Bijlage 3a - TAM-omgevingsplan Gendertoren - Motivering
Tekst van het document
Door de groei van de stad is er meer behoefte aan woningen, ruimte om je door de stad te verplaatsen, groen, water, voorzieningen, energie en ruimte om te werken. Maar de ruimte in de stad is schaars. Dit zorgt ervoor dat we slim om moeten gaan met de ruimte die we hebben. Het combineren van verschillende functies in één gebied, zoals wonen, werken, groen en voorzieningen heeft veel voordelen. We behalen ruimtewinst en verbeteren de kwaliteit en levendigheid van die gebieden.
Dit vraagt om randvoorwaarden voor de verstedelijking. Deze randvoorwaarden zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes. De verstedelijkingsprincipes zijn integraal en geven inzicht in de wijze waarop de verschillende stedelijke opgaven in samenhang tot elkaar opgepakt worden. Ze zijn noodzakelijk om de ruimtelijke ambities van Eindhoven waar te maken.
De verstedelijkingsprincipes zijn: vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
47
De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad. Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk. Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn. De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad. De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties. De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe. Welke opgave hebben we om de ambitie te bereiken? De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die we in 2040 willen zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van onze stad. De stedelijke opgaven zijn allemaal even belangrijk en moeten in samenhang met elkaar worden opgepakt.
De stedelijke opgaven zijn: Eindhoven wordt klimaatneutraal. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken. Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen. Samen met de stad werken wij aan de stedelijke opgaven. We zoeken de samenwerking op met onze ketenpartners (bijvoorbeeld Waterschap, ODZOB, Veiligheidsregio en GGD), bedrijfsleven, overheden (rijk, provincie, SGE en MRE), inwoners, ondernemers, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, ontwikkelaars en belangenorganisaties.
Toetsing Het voorliggende plan draagt in belangrijke mate bij aan de stedelijke opgaven zoals benoemd in de Omgevingsvisie. Door de realisatie van 92 appartementen op een onbebouwde locatie binnen De Ring wordt invulling gegeven aan de ambitie om de groei van de stad te accommoderen door middel van verdichting op strategische plekken.
De ontwikkeling vindt plaats zonder afbreuk te doen aan de identiteit van de buurt en met behoud en uitbreiding van het aanwezige groen. Hiermee wordt niet alleen voorzien in de grote behoefte aan betaalbare woningen, maar wordt ook bijgedragen aan een gezonde en inclusieve leefomgeving.
De ligging nabij het stadscentrum en hoogwaardige openbaarvervoersvoorzieningen (HOV) sluit aan bij de doelstelling om duurzame mobiliteit te stimuleren. Daarnaast wordt in het ontwerp aandacht besteed aan energiezuinigheid, klimaatadaptatie en sociale samenhang, onder meer door de realisatie van een gezamenlijke huiskamer en het versterken van de relatie met het omliggende park.
48
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
Conclusie Gelet op het voorgaande is het projectvoornemen in lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie van de gemeente Eindhoven.
6.3.2
Volkshuisvesting
6.3.2.1 Regionaal beleid Het initiatief maakt de bouw van 92 appartementen mogelijk. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Samen met de acht omringende gemeenten (Best, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen. Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre) vormt Eindhoven het Stedelijk Gebied Eindhoven. In dit verband werken de gemeenten samen aan regionale opgaven op het gebied van wonen. Het SGE is een subregio van de Metropoolregio Eindhoven, die in totaal 21 gemeenten omvat.
Afsprakenkader Wonen SGE 2022 Het afsprakenkader geeft aan hoe de negen SGE gemeenten omgaan met de afstemming van woningbouwplannen. Het biedt kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor de komende jaren. Onze gezamenlijke opgave is om veel en snel nieuwe woningen te bouwen en deze groei in goede banen te leiden vanuit een scherp kwaliteitsbesef. We maken dus in het Stedelijk Gebied Eindhoven een schaalsprong in de woningbouwopgave. Met dit afsprakenkader waarborgen we daarbij de kwaliteit, betaalbaarheid, innovatie, diversiteit en duurzaamheid. En behouden we onze specifieke woon- en leefkwaliteit in deze regio, de unieke schakering van woonmilieus variërend van hoogstedelijk tot landelijk, tussen prachtige natuurlijke en recreatieve groen-blauwe landschappen oftewel onze 'City of Villages'.
We richten ons bij de woningbouwopgave op inbreiding en transformatie. Dit is in lijn met het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Uit de inventarisatie van plancapaciteit en woningbehoefte blijkt dat er, op de eerder afgesproken negen majeure locaties en de twee recent aangewezen locaties De Kemmer (Oirschot) en Castiliëlaan (Eindhoven) na, geen noodzaak is voor en geen behoefte is aan nieuwe grootschalige uitbreidingslocaties.
