Bijlage 4 - Omgevingseffectrapport omgevingsvisie Eindhoven
Tekst van het document
De Passende beoordeling is opgenomen in hoofdstuk 9. 7. Doelbereik omgevingsvisie In deze stap wordt op basis van expert judgement nagegaan of met het beleid uit de omgevingsvisie, aangevuld met relevant bestaand beleid, de ambities uit de omgevingsvisie worden gerealiseerd, het zogenaamde doelbereik (zie hoofdstuk 7). In deze stap is ook beoordeeld of de vooraf gestelde ambities die zijn opgenomen in de omgevingsvisie in de toekomst daadwerkelijk behaald kunnen worden. Daarbij speelt de rol en invloed van de gemeente mee. Voor bijvoorbeeld klimaatadaptieve ambities is de gemeente mede afhankelijk van bijvoorbeeld het waterschap, projectontwikkelaars, woningcorporaties en particuliere woningeigenaren. Bij het doelbereik brengen we per ambitie in beeld: Geen tot zeer beperkte kans om de ambitie te behalen Redelijke kans om de ambitie te behalen
Reële kans om de ambitie te behalen
We beoordelen dit vervolgens op een vijfpuntsschaal. Daarbij geven we in een grafiek aan hoe groot de onzekerheid is in de mate waarin de ambitie wordt behaald. De onzekerheid wordt groter naarmate autonome ontwikkelingen meespelen (bijvoorbeeld: wanneer rijden alle voertuigen emissieloos?) en/of als de gemeente afhankelijk is van andere partijen (denk aan bijvoorbeeld klimaatadaptatie aan het waterschap, projectontwikkelaars, woningcorporaties en particuliere woningeigenaren). De bandbreedte van onzekerheid geeft dus aan hoeveel de gemeente zelf kan doen aan het behalen van de gestelde ambities. Op basis van de analyse van doelbereik worden aanbevelingen gedaan voor aanscherping van de omgevingsvisie.
26/125
Kenmerk
8.
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Afronden OER
De resultaten van voorgaande stappen komen samen in het omgevingseffectrapport. Het rapport is na iedere stap verder ingevuld. Na stap 7 zijn de conclusies en aanbevelingen voor het vervolg (bijvoorbeeld voor het omgevingsplan) opgesteld. Tot slot zijn de onderdelen mitigerende maatregelen, leemten in kennis en monitoring en evaluatie toegevoegd (hoofdstuk 11).
1.7
Procedure OER en omgevingsvisie
In oktober 2022 is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) vastgesteld. De NRD is de startnotitie voor de procedure voor de milieueffectrapportage (afkorting voor de procedure is ‘mer’). De NRD beschrijft welke onderwerpen in het OER (het rapport) aan bod komen en op welke manier de effecten van de keuzes in de Omgevingsvisie 2.0 van Eindhoven worden onderzocht. Dit wordt samen aangeduid als de reikwijdte en het detailniveau van de onderzoeken die worden gedaan in het kader van de mer. De NRD heeft van 22 november 2022 tot en met 19 december 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling zienswijzen op de NRD kenbaar te maken. Op de NRD zijn vijf zienswijzen ingediend. Hiervan zijn vier zienswijzen binnen de termijn van de terinzagelegging binnengekomen. Eén zienswijze is op 27 december 2023, ruim buiten de periode van de terinzagelegging, binnengekomen. Van de reacties op de zienswijzen is een Nota van Zienswijzen gemaakt. Daarnaast is de NRD ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie voor de mer5. De Commissie heeft februari 2023 een advies uitgebracht, met daarin beschreven welke informatie het OER dient te bevatten. De belangrijkste adviezen met betrekking tot het OER waren: Tabel 1.1 Advies van de Commissie mer op de NRD en de wijze waarop dit verwerkt is in het OER. Onderwerp
Advies
Verwerkt in
De omgevingsvisie in
Er dient in het OER en de omgevingsvisie
Er is een gevoeligheidsanalyse
regionale context
rekening te worden gehouden met de
opgenomen in hoofdstuk 8 van het
wisselwerking tussen Eindhoven en de regio.
OER.
De commissie merkt ook op dat de ontwikkelingen op het wereldtoneel van belang kunnen zijn voor de regio. De commissie geeft daarom als advies mee om een gevoeligheidsanalyse toe te voegen aan het OER, waarin deze (internationale) ontwikkelingen worden vertaald naar de regionale context. In deze gevoeligheidsanalyse wordt op hoofdlijnen meegenomen hoe om te gaan met onzekerheden in de toekomst en wat dat betekent voor de omgevingsvisie.
5
De Commissie mer adviseert, als onafhankelijke organisatie, over de inhoud van milieueffectrapporten. 27/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Onderwerp
Advies
Verwerkt in
Concreet
Zorg ervoor dat het toetsingskader voldoende
Het beoordelingskader is toegelicht in
toetsingskader
concreet en SMART wordt geformuleerd.
hoofdstuk 2.1 van dit document. Voor
Maak hierbij ook de ambities concreet.
de HSAO is een nadere toelichting per
Zorg ervoor dat de beoordelingscriteria
criterium opgenomen in de Factsheets
specifiek zijn voor de Eindhovense situatie.
in bijlage 2.
Op deze manier is het OER het meest
Voor bepalen van doelbereik is in
bruikbaar als onderbouwing voor de
hoofdstuk 7.2 een nadere uitsplitsing
omgevingsvisie
van de deelambities van de gemeente gemaakt.
Onderzoeksvarianten
De commissie spreekt haar lof uit over de
De gemeente heeft na de
en integrale visie
opbouw van de onderzoeksvarianten.
effectbeoordeling van de drie
De integrale opgaven voor Eindhoven zijn
onderzoeksvarianten
groot, met forse uitdagingen voor in ieder
verstedelijkingsprincipes geformuleerd,
geval mobiliteit, energietransitie,
dit is het voorkeursalternatief (VKA). Dit
klimaatadaptatie, gezondheid en kwaliteit van
VKA is beoordeeld in het OER
de leefomgeving. De effectbeoordeling moet
(hoofdstuk 6 en 7).
duidelijk maken in hoeverre de onderzoeksvarianten verenigbaar zijn met de ambities en andere opgaven voor de gemeente. Dit kan leiden tot de conclusie dat het beoogde programma voor wonen en werken in meer of mindere mate botst met andere ambities en opgaven. Als dit het geval is, vraagt dit om een meer integrale afweging tussen opgaven en ambities. Dit kan leiden tot heroverweging van opgaven en/of tot aanpassing van ambities. Het OER kan hierin een belangrijke rol vervullen, door de consequenties van dergelijke keuzes inzichtelijk te maken. De commissie raad daarom aan om op basis van de vergelijking van de onderzoeksvarianten een voorkeursalternatief of meerdere voorkeursalternatieven op te stellen. Leesbare
Besluitvormers en insprekers lezen in de
Een samenvatting is opgenomen in
samenvatting
eerste plaats de samenvatting van het OER.
hoofdstuk 0.
De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het OER. Passende
Op enige afstand van Eindhoven liggen
Een Passende Beoordeling is
beoordeling
Natura 2000-gebieden. De omgevingsvisie
opgenomen in hoofdstuk 9 van het
heeft mogelijk significante gevolgen voor deze
OER.
gebieden en andere Natura 2000-gebieden. Om deze reden dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Deze 28/125
Kenmerk
Onderwerp
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Advies
Verwerkt in
Passende beoordeling heeft - gelet op het detailniveau van de omgevingsvisie - het karakter van een risicoanalyse. Monitoring en
De commissie adviseert regelmatig te
Een aanzet voor monitoring en
evaluatie
bewaken of en in welke mate de
evaluatie is opgenomen in hoofdstuk
daadwerkelijke ontwikkelingen bijdragen aan
11 van het OER.
de ambities en doelen van de gemeente, welke omgevingseffecten zijn opgetreden, en hoe deze zich verhouden tot wet- en regelgeving. Formuleer op basis van het beoordelingskader in het OER een aanzet voor een monitoringsplan. Houd hierbij rekening met de ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving.
