CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3c - Toelichting Bp. IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling ‘bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)20.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

15.000 woningen bedraagt (als onderdeel van het totaal van 27.000 voor het SGE). Dit vraagt een forse versnelling van de jaarlijkse woningbouw-productie naar ca. 3.000 woningen gemiddeld per jaar. c. De minister, de provincie en het SGE onderzoeken of de versnelling kan worden uitgevoerd binnen de bestaande mogelijkheden. Indien aanpassingen nodig zijn in bijvoorbeeld provinciale beleidskaders, regelgeving of instrumenten, dan spannen de provincie en het SGE zich gezamenlijk

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) in om deze wijzigingen door te voeren. De minister spant zich in om, indien nodig, het toepassen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte mogelijk te maken. Monitoren van de woningbouwplanning en -programmering De woningmarkt is per definitie – en zeker voor de middellange en langere termijn – omkleed met de nodige onzekerheden, samenhangend bijvoorbeeld met (veranderende) demografische,economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Om hier goed op in te kunnen spelen is door het SGE en de provincie een monitoringssysteem ingericht op basis waarvan jaarlijks afspraken worden gemaakt over de woningbouwplanning en -programmering in het SGE. De richtinggevende principes uit de Brabantse Agenda Wonen en de principes uit het Afsprakenkader Wonen 2017 zijn hierbij leidraad. Uitgangspunt is te voorzien in een realistisch, flexibel planaanbod op basis waarvan woningbouwlocaties versneld en vraaggericht worden ontwikkeld. Doel van de monitoring is om steeds een actueel, gezamenlijk beeld te hebben van wat er speelt op de regionale woningmarkt, waar knelpunten zijn of dreigen en welke strategieën moeten worden ingezet om de voortgang van de woningbouwproductie te bevorderen.

Afspraken in Woondeal over voldoende plancapaciteit Plancapaciteit Het SGE heeft de behoefte om tussen 2024 en 2040 tussen de 22.500 en 35.000 woningen te realiseren, waarvan voor Eindhoven tussen de 12.500 en 25.000. Om deze productie mogelijk te maken is ook hier bovenstaande formulering onder punt c. van toepassing. Ter onderbouwing gaat het SGE in 2021, in samenwerking met de provincie, de regionale woningbehoefte nader onderzoeken. De uitkomsten hiervan worden gebruikt voor een actualisatie van het woningbouwprogramma vanaf 2024, als onderdeel van het huidige Afsprakenkader 2017. Monitoren Op basis van het bovengenoemde monitoringssysteem bespreken de minister, Eindhoven, de provincie en het SGE jaarlijks de ontwikkeling van de feitelijke woningbouwproductie en de woningbehoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief, evenals de (harde en zachte) plancapaciteit,met specifieke aandacht voor de betaalbaarheid. Indien nodig wordt op basis van deze monitoring extra inzet gepleegd. Het plan voorziet in seniorenwoningen, in een groene omgeving. Dat past binnen het door de raad vastgestelde Woonprgramma Eindhoven 2021 t/m 2025, waarin hierover is opgenomen: "voor met name wijkgebonden senioren ontbreekt geschikt aanbod in de wijken waar zij nu wonen.

Wij willen hierbij ook inzetten op nieuwe woonvormen zoals 'hofjes' of kleinschalige woonvormen, waarbij aandacht en zorg van medebewoners meer centraal staat. Ook een combinatie van 'oud en jong' kan hierbij helpen. De gemeente staat positief tegenover dit soort innovatieve woonvormen;"

3.7

Verkeer en parkeren

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld en recent geactualiseerd (Actualisatie Eindhoven op weg 2022). Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. Aanschot is een rustige doodlopende straat voor bestemmingsverkeer en een langzaamverkeersroute tussen Blixembosch en Blixembosch-Oost. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; door fietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Het plangebied ligt aan een primaire fietsroute.

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een HoogwaardigOpenbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door een tweetal bushaltes. Op een afstand van 400 – 600 meter van het plangebied zijn enkel bushaltes gelegen (o.a. Bronziet, Smaragd, Opera en Stiffelio). Het treinstation van Eindhoven bevindt zich in het centrum op ca. 5 kilometer van het plangebied. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 19 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2024 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. De Nota Parkeernormen 2024 is vanaf 20 april 2024 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer.