Voor nieuwe uitbreidingslocaties geldt daarom nog steeds het uitgangspunt: 'Nee, tenzij…'. Uitbreiden kan alleen onder de volgende voorwaarden: 1. Er is sprake van een ontwikkeling die qua aard en schaal past op de locatie; 2. De ontwikkeling zorgt voor een duurzame afronding van het stedelijk gebied; 3. Hierbij is kwalitatieve landschappelijke aansluiting/ inpassing leidend. Daarnaast: 4. Monitoren we de woningmarkt voortdurend. Als veranderende prognoses erop wijzen dat wel grootschalige uitbreidingslocaties nodig zijn om te voorzien in de regionale kwalitatieve of kwantitatieve woningbehoefte (Laddertoets), zal herijking van dit afsprakenkader nodig zijn. 5. Toetsen we woningbouwplannen aan de 7 Brainport Principes om de kwaliteit hoog te houden. Dit zijn: 1. Koesteren van Identiteit; 2. Ruimte voor Innovatie; 3. Invloed voor bewoners; 4. Vraaggericht ontwikkelen; 5. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus: de wauw-factor; 6. Benutting regionaal schaalniveau; 7. Gezonde verstedelijking. 6. Laten we ons inspireren door de SGE-woningmarkt aquarel: de aquarel (voorheen 'kwadrantenbenadering') inspireert ons om met woningbouwprojecten aan te sluiten bij het vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
49
karakter en de unieke kwaliteiten van het gebied. Zo creëren we diversiteit en kwalitatieve samenhang in woonmilieus in plaats van eenheidsworst. Woondeal 2023 Op 9 maart 2023 is de Woondeal Zuidoost- Brabant getekend. Rijk, Provincie, MRE gemeenten en woningcorporaties starten hiermee een langjarige samenwerking om de woningbouwproductie in onze regio te vergroten. De regio Zuidoost-Brabant staat voor de opgave om minimaal 45.000 woningen toe te voegen in de periode 2022 t/m 2030. Een gigantische opgave waar Rijk, Provincie Noord-Brabant, regiogemeenten en corporaties zich gezamenlijk voor gaan inzetten. In de Woondeal maken we afspraken over ieders rol en bijdrage aan deze opgave. De gemeente Eindhoven staat in de periode van 2022 t/m 2030 voor 19.885 woningen aan de lat.
Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen streven we ernaar dat twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal spreken we af dat nieuwe projecten (gemiddeld) uit minimaal 30% sociale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen bestaan. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per gemeente verschillend zijn. Het lokale woonprogramma van gemeente Eindhoven voldoet aan deze voorwaarde en blijft daarmee leidend.
Met de woondeals nemen we samen de regie op de volkshuisvesting
Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven 2019 In de Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven uit april 2019 geven de SGE-gemeenten een kwalitatieve invulling aan het Afsprakenkader 2017. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van twee conceptuele handvatten: de kwadrantenbenadering en de uitgewerkte Brainport Principes. De kwadrantenbenadering bevordert de diversiteit bij nieuwe woningbouwprojecten door in te zetten op de eigenheid en kwaliteiten van alle afzonderlijke plekken binnen het SGE. De Brainport Principes zijn algemene kwaliteitscriteria waaraan ieder woningbouwproject wordt getoetst. Zo houden de regiogemeenten zichzelf scherp in het maken van unieke woongebieden die van toegevoegde waarde zijn op het bestaande palet in de regio.
Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 In 2020 hebben de gemeenten in het SGE gezamenlijk opdracht gegeven aan Stec Groep voor de uitvoering van een regionaal woningbehoefteonderzoek voor de periode tot 2040.
Kwantitatieve opgave In het in mei 2021 gereedgekomen Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven wordt onderbouwd dat het aantal huishoudens in het SGE tot 2040 naar verwachting met circa 48.700 zal toenemen. Daarnaast is er een opgave om het huidige woningtekort in te lopen. De totale woningbouwopgave voor het SGE komt daarmee uit op 53.900 woningen tot 2040.
In de gemeente Eindhoven zouden volgens dit onderzoek tot 2040 ongeveer 35.280 extra woningen moeten worden gerealiseerd. De behoefte aan extra woningen is vooral fors in de periode 2020-2025. In de eerst komende 5 jaar is er regionaal een uitbreidingsbehoefte van 50
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
circa 16.400 woningen, circa 30% van de woningbehoefte tot 2040. In de MIRT-afspraken met het Rijk is vastgelegd dat de gemeenten in het SGE tot 2040 de bouw van 62.000 woningen faciliteren.