Op 21 november 2022 is een kennisgeving gedaan waarin is aangekondigd dat de gemeente voornemens was een OER op te stellen in het kader van de omgevingsvisie. Eenieder heeft hierop kunnen inspreken. Daarnaast zijn de wettelijke adviseurs Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Provincie Noord-Brabant, Waterschap de Dommel, Veiligheidsregio Brabant Zuidoost (VRBZO) en de commissie mer geraadpleegd over de opzet van het milieuonderzoek. De inspraakreacties en adviezen zijn zover relevant meegenomen in dit OER. Dit OER ligt tegelijk met de ontwerp-omgevingsvisie gedurende acht weken ter inzage, van 24 juni 2024 tot 19 augustus 2024. Eenieder kan dan zowel mondeling als schriftelijk zienswijzen indienen, op zowel de ontwerp-omgevingsvisie als op het OER. Van de reacties wordt een Nota van Zienswijzen gemaakt. De Commissie voor de mer toetst gedurende de periode van ter inzagelegging en geeft daarna een advies. In het advies wordt aangegeven of het OER alle essentiële informatie bevat om het milieubelang goed mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvisie. De zienswijzen en het advies van de Commissie voor de mer kunnen aanleiding gegeven om de ontwerp-omgevingsvisie bij te stellen.
De omgevingsvisie en het OER zullen samen met de Nota van Zienswijzen ter vaststelling aan de gemeenteraad worden aangeboden. Tegen een omgevingsvisie staat geen rechtstreeks beroep open. Een omgevingsvisie is zelfbindend: ze bindt alleen het bestuursorgaan dat het document heeft vastgesteld. Een omgevingsvisie bevat dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden.
29/125
Kenmerk
1.8
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft hoe het omgevingsonderzoek is uitgevoerd: dit hoofdstuk bevat het beoordelingskader en de beoordelingssystematiek. In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 3, staat een beschrijving van het proces van totstandkoming van de omgevingsvisie en de manier waarop de gemeente uitwerking wil geven aan de voorgestelde integrale ontwikkelkoers. In hoofdstuk 4 worden de effecten van de drie onderzoeksvarianten samengevat op hoofdlijnen. Hoofdstuk 5 beschrijft hoe de gemeente tot een voorkeursalternatief is gekomen en wat dat op hoofdlijnen inhoudt. Hoofdstuk 6 beschrijft wat de effecten zijn op de leefomgeving als gevolg van de omgevingsvisie. In hoofdstuk 7 wordt het doelbereik van de ambities beschreven. Hoofdstuk 8 bevat een gevoeligheidsanalyse en hoofdstuk 9 beschrijft de Passende beoordeling van Natura 2000-gebieden. Hoofdstuk 10 bestaat uit de conclusies en aanbevelingen en in hoofdstuk 11 wordt ingegaan op leemten in kennis en de manier waarop gemonitord wordt.
2 Beoordelingskader omgevingseffecten In dit hoofdstuk is het beoordelingskader van dit OER opgenomen en wordt de beoordelingssystematiek in dit OER toegelicht.
2.1
Beoordelingskader
In tabel 2.1 is het beoordelingskader voor dit OER opgenomen. Het beoordelingskader geeft aan op welke manier de effecten van de omgevingsvisie in beeld worden gebracht. In de eerste kolom van de tabel zijn alle thema’s opgenomen die in dit OER worden behandeld. In de tweede kolom is per thema is aangegeven met welke indicatoren de effecten in beeld worden gebracht. In de derde kolom is voor enkele indicatoren een aantal subindicatoren opgenomen. In de laatste kolom is voor alle indicatoren het beoordelingscriterium opgenomen. Met het beoordelingscriterium wordt de mate waarin het effect optreedt gemeten. Tabel 2.1: Beoordelingskader voor dit OER Thema
Indicator
Subindicator
Beoordelingscriterium
Toekomst-
Natuur
Natura 2000-gebieden
Staat van instandhouding Natura
bestendig: een
2000-gebieden
klimaat-
Natuurnetwerk Brabant
Staat van instandhouding soorten en
adaptieve,
(NNB), buiten Natura
habitattypen
gezonde,
2000-gebieden
biodiverse en
Biodiversiteit
duurzame stad
Omvang biodiversiteit: aantal en omvang leefgebied soorten
Groenstructuren
Kansen voor versterking van bestaande en aanleg van nieuwe groenstructuren
Geluid
Geluidshinder (door
Merkbare toename geluidbelasting
verkeer)
wegverkeer (op basis van aantal voertuigkilometers)
Lucht
Luchtkwaliteit
Luchtkwaliteit (NO2/PM10) (op basis van aantal voertuigkilometers)
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid
Groepsrisico 30/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Thema
Indicator
Subindicator
Beoordelingscriterium Plaatsgebonden risico
Gezonde
MGRi
leefomgeving
MGRi-score (percentage ziektelast als gevolg van geluidhinder en luchtvervuiling)
Windhinder en bezonning
Omgevingsadressen-dichtheid
Gezondheidsbevordering:
Afstand tot bestaande en toekomstige
mate waarin de omgeving
plekken om te bewegen (groen,
uitnodigt tot gezond leven
speelplekken, wandel- en fietspaden, ontmoetingsplekken, maatschappelijke voorzieningen, sport en recreatie)
Verkeer en vervoer
Modal split: verdeling
Auto-, fiets- en OV-gebruik als
(auto/fiets/OV)
hoofdvervoersmiddel in alle verplaatsingen
Wijkvreemd verkeer
Aandeel verplaatsingen op
wegennetwerk
hoofdwegen versus onderliggend wegennet
Duurzame automobiliteit
Percentage elektrische auto’s en beschikbaarheid oplaadvoorzieningen
Verkeersveiligheid
Mate van verkeersveiligheid in de stad (of op de belangrijkste wegen op basis van het risicocijfer)
Bodem en water
Milieuhygiënische
Verwachte ontgravingsklasse en
bodemkwaliteit
toepassingseis
Ondergronds
Intensiviteit gebruik ondergrond in
ruimtegebruik
relatie met eventueel effect bovengronds
Beschikbaarheid
Omvang waterwin- en
drinkwater
grondwaterbeschermingsgebieden
Waterkwaliteit
Kwaliteit van KRW grond- en oppervlaktewater
Klimaatadaptatie
Wateroverlast
Aantal wateroverlastlocaties als gevolg van hevige neerslag (60 mm in 1 uur)
Droogte
Mate van aanpassing gebiedsinrichting aan toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering
Hittestress
Aantal rode (warmere) tot en met paarse (heel veel warmere) gebieden in Eindhoven
Overstroming
Aantal inwoners dat bloot wordt gesteld aan gevolgen van een overstroming 31/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Thema
Indicator
Subindicator
Beoordelingscriterium
Energietransitie
Opgewekte duurzame
Aandeel lokaal opgewekte duurzame
(richting
energie
energie
klimaatneutraal)
CO2-uitstoot
Mate van CO2-reductie
Circulariteit
Circulair beleid
Concreetheid van aanpak en bijbehorende acties, kans op behalen gestelde ambitie voor 2040
Stad in
Cultuurhistorie
ontwikkeling: veranderende
Recreatie
Cultuurhistorische
Kwaliteit van cultuurhistorische
waarden
waarden en erfgoed
