarmee in (bouw van) woningen zorgt voor meer mobiliteit, waaronder meer autoverkeersbewegingen. Meer autoverkeer leidt tot meer stikstofdepositie, mogelijk ook op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De omgevingsvisie stimuleert echter het gebruik van lopen, de fiets en het OV. Daarnaast is er een maatschappelijke trend gaande van steeds meer emissieloze automobiliteit. Het is echter nog onbekend wanneer het verkeer volledig emissieloos zal zijn, waardoor negatieve effecten door een toename van mobiliteit nu nog niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. De insteek op een 15-minutenstad, waarbij het de bedoeling is dat voorzieningen voor iedereen dichtbij zijn, kan er ook aan bijdragen dat men eerder gaat lopen of de fiets pakt. De beoogde gespreide groei zorgt ervoor dat er een nieuwe ontwikkelas aan de zuidwestzijde van de stad komt. Hier komt een nieuw stadsdeelcentrum, te weten het Kastelenplein. De ontwikkelas en het nieuwe stadsdeelcentrum kunnen zorgen voor meer druk richting de Natura 2000-gebieden die aan de zuidzijde van de stad gelegen zijn.
Het feit dat autoverkeer via hoofdwegen wordt geleid en het de bedoeling is om mobiliteitshubs te realiseren langs de randen van de Ring en de randweg (met een P+R, een Park and Ride), kan bovendien zorgen voor meer stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden rondom de stad aangezien die ook langs de randen (zuidkant) van de randweg en de Ring liggen. Het (intensievere) gebruik van P+R-locaties heeft ook tot gevolg dat binnen de stad minder autoverkeer zal zijn en daarmee minder stikstofuitstoot. Het is echter aannemelijk dat door de verschuiving van stikstofdepositie er alsnog een toename kan zijn op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, aangezien deze juist aan de zuidzijde van de stad gelegen zijn.
63/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
De gemeente heeft als doel om binnen 5 minuten lopen een koelteplek, binnen 10 minuten lopen een klein park en binnen 15 minuten lopen een groot park te hebben voor de inwoners. Het behouden en versterken van de bestaande groenstructuren, de aanleg van nieuw groen en nieuwe parken (bijvoorbeeld de Superdommel en de aan te leggen groenblauwe zone op en rondom het Eindhovensch Kanaal), kan ervoor zorgen dat voor recreatie gebruik gemaakt wordt van de voorzieningen in de stad en dat daarmee de recreatieve druk op Natura 2000-gebieden in de buurt van de stad vermindert. Het beoogde beleid zal gezien bovenstaande punten vooral een negatieve invloed en een beperkt positieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden en bijhorende instandhoudingsdoelen, rond de gemeente. 6.2.1.2
Natuur Netwerk Brabant (NNB, buiten Natura 2000-gebieden)
Het VKA zet in op behoud en versterking van de bestaande groenstructuur, en vanuit de bestaande structuur ook op uitbreiding ervan. De (Super)Dommel wordt versterkt als ecologische verbindingszone en vormt een verbinding tussen groene wiggen Genneper Parken en De Karpen (veelal NNB). Fellenoord verbindt de groene wiggen; De Karpen en Eindhoven Noordwest (veelal NNB). Via groene parken in Woensel (o.a. onder de hoogspanningsverbinding) wordt de verbinding tussen de groene wiggen versterkt. Verdichten en vergroenen gaan samen op en gebieden die in de groene hoofdstructuur liggen kunnen alleen ontwikkeld worden met een goede balans tussen groen en bebouwing. Ontwikkeling in de groene hoofdstructuur geeft wel een risico op aantasting van die groene hoofdstructuur. Het toenemende aantal inwoners en werknemers zorgt ook voor een extra recreatieve druk op en daardoor mogelijk verstoring van de NNB-gebieden en de daarbinnen levende soorten in de stad. Door de toename van groenstructuren die toegankelijk zijn voor recreatie is het echter mogelijk om de recreatiedruk in kwetsbare gebieden te laten afnemen. Het beoogde beleid zal gezien bovenstaande punten vooral een positieve invloed en een beperkt negatieve invloed hebben op NNB-gebieden in de gemeente.
6.2.1.3 Biodiversiteit Het toevoegen van groen door het vergroenen van straten en pleinen en het toevoegen van parken kan positief bijdragen aan biodiversiteit. Ook het feit dat de groene gebieden met elkaar verbonden worden draagt bij, want dit kan zorgen voor meer leefgebied en de mogelijkheid voor verspreiding van flora en fauna, bijvoorbeeld via ecologische verbindingszones (zoals de Superdommel). Het ontwikkelen van de groene hoofdstructuren (rondom de campussen in de wiggen) kan ook bijdragen aan soortendiversiteit en kwaliteit van de natuur, evenals meer bovengrondse ruimte voor de Dommel (incl. verbreding en toegankelijk maken van de oevers) en Gender. Inzet van het VKA is om groen toe te voegen waar veel verdichting plaatsvindt en te zorgen voor meer groene inrichting van gevels en daken. Het realiseren van een daklandschap dat bruikbaar is voor groen op de ‘Eindhovense laag’ kan positief bijdragen aan de biodiversiteit.
64/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Dit is wel afhankelijk van de daadwerkelijke ruimte voor groen en de keuze voor het type en de dikte van het substraat en het type groen (onderzoek WUR, 2013).7 Ook de mate waarmee de groene gevels en daken zijn verbonden met het groen op maaiveldniveau is van belang. Behalve de aangebrachte planten, zal ook de natuurlijke flora en fauna van deze plaatsen gebruik maken, waardoor de biodiversiteit in de stad gestimuleerd wordt. Verdichting zorgt voor meer recreatief gebruik van het groen, wat een negatieve invloed hebben voor biodiversiteit. Bovendien is het de bedoeling dat het nieuwe groen op gevels en daken zo veel mogelijk voor iedereen toegankelijk is, wat positief is voor inwoners maar tegelijkertijd kan zorgen voor vervuiling en verstoring van planten en insecten. Het VKA heeft een voornamelijk positieve en beperkt negatieve invloed op biodiversiteit. Naar verwachting neemt het aantal soorten en de omvang van het leefgebied als gevolg van het VKA per saldo dus toe. 6.2.1.4
Groenblauwe structuren
Het VKA zet in op behoud en versterking van de bestaande groenstructuur, daarnaast wordt ingezet op de uitbreiding vanuit de bestaande structuur. Er is extra aandacht voor groenarme gebieden door toevoeging van nieuw groen (vergroenen van straten en pleinen en toevoegen van grotere en kleinere parken) en het is de bedoeling om in alle richtingen een groene verbinding met het buitengebied te maken. Bestaand water wordt behouden en er komt bovengronds meer ruimte voor de Dommel en de Gender. Groen- en gebruikswaarden worden verhoogd door het toevoegen van een groenblauwe verbinding over en bij het Eindhovensch kanaal richting Geldrop. De gemeente reserveert ruimte (boven en onder de grond) om energie op te wekken, op te slaan en te transporteren. Bijvoorbeeld voor het verzwaren en uitbreiden van bestaande energiestations of het aanleggen van nieuwe transportinfrastructuur zoals warmtenetten en waterstofleidingen. Aanleg van dergelijke ondergrondse verbindingen is zeer negatief voor bodemleven: de bodem wordt omgewoeld, wortels worden aangetast en bijvoorbeeld kanaaltjes van wormen worden vernietigd, wat slecht is voor afwatering en bovendien tien tot vijftien jaar nodig heeft om te herstellen. Dit betekent een afname van de kwaliteit van de bestaande groenstructuur door afname van de kwaliteit van de ondergrond.