Kwalitatieve opgave Het Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven geeft ook inzicht in de (ontwikkeling van de) kwalitatieve woningbehoefte. De verwachte groei van het aantal huishoudens is volgens dit onderzoek terug te zien in alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder 65-plussers. Waar gezinnen nu nog het merendeel van alle huishoudens in het SGE vormen, bestaat in 2040 het grootste gedeelte van de huishoudens uit alleenstaanden en stellen van 65 jaar of ouder.
Specifieke doelgroepen De toename van het aantal 65-plus huishoudens zorgt ook voor een groeiende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor zelfstandig wonen met ondersteuning en zorg aan huis. In de periode tot 2040 wordt een sterke toename verwacht van het aantal inwoners met een indicatie voor langdurige zorg. Door het extramuraliseringbeleid van de rijksoverheid zal het aanbod van intramurale verzorgingsplaatsen naar verwachting niet evenredig meegroeien.
Een specifieke woningvraag is verder te verwachten van studenten. In de gemeente Eindhoven wordt tot het collegejaar 2027-2028 een groei van 120 tot 660 uitwonende studenten verwacht. In de gemeente Helmond blijft het aantal uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028 naar verwachting stabiel. Voor de andere gemeenten in het SGE is geen informatie beschikbaar over de woningbehoefte van studenten.
De vraag van kennismigranten (expats) maakt onderdeel uit van de totale woningvraag in het SGE. Volgens onderzoek van het PON zijn in het Stedelijk Gebied Eindhoven daarnaast bijna 20.500 internationale werknemers werkzaam, die veelal productiewerk verrichten.
Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven 2020 In november 2020 stelden de SGE-gemeenten het Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven vast. De regionale ambitie is om in de periode 2021 tot en met 2024 circa 4.000 humane huisvestingsplaatsen voor internationale werknemers te realiseren. Er zijn geen afspraken over specifieke aantallen per gemeente, maar iedere gemeente heeft passend bij de aard en omvang een eigen verantwoordelijkheid. In het afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen huisvesting: tijdelijke huisvesting (korter dan 2 tot 3 jaar) en permanente huisvesting (internationale werknemers die zich definitief vestigen in Nederland). Hierbij is bekend (op basis van ervaring) dat zo'n 80% van de internationale werknemers in de regio er op tijdelijke basis is en zo'n 20% zich definitief vestigt. De woningbehoefte van internationale werknemers die zich definitief in het SGE willen vestigen, maakt onderdeel uit van de totale regionale woningbehoefte.
6.3.2.2 Lokaal beleid Woonvisie 2015 Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Eindhoven de Woonvisie 2015 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gemeentelijke ambities op het gebied van bouwen en wonen en steunt op drie pijlers: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad. vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
51
Ambitieuze stad Eindhoven groeit en wil verder verstedelijken, in het bijzonder in het gebied binnen de Rondweg (Ring). Hierbij wordt gestreefd naar een gemengde en gevarieerde woonomgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En die tegelijkertijd ook groen en gemoedelijk blijft.
Solidaire stad De gemeente wil dat Eindhoven een inclusieve en solidaire samenleving is. De meeste inwoners kunnen hierin zelf hun plek vinden. Minder zelfredzame inwoners worden hierbij ondersteund. Door de vergrijzing en de decentralisatie van de langdurige zorg, neemt de vraag naar passende huisvesting voor ouderen en bijzondere doelgroepen toe. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie van bijzondere doelgroepen in bepaalde wijken is ongewenst.
Innovatieve stad De gemeente Eindhoven daagt ontwikkelaars van nieuwe woningen uit om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. Ook in de aanpak van de bestaande woningvoorraad en in de transformatie van kantoren en zorgvastgoed is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Voor inwoners die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte, die snel beschikbaar en financieel bereikbaar is, worden in Eindhoven flexwoningen ontwikkeld. Dit biedt tevens kansen voor transformatie van leegstaand vastgoed. Verder wil de gemeente Eindhoven dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor huishoudens met een hoger inkomen.
Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 Vanwege de hoge dynamiek op de woningmarkt heeft de gemeenteraad op 15 december 2020 het Woonprogramma 2021-2025 vastgesteld. Het Woonprogramma sluit aan bij eerder vastgesteld beleid voor wonen en de fysieke leefomgeving. De ambities uit de Woonvisie 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad, maar komen door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren in een ander daglicht te staan. Met het oog daarop kiest de gemeente voor een accentverschuiving richting de volgende ambities: forse groei van de woningvoorraad (binnen én buiten de ring) om de grote groei van woningen te kunnen opvangen; een evenwichtig woningaanbod, zodat alle inwoners een betaalbare woning kunnen vinden; voldoende geschikte woningen voor kwetsbare inwoners. Eindhoven streeft ernaar om jaarlijks minimaal 3.000 extra woningen aan de voorraad toe te voegen.
