CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - TAM-omgevingsplan Gendertoren - Motivering

Raadsvergadering 16 juni 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling wijziging TAM omgevingsplan Gendertoren27.114 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

69

Aandachtsgebieden (Bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).

Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.

7.8.2

Toetsing

Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit.

Het projectvoornemen betreft de realisatie van 92 appartementen. Met behulp van de kaart 'Veilige omgeving' kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

70

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Uitsnede kaart Milieubelastende atlasleefomgeving.nl/kaarten)

activiteiten

met

veiligheidsrisico

(Bron:

Risicovolle inrichtingen Op een afstand van circa 1,2 kilometer is een risicovolle inrichting gelegen met een gifwolkaandachtsgebied. Een gifwolk heeft een groot invloedsgebied en drijft af met de wind. Het invloedsgebied van een gifwolk kan daarmee meerdere kilometers strekken. Buiten dit gebied kunnen nog gewonden vallen, waardoor hier ook hulpverlening nodig kan zijn. Afhankelijk van de eigenschappen van de toxische stoffen, kan een persoon bij inademen van de gifwolk komen te overlijden of schade aan de luchtwegen ondervinden.

Er dient aandacht te zijn voor de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Als de voorschriftengebieden (nog) niet in het omgevingsplan zijn aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen, met uitzondering van zeer kwetsbare gebouwen. Het gaat hier niet om een zeer kwetsbaar gebouw.

Om te komen tot passende bescherming tegen gifwolken gelden voor nieuwbouw generieke bouweisen zoals het meest geschikte ventilatiesysteem, zoals deze gelden vanuit het Bbl. In artikel 4.124 van het Bbl is de verplichting opgenomen om een mechanische ventilatie toe te passen waarbij het mogelijk is om deze bij een externe calamiteit handmatig uit te schakelen. Aanvullend kan bij realisatie van het gebouw aandacht uitgaan naar een goede kierdichtheid. Een goede kierdichtheid vertraagt het binnendringen van een gifwolk in een gebouw. Hoe meer vertraging, hoe trager de opbouw van een giftige concentratie in het gebouw. Maar ook: hoe groter de vertraging, hoe groter de kans dat de gifwolk overwaait, waarna geventileerd kan worden met schone lucht.

Binnen het projectgebied worden geen woningen mogelijk gemaakt voor verminderd zelfredzame personen. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

71

conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om in iedere windrichting te vluchten, weg van de calamiteit.

De locatie ligt in bestaand stedelijk gebied waar reeds voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Het beoogde woongebouw is toegankelijk voor hulpdiensten. Deze kunnen dezelfde route nemen als de auto's. Op die manier kunnen ze direct bij de hoofdentree tot het woongebouw opstellen. Het woongebouw is toegankelijk middels een tweede calamiteitenroute over het fietspad in het achterliggende park.

Buisleidingen Het projectgebied is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren brandaandachtsgebieden van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

of

Transport gevaarlijke stoffen over land Het projectgebied ligt op 1,3 kilometer van het spoor, het ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van het spoor. 7.8.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende logiesfunctie aan de projectlocatie toe te delen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

7.9

Trilling

7.9.1

Algemeen

Zwaar verkeer, heiwerkzaamheden, machines, enzovoort kunnen aanleiding geven tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot hinder voor personen en schade of storingen aan apparatuur.

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillingshinder.

Het toepassingsbereik van de instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillingsgevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Dit houdt in dat in het omgevingsplan dient te worden gewaarborgd dat activiteiten die daarin worden toegestaan niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillingsgevoelige ruimte, in een trillingsgevoelig gebouw. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen. 7.9.2

Toetsing

Met deze ontwikkeling worden geen trillingen veroorzaakt in de gebruiksfase. In de aanleg zal zwaar verkeer de bouwplaats bevoorraden en zal de fundering worden geplaatst.

In de omgeving van het projectgebied zijn geen bedrijven gevestigd die trillingen kunnen 72

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

veroorzaken. Ook ligt het projectgebied niet aan een weg waarop zwaar verkeer zal rijden. 7.9.3

Conclusie

Het aspect trillingen veroorzaakt geen belemmeringen voor het projectvoornemen.

7.10

Verkeer en parkeren

7.10.1

Algemeen

Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeersen mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het projectgebied beschreven. Masterplan Mobiliteit 2050 Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen. Voetgangersverkeer De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor zijn een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen.

Het projectgebied ligt op loopafstand van een route om ontspannen te bewegen.

Uitsnede kaart Voetgangersnetwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Fietsverkeer vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

73

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

Door het Genderpark loopt een Doorfietsroute en aan de Limburglaan ligt een Stadsroute. Daarnaast wordt aan de Limburglaan gezocht naar ontwikkeling van een Park & Bike punt.

Uitsnede kaart Fietsnetwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Openbaar vervoer Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door de in ontwikkeling zijnde HOV lijn aan de Karel de Grotelaan.