Daarnaast komt er extra recreatieve druk van nieuwe inwoners en werknemers op de groene wiggen en andere groenstructuren. Waar nieuwe fiets-, looproutes en OV-verbindingen de groenstructuren doorsnijden, heeft dat een negatieve invloed op deze groenstructuren. Het beoogde beleid zal leiden tot de versterking van bestaand groen en daarnaast zorgen voor de aanleg van nieuwe groenstructuren. Dit heeft een positieve invloed op dit criterium. Daarnaast is er en een beperkt negatieve invloed op bestaande groenstructuren als gevolg van een verstoring van de bodem en als gevolg van meer recreatie.
7
Hop, M.E.C.M. en Hiemstra, J.A., Ecosysteemdiensten van groene daken en gevels, Een literatuurstudie naar diensten op het niveau van wijk en stad, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR, december 2013
65/125
Kenmerk
6.2.2
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Geluid
Tabel 6.3 Effectbeoordeling geluid Indicator
Criterium
Geluid
Geluidshinder
VKA
Geluid kan van vele bronnen afkomstig zijn en kan invloed hebben op de gezondheid van de inwoners. Voor de effectbeoordeling van het VKA is vooral gekeken naar geluid afkomstig van (snel)wegen. Dit is in de gemeente Eindhoven een belangrijke veroorzaker van geluidsoverlast, ook omdat de A2/N2 en de A67 deels langs de gemeente lopen (aan west- en zuidzijde). Andere bronnen, zoals industrieterreinen, zullen als gevolg van het beoogde beleid in de omgevingsvisie ook niet tot nauwelijks wijzigen of liggen op relatief grote afstand van bewoond gebied. Als vuistregel wordt gehanteerd dat op wegvakken met een toename van het gemotoriseerd verkeer van ≥20% en waarlangs geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn, er sprake is van een geluidstoename van meer dan 1 dB, wat hoorbaar is voor het menselijk gehoor. In deze beoordeling wordt ervan uitgegaan dat, hoewel het aantal woningen langs de wegen in Eindhoven verschilt, een hoorbare toename van verkeer over het algemeen leidt tot meer mensen die geluidhinder ervaren. Tabel 6.4 Beoordelingssystematiek geluid Indicator
Criterium
Geluidshinder
Merkbare toename
(door verkeer)
geluidbelasting wegverkeer (op basis van aantal voertuigkilometers)
Slecht
Redelijk
Bij
Bij verkeerstoename
verkeerstoename
of -afname tussen de
van > +20%
+20% en -20%
Goed Bij verkeersafname van -20%
Toenemende drukte, onder andere door verdichting en een toename van transport, kan leiden tot een negatief effect op de geluidsbelasting. Hoewel technologische ontwikkelingen mogelijkheden bieden om het geluid van individuele bronnen te verminderen, is het onduidelijk of deze ontwikkelingen opwegen tegen de toename van geluidsbelasting. Op enkele plekken binnen de gemeente Eindhoven is stil asfalt voorzien. De beheerkosten van dit asfalt zijn echter hoog, waardoor het op grote schaal toepassen van dit asfalt financieel niet haalbaar is. Bij hogere snelheden van voertuigen is het geluid dat banden voortbrengen ook maatgevend ten opzichte van een (elektrische) motor. Door de sterke verdichting binnen de Ring in het VKA zijn er veel wegen met meer dan 20% toename van verkeer en een merkbare geluidstoename. Voor heel Eindhoven is op ongeveer 70 km wegvaklengte sprake van meer dan 20% toename van verkeer. Op basis van deze ontwikkelingen wordt het VKA per saldo beoordeeld als negatief maar met de kanttekening dat stillere motoren tot een verbetering kunnen leiden en dat de voorziene verlaging van de maximumsnelheid op wegen hier ook aan bij kan dragen. De invloed van het VKA wordt als voornamelijk negatief en beperkt positief beoordeeld.
66/125
Kenmerk
6.2.3
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Luchtkwaliteit
Tabel 6.5 Effectbeoordeling luchtkwaliteit Indicator
Criterium
Luchtkwaliteit
Concentraties NO2 en PM10
VKA
De luchtkwaliteit wordt voornamelijk beïnvloed door het verkeer, industrieën, veehouderijen (gelegen in nabijgelegen gemeenten rondom Eindhoven) en de gebouwde omgeving. Binnen Eindhoven is de bron die het meest effect heeft op de luchtkwaliteit het verkeer. Daarnaast is dit de grootste bron van uitstoot van stikstofdioxiden en fijnstof, met name in verband met het aantal mensen dat er in Eindhoven mee te maken heeft. Het effect van het VKA op luchtkwaliteit wordt in dit OER daarom alleen beoordeeld op basis van de verwachte verkeerstoename. Tabel 6.6 Beoordelingssystematiek luchtkwaliteit Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Luchtkwaliteit
Concentraties NO2 en
Verkeerstoename
Verkeerstoename op
Verkeersafname
PM10
op stadsniveau
stadsniveau tussen
van > 5%
van > 5%
de -5% en 5%
De toename van het verkeer zal in het VKA ongeveer 5% zijn ten opzichte van de referentiesituatie. Technische innovaties die leiden tot schonere technieken en duurzame energiebronnen hebben mogelijk echter een positief effect op de luchtkwaliteit in de toekomst. Zo zal een toename van emissieloos wegverkeer leiden tot een verbetering. Daarnaast zal uitvoering van het Schone Luchtakkoord (2020) door de gemeente Eindhoven en andere overheden leiden tot een mogelijk positief effect op de luchtkwaliteit. Per saldo is de verwachting dat het kwaliteitsniveau van luchtkwaliteit in de gemeente in het VKA, ondanks de beperkte verkeerstoename, redelijk blijft ten opzichte van de referentiesituatie volgens bovenstaande beoordelingssystematiek (zie tabel 6.6). De invloed van het VKA wordt beoordeeld als licht negatief. 6.2.4
Omgevingsveiligheid
Tabel 6.7 Effectbeoordeling omgevingsveiligheid Indicator
Criterium
Omgevingsveiligheid
Groepsrisico
VKA
Plaatsgebonden risico
Het verzwaren en uitbreiden van bestaande energiestations en het aanleggen van nieuwe transportinfrastructuur zoals waterstofleidingen en locaties voor opslag van elektriciteit in batterijen creëert mogelijk nieuwe aandachtsgebieden. Onderzoek naar de risico’s van waterstofleidingen is nog heel recent en voorlopig en de risico’s zijn daarmee nog niet geheel duidelijk. Voor gasleidingen zijn er de brandaandachtsgebieden, dergelijke aangewezen aandachtsgebieden zijn er nog niet voor waterstofleidingen.