Voor de stad als geheel is voor de periode 2024-2025 de onderstaande differentiatie leidend: Categorie
52
Prijspeil 2020
Aandeel in Doelgroepen die w e hierm ee bedienen nieuw bouw -pr ogram m a
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
Sociale huur
< € 879,66
30%
Starters (jongeren), gezinnen met lagere inkomens, doorstromers uit studentenkamers
Middenhuur
€879,66 € 1.123,13
15%
Internationals, doorstromers uit sociale huur (scheefw oners), w elgestelde ouderen.
Dure huur
>€ 1.123,13
0%
Internationals, w elgestelde ouderen.
Sociale koop
< € 230.000
20%
starters (jongeren) startende gezinnen.
Middeldure koop laag Middeldure koop hoog
€ 230.000 €275.000 € 275.000 – € 390.000
20%
Starters (jongeren), gezinnen (jonge en oudere), doorstromers uit sociale huur/koop, blijvende internationals.
Dure koop
>€390.000
15%
Doorstromers uit de koop, blijvende internationals
TOTAAL
100%
Deze percentages hoeven niet bij elk woningbouwproject gerealiseerd te worden. De exacte invulling op projectniveau is onder meer afhankelijk van het (beoogde) woonmilieu en de bestaande woningvoorraad in het betreffende gebied.
Woon-zorgvisie 2023-2030 De woonzorgvisie richt zich op zelfstandig wonende ouderen en inwoners in een kwetsbare positie. De visie van de gemeente Eindhoven ten aanzien van wonen en zorg is: Inwoners wonen veilig en betaalbaar in Eindhoven. Zij zijn zoveel mogelijk samenredzaam. De woonomgeving stimuleert dit, daagt uit tot een gezonde leefstijl en is toegankelijk en leefbaar voor iedereen.
Ambities / outcome 1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar. 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften. 3. Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar. 4. Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken Doelstellingen / output Onderstaand de belangrijkste doelstellingen/ output van de woonzorgvisie: 1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar: Vergroten van kwalitatief hoogwaardig en aantrekkelijk woningaanbod voor ouderen; Bevorderen van doorstroom onder ouderen naar een passende woning; Vergroten van het aantal geclusterde woningen en levensloopbestendige woningen in woonzorgcirkels; Versnelde realisatie van sociale huurwoningen en betere woonruimteverdeling; Woningprogrammering richten op de specifieke woonbehoeften van inwoners in een kwetsbare positie; Meer regie op locaties voor instellingszorg. 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften: De leefomgeving in Eindhoven is toegankelijk voor mindervaliden en is dementie- en GGZ vriendelijk; Fysieke woonomgeving bevordert de gezondheid en nodigt uit tot het maken van gezonde vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
53
keuzes; Sociale basisvoorzieningen zijn beschikbaar in de wijk voor ontmoeting en vrijwillige ondersteuning; Wijken bestaan uit een mix van bewoners en zijn leefbaar. 3. Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar: Inzet meer gericht op preventie en gezondheid, zorg en ondersteuning zijn aanvullend; Versterken van informeel en formeel netwerk van inwoners; Meer herstelgerichte zorg en clustering van zorgvragers 4. Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken: Zelfstandige sociale huurwoningen verduurzamen vanuit het Duurzaamheidspact; Zorgvastgoed verduurzamen met Greendeal Wonen en Zorg Toetsing Het initiatief maakt 92 appartementen mogelijk waarvan 76 appartementen in het segment sociale huur en 16 appartementen in het segment (betaalbare) koop. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Uit de Woondeal 2023, Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 en Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 volgt dat er kwantitatief nog ruimschoots behoefte is aan nieuwe woningen. Er is enorm veel vraag naar appartementen in het sociale huursegment en in het segment (betaalbare) koop. Bij de ontwikkeling worden de appartementen binnen de Ring op korte afstand van het centrum gerealiseerd.
De locatie is goed te bereiken zowel met de auto als met openbaar vervoer. De ontwikkeling is daarnaast getoetst door het Coördinatieteam Wonen SGE. De toetsing heeft uitgewezen dat het plan voldoende tot zeer goede invulling geeft aan de Brainport Principes.
Conclusie Het project sluit kwalitatief aan bij de lokale en regionale ambities voor volkshuisvesting. Kwantitatief is er nog ruimschoots behoefte aan de woningen die met dit project aan de woningvoorraad worden toegevoegd.
54
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 7
Fysieke leefomgeving en milieu
7.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
7.1.1
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.1.2
Toetsing
Stedelijke ontwikkeling Allereerst is hier de vraag aan de orde in hoeverre hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".