Met de online rekentool is de parkeerbehoefte van beide locaties (nr. 76 en nr. 80) berekend. Deze zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Voor de locatie Aanschot 76 geldt een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen. Voor de locatie Aanschot 80 geldt een parkeerbehoefte van 21 parkeerplaatsen. Op de locaties Aanschot 76 en 80 is voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm. Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders als uitwerking van de daarvoor geldende Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) de Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen vastgesteld. Deze gelden nog steeds. Het succes van een fietsenstalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. Er zijn voorbeelden van stallingen waar fietsers onvoldoende gebruik van maken, terwijl er in de omgeving toch grote behoefte aan fietsparkeerplaatsen is. De aanwezigheid van een fietsenstalling op zich is nog geen garantie dat hij goed wordt gebruikt. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden vastgesteld. Voor de locatie Aanschot 76 geldt een parkeerbehoefte van 38 fietsparkeerplaatsen.

Voor de locatie Aanschot 80 geldt een parkeerbehoefte van 54 fietsparkeerplaatsen.

Autoverkeer Op basis van de landelijke CROW normen is de verkeersgeneratie van het plan berekend. In onderstaande tabel is de berekening weergegeven. De totale verkeersgeneratie van de toekomstige situatie in het plangebied bedraagt 311,21 mvt/etmaal. In de huidige situatie zijn de buurtwinkel, kantoorruimte (ondergeschikte functie van de boerderijwinkel en overige activiteiten) en twee woningen al aanwezig. Daarnaast komen de verkeersbewegingen van de intensieve veehouderijen, die doorgaans bestaan uit vrachtwagens, te vervallen. Aanschot en het omliggend wegennet kunnen de toekomstige verkeersbewegingen op basis van CROW-normering verwerken. Het plan heeft geen negatieve verkeersimpact.

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

3.8

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening 040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers –woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrijemobiliteit noodzakelijk.

Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen(benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrijevoertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobilityconcepten, met een

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaarvervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden.

(Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruiken dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten.

Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) op of aan onze gebouwen. 4) Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld.

We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering.

Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders(belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. Doorwerking plangebied Door de landschappelijke inpassing van dit plan worden de locaties, functies en gebouwen onderdeel van een groene parkachtige omgeving wat tevens zeer functioneel is tegen hittestress. Er wordt aandacht besteed aan de hemelwaterafwikkeling en waar mogelijk worden groene daken gerealiseerd. De woningen worden daarnaast aardgasvrij. Verder is er sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen omdat kleinschalige multifunctionele bedrijven aanwezig blijven die kenmerkend zijn voor deze plek en de wijk versterken, ook worden de woningen voor doelgroepen ontwikkeld en is dagbesteding aanwezig. Deze combinatie van elementen zorgt voor een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling.

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

3.9

Horeca

Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. De nota is op 2 november 2016 gepubliceerd. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid gebiedtypen en in typen horeca. Typen horeca Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee typen horeca: Nat & Droog Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken. Dag, Avond & Nacht Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook datum november 2023 pagina 43 van 69 kijken naar de exploitatietijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving.

Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog. Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de lijst van Horeca-activiteiten. Gebiedstypen In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen: 1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is. 2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieuaspecten. 3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd. Per deelgebied of cluster wordt aangegeven welk gebiedstype van toepassing is. Doorwerking plangebied De omgeving van eht plangebied kan worden aangemerkt als park. Parken worden getypeerd als toelatingsgebied voor horeca. Een (bescheiden) horeca-inrichting kan het gebruik van Eindhovense parken een meerwaarde geven.

Diverse bestaande horecagelegenheden in parken en recreatieschappen (buiten Eindhoven) bewijzen dit. Horeca in parken moet zich verhouden met de omgeving. De exploitatie van een horeca-inrichting in een park mag dus wel een autonome functie hebben maar mag geen onevenredige afbreuk doen aan de gebruikswaarde van het park.Dit betekent onder meer dat zaken als bereikbaarheid, parkeren, afval, bevoorrading, geluid ed.grenzen stellen aan de mogelijkheden. In dit geval is sprake van kleinschalige en op de locatiepassende horeca die de wijk versterkt. De ontwikkeling is in lijn met het horecabeleid.

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

3.10

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig.