67/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
De toevoeging van woningen (en daarmee inwoners) binnen aandachtsgebieden (bijvoorbeeld in de spoorzone) vergroot het groepsrisico; dit geldt voor het vergrote centrum Strijp-S en Sectie C. 6.2.5
Gezonde leefomgeving
Tabel 6.8 Effectbeoordeling indicatoren gezonde leefomgeving Indicator
Criterium
MGRi
MGRi-score (percentage ziektelast als gevolg van
VKA
geluidhinder en luchtvervuiling) Windhinder en bezonning
Omgevingsadressendichtheid
Gezondheidsbevordering:
Afstand tot bestaande en toekomstige plekken om te
mate waarin de omgeving
bewegen (groen, speelplekken, wandel- en fietspaden,
uitnodigt tot gezond leven
ontmoetingsplekken, maatschappelijke voorzieningen, sport en recreatie)8
6.2.5.1 Milieu Gezondheidsrisico indicator (MGRi) Doordat er 40.000 woningen en daarmee ongeveer 70.000 mensen bijkomen, en mede daardoor de verkeersbewegingen in de stad veranderen, verandert de MGRi voor de stad. In de kwantitatieve beoordeling van de varianten (zie bijlage 4) is gebleken dat de MGRi gemiddeld voor de hele stad toeneemt. De varianten onderling verschillen daarbij niet veel van elkaar. Conclusie is dat het toevoegen van woningen (en daarmee mensen) een negatieve invloed heeft op de MGRi van de gemeente. Voor het VKA is daarom niet opnieuw een kwantitatieve beoordeling gedaan, maar wordt volstaan met een kwalitatieve beoordeling. De specifieke informatie over de impact van het VKA op geluidshinder en luchtkwaliteit, die beide bepalend zijn voor de MGRi score, is te vinden in paragraaf 6.2.2. en 6.2.3. De beoordelingen van lucht, geluid en de milieugezondheidsrisico’s maken gebruik van hetzelfde verkeersmodel. Naast de MGRi-score zelf gaat het ook om het aantal mensen dat deze nadelige gezondheidseffecten ondervindt. Hoe meer mensen toegevoegd worden op een locatie, hoe hoger deze score zal uitvallen. Dat betekent dat wanneer woningen verspreid door de hele stad worden toegevoegd, de score voor de meeste wijken licht zal toenemen.
Wanneer op bepaalde plekken veel woningen worden toegevoegd, zal de gezondheidsimpact-score in die delen van de stad ook veel hoger worden. Er zijn immers meer mensen om de gevolgen te ondervinden van de verhoogde gezondheidsdruk. De hoge impact is daarmee geconcentreerd op die locatie en daarmee is het relatief gezonder leven in de rest van de stad. De omgevingsvisie kiest voor een scenario, waarbij verdichting op diverse plaatsen plaatsvindt. Woningen worden verspreid over de stad toegevoegd, maar wel geconcentreerd in de nabijheid van het centrum en stadsdeelcentra, nabij HOV-knopen en -lijnen en nabij wijk- en buurtcentra. Dit
8
Anders dan in de beschrijving van de HSAO is geen gebruik van de zogenaamde kernindicator. Deze indicator is vooral gebruikt om een beeld te krijgen van de huidige situatie. Vervolgens is meer kwalitatief, op basis van genoemde indicatoren, de invloed van het VKA op deze situatie + de autonome ontwikkeling bepaald.
68/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
betekent dat de MRGi ook verschillend zal zijn voor de verschillende wijken waar woningen worden toegevoegd. De gezondheidsimpact zal op meerdere plekken omhooggaan door toevoeging van mensen. Ook zijn er een aantal ‘pieklocaties’ waar de gezondheidsimpact meer zal toenemen. 6.2.5.2 Windhinder en bezonning Door de verdichting en toename van het aantal hoge gebouwen, die nodig zijn om het aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen in het centrum, in Strijp-S en Woensel te realiseren, neemt het risico op windhinder en bezonningsproblemen toe9. Dit wordt als licht negatief beoordeeld. Er is in het VKA geen extra aanvullend beleid opgenomen om dit risico te beperken. Wanneer de nieuwe hoogbouwtorens in de directe nabijheid van al bestaande hoogbouw wordt geplaatst, neemt het risico op windhinder mogelijk niet toe of zelfs af vanwege het ‘Manhattaneffect’. In deze fase is de planvorming nog niet zo concreet dat bekend is, of dit het geval is. Om die reden is dit niet meegenomen in de beoordeling. Het dichtbij elkaar plaatsen van de hoogbouw (windhinder) en het toevoegen van ‘sun spots’ zijn mogelijke mitigerende maatregelen. 6.2.5.3 Gezondheidsbevordering Beweging wordt gestimuleerd door aanleg van meer groen dat toegankelijk is voor recreatie (sport, spel, ontspanning), bijvoorbeeld in nieuwe parken. Daarnaast wordt nieuw groen op daken (zo veel mogelijk) toegankelijk.
Beweging wordt ook gestimuleerd door de inrichting van een fijnmazig loopnetwerk en de verdere ontwikkeling en verbetering van het netwerk van stads- en doorfietsroutes, met aansluitingen op de regionale doorfietsroutes (15-minutenstad). De invloed van het VKA wordt als positief beoordeeld voor gezondheidsbevordering. 6.2.6
Verkeer en vervoer
Tabel 6.9 Effectbeoordeling indicatoren verkeer en vervoer Indicator
Criterium
Mobiliteitstransitie (modal
Auto-, fiets- en OV-gebruik als hoofdvervoersmiddel in
split t.b.v. duurzame
alle verplaatsingen
mobiliteit) Wijkvreemd verkeer wegennetwerk
VKA
Aandeel verplaatsingen op regionale/doorgaande versus lokale wegen
Duurzame automobiliteit
Percentage elektrische auto’s en beschikbaarheid oplaadvoorzieningen
Verkeersveiligheid
Mate van verkeersveiligheid op de belangrijkste wegen op basis van het risicocijfer
9
Beide aspecten hebben te maken met de hoogte en dichtheid van de bebouwing; hoe dichter gebouwen op elkaar staan, hoe groter het risico op windhinder of te weinig zonlicht. Om deze reden zijn beide aspecten in één criterium beoordeeld. Hoe hoger de dichtheid aan woningen (bepaald aan de hand van het aantal adressen) hoe groter de kans dat een negatief effect optreedt. Hogere dichtheden leiden doorgaans immers tot meer hoogbouw.