Uitsnede kaart HOV-netwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) 74

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Autoverkeer Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de wegen waar een maximum snelheid van tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en vieligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen.

Het projectgebied ontsluit via de Ring en de Karel de Grotelaan.

Uitsnede kaart Auto-netwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Hubs Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus. Het STOMP principe In en om het centrum van Eindhoven spelen diverse (grote) verdichtingsopgaven die ieder hun eigen mobiliteitsbehoefte meebrengen. Om het centrum nu en in de toekomst bereikbaar, leefbaar en veilig te houden moet op een andere manier naar de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte gekeken moeten worden. Hierbij wordt uitgegaan van het STOMP principe. STOMP staat voor hoe we verplaatsingen onderscheiden: Stappen; Trappen; Openbaar Vervoer; vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

75

Mobility as a Service; Privé-auto. Bij het STOMP-ontwerpprincipe wordt eerst naar de voetganger gekeken (Stappen), vervolgens naar de fietser (Trappen), OV en MaaS en pas daarna wordt naar de privéauto gekeken. Deze aanpak sluit ook aan op de doelstellingen/ambities uit het Masterplan Mobiliteit 2050 dat specifiek inzet op lopen, fietsen en openbaar vervoer, vooral binnen de Ring, terwijl de automobiliteit meer wordt gebundeld en naar de Ring. Navolgend wordt het STOMP principe ten aanzien van het onderhavige plan uitgewerkt. Verkeersgeneratie Aan de hand van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling. Verkeersafwikkeling Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt dat het plan wel/niet past binnen de bestaande infrastructuur. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer.

Meer lopen, fietsen, openbaar vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad. De Nota Parkeernormen 2024 is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk het centrum van Eindhoven goed bereikbaar blijven. De parkeernormen die aan bouwplannen gesteld worden, dragen bij aan de doelstellingen voor een autoluw centrum en aan de verdichtingsopgave in de hele stad en maken het daarom ook mogelijk om plannen te realiseren met minder of zelfs (in het centrum) zonder de aanleg van parkeerplaatsen (nulnorm). De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm de verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast willen we bestaande parkeercapaciteit beter gaan benutten in plaats van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen.

Voor het gedeelte van de parkeeropgave waar een plan niet in voorziet, bestaat het mobiliteitsfonds waarin de afkoopbedragen terecht komen ten behoeve van stadsbrede duurzame mobiliteitsvoorzieningen. Elk nieuw of bestaand adres waar na 2016 een omgevingsvergunning voor is afgegeven, komt op het AUP-overzicht (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen). Adressen op deze lijst komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. 76

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden ooki vastgelegd: het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.171) regelt dat een woonfunctie over een afsluitbare bergruimte moet beschikken voor het stallen van fietsen en bij collectieve fietsenstallingen gelden de kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen die Eindhoven als gelijkwaardig beschouwt mits de benodigde aantallen fietsparkeerplekken conform de normen worden ingepast.

7.10.2

Toetsing STOMP-principe

Stappen Het projectgebied is gelegen aan de rand van het Genderpark. In en nabij het projectgebied zijn diverse looppaden gelegen. De entree van de toren is gelegen aan de zuidwestzijde van de toren richting het binnenterrein. Door de onderliggende kelder is deze ca. 0,5 m boven maaiveld opgetild. Om dit te overbruggen loopt het parkeerterrein licht op. Scootmobiels kunnen gestald worden in een ruimte met eigen entree die direct verbonden is met de hoofdentree.

Ontsluiting projectgebied (Bron: Pauwert architectuur)

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

77

Trappen Bewoners plaatsen hun fiets in de collectieve fietsenstalling op de begane grond of in de bergingenkelder. De bergingenkelder is toegankelijk middels de fietslift in de collectieve fietsenstalling en de twee normale liften van het gebouw. Bezoekers kunnen hun fiets parkeren bij de hoofdentree van het woongebouw. Vanaf het projectgebied kan gebruik worden gemaakt van de paden door het Genderpark of van de ontsluitingsstructuur richting de Maria van Bourgondiëlaan. Vanaf daar kan gebruik gemaakt worden van de fietspaden aan de Limburglaan en door het Genderpark.

OV De projectlocatie ligt 400 meter van de HOV halte Roelantlaan. Met de bus is het Centraal Station in 15 minuten te bereiken.

MaaS Er wordt geen deelmobiliteit aangeboden. Wel wordt gestimuleerd gebruik te maken van de fiets door het grote aantal fietsparkeerplaatsen in het gebouw.

Privéauto De uitstraling van de ruimten tussen de gebouwen zou die moeten zijn van een verblijfstuin, waarin enkel geparkeerd kan worden in het groen aan de parkeerlus. Dit wordt bereikt door te kiezen voor open bestrating, inpassing van bomen tussen de parkeerplaatsen en het aanleggen van taluds om het parkeren (met name vanuit het Genderpark) uit het zicht te halen. Het parkeren op maaiveld wordt zoveel mogelijk opgelost in samenhang met reeds bestaande parkeerplaatsen.