Recreatie
Aantal recreatiegebieden en
stad met oog
mogelijkheden voor recreatie en
voor eigenheid
ontspanning (bv theater,
en historie
concertzalen)
Hart van de
Wonen en
Kwaliteit openbare ruimte
Brainportregio:
vestigingsklimaat
Kwaliteitsniveaus uit het Handboek Openbare Ruimte Eindhoven (2021):
een innovatieve
basis, plus, bijzonder en exclusief
economische
Vestigingsklimaat
Kwaliteit van de vier typen
wereldspeler
bedrijven
bedrijventerreinen
Kantoorlocaties
Balans vraag en aanbod
waarin iedereen meedoet
kantoorlocaties Stad voor
Sociale veiligheid
Sociale veiligheid
iedereen: een sociale,
eens onveilig voelt Inclusiviteit
Kansengelijkheid
inclusieve en gastvrije stad
Percentage inwoners dat zich wel
Mate gemengd woningaanbod (% sociale huur)
Adequate voorzieningen
Beschikbaarheid van basisvoorzieningen binnen een acceptabele reistijd
2.2
Beoordelingssystematiek
2.2.1 Indicatoren huidige situatie en autonome ontwikkeling In de factsheets (bijlage 2) is steeds per (sub)indicator en bijbehorend beoordelingscriterium de beoordelingssystematiek toegelicht. Daarna zijn voor elk thema de huidige situatie en de autonome ontwikkeling beschreven en beoordeeld. De beoordeling wordt gedaan met gekleurde smileys: rood is slecht, oranje is redelijk en groen is goed. Tabel 2.2 Legenda symbolen kwaliteitsniveau referentiesituatie Goed
Redelijk
Slecht
32/125
Kenmerk
2.2.2
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Synergie en strijdigheden
Het onderdeel synergie en strijdigheden in het OER is bedoeld om te onderzoeken of er sprake is van mogelijke samenhang of juist tegenstrijdige effecten tussen verschillende onderdelen van het plan. Door deze onderdelen met elkaar te vergelijken, kan worden bepaald of er sprake is van synergie (versterkende effecten) of strijdigheden (verminderende effecten) tussen de verschillende onderdelen. Op basis van deze analyse kan worden bepaald of er maatregelen moeten worden genomen om de negatieve effecten te verminderen of om de positieve effecten te versterken. In tabelvorm zijn de vier deelambities en de zeven stedelijke opgaven tegen elkaar afgezet om te zien of er sprake is van synergie dan wel tegenstrijdigheden tussen die opgaven. Met symbolen is weergegeven of er sprake is van mogelijke strijdigheden, zowel mogelijkheden voor synergie als mogelijke strijdigheden, een beperkte onderlinge invloed of daadwerkelijk mogelijkheden voor synergie. 2.2.3 Omgevingseffecten onderzoeksvarianten Voor alle subindicatoren uit het beoordelingskader (paragraaf 2.1) is een effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie gedaan voor de drie onderzoeksvarianten (alternatieven). Per subcriterium is aangegeven wat voor invloed het betreffende alternatief zou hebben.
Daarbij is een zevenpuntsschaal gehanteerd met de volgende duiding (tabel 2.3): Tabel 2.3 Legenda symbolen effect onderzoeksvarianten Symbool
Betekenis Positieve invloed
Voornamelijk positieve invloed en beperkt negatieve invloed Licht positieve invloed
Geen of neutrale invloed
Licht negatieve invloed
Voornamelijk negatieve en beperkt positieve invloed
Negatieve invloed
3 De Omgevingsvisie 2.0 Omdat het belangrijk is om helder te hebben waar het in de omgevingsvisie en dit OER over gaat, bevat dit hoofdstuk in paragraaf 3.1 allereerst een gebiedsbeschrijving van de gemeente Eindhoven. Vervolgens legt paragraaf 3.2 verslag van het proces voor de totstandkoming van de 33/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
omgevingsvisie. Daarna zal in paragraaf 3.3 uiteen worden gezet op welke manier de gemeente Eindhoven uitwerking geeft aan de gewenste ontwikkelkoers in de Omgevingsvisie 2.0.
3.1
Gebiedsbeschrijving plangebied
Het plangebied van de omgevingsvisie is het gebied waarvoor de omgevingsvisie geldt. Dit is de gehele gemeente Eindhoven (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1 Gemeente Eindhoven, plangebied waarvoor de omgevingsvisie geldt (bron: www.gemeenteatlas.nl)
De gemeente beslaat ongeveer 89 km2 en heeft ongeveer 238.500 inwoners. De gemeente ligt in het zuidoosten van de provincie Noord-Brabant en het is naar inwonertal al sinds het midden van de 20e eeuw de vijfde gemeente van Nederland. De gemeente is ontstaan uit de stad Eindhoven en de omliggende dorpen Woensel, Tongelre, Gestel en Strijp. Sinds 1920 zijn deze omliggende gemeenten samen met Eindhoven onderdeel van de stad Eindhoven. In de jaren ‘90 is Eindhoven uitgebreid met de VINEX-locatie Meerhoven. Eindhoven is onderdeel van de Metropoolregio Eindhoven (MRE) en het stedelijk gebied Eindhoven (SGE). De MRE-gemeenten vormen samen met het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen de triple helix samenwerking Brainport Eindhoven. Brainport Eindhoven is een innovatief ecosysteem in Zuidoost-Brabant. Met een hightech maakindustrie, een designsector en een samenwerkingsmodel. De kennisintensieve maakindustrie kenmerkt zich
34/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
door productie in kleine volumes van technisch complexe producten. Sinds 2016 heeft Brainport Eindhoven de mainportstatus. Eindhoven ligt in het NOVEX-gebied stedelijk Brabant. Een uitgebreidere beschrijving van het ontstaan en de ontwikkelingen van Eindhoven en de regio is opgenomen in hoofdstuk 4 van de omgevingsvisie.
3.2
Totstandkoming omgevingsvisie
In juni 2020 is de eerste omgevingsvisie (1.0) ‘Eindhoven kloppend hart van Brainport’ vastgesteld door de gemeente Eindhoven. Deze omgevingsvisie is gemaakt op basis van het toen vastgestelde beleid. Voor het vaststellen van de omgevingsvisie 1.0 is geen mer-procedure doorlopen, omdat geen kaderstellende keuzes zijn gemaakt. De nieuwe omgevingsvisie bouwt voort op de eerste omgevingsvisie en vult deze aan met strategische keuzes. 3.2.1 Omgevingsvisie 2.0 In de omgevingsvisie wordt beschreven welke stad Eindhoven in 2040 wil zijn. Dit vertaalt zich in de volgende integrale ambitie: “Eindhoven is de stad waar de toekomst gemaakt wordt, met een goede balans tussen onze unieke economie, ecologie en welzijn.” De integrale ambitie is opgedeeld in vier deelambities die niet los van elkaar kunnen worden gezien. De deelambities zijn in balans met elkaar en vullen elkaar aan en vormen samen de integrale ambitie. De vier deelambities zijn: Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad.
Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad. Eindhoven als hart van de Brainport regio: een innovatieve economische wereldspeler waar iedereen mee doet.
Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie
3.2.2 Stedelijke opgaven De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en (wetenschappelijke en gemeentespecifieke) trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die de gemeente in 2040 wil zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van de stad, waarbij ook bestaand beleid en beleid dat in ontwikkeling is, is meegenomen. De stedelijke opgaven zijn:
35/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Eindhoven wordt klimaatneutraal Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainport economie Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen
Naast de ambitie en de stedelijke opgaven zijn in de omgevingsvisie zes verstedelijkingsprincipes opgenomen. Deze principes geven aan hoe de stad ontwikkeld wordt en invulling wordt gegeven aan de stedelijke opgaven om zo de ambitie van Eindhoven te bereiken. De verstedelijkingsprincipes zijn in het OER opgenomen als het voorkeursalternatief (VKA). De verstedelijkingsprincipes zijn:
De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties
De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe
3.3
Synergie en strijdigheden
In een vroeg stadium is gekeken naar de mogelijkheden voor synergie en strijdigheden tussen ambities en stedelijke opgaven: waar ondersteunen ze elkaar en waar ontstaat spanning? Deze input is meegenomen in het formuleren van de onderzoeksvarianten. De verstedelijkingsprincipes (het VKA) zijn pas later ontwikkeld en zijn daarom niet meegenomen in deze beschouwing van synergie en strijdigheden. De legenda is als volgt (tabel 3.1): Tabel 3.1 Legenda synergie en strijdigheden Symbool
Betekenis Mogelijke strijdigheden
Zowel mogelijkheden voor synergie als mogelijke strijdigheden Beperkte onderlinge invloed
Mogelijkheden voor synergie
36/125
Kenmerk
3.3.1 1. 2. 3. 4.
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Deelambities Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad Eindhoven als hart van de Brainport regio: een innovatieve economische wereldspeler waar iedereen mee doet Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie
In figuur 3.2 is weergegeven waar mogelijkheden voor synergie en waar strijdigheden ontstaan tussen de vier deelambities die de gemeente heeft vastgesteld. Onder de figuur wordt dit toegelicht.
Figuur 3.2 Synergie en strijdigheden deelambities
Toelichting Te zien is dat er mogelijkheden voor synergie zijn tussen deelambities 1 en 2. Beide beogen de kwaliteit van de stad en kunnen elkaar versterken. Wanneer de stad klimaatadaptief, gezond, biodivers en duurzaam is, wordt het daarmee ook meer een stad voor iedereen. Een stad voor iedereen (deelambitie 2) kan een stad in ontwikkeling (deelambitie 4) ook versterken. Eindhoven wil sociaal, inclusief en gastvrij zijn en de gemeente is zich ervan bewust dat de ontwikkeling van de stad niet alleen gebeurt door fysieke aspecten (omgeving), maar ook door versterking van de eigenheid en het karakter van de stad, door haar historie. Deelambities 1 en 4 hebben beperkt onderling invloed op elkaar en kunnen naast elkaar bestaan. Deelambities 1 en 3 kunnen elkaar versterken, maar er zijn ook mogelijke strijdigheden te benoemen. Zo zal de Brainportregio om innovatief en een echte wereldspeler te kunnen zijn ook aandacht moeten hebben voor klimaat en duurzaamheid. Tegelijkertijd kunnen hier voor wat betreft ruimtevraag en afhankelijkheid van derden ook uitdagingen ontstaan.
37/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Ook deelambities 2 en 3 kunnen elkaar versterken, maar er zijn ook strijdigheden te benoemen. Een sociale, inclusieve en gastvrije stad is prettig voor mensen om te wonen. Tegelijkertijd zorgt de aantrekkende werking van de Brainportregio er mogelijk voor dat er door een grote ruimtevraag voor onder andere bedrijvigheid en wonen een knelpunt ontstaat. Ten slotte is zijn er mogelijkheden voor synergie en mogelijke strijdigheden te benoemen tussen deelambities 3 en 4. Eigenheid en historie van Eindhoven en Eindhoven als innovatieve economische wereldspeler kunnen elkaar versterken als de ontwikkeling van Eindhoven als hart van de Brainportregio gebeurt met respect voor de eigenheid en historie. Gevaar is dat economische belangen de overhand krijgen ten opzichte van historie en eigenheid. 3.3.2 1.
Stedelijke opgaven Eindhoven wordt klimaatneutraal;
2. 3. 4.
Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier; Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra; Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken;
5. 6.
Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainport economie; Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon;
7.
Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen.
In figuur 3.3 zijn de mogelijkheden voor synergie en de strijdigheden tussen de stedelijke opgaven in beeld gebracht. Onder de figuur wordt dit toegelicht.
38/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Figuur 3.3 Synergie en strijdigheden tussen stedelijke opgaven
Toelichting 1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 2. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier Duurzame energie zorgt voor minder uitstoot en is gezonder. Minder uitstoot en meer duurzaam opgewekte energie draagt bij aan gezond groen en een gezondere leefomgeving voor mens en dier. Maar, klimaatneutraal worden legt ook een claim op veel (groene) ruimte: er zal groene ruimte gebruikt moeten worden om de energietransitie vorm te geven. Bovendien zijn er effecten op gebruik van de ondergrond en daarmee op watersystemen en bodem(leven). 1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra ‘Ruimte voor iedereen en meerdere centra’ betekent dat Eindhoven meer inwoners krijgt en als bijgevolg ook meer bezoekers aantrekt. Eindhoven groeit. Tot 2040 worden er 40.000 woningen gebouwd voor 70.000 nieuwe inwoners. Daarnaast worden er 36.000 arbeidsplaatsen toegevoegd. Deze nieuwe inwoners en bezoekers hebben behoefte aan voorzieningen en verplaatsen zich door de stad. Hiervoor is ruimte nodig.
39/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
De stad groeit, er komen meer verkeersbewegingen en de vraag naar energie neemt toe, terwijl er door de verdichting mogelijk juist minder ruimte is om (duurzame) energie op te wekken. Er is echter nu ook al weinig ruimte en daarom is een combinatie van functies ook in de huidige situatie al het geval. Dat zal zo blijven. Zo kan gedacht worden aan de inzet van daken van bedrijfspanden of van woningen voor opwek van duurzame energie. Het feit dat alles dichter op elkaar gebouwd wordt, kan eraan bijdragen dat de distributie van energie mogelijk makkelijker is. Wanneer er sprake is van verstening door groei, wordt de uitdaging om groen daarin voldoende ruimte te geven bovendien ook groter. Er is slechts beperkt ruimte; over de invulling ervan moet goed nagedacht worden. 1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken Leefbaarheid, sociaal en veilig heeft/hoeft weinig effect (te) hebben op klimaatneutraal. Beide doelen kunnen naast elkaar bestaan. Om dat te bewerkstelligen moeten beide dan wel gezamenlijk bekeken te worden; wanneer dit naast elkaar gezien wordt of na elkaar kan het ruimte en financiële middelen van elkaar wegnemen. De aanpak moet dus in samenhang uitgewerkt te worden. 1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 5.
Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie Of hier sprake is van synergie of strijdigheid hangt sterk af van de wijze van uitvoering en invulling. Met de groei van de Brainporteconomie zal ook de vraag naar energie en warmte toenemen. Er kan ook minder (fysieke) ruimte zijn voor opwek van duurzame energie of voor klimaatadaptieve maatregelen. Aan de andere kant kan inzet van bijvoorbeeld daken van bedrijfspanden voor opwek van duurzame energie of voor groene daken juist ook bijdragen aan een klimaatneutraal Eindhoven. Ook kunnen nieuwe bedrijven/panden klimaatneutraal gerealiseerd worden en juist (gevraagd worden) gericht (te) zijn op klimaatneutraliteit of duurzaamheid. 1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Duurzame mobiliteit kan bijdragen aan een klimaatneutraal Eindhoven: meer elektrische vervoermiddelen, minder uitstoot, emissievrije zones en meer inzet op fiets/wandelen/gebruik OV. Daarbij is echter wel sprake van afhankelijkheid van andere partijen om duurzaam vervoer invulling te geven (partners van de gemeente, maar ook regio, rijk en vervoersbedrijven) en om de overstap te maken naar duurzaam vervoer (consument).
Tegelijkertijd betekent groei meer mobiliteit, wat over het geheel genomen mogelijk het streven naar klimaatneutraliteit lastiger maakt: meer mobiliteit betekent meer vraag naar energie en laadpalen, meer wegen, meer benodigde ruimte voor mobiliteit en mogelijk aantrekken van nietduurzame vervoersmiddelen. Om hierop in te spelen heeft de gemeente daarom ook beleid geformuleerd om de mobiliteitstransitie te faciliteren.