69/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Om tot het VKA te komen zijn in een eerder stadium drie onderscheidende scenario’s kwantitatief beoordeeld. Op basis van die resultaten bleek het mogelijk om het voorliggende VKA kwalitatief te beschouwen en was het niet nodig de diverse berekeningen voor het VKA opnieuw uit te voeren. De beoordeling van de scenario’s is terug te vinden in bijlage 3. 6.2.6.1 Mobiliteitstransitie Om duurzame mobiliteit te bevorderen en ruimte te bieden voor nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw is een mobiliteitstransitie noodzakelijk. Onderdeel hiervan is het stimuleren van mensen om in plaats van de auto te kiezen voor actieve, gezonde en schonere vervoerwijzen zoals lopen, fietsen, openbaar vervoer en diverse vormen van deelmobiliteit. Een indicatie van deze verandering is de vervoerwijzekeuze, ook wel ‘modal split’ genoemd. De modal split is uitgesplitst naar autogebruik, fietsgebruik en gebruik openbaar vervoer. ‘Lopen’ is als hoofdvervoerwijze in deze analyse buiten beschouwing gelaten omdat het verkeersmodel deze modaliteit niet in zich heeft. De gemeente Eindhoven streeft naar een modal split die past bij de toekomstige omvang van de stad waar sprake is van een excellent woon- en werkklimaat. Een vermindering van het autogebruik is hierbij cruciaal. Tabel 6.10 Beoordelingssystematiek modal split Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Modal split: verdeling
Auto-, fiets- en OV-gebruik als
> 40% auto
35-40% auto
< 35% auto
(auto/fiets/OV)
hoofdvervoersmiddel in alle verplaatsingen
In de autonome toekomstige situatie 2040 daalt het aandeel auto volgens het verkeersmodel BBMA2022 van 43% naar 38% (=referentiesituatie). Door het vastgestelde beleid is dus al sprake van een verdere verschuiving naar de actieve, gezonde en schonere vervoerwijzen. Het aandeel fiets stijgt van 52% naar 58%. Het aandeel openbaar vervoer blijft op niveau (4%). De verdichting met 40.000 woningen zorgt voor extra inwoners. Het totaal aantal verplaatsingen in Eindhoven met auto, fiets of ov neemt in het VKA met ongeveer 10% toe ten opzichte van de referentiesituatie in 2040. Hierbij is sprake van een lichte groei van het autoverkeer. Omdat het VKA voornamelijk verdicht rondom het centrum, de stadsdeelcentra, de HOV-lijnen en knopen en de wijk- en buurtcentra, vergemakkelijkt dit de keuze voor lopen, fiets en HOV. De groei van het fietsverkeer is hierdoor groter waardoor in het VKA per saldo sprake is van een licht positieve verschuiving van de modal split in de stad. 6.2.6.2
Wijkvreemd verkeer wegennetwerk
De leefbaarheid in een wijk wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoeveelheid autoverkeer dat gebruik maakt van de wegenstructuur in die wijk. Hoe minder autoverkeer door de wijk, des te positiever dit is qua leefbaarheid. Minder autoverkeer heeft een positief effect op de hinderbeleving, geluidbelasting en plaatselijke luchtkwaliteit. Deze indicator wordt vertaald naar de verhouding tussen het aantal motorvoertuigkilometers op het lokale en regionale wegennet (‘verkeersprestatie’). In het verkeersmodel BBMA2022 zijn alle
70/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
wegvakken gecategoriseerd. Door de verkeersprestatie voor de verschillende categorieën te sommeren, ontstaat een beeld van de belasting van het lokale en regionale wegennet. Tabel 6.11 Beoordelingssystematiek wijkvreemd verkeer wegennetwerk Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Wijkvreemd verkeer
Aandeel verplaatsingen op
>22% op
20-22% op
15-20% op
wegennetwerk
hoofdwegen versus onderliggend
onderliggend
onderliggend
onderliggend
wegennet
wegennet
wegennet
wegennet
In de autonome situatie 2040 neemt het verkeer in en rondom Eindhoven toe. Ondanks een daling van het aandeel auto in de modal split, is in absolute zin wel sprake van een toename van de verkeersprestatie op het wegennet. In het VKA vindt de grootste groei geconcentreerd plaats langs de stedelijke knooppunten en HOV-corridors. Woningbouw en banen zorgen voor een beperkte toename van autoverkeer. Dit verkeer zal ook over het onderliggende wegennet gaan rijden. In het VKA zal de groei van het autoverkeer en daarmee het wijkvreemd verkeer echter worden getemperd. Enerzijds door maatregelen zoals stadsrand parkeren waardoor het aantal gereden kilometers vermindert. Anderzijds door heel gericht te kijken naar ontbrekende voorzieningen op loop- of fietsafstand in bepaalde wijken waardoor de auto minder vanzelfsprekend wordt voor bepaalde verplaatsingen. Ook het concentreren van nieuwe woningen nabij voorzieningen draagt hieraan bij. Daarnaast zorgt het sectorenmodel ervoor dat doorgaand verkeer via de Ring en de Randweg geleid wordt in plaats van door het gebied binnen de Ring. Per saldo wordt het VKA licht negatief beoordeeld. 6.2.6.3 Duurzame automobiliteit De gemeente Eindhoven streeft voor nu en in de toekomst veilig en comfortabel reizen na. Landelijk zijn verkeer en het transporteren van goederen verantwoordelijk voor bijna een kwart van de CO2-uitstoot in Nederland.
Eindhoven zet daarom in op het minder schadelijk maken van mobiliteit voor het milieu. Deels wordt dit bereikt door de mobiliteitstransitie waarin naast meer lopen, meer gebruik wordt gemaakt van openbaar vervoer, fiets en deelmobiliteit. Maar wanneer dan toch de (vracht)auto wordt gebruikt, kiezen we voor minder schadelijke varianten zoals de elektrische auto. Om het bezit van een elektrische auto te bevorderen, moet het gebruik ervan laagdrempelig zijn. Randvoorwaardelijk hierbij is de beschikbaarheid van voldoende oplaadvoorzieningen. De verandering naar duurzame automobiliteit kan vervolgens gemeten worden door het percentage elektrische auto’s. Het criterium Duurzame automobiliteit wordt negatief beoordeeld wanneer het aandeel elektrische auto’s en het aantal oplaadvoorzieningen stagneert. Als beide toenemen is dat positief. Een verdubbeling van één van beide aspecten ten opzichte van een vorig meetmoment wordt als redelijk beoordeeld. Wanneer beide aspecten verdubbelen (2x zo hoog aandeel elektrische auto’s én 2x zoveel oplaadvoorzieningen) wordt dit als goed beoordeeld.