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Hoofdstuk 4 4.1

M ilieuhygiënische en planologische aspecten

M.e.r.-beoordeling

In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied Uit de jurisprudentie volgt dat de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r.

afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperktebebouwing op het perceel. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 1) een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2) een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of 3) een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (categorie D.11). Met onderhavig planvoornemen worden twee intensieve veehouderijen getransformeerd naar wonen (totaal 19 woningen), een winkel (110 m2), kantoorruimte (47 m2), ruimte voor dagbesteding/workshops/atelier (110 m2) en horeca (150m2). Dit valt niet direct onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) ligt de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject nog wat genuanceerder.

Het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval gaat het om een project in een bestaande bebouwde omgeving (twee voormalige intensieve veehouderijen) in het buitengebied. Met de transformatie van de bedrijfserven naar woonerven + paviljoen neemt het verhard oppervlakte af. De nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen in de groene setting, waarbij de aanwezige landschapsstrucuur wordt versterkt en landschappelijke kwaliteiten en natuurwaarden worden toegevoegd. Op cruciale plekken wordt er een aanvullende gebiedseigen beplanting voorgesteld, is er een kans om de landschappelijke uitstraling van het gebied te versterken. Daarnaast ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu.

Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

4.2

Bodem

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Doorwerking plangebied Vanwege de nieuwe functies en de beoogde bodemingrepen moet inzicht verkregen worden in de bodemkwaliteit. Derhalve is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen, in deze paragraaf volgen de belangrijkste resultaten. Aanschot 76 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. In de bovengrond zijn bijmengingen met baksteen, beton en kolengruis aangetroffen. Een deel van de onderzoekslocatie (westelijk gelegen) is verhard met puin afkomstig van een gesloopte boerderij in de omgeving. Deze puinverharding werd omstreeks 1990 gerealiseerd. Ter plaatse van boring A12 is in de puinverharding 1 stukje asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In de bovengrond zijn plaatselijk lichte verontreinigen aangetoond met cadmium, koper, zink en PCB.

In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn een matige verontreiniging met barium en lichte verontreinigingen met molybdeen, nikkel en minerale olie aangetoond. De metaalverontreinigingen in het grondwater zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De overige lichte verontreinigingen in de bovengrond en het grondwater zijn waarschijnlijk te relateren aan de aanwezigheid van de bodemvreemde bijmengingen (baksteen, beton, puin, metaal en kolengruis) en de agrarische activiteiten die in de loop der jaren zijn uitgevoerd. De vooraf gestelde hypothese dat het plangebied als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. De aangetoonde verontreinigingen vormen echter geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Er wordt geadviseerd om de aanwezige puinverharding en bodemlagen met puinbijmengingen aanvullend te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest conform NEN 5707/5897. Dit onderzoek wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning voorgelegd. Indien bij de herontwikkeling grond vrijkomt kan (aanvullend) onderzoek naar PFAS eveneens noodzakelijk zijn. Mocht dat noodzakelijk zijn wordt onderzoek uitgevoerd.

Aanschot 80 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Ter plaatse van boring 22 is een zwakke bijmenging met baksteen aangetroffen. Verder is ter plaatse van boringen B06, B16, B17 en B19 een laag puingranulaat in de bovengrond aanwezig. Het aanwezige puingranulaat is gecertificeerd verhardingsmateriaal dat circa 3 jaar geleden is aangebracht. In de bovenen ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en xylenen aangetoond. De lichte verontreiniging met barium in het grondwater is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De lichte verontreiniging met xylenen is waarschijnlijk te relateren aan de agrarische activiteiten die in de loop der jaren zijn uitgevoerd. De vooraf gestelde hypothese dat het plangebied als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. De aangetoonde lichte verontreinigingen in het grondwater vormen echter geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Vervolg Opgemerkt wordt dat de beide locaties van het plangebied ten tijde van het bodemonderzoek voor een groot deel waren bebouwd waardoor bodemonderzoek hier niet mogelijk was. In overeenstemming met de Bouwverordening Eindhoven dient na sloop van de bestaande bebouwing en voorafgaand aan de nieuwbouw (opnieuw) bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Uitgangspunt hierbij is dat het grondwater niet opnieuw/aanvullend onderzocht hoeft te worden. Tevens dient voorafgaand aan de (nieuw)bouw nog een verkennend bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd te worden in verband met de aanwezigheid asbestverdacht materiaal in de bodem. Op het terreindeel waar verhoogde gehalten zijn aangetoond dient een nader bodemonderzoek naar asbest conform NEN5707 plaats te vinden. Dit rapport dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te worden overgelegd. Mocht een verontreiniging met asbest aangetoond worden, kan saneren nodig zijn. Tevens zal na sloop van de bestaande nog aanwezige bebouwing alsnog met een onderzoek moeten worden aangetoond dat de bodem niet verontreinigd is en voldoet aan de normen voor het bouwen van woningen.