40/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
1. Eindhoven wordt klimaatneutraal vs. 7. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Of hier sprake is van synergie of strijdigheid hangt sterk af van de wijze van uitvoering en invulling. Zo hangt het ervan af of bestaande voorzieningen verbeterd (in dit geval vergroend) worden of dat er nieuwe toegevoegd worden. Wanneer ze worden toegevoegd: op welke locaties is dat dan? Waar nu groen is of bijvoorbeeld in plaats van bedrijven(terreinen)? En op welke manier: is er ruimte voor bijvoorbeeld groene daken of opwek van duurzame energie op of bij de voorzieningen? Door het toevoegen van voorzieningen kan minder (fysieke) ruimte zijn voor opwek van duurzame energie of voor klimaatadaptieve maatregelen. Aan de andere kant kan inzet van bijvoorbeeld daken van deze voorzieningen voor opwek van duurzame energie of voor groene daken juist ook bijdragen aan een klimaatneutraal Eindhoven. Verder stimuleren goede en ‘nabije’ voorzieningen mensen om er lopend of met de fiets heen te gaan, zodat het autogebruik afneemt, wat ook weer bijdraagt aan klimaatneutraliteit. Ook kunnen nieuwe voorzieningen klimaatneutraal gerealiseerd worden en juist (gevraagd worden) gericht (te) zijn op klimaatneutraliteit of duurzaamheid. Zo kan een sportvoorziening of een speelplek op een groene manier ingericht worden of ruimte bieden voor waterberging bij wateroverlast.
Tegelijkertijd zal met de groei van het aantal voorzieningen ook de vraag naar energie en warmte toenemen, wat het streven naar klimaatneutraliteit kan bemoeilijken. 2. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier vs. 3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra Vergroening en het streven naar een gezonde stad voor mens en dier kan heel goed samengaan met het bouwen aan een vitale stad. Deze twee doelen kunnen elkaar versterken. Tegelijkertijd impliceert ‘ruimte voor iedereen en meerdere centra’ ook weer een ruimteclaim (meer uitdaging om te vergroenen) en betekent groei ook meer mobiliteit (alle vormen) die deelt ongezond kan zijn. Mede in verband met dit laatste punt rondom mobiliteit heeft de gemeente ook beleid om de modal split te faciliteren. Zo kan de nabijheid van voorzieningen eraan bijdragen dat mensen eerder gaan lopen of fietsen, wat beter is voor de gezondheid. 2. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier vs. 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken Groener en gezonder voor mens en dier draagt ook bij aan leefbaarheid van wijken. Groen biedt ook gelegenheid voor ontmoeten en draagt daarmee bij aan sociale wijken. Of groen ook veilig is, hangt af van de uitvoering: er moeten dan geen onverlichte stukken bijkomen waar mensen geen gebruik van durven maken. 2.
Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier vs. 5. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie Ruimte voor economie draagt in ieder geval twee risico’s in zich, namelijk de ruimteclaim voor bedrijven en daarmee een uitdaging om daarnaast ook voldoende te vergroenen. En ruimte voor economie vraagt ook om keuzes: wat voor bedrijven wil Eindhoven huisvesten? Zijn dat bedrijven die bijdragen aan een gezonder Eindhoven? Inzet op Brainporteconomie kan spanning opleveren met het streven naar een gezonder Eindhoven, afhankelijk van het soort bedrijvigheid. Economie heeft een aantrekkende werking, wat meer potentieel niet-duurzaam (en dus vervuilend) verkeer betekent. Het feit dat er ‘duurzame’ Brainporteconomie staat, heeft een belofte van duurzaamheid en daarmee potentieel een bijdrage aan een gezonder Eindhoven in zich. 41/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Bovendien kan vanuit het streven naar vergroening juist daarin worden geïnvesteerd bij het werken aan de ‘duurzame’ Brainporteconomie. 2. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier vs. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Duurzame mobiliteit die daadwerkelijk schoon is, is ook gezonder voor mens en dier. Wanneer duurzame mobiliteit ook vorm krijgt in de vorm van het stimuleren van wandelen en fietsen, kan dit bovendien bijdragen aan de gezondheid van de Eindhovenaar. Nabijheid van voorzieningen kan hier zeker aan bijdragen. Door de groei van de stad zal er meer mobiliteit zijn en het valt te bezien of mensen daadwerkelijk zullen kiezen voor duurzame opties. Verkeersveiligheid blijft punt van aandacht en staat enigszins op gespannen voet met een ‘gezond’ Eindhoven. Meer mobiliteit vraagt ook ruimte, wat spanning oplevert met het streven naar vergroening. 2. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier vs. 7. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Het hebben van goede basisvoorzieningen draagt (indirect) bij aan een gezonde stad: gezondheidszorg en supermarkt zijn in de buurt. Topvoorzieningen in de vorm van sportparken of -voorzieningen kunnen bijdragen aan meer groen in de stad en een gezondere leefstijl van mensen.
Kerken en gebedshuizen kunnen ook bijdragen aan de geestelijke gezondheid van mensen. Vergroening kan bijdragen aan de kwaliteit van de basis- en topvoorzieningen, doordat de omgeving van deze voorzieningen er mooier uit kan gaan zien en daarmee aantrekkelijker wordt. 3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra vs. 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken Ruimte voor iedereen en meerdere centra betekent meer woningen, voorzieningen, mensen en aantrekking van mensen en in potentie meer druk op de wijken. Tegelijkertijd kunnen meer ‘ogen op maaiveld’ een gevoel van sociale veiligheid ook vergroten. Daarnaast zorgt juist de toevoeging van woningen en voorzieningen voor levendige wijk- en buurtcentra waarbij ontmoeting gefaciliteerd wordt. Afhankelijk van de precieze inrichting van de wijken kunnen het streven naar een vitale stad met ruimte voor iedereen en leefbare, sociale en veilige wijken elkaar aanvullen en versterken. 3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra vs. 5. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie Een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie trekt mensen aan en draagt daarmee bij aan werkgelegenheid, vitaliteit en toekomstbestendigheid van de stad.
Daarbij is het uiteraard van belang dat er ruimte is voor iedereen en er ook meerdere centra zijn. Tegelijkertijd kan het aantrekken van (buitenlandse) werknemers ook afdoen aan het Brabantse/Eindhovense gevoel in de stad, met name voor de oorspronkelijke bewoners. Een gevoel van samenhang en verbondenheid kan verloren gaan als er te veel ‘import’ komt. Ook kan inzet op de Brainporteconomie een knelpunt opleveren in relatie tot het streven naar ruimte voor iedereen en meerdere centra, namelijk wat betreft ruimte en de beschikbaarheid daarvan. 42/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra vs. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Goede bereikbaarheid draagt bij aan een vitale stad met ruimte voor iedereen. De centra worden met elkaar verbonden en mensen kunnen zich vlot (en veilig en schoon) verplaatsen door de stad. Centra zijn ook mede afhankelijk van bereikbaarheid voor hun succes en vitaliteit. 3. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra vs. 7. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Deze twee opgaven vullen elkaar aan. Basis- en topvoorzieningen kunnen onderdeel zijn van de invulling van de diverse centra in de stad, bedienen mensen in wat ze nodig hebben en kunnen bijdragen aan de vitaliteit en levendigheid van de stad. De voorzieningen zijn ‘voorwaarde’ en nodige toevoeging aan de centra en zorgen ervoor dat er ‘maatschappelijk gezien’ ruimte is voor iedereen. 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken vs. 5. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie Het bouwen aan een sterke en concurrerende Brainporteconomie kan uitdagingen met zich meebrengen als het gaat om leefbare en sociale wijken.