71/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Tabel 6.12 Beoordelingssystematiek duurzame automobiliteit Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Duurzame
Percentage elektrische auto’s en
Stagnatie
2x zoveel
2x zoveel
automobiliteit
beschikbaarheid
elektrische auto’s of
elektrische auto’s en
oplaadvoorzieningen
oplaadvoorzieningen
oplaadvoorzieningen
In 2035 zullen alle nieuw verkochte auto’s in de Europese Unie uitstootvrij zijn (2030 in Nederland). Dat is een van de uitgangspunten van het Klimaatakkoord. Het is daarom heel aannemelijk dat er in de toekomst fors meer elektrische auto’s komen. In het VKA wordt gezocht naar verschillende mogelijkheden om bij huizen energie op te wekken en op te slaan. Ook wordt ruimte gereserveerd om energie op te wekken, op te slaan en te transporteren. De gemeente Eindhoven faciliteert de aanleg van openbare laadpalen die iedereen met een laadpas kan gebruiken. Het VKA omvat het bouwen van een stadswijd netwerk van laadpunten voor elektrische voertuigen zodat elektrische auto's altijd in de buurt kunnen opladen. Minimaal een verdubbeling van het laadaanbod in Eindhoven is in het VKA aannemelijk. Per saldo wordt het VKA positief beoordeeld. 6.2.6.4 Verkeersveiligheid De gemeente werkt hard aan een verkeersveilige stad door te kijken waar het onveilig is en hoe dat kan worden verbeterd. Dit vindt plaats op basis van ongevallencijfers, meldingen van Eindhovenaren en waar de grootste risico’s liggen. Ten aanzien van de ongevalsrisico’s kiest Eindhoven, net als steeds meer provincies en gemeenten, voor een ‘risicogestuurd’ verkeersveiligheidsbeleid: een proactieve aanpak om ongevallen te voorkomen door de belangrijkste risico’s in het verkeerssysteem aan te pakken.
Bij risicogestuurd beleid wordt gekeken naar specifieke risicofactoren – wegkenmerken, omstandigheden of gedragingen – die de kans op gevaarlijke verkeerssituaties kunnen vergroten. Gebleken is dat 90% van de onveilige verkeerssituaties komen door het gedrag van de weggebruikers. Maar ook keuzes die gemaakt worden vanuit de omgevingsvisie kunnen van invloed zijn op de verkeersveiligheid in de stad. Keuzes in de omgevingsvisie hebben gevolgen voor de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer in de stad. Een toename van de verkeersintensiteiten leidt tot een groter risico op een conflict tussen verkeersdeelnemers en daarmee een toename van de verkeersonveiligheid. Het risico op het wegennet wordt gekwantificeerd met het risicocijfer. Het risicocijfer is de verhouding tussen aantal ongevallen en de verkeersprestatie. Een toename van verkeer leidt tot meer conflicten. De auto is hierbij een dominante factor: van alle vervoerwijzen is de personenauto immers verreweg het meest betrokken bij de geregistreerde ongevallen. Tabel 6.13 Beoordelingssystematiek verkeersveiligheid Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Verkeersveiligheid
Mate van verkeersveiligheid in de
Toename
Gelijkblijvende
Afname
stad (of op de belangrijkste wegen
verkeersprestatie
verkeersprestatie
verkeersprestatie
op basis van het risicocijfer)
in de stad
in de stad (+/-
in de stad
(>10%)
10%)
(>10%)
72/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Toename van het aantal woningen en banen leidt tot meer mobiliteit. In het VKA neemt het autoverkeer beperkt toe, ook op het onderliggende wegennet. De kans op ongevallen is daarmee groter dan in de referentiesituatie. Omdat de toename minder dan 10% is, wordt het VKA licht negatief beoordeeld. 6.2.7
Bodem en water
Tabel 6.14 Effectbeoordeling indicatoren bodem en water Indicator
Criterium
Milieuhygiënische
Verwachte ontgravingsklasse en toepassingseis
VKA
bodemkwaliteit Ondergronds ruimtegebruik
Intensiviteit gebruik ondergrond in relatie met eventueel effect bovengronds
Beschikbaarheid
Omvang waterwin- en
drinkwater
grondwaterbeschermingsgebieden
Waterkwaliteit
Kwaliteit van (KRW10) grond- en oppervlaktewater
6.2.7.1
Milieuhygiënische bodemkwaliteit
Alle ontwikkellocaties in Eindhoven moeten voldoen aan de bodemkwaliteitseisen voor de gewenste functie conform haar beleid. Als op de ontwikkellocaties verontreinigingen aanwezig zijn die de ontwikkeling mogelijk belemmeren, dan worden deze gesaneerd. Dit resulteert in een betere eindsituatie en is daarmee indirect een licht positieve invloed van de omgevingsvisie. Door werkzaamheden aan de bodem komen ecologische en waterhuishoudkundige kwaliteiten van de bodem verder onder druk te staan. Het is echter de inzet van het VKA om graven en roeren in de bodem te beperken en grondwerkzaamheden en functies te combineren. De invloed van het VKA wordt beoordeeld als voornamelijk positief, en beperkt negatief voor milieuhygiënische bodemkwaliteit. 6.2.7.2 Ondergronds ruimtegebruik De drukte in de Eindhovense ondergrond neemt toe door de bouw van nieuwe woningen (verdichting) en bijbehorende voorzieningen zoals ondergrondse parkeergarages, funderingen, kabels en leidingen, en evt. ondergrondse afvalopslag. Het opwekken, transporteren en opslaan van energie, en bijbehorende infrastructuur zoals warmtenetten of waterstofleidingen zorgt voor meer drukte in de ondergrond. Zonder aanvullend beleid in de omgevingsvisie ontstaan er knelpunten in de ondergrond en kunnen waarschijnlijk niet alle functies en ambities worden gerealiseerd.
10
Bij de beoordeling van de huidige kwaliteit van het water in de gemeente Eindhoven is gebruik gemaakt van data over de staat van KRW-waterlichamen. Dit is een belangrijke en wettelijke indicator. De onderzoeksvarianten en het VKA zijn meer kwalitatief beoordeeld waarbij het uitgangspunt is dat een negatieve invloed op de waterkwaliteit ook direct gevolgen kan hebben op de kwaliteit van de KRW-waterlichamen.