4.3

Niet gesprongen explosieven

Voorafgaand aan de werkzaamheden zal zoals gesteld in de Arbeidsomstandighedenwet gezorgd moeten worden voor een veilige werkplek. Uit dien hoofde dient voorafgaande aan de geplande werkzaamheden een onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten te worden uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek wordt in de regelgeving een vooronderzoek conflictperiode(1939-1945) genoemd. Doorwerking plangebied Volgens de gemeentelijke bodembelastingkaart voor ontplofbare oorlogsresten is de locatie niet gelegen binnen een gebied dat verdacht is voor wat betreft ontplofbare oorlogsresten. Aanvullend onderzoek door een erkend bedrijf (CS-Ooo) is daarom niet noodzakelijk.

4.4

Luchtkwaliteit

Het wettelijk kader voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en de onderliggende regelgeving in AMvB’s en ministeriële regelingen. Volgens de Wm is een voorgenomen ontwikkeling wettelijk inpasbaar indien aan tenminste één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden (5.16 lid 1 onder a); 2. Er is (per saldo) geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit (5.16 lid 1 onder b); 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (5.16 lid 1 onder c); 4. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) (5.16 lid 1 onder d). Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen worden twee intensieve veehouderijen getransformeerd naar wonen, een winkel, kantoorruimte en horeca. Dit valt niet onder de kwantitatieve grenzen van de Regeling NIBM en moet een berekening in principe aantonen dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer. Echter kent het plan een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Het is dan ook aannemelijk te veronderstellen dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van het woon- en leefklimaat.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om inzicht te verkrijgen in mate van luchtverontreiniging bij het plangebied. De omgeving moet geschikt zijn voor de beoogde unctie. Op

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) basis van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is onderzocht in welke mate er sprake is van luchtverontreiniging in de nabijheid van het plangebied. Hieruit blijkt dat zowel voor de huidige als toekomstige situatie de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof(PM10) niet wordt overschreden. Doordat de grenswaarden van de Wet milieubeheer niet worden overschreden kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. c.q. geen invloed heeft op de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5

Geluid

Woningen zijn geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan worden nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in de geluidzone van de A50. Derhalve is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin is tevens de weg Aanschot (30 km/u) meegenomen. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Hier volgen de belangrijkste resultaten. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Het is daarbij niet van belang op welke locatie binnen de percelen geluidgevoelige objecten zullen worden gerealiseerd. Het volgen van een hogere waarde-procedure is niet aan de orde. Op basis van de berekende geluidbelastingen kan met voldoende zekerheid gezegd worden dat ter plaatse van (eventuele) geluidgevoelige gebouwen sprake zal zijn van een cumulatieve geluidbelasting tot maximaal 53 dB.

Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels wordt niet nodig geacht. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Doorwerking plangebied Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied (binnen 400 meter) geen risicovolle inrichtingen zijn. Transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen liggen op minimaal 1,2 kilometer (Kennedylaan) c.q. op 600 meter (A50 en buisleiding).

De gemeentelijke visie op externe veiligheid zegt niets over het plangebied. Externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering. Imperial Logistics De locatie is gelegen binnen het invloedgebied van het bedrijf Imperial Logistics aan Ekkersrijt 7604 te Son en Breugel. Vanwege de afstand is rekenkundig onderzoek van het groepsrisico niet nodig. Conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen dient er advies te worden gevraagd bij de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Op 11 mei 2017 heeft de Veiligheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en kleine ontwikkelingen een standaardadvies opgesteld. Samengevat luidt dit advies: Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de bedrijfswoning. Dit is conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012 al reeds verplicht bij nieuwe woningen. Dit hoeft dus niet als voorwaarde bij het bestemmingsplan te worden opgenomen; Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe. Het is een bestaand perceel waarvan enkel de functie wijzigt. Bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid is daarmee op orde. Pas risicocommunicatie toe. De gemeente Eindhoven sluit aan bij de voorzieningen landelijke risicocommunicatie zoals NL-alert.