Voor een woningbouwlocatie volgt uit jurisprudentie dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder is voorts alleen van toepassing op een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
Initiatiefnemer is voornemens om 92 appartementen te realiseren. Dit betekent dat er sprake vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
55
is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl. Een beschrijving van de behoefte is in het kader van het Bkl benodigd. Beschrijving van de behoefte De druk op de woningmarkt in de gemeente Eindhoven is de afgelopen jaren toegenomen. Het aanbod aan woningen is beperkt, terwijl de groep woningzoekenden aanzienlijk groter is dan een aantal jaar geleden. Daarbij geldt dat het aantal huishoudens groeit en het gedeelte eenpersoonshuishoudens fors toeneemt. Nog steeds zoekt het overgrote deel van de woningzoekenden een permanente, zelfstandige woning. Tegelijkertijd is sprake van een grote mate van vergrijzing.
Het programma van de Gendertoren is volledig sociaal en richt zich op één- á tweepersoonshuishoudens. Met het oog op het bestaande programma aangrenzend aan de planlocatie met welzijn, zorg en wonen voor ouderen, focust Wooninc. zich met name op de senior als toekomstige bewoner van de Gendertoren. Daarmee wordt volledig aangesloten op de behoefte op de woningmarkt. 7.1.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor dit bouwplan.
7.2
M.e.r.-beoordeling
7.2.1
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.
De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. 56
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
7.2.2
Toetsing
De ontwikkeling voorziet in de bouw van één appartementengebouw voor 92 woningen. Het pand heeft een oppervlakte (footprint) van circa 538 m2. Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob, namelijk activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, zie bijlage 3 .
7.2.3
Conclusie
Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden.
7.3
Milieubelastende activiteiten
7.3.1
Algemeen
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: 1. ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; 2. voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsuitvoering belemmeren. Getoetst dient te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsuitoefening worden geschaad. In het oude bestemmingplan is gebruik gemaakt van milieucategorieën en richtafstanden conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onder de Omgevingswet wordt (voor nieuwe gevallen) gebruik gemaakt van milieuzonering nieuwe stijl, gebaseerd op milieugebruiksruimte. Om die reden wordt zowel onder de oude regeling als op basis van toekomstige regelingen beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefmilieu en of er invloed is op de huidige bedrijfsvoering van bedrijven.
7.3.2
Toetsing
Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activiteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Beoordeeld moet worden in hoeverre de woningen hinder ondervinden van omliggende functies. Met de ontwikkeling zelf worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Ten noordwesten van het projectgebied bevindt zich een basisschool en kinderopvang. Voor beide functies geldt, als naar de oude VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt gekeken, dat voor beide functies een grootste richtafstand geldt van 30 meter. Het nieuwe woongebouw is op een kortere afstand voorzien. De afstand tot de kinderopvang bedraagt circa 50 meter en tot de basisschool circa 76 meter, maar tot het bijbehorende speelterrein circa 17 meter. Daarom is het geluid afkomstig van de basisschool en kinderopvang nader beschouwd in paragraaf 7.4. Daar wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geluidwaarden en de functies geen hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Ten zuidoosten van het projectgebied bevinden zich diverse maatschappelijke functies. Het betreffen verschillende woongebouwen voor beschermd/verzorgd wonen op een afstand van circa 25 tot 30 meter.
Daarnaast bevindt zich er een gebouw met diverse maatschappelijke functies, zoals restaurant, café en cultuureducatieve voorzieningen op een afstand van circa vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
57
75 meter. Gelet op de aard en omvang van de activieiten en de afstand tussen de maatschappelijke functies en het voorziene woongebouw kan worden voldaan aan de standaardwaarden van toelaatbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. 7.3.3
Conclusie
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.4
Geluid
7.4.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
7.4.1.1 Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente Eindhoven heeft de instructieregels voor gemeente- en waterschapswegen verwerkt in een nota “Geluidbeleid Geluid in geluidaandachtsgebieden”. Deze nota is vastgesteld op 22-02-2024.
Geluidbronsoorten
Standaardw aarde in Grensw aarde in L den (dB) L den (dB) Nieuw e geluidgevoelige gebouw en
Aanleg of aanpassing bron
Rijks- en provinciale w egen
50
60
65
Gemeente- en w aterschapsw egen
53
70
70
Gemeente- en Waterschapsw egen in uitleggebieden voor stroomw egen, gebiedsontsluitingsw egen en w ijk-/buurtontsluitingsw egen
53
58
58
Hoofd- en lokale spoorw egen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de 58
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
7.4.1.2 Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: •
activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen;
•
geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.