73/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Voor bodemenergie is het een voordeel dat de woningen geconcentreerd worden gebouwd (minder transport nodig), met name in het vergrote centrum en Strijp-S. Maar dit houdt ook in dat de uitdaging om alle functies in de ondergrond tegelijk in te kunnen passen en te ordenen groot is. De beoogde gespreide groei zorgt er echter voor dat de ordening van de ondergrond iets minder complex is vanwege de spreiding van functies. Vanwege de beperkte ruimte in de ondergrond streeft de gemeente bovendien naar meervoudig ruimtegebruik en het combineren van functies in de ondergrond; dit is gunstig voor het ondergronds ruimtegebruik. Al met al wordt de invloed van het VKA op het ondergronds ruimtegebruik als licht negatief beoordeeld. 6.2.7.3 Beschikbaarheid drinkwater Er komen meer mensen bij in Eindhoven, wat een negatieve invloed heeft op de beschikbaarheid van drinkwater (vanwege de grotere vraag naar drinkwater). Het huidige beleid van de gemeente is gericht op het beschermen van het grondwater waar dat moet en het benutten waar dat mogelijk is. Gebieden waar grondwater wordt gewonnen voor menselijke consumptie zijn Europees beschermd en komen daarom niet in het geding als gevolg van andere ontwikkelingen in de ondergrond. De invloed van het VKA wordt als licht negatief beoordeeld. 6.2.7.4
Waterkwaliteit
Meer groen heeft een positieve invloed op waterkwaliteit: groen verwijdert verontreinigde stoffen uit afstromend water en werkt als een filter. Daarnaast zorgt de schaduw van bomen ervoor dat er minder algen in het water komen.11 Er is geen beleid in de verstedelijkingsprincipes opgenomen om de grondwaterkwaliteit actief te verbeteren. Bij afstroming van wegwater naar aangrenzende watergangen kunnen verontreinigingen in het oppervlaktewater terecht komen. Daarnaast is er, door de verdichting, een risico op meer zwerfafval doordat er meer mensen bijkomen (meer arbeidsplaatsen, meer woningen). Dit wordt gezien als negatieve beïnvloeding. De kwaliteit van het grondwater kan ook negatief beïnvloed worden door de toename van bodemenergiesystemen door de verdichting of de aanleg van nieuwe warmtenetten, waterstofleidingen of andere energietransportleidingen. Doorboringen van de beschermende lagen naar het diepe grondwater, met daarin de strategische drinkwatervoorraad, kunnen met name in de buurt van grote grondwaterverontreinigingen verontreiniging naar de diepte meenemen. Met het ingaan van de Omgevingswet is het de bedoeling dat er provinciale regels komen om dit risico te beperken. De invloed van het VKA wordt beoordeeld als licht negatief voor de waterkwaliteit.
11
Kennisportaal Klimaatadaptatie, via Welke andere voordelen heeft groen in de stad? - Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl)
74/125
Kenmerk
6.2.8
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Klimaatadaptatie
Tabel 6.15 Effectbeoordeling indicatoren klimaatadaptatie Indicator
Criterium
Wateroverlast
Aantal wateroverlastlocaties als gevolg van hevige
VKA
neerslag (60 mm in 1 uur) Droogte
Mate van aanpassing gebiedsinrichting aan toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering
Hittestress
Aantal rode (warmere) tot en met paarse (heel veel warmere) gebieden in Eindhoven
Overstroming
Aantal inwoners dat bloot wordt gesteld aan gevolgen van een overstroming
6.2.8.1 Wateroverlast De aanleg van nieuw groen (o.a. parken) creëert meer ruimte voor opvang en berging van water en zorgt dat regenwater beter de grond in kan zakken. Ook het creëren van meer bovengrondse ruimte voor de Dommel en de Gender zorgt voor meer ruimte voor opvang/afvoer van regenwater. Het aantal locaties met wateroverlast als gevolg van hevige neerslag neemt hierdoor naar verwachting af. Vergroening door groene daken en groene gevels kan in potentie voldoende zijn voor het vasthouden (retentie) en de verdamping van hemelwater. Dit is afhankelijk van de uitvoering ervan. Bij grote piekbuien is de opslagcapaciteit van alleen de groene daken echter ontoereikend. Op die momenten zijn bijvoorbeeld opslagbassins nodig. Het zal daarmee in de gebieden met veel extra bebouwing lastig zijn om te voldoen aan de regels voor waterberging, ter compensatie van verharding. Verdichting zal het meest binnen de ring plaatsvinden. De verwachting is dat in dit gebied ook meer kelders en andere ondergrondse bouwwerken gebouwd worden. Daardoor is er een groter risico op opstuwing van grondwater: dit leidt mogelijk tot grondwateroverlast. Die grondwateroverlast kan ook tijdens piekbuien de wateroverlast op straat (indirect) negatief beïnvloeden.
Bijvoorbeeld wanneer grondwater en water van de piekbui dat afgevoerd moet worden elkaar versterken omdat er minder ruimte in de ondergrond is voor waterberging. Bovenstaande punten zorgen ervoor dat de invloed van het VKA op het criterium wateroverlast voornamelijk als positief, maar ook als beperkt negatief wordt beoordeeld. 6.2.8.2 Droogte Toevoeging van groen helpt om water op te slaan bij hevige regen. Vanwege het bergend/opslaand vermogen van de bodem heeft de gemeente het voornemen om de bodem daarom zo min mogelijk te roeren.
75/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
6.2.8.3
Hittestress
Meer woningen (hoogbouw) en mensen door verdichting in het centrum en rondom (nieuwe) stadsdeelcentra zorgen voor grotere hitte en een mogelijke toename van het stedelijk hitteeilandeffect (hogere temperaturen en minder verkoeling door lagere windsnelheid). Toevoeging van (meer) groen op diverse plekken in de stad zorgt echter voor meer koelteplekken. De gemeente heeft als doel om binnen 5 minuten lopen een koelteplek, binnen 10 minuten lopen een klein park en binnen 15 minuten lopen een groot park te hebben voor de inwoners. Ook worden meer daken en gevels groen ingericht, wat kan resulteren in minder opwarming van gebouwen en minder uitstraling van warmte ‘s nachts. Straten, wandel- en fietsroutes worden groen en schaduwrijk ingericht. Al met al wordt de invloed van het VKA als licht positief beoordeeld want het aantal (heel veel) warmere gebieden neemt naar verwachting af. 6.2.8.4 Overstroming Er wordt niet gebouwd in overstromingszones en er is daarom geen verhoogd aantal inwoners dat last zou hebben van een overstroming. De invloed van het VKA is neutraal. 6.2.9
Energietransitie
Tabel 6.16 Effectbeoordeling indicatoren energietransitie Indicator
Criterium
Opgewekte duurzame
Aandeel lokaal opgewekte duurzame energie
VKA
energie CO2-uitstoot
6.2.9.1
Mate van CO2-reductie
Opgewekte duurzame energie
Voor de vraag naar warmte wordt ingezet op natuurlijke bronnen zoals bodemwarmte, warmte uit oppervlaktewater en de afvalwaterzuivering. Ook voor energie door elektriciteit worden andere oplossingen gezocht, bijvoorbeeld in waterstof. Verder wordt er ruimte gereserveerd (boven en onder de grond) om energie op te wekken of op te slaan (batterijen, om energiepieken te kunnen opvangen). Een deel van de daken is beschikbaar voor energieopwekking. De clustering van het merendeel van te bouwen woningen is gunstig in verband met het gebruik van een warmtenet. Verspreide groei voor het andere deel van de woningbouw is ongunstig in verband met het gebruik van een warmtenet; hiervoor is meer transport en daardoor leidingen nodig, wat zorgt voor warmteverlies. Eindhoven zet echter in op meerdere natuurlijke bronnen zoals bodemwarmte, warmte uit oppervlaktewater (zoals kanalen en rivieren) en de afvalwaterzuivering, waardoor meerdere warmtenetten aangelegd kunnen worden en er minder transport nodig zal zijn. Gezien bovenstaande punten wordt de invloed van het VKA beoordeeld als licht positief voor opgewekte duurzame energie.