Visie externe veiligheid Het plangebied is gelegen binnen het invloedgebied van het bedrijf Imperial Logistics aan Ekkersrijt 7604 te Son en Breugel. Conform de visie Externe Veiligheid van de gemeente Eindhoven mogen er geen nieuwe zeer kwetsbare objecten worden gerealiseerd in een invloedsgebied. Echter ligt een groot gedeelte van Noord-Eindhoven in het invloedsgebied van Imperial Logistics, dit zou betekenen dat hier geen nieuwe zeer kwetsbare objecten kunnen komen, dit is niet wenselijk, in verband met het functioneren van het gebied. De risicocontour is gebaseerd op het scenario 'gifwolk'. Dit houdt in dat als er een calamiteit is dat bewoners moeten schuilen en de ventilatie moeten uitzetten en ramen en deuren moeten sluiten. Voor nieuwe woningen, geldt conform het Bouwbesluit, dat als deze uitgerust zijn met mechanische ventilatie deze moet kunnen worden uitgezet. Dit samen met de grote afstand tot de inrichting (ruim 1,3 kilometer) en de aard en omvang van de ontwikkeling leidt dat de ontwikkeling op een veilige manier kan worden gerealiseerd en de ontwikkeling de intentie van de visie niet in de weg staan.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

4.7

Flora en Fauna

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk bestaande bebouwing te slopen en nieuwe gebouwen te realiseren. Dit kan negatieve effecten hebben op beschermde gebieden en flora en fauna. Door Econsultancy is op 1 oktober 2020 een quickscan flora en fauna opgesteld. De bevindingen uit die rapportage zijn gezien het tijdsverloop van bijna 4,5 jaar niet meer bruikbaar ten behoeve van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Om die reden is door Ecoconsultancy per 30 januari 2025 een nieuwe ecologische quickscan opgesteld, gebaseerd op waarnemingen van 18 oktober 2023. In deze paragraaf volgen de belangrijkste resultaten van de quickscan.

De complete rapportage is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, bevindt zich op circa 10 kilometer afstand.Op ongeveer 11,5 kilometer afstand naar het zuidoosten ligt Natura 2000 gebied Strabrechtse Heide & Beuven en zuidwestelijk op 11,8 kilometer Natura 2000 gebied Kempenland-West. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling. licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 10 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen niet te verwachten. Om naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State in het kader van het PAS zekerheid te verkrijgen ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de bouwwerkzaamheden, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd en een notitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.

Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich op minimaal 850 meter. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. De bomen op / rondom de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt de gemeentelijke Verordening Bomen 2021 Soortbescherming Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen geen marterachtigen voor.

Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Uit een voormalige quickscan van Econsultancy uit 2020 bleek dat er toentertijd sporen van kerkuil waargenomen zijn. Tijdens het veldbezoek in oktober 2023 is er intensief uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen meer aangetroffen.Gelet op de gemiddelde levensduur van kerkuilen van 2 jaar is het waarschijnlijk dat dit specifieke individu de drie jaar tussen de twee veldbezoeken simpelweg niet heeft overleefd en dat de verdere achteruitgang van de staat van de opslagloods ertoe heeft geleid dat een nieuwe kerkuil zich er niet meer gevestigd heeft omdat de kwaliteit van de roestplaats dermate is afgenomen. Aanwezigheid van de Steenuil is op voorhand uitgesloten door het ontbreken van sporen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Indien deze vegetatie wordt verwijderd, zijn er nog voldoende schuil en foerageermogelijkheden aanwezig in de omgeving van het plangebied.

Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. In de verdere planuitwerking wordt de ambitie meegenomen om de locatie door middel van natuur-inclusief bouwen ecologisch te versterken.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen,wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Doorwerking plangebied Met dit planvoornemen worden zowel woningen als milieubelastende functies (detailhandel en horeca) mogelijk gemaakt. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als rustige woonwijk. In de directe omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. De dichtstbijzijnde inrichtingen liggen aan de Castiliëlaan op een afstand van 400 meter. Dit betreffen maatschappelijke inrichtingen met milieucategorie 2 en een grootste richtafstand van 30 meter. Deze hebben geen invloed op het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied.

De boerderijwinkel en het theehuis (detailhandel en horeca) hebben een milieucategorie van respectievelijk 2 en 1 met grootste richtafstanden van 30 en 10 meter. De woningen in het plangebied en de bestaande woningen in de omgeving liggen op een grotere afstand van 30 en 10 meter tot beide functies. Hierdoor is zowel sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en wordt de bedrijfsvoering niet gehinderd. Horeca-terras Naast het gebouw van het horecapaviljoen, beschikt de horeca ook over een terras. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is ook het aspect stemgeluid afkomstig van het terras nader beoordeeld. Het terras ligt op minimaal circa 35 meter van geluidgevoelige functies binnen het initiatief. Geluidgevoelige functies in de omgeving zijn gelegen op een afstand van minimaal circa 115 meter.