Een te grote toestroom van nieuwe inwoners die vanuit binnen- en buitenland voor werk of studie naar Eindhoven trekken kan zorgen voor extra druk op wijken, voorzieningen en woningvoorraad (leefbaarheid). Daarnaast kan een te grote toestroom een bedreiging creëren voor de sociale samenhang of betrokkenheid op de wijk. De wijk verandert en bestaande bewoners voelen zich niet meer thuis, of men woont ergens vanwege werk maar voelt zich mogelijk niet erg betrokken of verantwoordelijk voor de wijk waarin hij of zij woont (bijvoorbeeld vanwege tijdelijkheid van werk, taal, cultuur, etc.). 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken vs. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Mobiliteit en bereikbaarheid kunnen bijdragen aan leefbaarheid van wijken. Wanneer inwoners en bezoekers zich vlot, veilig en schoon kunnen verplaatsen, betekent dit dat het voor mensen prettig is om op straat te lopen en/of te fietsen. Dit vergroot de leefbaarheid van de wijken en de stad als geheel. Deelmobiliteit kan bijdragen aan het gevoel van ‘samen’ in een wijk. Tegelijkertijd kan een toename van verkeer in wijken ertoe leiden dan de verkeersveiligheid afneemt, ook al wordt de maximumsnelheid aangepast in de bebouwde kom van 50 km/u naar 30 km/u. 4. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken vs. 7.
Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Voorzieningen kunnen bijdragen aan leefbare en sociale wijken: alle basisvoorzieningen zijn voorhanden en op korte afstand te vinden. Het toevoegen en/of verbeteren van goede basis- en topvoorzieningen, zoals zorgvoorzieningen, bibliotheken, sportvoorzieningen en speeltuinen op verschillende plekken in de stad kan eraan bijdragen dat mensen elkaar meer en makkelijker ontmoeten. Tegelijk kunnen bepaalde maatschappelijke voorzieningen (zoals een daklozenopvang) een gevoel van onveiligheid creëren. Verspreiding over de stad zorgt ook voor verspreiding van ‘druk’ op deze voorzieningen.
43/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
5. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie vs. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon Vlotte en veilige bereikbaarheid van locaties draagt bij aan aantrekkelijkheid van bedrijventerreinen en andere werk- en kantoorlocaties. Oftewel: goede bereikbaarheid is bijna voorwaardelijk voor een sterke en concurrerende Brainporteconomie. De Brainporteconomie profiteert ervan wanneer inwoners en werknemers zich vlot, veilig en schoon kunnen verplaatsen. Andersom kan een sterke economische groei extra druk leggen op de bereikbaarheid van de stad. Door te werken aan met name duurzame mobiliteit (en dan met name lopen en fietsen) blijft de stad bereikbaar. 5. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie vs. 7. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen is aantrekkelijk voor werknemers om in te wonen en te werken. Eindhoven trekt daarmee makkelijker goede werknemers aan die bijdragen aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie. 6. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon vs. 7.
Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen Wanneer inwoners en bezoekers zich vlot, veilig en schoon kunnen verplaatsen, betekent dit dat het prettig is voor mensen om op straat te lopen en/of te fietsen. Dit draagt bij aan een levendige stad. Voor het goed functioneren van de basis- en topvoorzieningen is een goede bereikbaarheid belangrijk. 3.3.3 Conclusie Samenvattend is te zien dat deelambities 1, 2 en 4 die gaan over klimaatadaptief, biodivers, duurzaam en gezond, sociaal, inclusief, gastvrij, eigenheid en historie niet strijdig zijn met elkaar en elkaar zelfs kunnen versterken. Dit zijn ambities gericht op mens en welzijn en een ‘passende’ ontwikkeling van Eindhoven als stad. Deelambitie 3 die gaat over Eindhoven als hart van de Brainportregio (en waarin het gaat over de stad als innovatie en economische wereldspeler) draagt meer potentie in zich om strijdig te zijn met de andere ambities. Wanneer economie voorrang krijgt ten opzichte van natuur of welzijn ontstaat er spanning. De opgave rondom een goede inpassing en afstemming is hier dan ook van groot belang. Het is de intentie van de gemeente om de overkoepelende hoofdambitie te bereiken. Deze is (integraal en in samenhang) uitgewerkt in de deelambities. Die deelambities moeten dan ook altijd in samenhang worden beschouwd. De hoofdambitie is bedoeld om die samenhang te waarborgen.
Als gekeken wordt naar de stedelijke opgaven is eenzelfde lijn te zien. Dat is ook logisch, want de stedelijke opgaven komen voort uit het verschil tussen de huidige stad en de stad van de ambities. Er liggen grote uitdagingen op het vlak van de ruimtevraag voor zowel groen en water, als woningen, bedrijvigheid, verduurzaming (energietransitie) en mobiliteit. Er zullen daarom keuzes gemaakt moeten worden over de invulling van de fysieke ruimte binnen het grondgebied van de gemeente. Deze keuzes worden gemaakt in de verstedelijkingsprincipes (zie ook hoofdstuk 5).
44/125
Kenmerk
3.4
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
De Omgevingsvisie 2.0 – onderzoeksvarianten
Het stedelijk gebied Eindhoven (SGE) groeit hard en er zijn de afgelopen jaren veel banen bijgekomen. Met de toewijzing van de mainport-status aan Brainport Eindhoven is de regio sinds 2016 erkend als een van de drie economische kerngebieden van Nederland. In de Omgevingsvisie 2.0 wordt ingevuld hoe de groei eruitziet binnen de grenzen van Eindhoven en in samenhang met de regio. Er is samen met het Rijk, de provincie en de regio een verstedelijkingsakkoord SGE opgesteld, waarin afspraken staan die als uitgangspunt zijn genomen voor de onderzoeksvarianten van het OER: “Eindhoven bouwt 40.000 woningen en realiseert 36.000 arbeidsplaatsen op haar grondgebied tot 2040. We zorgen dat Eindhoven bereikbaar blijft en erkennen dat juist in verdichte steden ruimte voor groen en water extra van belang is.” Onderzoeksvarianten dienen in een OER om consequenties inzichtelijk te maken, het speelveld te bepalen en te helpen keuzes te maken. Om tot keuzes voor de wijze van verstedelijking te kunnen komen en een voorkeursalternatief (VKA) te kiezen zijn daarom een drietal onderzoeksvarianten opgesteld (zie paragraaf 3.4.1 tot en met 3.4.3). Voor deze onderzoeksvarianten zijn in dit OER de effecten bepaald, zodat de (milieu)impact meegenomen kon worden in de vorming van het voorkeursalternatief. De uitgangspunten voor deze onderzoeksvarianten zijn:
De groei van 62.000 woningen in het Stedelijk Gebied Eindhoven tot 2040, waarvan 40.000 woningen binnen de gemeente Eindhoven De groei van 72.000 arbeidsplaatsen in Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) tot 2040, waarvan
36.000 binnen de gemeente Eindhoven Toevoegen van 8 m2 nieuw groen per nieuwe woning Er wordt niet gebouwd in groene wiggen en er wordt rekening gehouden met milieucontouren
De gemeente gaat stapsgewijs werken aan een milieuzone met nul-emissie binnen de Ring in 2030
De onderzoeksvarianten onderscheiden zich van elkaar op een aantal onderdelen:
De verdichtingsstrategie voor wonen en werken De wijze van vergroening van de stad De locaties van basis- en stedelijke voorzieningen6
De mobiliteitsmaatregelen
De uitgangspunten en bovengenoemde onderdelen leiden vervolgens tot drie varianten: Eindhoven City, Stedelijke knooppunten en Gespreide groei.