Indien een wijzigingsbesluit de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk maakt, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken en/of er activiteiten worden toegestaan met geluidruimte in de nabijheid van nieuwe geluidgevoelige gebouwen, geldt hierbij dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is zoals hier het geval is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
70 dB(A)
70 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
59
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
LAr,LT als gevolg van activiteiten
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
45 dB(A)
45 dB(A)
7.4.2
Toetsing
Toetsing geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De nieuw te realiseren appartementen worden aangemerkt als geluidgevoelig gebouwen omdat er sprake is van gebouwen of gedeeltes van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. De beoogde ontwikkeling ligt binnen het geluidaandachtsgebied van 350 meter breed langs de Limburglaan. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 70 km/uur. Daarnaast ligt het plangebied in het geluidaandachtsgebied van 350 meter van de Karel de Grotelaan. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. Tot slot ligt het projectgebied in het geluidaandachtsgebied van 100 meter van de Maria van Bourgondiëlaan. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Al deze wegen vallen onder de bronsoort gemeentewegen. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, welke is toegevoegd als bijlage 4.
Uit het onderzoek komt naar voren dat voor appartementen aan de zuidwestzijde van het gebouw vanaf de 10e bouwlaag de standaardwaarde wordt overschreden. Conform de beleidsregel ‘Geluidbeleid – Geluid in geluidaandachtsgebieden’ dient elke woning tenminste één geluidluwe gevel te hebben als de standaardwaarde van Lden = 53 dB wordt overschreden.
Het gemeentelijk geluidbeleid heeft de eis dat er minimaal één geluidluwe gevel aanwezig moet zijn per woning indien de standaardwaarde wordt overschredenAppartementen 3 t/m 6 kunnen voldoen aan de eis van minimaal één geluidluwe gevel uit het geluidbeleid van de gemeente Eindhoven. Bij de appartementen 1 en 2 zal nader naar ontvangermaatregelen gekeken moeten worden om ook aan deze eis te kunnen voldoen. Het is mogelijk om met balkons een geluidluwe gevel te creëren. In het ontwerp is voor de appartementen 1 en 2 al rekening gehouden met buitenruimten in de vorm van balkons. Met het toepassen van een dichte (deels verhoogde) borstwering kan een reductie van circa 3 tot 9 dB worden bereikt. Met het realiseren van een (gedeeltelijk) afsluitbaar balkon/loggia kan een geluidreductie van 10 tot 15 dB worden bereikt. Indien deze ontvanger maatregelen worden toegepast kan bij alle appartementen worden voldaan aan de eis van minimaal één geluidluwe gevel.
Omdat de standaardwaarde voor gemeentewegen wordt overschreden is het nodig om het gecumuleerde en het gezamenlijke geluid te bepalen. Geluid vanwege gemeentewegen is de enige relevante geluidbron voor dit project. Het gecumuleerde en gezamenlijke geluid is daarom ten hoogste Lden = 57,4 dB. De geluidkwaliteit op de hoogst belaste gevel wordt daarmee geclassificeerd als matig. Omdat de grenswaarde niet wordt overschreden kunnen de geluidbelastingen aanvaardbaar worden geacht. De geluidwering dient te worden bepaald (toets Bbl) op basis van het gezamenlijk geluid en dient minimaal GA;k = 57-33 = 24 dB(A) te bedragen.
60
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
Door middel van het toepassen van maatregelen (bijvoorbeeld een verhoogde borstwering en/of afsluitbaar en/of het toepassen van een geluidswerend rooster in de gevel) zal voldaan worden aan het gemeentelijk beleid.
Geconcludeerd wordt dat ook voor de woningen een goed akoestisch binnenklimaat wordt gerealiseerd.
Toetsing geluid door activiteiten Direct ten noordoosten van het projectgebied waarbinnen de nieuwbouw wordt gerealiseerd is een basisschool gelegen. Deze basisschool kan van invloed zijn op de optredende geluidbelastingen ter plaatse van de beoogde woningen.
Beoordelingskader In de bruidsschat die onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en in het Bkl zijn standaardwaarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw opgenomen. Voor scholen zijn met name de optredende geluidbelastingen tijdens de dagperiode van belang (07.00u – 19.00u) en in beperkte mate de avondperiode (19.00u-23.00u). Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau dient tijdens de dagperiode te worden uitgegaan van een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB(A) en voor maximale geluidniveaus 70 dB(A). Tijdens de avondperiode geldt voor het langtijdgemiddelde een standaardbeschermingsniveau van 45 dB(A) en voor de maximale geluidniveaus 65 dB(A).