76/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
6.2.9.2
CO2-uitstoot
Het VKA zet in op de ontwikkeling en verbetering van het netwerk van stads- en doorfietsroutes. Lopen en fietsen krijgen prioriteit binnen de Ring (het STOMP-principe12 is uitgangspunt bij gebiedsontwikkelingen), wat kan bijdragen aan een vermindering van CO2-uitstoot binnen de Ring. Verder wordt het gebied binnen de Ring ingericht volgens een sectorenmodel: het is met de auto wel mogelijk om vanaf de ring de sectoren in en uit te rijden, maar tussen de onderlinge sectoren is binnen de ring geen doorgaand verkeer mogelijk. Dit zorgt voor een vermindering van het doorgaande autoverkeer en daarmee van uitstoot. Daarnaast wordt flink ingezet op de verbetering en aanvulling van het HOV-netwerk, wordt de Brainportlijn toegevoegd en zal er een netwerk van deelmobiliteit en hubs bij voorzieningen en HOV-haltes aangelegd worden. Verdichting vindt plaats rondom HOV-knooppunten en HOVassen, met de idee dat er daarmee meer gebruik gemaakt zal worden van OV, in plaats van de auto. Doorgaand autoverkeer gaat via de Ring, Hoofdradialen en Randweg, met voor bezoekers een P+R (Park and Ride) aan de rand van de stad en P+B (Park and Bike) aan de Ring. Waar het kan wordt de snelheid voor autoverkeer verlaagd: de hele stad 30km/u tenzij (motie 30), waarbij het wel zo is dat alle bestemmingen via de auto bereikbaar blijven voor bestemmingsverkeer.
Met een toename van het aantal inwoners, zal het aantal auto’s daarmee mogelijk toch ook toenemen. Berekend is dat het aantal motorvoertuigkilometers binnen Eindhoven toe zal nemen ten opzichte van de referentiesituatie in 2040. Het VKA heeft hiermee voornamelijk een positieve invloed, maar ook een beperkt negatieve invloed op (de vermindering van) CO2-uitstoot. 6.2.10
Circulair beleid
Tabel 6.17 Effectbeoordeling circulair beleid Indicator
Criterium
Circulair beleid
Concreetheid van aanpak en bijbehorende actie, kans
VKA
op behalen gestelde ambities voor 2040
In de verstedelijkingsprincipes komt circulair beleid niet terug. Daarom wordt de invloed ervan op de concreetheid van aanpak en bijbehorende acties en de kans op het behalen van de gestelde ambities voor 2040 als neutraal beoordeeld.
6.3
Stad in ontwikkeling: veranderende stad met oog voor eigenheid en historie
Deze paragraaf bevat de kwalitatieve effectbeoordeling en onderbouwing van het VKA voor de indicatoren die vallen onder de stad in ontwikkeling.
12
STOMP is de afkorting voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en Personenauto’s. Met het STOMP-ordeningsprincipe wordt prioriteit gegeven aan meer duurzame vormen van mobiliteit (lopen, fietsen en ov) en minder prioriteit aan minder duurzame mobiliteitsvormen (zoals de auto).
77/125
Kenmerk
6.3.1
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Cultuurhistorische waarden
Tabel 6.18 Effectbeoordeling cultuurhistorische waarden Indicator
Criterium
Cultuurhistorische
Kwaliteit van cultuurhistorische waarden en erfgoed
VKA
waarden
Eindhoven blijft herkenbaar. De gelaagdheid in de ontwikkeling van de stad blijft zichtbaar. De verstedelijking gebeurt met respect voor de stad en de identiteit van wijken en buurten, zonder daarmee de huidige situatie te bevriezen. Verdichting vindt overal in de stad plaats, waarbij ontwikkelingen passen bij het karakter van de wijk of buurt waar ze plaatsvinden. Kenmerkende gebouwen en gebieden krijgen een andere functie, maar blijven herkenbaar als iconen van de stad. De gemeente beschermt bestaand erfgoed en stimuleert transformatie. Nieuwe, hoogwaardige architectuur wordt toegevoegd, zowel in nieuwe gebouwen als in de openbare ruimte. Dit alles kan bijdragen aan de kwaliteit van cultuurhistorische waarden en erfgoed. Oud en nieuw worden op een goede manier met elkaar te verweven. Bij toevoegen van nieuwe woningen, nieuw spoor, uitbreiding van campussen en kantoorlocaties is het van belang dat daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de bestaande cultuurhistorische waarden en dat deze waar mogelijk versterkt worden. Dat hangt af van de inpassing ervan. De invloed van het VKA wordt als licht positief beoordeeld voor cultuurhistorische waarden. 6.3.2
Recreatie
Tabel 6.19 Effectbeoordeling recreatie Indicator
Criterium
Recreatie
Aantal recreatiegebieden en mogelijkheden voor
VKA
recreatie en ontspanning (bijvoorbeeld theater, concertzalen)13
De groenstructuur van de stad wordt uitgebreid, er worden parken toegevoegd en er wordt groen toegevoegd in groenarme gebieden en op plekken waar veel verdichting plaatsvindt. De Dommel en de Gender krijgen bovengronds meer ruimte. Dit wordt gecombineerd met groen dat toegankelijk is voor recreatie (sport, spel en ontspanning). De Dommel krijgt toegankelijke oevers. Er wordt een aantrekkelijke en gebruiksvriendelijke verbinding met het buitengebied aan de oostzijde van de stad (richting Nuenen en Geldrop) gecreëerd. De westelijke route richting Oirschot wordt behouden en waar mogelijk kwalitatief versterkt.