6
Basisvoorzieningen: maatschappelijke (basis) voorzieningen zoals huisartsen, tandartsen, basisscholen/ speelplekken. Het gaat om voorzieningen in de wijken. Stedelijke voorzieningen: voorzieningen met een stedelijke opvangfunctie zoals horeca en aanbod detailhandel; buurtcentra (stedelijke en wijkvoorzieningen); kerken en gebedshuizen; middelbare scholen; hoger onderwijs: MBO, HBO onderwijs en universiteiten; grootschalige Sportparken (Genneper Parken en Eindhoven Noord); zwembaden; ijsbaan; ziekenhuizen; bioscopen; musea; muziekcentrum en concertzalen; theaters (b.v. Parktheater, Natlab); (top)sportvoorzieningen o.a. atletiek banen, indoorsportcentrum, sportcentrum Tongelreep; maatschappelijke opvang (dak- en thuislozen), maar deze worden in alle scenario’s verdeeld over de stad; centrale stadsbibliotheek (en in wijken ook kleinschalige buurt bibliotheken); topvoorzieningen op gebied van cultuur, theater, zorg, sport met een regionale opvangfunctie. 45/125
Kenmerk
3.4.1
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Onderzoeksvariant 1: Eindhoven City
46/125
Kenmerk
3.4.2
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Onderzoeksvariant 2: Stedelijke knooppunten
47/125
Kenmerk
3.4.3
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Onderzoeksvariant 3: Gespreide groei in de stad
48/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
4 Beoordeling onderzoeksvarianten In dit hoofdstuk zijn de resultaten in een overzichtstabel weergegeven. De uitgebreide resultaten met onderbouwing zijn in bijlage 3 te vinden. De beschrijving en beoordeling van de huidige situatie en autonome ontwikkeling is opgenomen in bijlage 2.
4.1
Effectbeoordeling referentiesituatie en onderzoeksvarianten (alternatieven)
Tabel 4.1 Effectbeoordeling onderzoeksvarianten Subindicator
Beoordelingscriteri
Huidige
Autonome
um
situatie
ontwikkeling
Natura 2000-
Staat van
gebieden
instandhouding
Variant 1
Variant 2
Variant 3
4,3%
4,7%
5,6%
Natura 2000gebieden Natuurnetwerk
Staat van
Brabant (NNB),
instandhouding
buiten Natura
soorten en
2000-gebieden
habitattypen
Biodiversiteit
Omvang biodiversiteit: aantal en omvang leefgebied soorten
Groenstructuren
Kansen voor versterking van bestaande en aanleg van nieuwe groenstructuren
Geluidshinder
Merkbare toename
(door verkeer)
geluidbelasting wegverkeer (op basis van aantal voertuigkilometers)
Luchtkwaliteit
Luchtkwaliteit (NO2/PM10) (op basis van aantal voertuigkilometers)
Omgevingsveiligh
Groepsrisico
eid
Plaatsgebonden risico
MGRi
MGRi-score (percentage
49/125
Kenmerk
Subindicator
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Beoordelingscriteri
Huidige
Autonome
um
situatie
ontwikkeling
Variant 1
Variant 2
Variant 3
ziektelast als gevolg van geluidhinder en luchtvervuiling) Windhinder en
Omgevingsadressen
bezonning
-dichtheid
Gezondheidsbevo
Afstand tot
rdering: mate
bestaande en
waarin de
toekomstige plekken
omgeving
om te bewegen
uitnodigt tot
(groen,
gezond leven
speelplekken, wandel- en fietspaden, ontmoetingsplekken, maatschappelijke voorzieningen, sport en recreatie)
Modal split:
Auto-, fiets- en OV-
verdeling
gebruik als
(auto/fiets/OV)
hoofdvervoersmiddel in alle verplaatsingen
Wijkvreemd
Aandeel
verkeer
verplaatsingen op
wegennetwerk
hoofdwegen versus onderliggend wegennet
Duurzame
Percentage
automobiliteit
elektrische auto’s en
/
beschikbaarheid oplaadvoorzieningen Verkeersveiligheid
Mate van verkeersveiligheid in de stad (of op de belangrijkste wegen op basis van het risicocijfer)
Milieuhygiënische
Verwachte
bodemkwaliteit
ontgravingsklasse en toepassingseis
50/125
Kenmerk
Subindicator
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Beoordelingscriteri
Huidige
Autonome
um
situatie
ontwikkeling
Ondergronds
Intensiviteit gebruik
ruimtegebruik
ondergrond in relatie
Variant 1
Variant 2
Variant 3
met eventueel effect bovengronds Beschikbaarheid
Omvang waterwin-
drinkwater
en grondwaterbescher mingsgebieden
Waterkwaliteit
Kwaliteit van KRW grond- en oppervlaktewater
Wateroverlast
Aantal wateroverlastlocatie s als gevolg van hevige neerslag (60 mm in 1 uur)
Droogte
Mate van aanpassing gebiedsinrichting aan toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering
Hittestress
Aantal rode (warmere) tot en met paarse (heel veel warmere) gebieden in Eindhoven
Overstroming
Aantal inwoners dat bloot wordt gesteld aan gevolgen van een overstroming
Opgewekte
Aandeel lokaal
duurzame energie
opgewekte duurzame energie
CO2-uitstoot
Mate van CO2reductie
Circulair beleid
Concreetheid van aanpak en bijbehorende acties, kans op behalen
51/125
Kenmerk
Subindicator
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Beoordelingscriteri
Huidige
Autonome
um
situatie
ontwikkeling
Variant 1
Variant 2
Variant 3
gestelde ambitie voor 2050 Cultuurhistorische
Kwaliteit van
waarden
cultuurhistorische waarden en erfgoed
Recreatie
Aantal recreatiegebieden en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning (bv theater, concertzalen)
Kwaliteit openbare
Kwaliteitsniveaus uit
ruimte
het Handboek Openbare Ruimte Eindhoven (2021): basis, plus, bijzonder en exclusief
Vestigingsklimaat
Kwaliteit van de vier
bedrijven
typen bedrijventerreinen
Kantoorlocaties
Balans vraag en aanbod kantoorlocaties
Sociale veiligheid
Percentage inwoners dat zich wel eens onveilig voelt
Kansengelijkheid
Mate gemengd woningaanbod (% sociale huur)
Adequate
Beschikbaarheid van
voorzieningen
basisvoorzieningen binnen een acceptabele reistijd
52/125
Kenmerk
4.2
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Samenvattende analyse beoordeling varianten
4.2.1 Variant 1 Variant 1 scoort op een aantal punten (licht) positief, namelijk voor de modal split, de kwaliteit van de openbare ruimte, milieuhygiënische bodemkwaliteit en adequate voorzieningen. Ook scoren een aantal indicatoren voornamelijk positief en beperkt negatief. Dat geldt voor de indicatoren Natura 2000, biodiversiteit, groenstructuren, recreatie en kantoorlocaties. Bij deze variant wordt de bebouwing sterk geconcentreerd op één plek en dat heeft direct negatieve invloed op een aantal indicatoren. Er wordt een (licht) negatieve invloed van variant 1 verwacht op de indicatoren geluidshinder (door verkeer), luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, MGRi, windhinder en bezonning, wijkvreemd verkeer wegennetwerk, verkeersveiligheid, ondergronds ruimtegebruik, beschikbaarheid drinkwater en waterkwaliteit. De invloed op een aantal indicatoren wordt bovendien als voornamelijk negatief en beperkt positief beoordeeld. Dat geldt voor NNB, hittestress, CO2-uitstoot, vestigingsklimaat bedrijven en sociale veiligheid. Deze variant heeft daarmee een overwegend negatieve invloed en op slechts enkele indicatoren een overwegend positieve invloed.