Daarbij is van belang dat het stemgeluid bij de toetsing aan deze normen buiten beschouwing dient te worden gelaten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient het stemgeluid echter te worden betrokken bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de akoestische situatie
Onderzoek en conclusie Ter plaatse van de school is sprake van verschillende geluidbronnen: de luchtbehandelingsinstallatie op het dak van de school, het parkeren, de vervoersbewegingen van en naar de school (indirecte hinder) en de spelende kinderen op het schoolterrein. Gezien de ligging van het beoogde woongebouw ten opzichte van de school en de afstand tot de verschillende geluidbronnen, kan mogelijk het gebruik van het westelijke schoolplein/speelplaats van invloed zijn op de akoestische situatie ter plaatse van de toekomstige woningen. Voor de overige geluidbronnen kan door de afstand (en deels ook aanwezige afscherming) een relevante bijdrage aan de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen op voorhand worden uitgesloten.
In het kader van de nieuwbouw van de school is in 2015 akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. In het akoestisch onderzoek is onder andere de geluidbelasting ter plaatse van het bestaande bouwblok op korte afstand van hetzelfde schoolplein berekend (paars aangeduid op de navolgende uitsnede).
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
61
Uitsnede met geluidbronnen en toetspunten akoestisch onderzoek 2015
Ter plaatse van de toetspunten aan de zijde van het schoolplein (toetspunt 30 t/m 36) bedraagt het berekende langtijdgemiddelde geluidniveau tijdens de dagperiode ten hoogste 49 dB(A) en tijdens de avondperiode < 40 dB(A). De maximale geluidniveaus respectievelijk 62 dB(A) en < 55 dB(A). Dit betreft de geluidbelasting door alle bronnen, inclusief het stemgeluid van de spelende kinderen. De afstand van de toekomstige woningen ten opzichte van het schoolplein zal niet kleiner (en in de meeste gevallen aanzienlijk groter) zijn dan de hiervoor genoemde toetspunten ter plaatse van het bestaande bouwblok. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de akoestische situatie door de school ten opzichte van de situatie zoals die in 2015 onderzocht relevant is gewijzigd. Op basis van het voorgaande concluderen wij dat: Ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geluidwaarden zoals die gelden op grond van Bruidsschat en Bkl (exclusief stemgeluid); Het stemgeluid door spelende kinderen op het schoolplein akoestisch aanvaardbaar is. In overweging nemende dat het schoolplein voornamelijk tijdens de dagperiode wordt gebruikt en rekening houdend met de minimaal benodigde geluidwering van de gevels van de woningen (en de daarmee samenhangende binnenniveaus) is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit projectvoornemen.
62
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Tabel : Jaargemiddelden grenswaarden norm
ingangsdatum
Jaargemiddelde grensw aarde NO2
40 µg/m3
1-1-2015
Jaargemiddelde grensw aarde PM10
40 µg/m3
1-6-2011
Daggemiddelde grensw aarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3
1-6-2011
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden.
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
63
voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 7.5.2
Toetsing
De gemeente Eindhoven is bij ministeriële regeling aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Er zal conform artikel 5.51 Bkl moeten worden onderzocht of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd.
De beoogde activiteit omvat de realisatie van een woongebouw met 92 appartementen. De ontwikkeling leidt per saldo tot een toename van het verkeer van 207 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. Gelet op het bepaalde in artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de beoogde ontwikkeling dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat deze 'Niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtkwaliteit. Daarmee heeft het plan geen significante milieueffecten.
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Eindhoven heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
In de CIMLK viewer is het dichtstbijzijnde relevante toetspunt, gelegen aan de Limburglaan geraadpleegd.
Uitsnede CIMLK viewer, plangebied rood omkaderd (Bron: cimlk.nl/kaart) 64
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
Tabel: Omgevingswaarden cimlk.nl/kaart) Toetspunt:
meest
relevante
luchtverontreinigende
stoffen
(Bron:
Limburglaan,Eindhoven (Locatiex: 159827.332825541y: 382412.110551238)
Monitoringsrond 2023 e: Monitoringsjaar
NO2-concentratie
PM10-concentratie
PM10PM2,5overschrijdingsdage concentratie n
2025
19,9 µg/m³
17,1 µg/m³
6
9,5 µg/m³
2030
17,1 µg/m³
16,1 µg/m³
6
8,5 µg/m³
Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
35 dagen per kalenderjaar
25 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
7.5.3
Conclusie
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
7.6
Geur
7.6.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
65
De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
98-percentiel
99,9 percentiel
Omgevingscategorie Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Wonen
1,0
2,0
4
8
Gemengd
2,0
4,0
8
16
Overig
10
10
40
40
Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 7.6.2
Toetsing
Met deze ontwikkeling wordt geen geurveroorzakende activiteit mogelijk gemaakt.