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Afbeelding 4.1: afstand terras ten opzichte van omliggende woningen. Ondanks dat ruim aan de richtafstand wordt voldaan volgt een korte beoordeling. Bij de globale beoordeling wordt uitgegaan van 50 personen op het terras. Het bronvermogen van stemgeluid volgt uit het 'Journaal Geluid, december 2009, nr. 10' van de Nederlandse Stichting Geluidshinder. Uitgegaan wordt van verheven sprekende personen. Het bronvermogen bedraagt 70 dB(A) per persoon. Bezoekers zullen grotendeels met groepen van 2 of 4 personen zijn. Gemiddeld is dan 1 op de 3 bezoekers aan het praten. Er zijn dan maximaal 16,67 personen tegelijk aan het praten. Het bronvermogen bedraagt dan 70 + 10 x log(16,67) = 82,22 dB(A). Tijdens het spreken zullen de sprekers naar elkaar toegewend zijn, zodat een deel van de sprekers richting bepaalde geluidgevoelige bestemmingen spreekt, en een ander gedeelte van deze geluidgevoelige bestemmingen af. Vanwege de richtingsindex van spreekstemmen wordt het bronvermogen met 3 dB(A) gecorrigeerd naar 79,22 dB(A). Worst-case is ervan uitgegaan dat dit bronvermogen zich gedurende de gehele dag- en avondperiode (dus tussen 07.00 en 19.00 uur) voordoet (geen bedrijfsduurcorrectie). De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 35 meter: 20 x log (35) + 9 = 39,88 dB(A).

Het geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige functies binnen het initiatief bedraagt dan ten hoogste 79,22 – 39,88 = 39,34 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode (45 dB(A)) en avondperiode (40 dB(A)) voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een rustige woonwijk, zelfs zonder rekening te houden met een bedrijfsduurcorrectie. De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 115 meter: 20 x log (115) + 9 = 50,21dB(A). Het geluidniveau ter plaatse van bestaande geluidgevoelige functies in de omgeving bedraagt dan ten hoogste 79,22 – 50,21 = 29,01 dB(A). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode (45 dB(A)) en avondperiode (40 dB(A)) voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een rustige woonwijk, zelfs zonder rekening te houden met een bedrijfsduurcorrectie. Voor de maximale geluidsniveaus (piekgeluiden) is uitgegaan van een luid roepend persoon met een bronvermogen van 90 dB(A). De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 35 meter: 20 x log (35) + 9 = 39,88 dB(A). Het maximaal geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige functies binnen het initiatief bedraagt dan ten hoogste 90 – 39,88 = 50,12 dB(A).

Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde voor de maximale geluidsniveaus in de dagperiode (65 dB(A)) en avondperiode (60 dB(A)) voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een rustige woonwijk. De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 115 meter: 20 x log (115) + 9 = 50,21 dB(A). Het maximaal geluidniveau ter plaatse van bestaande

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) geluidgevoelige functies in de omgeving bedraagt dan ten hoogste 90 – 50,21 = 39,79 dB(A). Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde voor de maximale geluidsniveaus in de dagperiode (65 dB(A)) en avondperiode (60 dB(A)) voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een rustige woonwijk. Kortom, met voorliggend initiatief is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en wordt de bedrijfsvoering niet gehinderd. Het onderdeel bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Gezondheid

De beoogde ontwikkeling betreft de gevoelige functie ‘wonen’. Hierbij dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Binnen een straal van 200 meter zijn geen varkens- of pluimveehouderijen aanwezig. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een straal van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt buiten de indicatieve zone van een hoogspanningsleiding. Derhalve vormt deze geen belemmering voor onderhavig plan.

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning)

Nationaal Waterplan 2022 - 2027 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

5.2.2

Provinciaal beleid

– Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor dewateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en dewaterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: eenklimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Dezeopgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken,infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, eenconcurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Samenwerking met water- en bodempartners De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, deBrabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillendeonderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Water en bodemsysteem herstellen Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren.

Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer ommoet: we moeten zuinig zijn op

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80) ons water en de bodem, en het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

5.2.3

Beleid Waterschap

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen.

De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied;datum november 2023 pagina 56 van 69 van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15538673/2