4.2.2 Variant 2 Deze variant scoort (licht) positief voor gezondheidsbevordering, recreatie, kwaliteit openbare ruimte, modal split, milieuhygiënische bodemkwaliteit, wateroverlast, droogte, opgewekte duurzame energie, kansengelijkheid en adequate voorzieningen. Op een aantal indicatoren zal deze variant voornamelijk een positieve invloed en een beperkt negatieve invloed hebben: NNB, biodiversiteit, kantoorlocaties en sociale veiligheid. Bij deze variant is de bebouwing over meerdere stedelijke knooppunten verspreid en dat is terug te zien bij een aantal indicatoren. Variant 2 zal mogelijk een (licht) negatieve invloed hebben op geluidshinder (door verkeer), luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, MGRi, windhinder en bezonning, wijkvreemd verkeer wegennetwerk, verkeersveiligheid, ondergronds ruimtegebruik, beschikbaarheid drinkwater en waterkwaliteit. Op een aantal indicatoren zal de invloed voornamelijk negatief zijn en slechts beperkt positief. Dat geldt voor Natura 2000, groenstructuren, hittestress, CO2-uitstoot en vestigingsklimaat bedrijven. Voor deze variant geldt dat er zowel negatieve invloeden zijn te voorzien, als ook dat op (bijna) evenveel indicatoren een positieve invloed is te verwachten. 4.2.3 Variant 3 Variant 3 heeft maar op 1 indicator een positieve invloed en dat is kansengelijkheid.
Voor een aantal indicatoren wordt wel een licht positieve invloed voorzien: gezondheidsbevordering, modal split, milieuhygiënische bodemkwaliteit, wateroverlast, droogte en adequate voorzieningen. Bovendien wordt op een aantal indicatoren een voornamelijk positieve en slechts beperkt negatieve invloed verwacht, namelijk voor hittestress en vestigingsklimaat bedrijven. Bij deze variant wordt de bebouwing over de hele stad verspreid en daar zijn de negatieve effecten van terug te zien bij een aantal indicatoren.
53/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Variant 3 heeft op een heel aantal indicatoren een (licht) negatieve invloed, namelijk op Natura 2000, NNB, geluidshinder (door verkeer), luchtkwaliteit, MGRi, wijkvreemd verkeer wegennetwerk, verkeersveiligheid, ondergronds ruimtegebruik en CO2-uitstoot. Ook wordt op een aantal indicatoren een voornamelijk negatief en beperkt positieve invloed voorzien: biodiversiteit, groenstructuren en kantoorlocaties. Van deze variant wordt een negatieve invloed op een relatief groot aantal indicatoren verwacht, maar ook een beperkte of neutrale invloed op een aantal indicatoren. 4.2.4
Vergelijking
Eindbeoordeling Kijkend naar de verschillende scores, dan komt variant 2 als beste uit de vergelijking, gevolgd door variant 1. Over het algemeen is de concentratie van woningbouw gunstiger dan verspreiding, met name doordat bij concentratie nabijheid een kernbegrip is. Wanneer wonen, werken, voorzieningen en groen in de buurt zijn, draagt dat bij aan een prettig woon- en werkklimaat en een gezonde en leefbare stad. Men kan in de stad zelf bewegen en recreëren, vervoersbewegingen worden beperkt (gunstig voor luchtkwaliteit, geluid, gezondheid) en gebruik van fiets en OV juist gestimuleerd. Ook voelt men zich veiliger. Varianten 1 en 2 scoren beter op de verkeersindicatoren, wat name komt door de inzet op een autoluw/emmisievrij centrum, de verbetering van OV-verbindingen en toevoeging van de Brainportlijn. Toevoeging van groen en een bijdrage aan de kwaliteit van groen (bijvoorbeeld door groene verbindingen) draagt bovendien positief bij aan klimaatadaptie van de gemeente. Toelichting op de onderdelen De varianten hebben allemaal hun sterke en minder sterke kanten en dat is terug te zien als wordt ingezoomd op de verschillende onderdelen. Voor de natuuronderdelen scoort variant 1 het best, gevolgd door variant 2. Dat komt vooral door de versterking en toevoeging van groenstructuren en NNB en de verbinding tussen deze groenstructuren.
Daardoor zal voor recreatie in potentie meer gebruik worden gemaakt van groen binnen de gemeente, in plaats van Natura 2000. Bovendien zorgt nabijheid van voorzieningen voor minder autogebruik en daarmee minder stikstofdepositie op Natura 2000. Toevoeging van groene verbindingen en groene daken en gevels kan ook bijdragen aan biodiversiteit. Voor gezondheidsonderdelen (geluid, lucht, et cetera) scoort variant 3 net wat beter dan de andere varianten, hoewel variant 1 net iets minder wegvaklengte toevoegt en daarom iets beter scoort voor geluidshinder. In verband met omgevingsveiligheid is verspreide groei het beste, omdat dan het minste mensen geconcentreerd wordt toegevoegd rondom het spoor (aandachtsgebied). Ook voor wat betreft windhinder en bezonning en risico op hinder in verband met grootschalige hoogbouw is verspreide groei het meest positief (minst negatief).
54/125
Kenmerk
R001-1289074RMV-V02-sss-NL
Variant 2 scoort wel beter voor gezondheidsbevordering omdat in deze variant het meest substantieel groen wordt toegevoegd en dat bijdraagt aan het stimuleren van beweging. Ook in variant 3 wordt groen toegevoegd, maar het risico bestaat bij deze variant dat vanwege de verspreide groei en inbreiding er ook groen zal verdwijnen. Luchtkwaliteit en daarmee samenhangend MGRi (percentage ziektelast als gevolg van geluidhinder en luchtvervuiling) gaat er in alle varianten op achteruit als gevolg van de verwachte toename van verkeersstromen door de groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen. Voor verkeer scoort variant 1 het beste, gevolgd door 2 en 3. Dit komt met name door de geconcentreerde toevoeging van nieuwe woningen en de inzet op goede OV-verbindingen. Verwachting is dat vanwege deze geconcentreerde groei, nabijheid van voorzieningen en goede OV-verbindingen mensen eerder geneigd zijn om OV of fiets te kiezen of te lopen. Bovendien zal de verwachte groei van autoverkeer het minst groot zijn bij geconcentreerde groei, wat er ook voor zorgt dat er een minder negatief effect op de verkeersveiligheid wordt verwacht. Bij verspreide groei (variant 3) is de verwachte groei van het autogebruik het grootst, wat ertoe kan leiden dat hoofdwegen voller raken en het interessanter wordt voor auto’s om gebruik te maken van het onderliggend wegennet.
Vanwege grotere groei van het autoverkeer en meer gebruik van het onderliggend wegennet neemt het ongevalsrisico toe in de varianten 2 en 3. Voor de bodem en water scoren de varianten vergelijkbaar. Verdichting heeft als gevolg dat de vraag naar drinkwater toeneemt. Bovendien neemt de waterkwaliteit mogelijk af doordat water minder goed kan infiltreren, er meer kans is op vervuiling door mensen (afval) en ook aanleg van bodemenergiesystemen ervoor kunnen zorgen dat verontreinigingen mee de diepte in worden genomen. Tegelijkertijd kan de bodemkwaliteit er als gevolg van nieuwbouw alleen maar op vooruitgaan omdat in gevallen van verontreiniging sanering zal plaatsvinden. In verband met verdichting en de energietransitie zal de drukte in de ondergrond in alle gevallen toenemen. Variant 3 scoort op gebied van klimaat op een aantal punten net wat beter, gevolgd door variant 2. De toevoeging van groen op maaiveld draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast, droogte en hittestress, waarbij geconcentreerde groei (variant 1 en 2) juist zorgt voor iets meer toename van het stedelijk hitte-eilandeffect. Dat variant 1 iets minder positief scoort in verband met wateroverlast heeft ermee te maken dat er door zeer geconcentreerde verdichting in het centrum meer risico is op opstuwing van grondwater en wateroverlast vanuit de ondergrond.