13
Recreatie kan verschillende aspecten omvatten, zoals het aantal gebieden, de kwaliteit van deze gebieden en de diversiteit aan recreatiemogelijkheden. In het OER is de beoordeling echter alleen gebaseerd op het aantal gebieden en voorzieningen. Dit omdat de kwaliteit en exacte differentiatie door toedoen van de Omgevingsvisie op voorhand lastig is in te schatten. Over de ruimte die gecreëerd wordt voor nieuwe gebieden en voorzieningen is op basis van het nieuwe beleid wel iets te zeggen. Bij een verdere uitwerking van de visie zijn aspecten als kwaliteit en differentiatie uiteraard wel van belang.
78/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Daarnaast komen er meer voorzieningen in het centrum en krijgt de Eindhovense laag een daklandschap dat op bijzondere plekken toegankelijk is voor sport en ontmoeting voor inwoners en bezoekers. Stedelijke en regionale voorzieningen zoals musea en horeca worden verspreid over de stad, bij voorkeur rondom HOV-lijnen, het centrum en stadsdeelcentra. Dit zorgt voor een betere spreiding en beschikbaarheid van recreatieve mogelijkheden voor inwoners en bezoekers. De stadsdeelcentra WoensXL en Kastelenplein krijgen ook extra stedelijke voorzieningen. De invloed van het VKA op recreatie wordt beoordeeld als positief.
6.4
Hart van de Brainportregio: een innovatieve economische wereldspeler waarin iedereen meedoet
Deze paragraaf bevat de kwalitatieve effectbeoordeling en onderbouwing van het VKA voor de indicatoren die vallen onder het hart van de Brainportregio. 6.4.1
Wonen en vestigingsklimaat
Tabel 6.20 Effectbeoordeling indicatoren wonen en vestigingsklimaat Indicator
Criterium
Kwaliteit openbare ruimte
Kwaliteitsniveaus uit het Handboek Openbare Ruimte
VKA
Eindhoven (2021): basis, plus, bijzonder en exclusief Vestigingsklimaat bedrijven
Kwaliteit van de vier typen bedrijventerreinen14
Kantoorlocaties
Balans vraag en aanbod kantoorlocaties
6.4.1.1 Kwaliteit openbare ruimte De grootste toevoeging van woningen en voorzieningen vindt plaats in gebieden waar kwaliteitsniveau ‘exclusief’ geldt (centrum/Ring én WoensXL), wat betekent dat veel bewoners en bezoekers van dit kwaliteitsniveau kunnen profiteren. WoensXL krijgt een gemengde uitstraling met o.a. extra groen. Strijp-S is een gebied met kwaliteitsniveau ‘bijzonder’. Daar worden 2600 woningen toegevoegd waardoor meer inwoners en bezoekers van dat kwaliteitsniveau kunnen profiteren. Kastelenplein wordt doorontwikkeld tot een nieuw stadsdeelcentrum. Het vormt een hoogstedelijk accent, waarbij het kwaliteitsniveau naar boven wordt aangepast. Eindhoven krijgt (deels) groene gevels en daken bij nieuwe gebouwen, wat zorgt voor meer groen. Verder worden groenarme wijken aangepakt, wat de kwaliteit van dezer wijken verbetert.
14
Kwaliteit heeft in dit geval betrekking op bereikbaarheid, groen en voorzieningen. Het vestigingsklimaat van bedrijven wordt door meer factoren bepaald. In het OER is de beoordeling gefocust op het deel (de fysieke leefomgeving) waar de omgevingsvisie invloed op uit kan oefenen.
79/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Door verspreide verdichting vindt ook toevoeging van woningen en voorzieningen plaats in gebieden waar het kwaliteitsniveau ‘basis’ is. Die toevoeging zal daarmee minder bijdragen aan de kwaliteit van de openbare ruimte. De invloed van het VKA wordt als licht positief beoordeeld. 6.4.1.2
Vestigingsklimaat bedrijven
Door de verschillende type bedrijventerreinen in de stad en de verschillende fasen waar bedrijventerreinen zich in bevinden is er een divers vestigingsklimaat dat de breedte van het economisch ecosysteem faciliteert. Met het toevoegen en behoud van bedrijventerreinen blijft er voldoende werkruimte beschikbaar binnen de stad ten behoeve van inwoners en bedrijven, bijvoorbeeld ten behoeve van toelevering van het hightech ecosysteem van de gemeente. De gemeente doet onderzoek naar de mogelijkheden om op de kleinere bedrijventerreinen met een lagere milieucategorie in te zetten op het toevoegen van verschillende functies (zoals wonen, voorzieningen). Bij het toevoegen van functies op bedrijventerreinen is het belangrijk dat er voldoende MKB-werkruimte beschikbaar blijft. Om dat te bereiken ziet de gemeente erop toe dat de menging in verhouding blijft en het gebied juist beschikbaar en toegankelijk blijft voor MKB. Dergelijke menging van functies kan bijdragen dat een bedrijventerrein weer in een hogere fase van de levenscyclus terechtkomt. Functiemenging op kleinschalige bedrijventerreinen waarbij MKB, voorzieningen en wonen gemengd worden, zorgt voor meer levendigheid en sociale controle in dat gebied. Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten op het gebied van mobiliteit en toegankelijkheid, leefbaarheid en andere milieuaspecten.
Short stay op campussen zorgt ook voor een levendiger gebied op die campussen. Dit vergt altijd maatwerk omdat kwaliteit van verblijf in combinatie met zwaardere bedrijvigheid voor uitdagingen zorgt. Bedrijvenlocaties worden verduurzaamd. Dit zal gefaseerd plaatsvinden en geldt voor alle terreinen in de stad. In het VKA wordt niet expliciet gemaakt of het allereerst juist ook om de bedrijventerreinen gaat die zich in fase 2 of 3 bevinden en die hierdoor een kwaliteitsboost krijgen. De meeste arbeidsplaatsen worden toegevoegd aan locaties die zich al in fase 1 bevinden (zoals campussen, Esp en GDC). De bedrijventerreinen en campussen die specifiek worden benoemd, bevonden zich al in de hoogste fase en worden alleen nog maar verder versterkt. Er wordt geïnvesteerd in goede OV-verbindingen, wat gunstig is voor bereikbaarheid van bedrijventerreinen en campussen. De Brainportlijn zorgt voor een goede verbinding tussen de economische toplocaties. Kleinere bedrijventerreinen met een MKB-functie en/of perifere detailhandel blijven met de auto bereikbaar. Ook de (groter wordende) opgave voor circulaire economie kost ruimte. Hier is nog geen rekening mee gehouden. Wel wordt er bedrijfsruimte toegevoegd waarbij circulariteit ook een plek zou moeten krijgen. Kijkend naar bovenstaande punten wordt de invloed van het VKA als licht positief beoordeeld.