Nieuwe woningen betreffen geurgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde geurveroorzakende agrarische bedrijf ligt op 4,1 kilometer.
Tussen omliggende bedrijfsbestemmingen en de projectlocatie zijn vele woningen gevestigd. Deze bedrijven zullen daardoor geen geurveroorzakende activiteiten kunnen uitvoeren met impact op omliggende woningen. 7.6.3
Conclusie
Ter plaatse van de projectlocatie vindt geen geurhinder plaats.
7.7
Bodem
7.7.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 66
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.7.2
Toetsing
Op de projectlocatie wordt een nieuwe woongebouw ontwikkeld. Dit is een bodemgevoelig gebouw, omdat personen er meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor deze verblijfsfunctie, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6.
Conclusie verkennend bodemonderzoek De locatie betreft een voormalige stortplaats. Uit het onderzoek komt naar voren dat in de deklaag/bovengrond uitsluitend lichte verontreinigingen zijn aangetroffen boven de achtergrondwaarde voor de parameters cadmium, koper, kwik, lood, molybdeen, zink en PAK.
In de ondergrond zijn in het traject 0,5 - 2,0 m -mv bij een groot aantal boringen sterke verontreinigingen aangetroffen met zware metalen en PAK. Aangenomen kan worden dat de ondergrond heterogeen verontreinigd is met zware metalen of PAK.
Op de locatie is op zowel het maaiveld als in de contactzone visueel geen asbest aangetroffen. In de ondergrond is slechts een zeer klein asbestgehalte aangetroffen.
De hypothese 'verdacht, diffuse belasting, heterogene verspreiding' is correct gebleken. De onderzoekslocatie is integraal vanaf 0,5 m -mv heterogeen verontreinigd met de verwachte stoffen (zware metalen en PAK).
Om de verontreinigingen beter in kaart te brengen, is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Op basis van de HXRF-metingen en de analyseresultaten kan gesteld worden dat de bovengrond (tot 1,0 m -mv) heterogeen verontreinigd is. De kwaliteitsklasse varieert van
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
67
sterk verontreinigd tot industrie. De verontreinigingssituatie dieper dan 1,0 m -mv is niet volledig in beeld gebracht. De analyseresultaten corresponderen niet met de zintuiglijke waarnemingen. Op basis van de zintuiglijke bijmengingen kan derhalve geen onderscheid gemaakt worden in kwaliteit.
De locatie betreft een deel van een voormalige stortplaats met grond die sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. De stortplaats was afgedekt met een deklaag van grond. Deze deklaag was plaatselijk te dun. Om die reden is een sanering uitgevoerd met als doel om de risico's weg te nemen door aanbrengen van een gesloten verhardingslaag of een leeflaag met een dikte van minimaal 0,5 meter. Met de sanering (met het saneringsplan en de saneringsevaluatie) is ingestemd door de Omgevingsdienst in een beschikking 17-07-2017, kenmerk Z.71061/D.247545). Hierin is ook vastgelegd dat er gebruiksbeperkingen gelden. Omdat sprake is van een restsanering, is voor de bodemverontreiniging de Wet bodembescherming nog van toepassing. Voor graafwerkzaamheden moet een deelsaneringsplan worden opgesteld. Voor start van de ontwikkeling zal daarom een goedgekeurd deelsaneringsplan worden aangeleverd. Zonder toestemming van het bevoegd gezag mag niet in de sterk verontreinigde grond worden gegraven. De werkzaamheden in sterk verontreinigde grond dienen uitgevoerd te worden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer.
Tot slot heeft ook nog een aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden in het kader van de voorgenomen bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (bijlage 8). Ook uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond sterk verontreinigd is. Zoals tijdens het eerder uitgevoerde nader bodemonderzoek reeds geadviseerd is dienen er in het kader van de nieuwbouw maatregelen getroffen te worden om blootstelling aan de sterke verontreinigingen te voorkomen. Dit kan door de bodemverontreiniging weg te nemen door de grond te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerkingslocatie of door het wegnemen van de contactmogelijkheden door het aanbrengen van een afdeklaag (verhardingslaag of schone grond) op de verontreinigde bodemlaag.
Naast deze sterk verontreinigde grond is er sprake van bodemlagen die niet elders herbruikbaar zijn of enkel beperkt herbruikbaar zijn. De diepe ongeroerde bodemlagen (> 2,2 m -mv) zijn niet verontreinigd en voldoen aan de klasse ‘Landbouw/natuur’.
7.7.3
Conclusie
Binnen het projectgebied zijn verontreinigingen in de bodem aanwezig. Voordat nieuwbouw plaats kan vinden, dient sanering plaats te vinden om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen.
7.8
Omgevingsveiligheid
7.8.1
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico 68
vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).