7.10.3

Toetsing verkeersgeneratie

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van de kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Eindhoven een stedelijkheidsgraad van 'zeer sterk stedelijk' aangehouden. Voor de ligging van de projectlocatie wordt conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid uitgegaan van 'schil centrum'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit binnen de gemeente Eindhoven conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend.

Tabel 7.8: Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling

78

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 207 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, wat neerkomt op een toename van 230 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Verk eerstoedeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. Vanaf de aansluiting van de projectlocatie wordt 70% (161 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer in zuidwes-telijke richting ontsloten naar de parallelweg van de Limburglaan. Op de parallelweg geldt een eenrichtingsregime in noordwestelijke richting. Daarom wordt aangehouden dat 35% (80 mvt/etmaal) wordt afgewikkeld op de noordelijke helft van de parallelweg vanaf de Maria van Bourgondiëlaan naar de Limburglaan en 35% (80 mvt/etmaal) op de zuidelij-ke helft van de parallelweg vanaf de Limburglaan naar de Maria van Bourgondiëlaan toe. De resterende 30% (69 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer wordt vanaf de projectlocatie in oostelijke richting ontsloten over de Maria van Bourgondiëlaan en via de Louise de Colignystraat en de Solmsweg naar de Karel de Grotelaan. In de onderstaande figuur is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

79

De verkeerstoedeling van de beoogde ontwikkeling

Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor het langzaam verkeer geldt dat rondom de projectlocatie vrijliggende voet- en fietspaden beschikbaar zijn, waardoor enkel binnen de omliggende buurt fietsers gemengd met het gemotoriseerde verkeer worden afgewikkeld. Hierbij voldoet de inrichting van de wegen binnen het Hagenkamp aan de ontwerprichtlijnen van Duurzaam Veilig uit het ASVV 2021, waarmee de verkeersveiligheid van de fietsers wordt gewaarborgd.

De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling vindt plaats op de Maria van Bourgondiëlaan, tussen de planlocatie en de Limburglaan. Op dit wegvak zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 161 mvt/etmaal. De Maria van Bourgondiëlaan is ingericht als een erftoegangsweg-type II. Rekening houdend met de aanwezigheid van geparkeerde auto's aan weerszijden van de straat heeft de weg een 80

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

feitelijke rijbaanbreedte van circa 4 meter. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat een erftoegangsweg-type II doorgaans een verkeersomvang tot 4.000 mvt/etmaal probleemloos vlot en veilig kan verwerken. Ten opzichte van de gehanteerde grenswaarde is de beoogde verkeerstoename van 161 mvt/etmaal dermate kleinschalig dat de invloed op de verkeersveiligheid en verkeer-afwikkeling van deze weg verwaarloosbaar is. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet.

Concluderend kan daarmee gesteld worden dat de planlocatie goed bereikbaar is, zowel voor voetgangers en fietsers als met behulp van het openbaar vervoer en voor het gemotoriseerde verkeer. Daarbij is de beoogde verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 7.10.4

Toetsing parkeren

Autoparkeren Op basis van de rekentool-parkeerbehoefte (bijlage 9), blijkt dat de ontwikkeling een parkeerbehoefte kent van 58 parkeerplaatsen. De ontwikkeling is 349 meter van halte Solmsweg, hierdoor is er 25% HOV Reductie toegepast. Daardoor komt de parkeerbehoefte inclusief HOV Reductie uit op 43 parkeerplaatsen.

Op basis van de geldende parkeernormen moeten 43 parkeerplaatsen worden gerealiseerd (waarvan 9 voor bezoekers). Er wordt een nieuwe parkeerweg aangelegd met 27 haakse parkeerplaatsen. Op het terrein van wooninc. wordt een nieuwe parkeerstrook aangelegd voor 9 parkeerplaatsen. De al aanwezige parkeerstrook (met 6 parkeerplaatsen voor wooninc.) wordt opnieuw ingericht, vanwege de benodigde keerlus voor de vuilinswagen. Dit gaat ten koste van 3 parkeerplaatsen. In totaal worden er zo 33 nieuwe parkeerplaatsen op het terrein gerealiseerd.

Indien noodzakelijk kan het parkeerterrein van maximiliaan I & II worden uitgebreid met 1 parkeerplaats t.b.v. de Gendertoren. Deze parkeerplaatsen worden onder de uitzonderingssituatie ‘van norm naar nodig’ geschaard zoals beschreven in artikel 3.3. van de Nota parkeernomen 2024 Eindhoven. Verwachting is namelijk dat het autobezit bij de beoogde doelgroep lager zal zijn dan gemiddeld. Als de bezetting boven de 90% ligt en/of er duidelijke signalen van parkeeroverlast uit de omgeving zijn als gevolg van het plan, dan wordt het parkeerterrein van Maximiliaan I & II (in eigendom van Wooninc.) uitgebreid aan de zuidzijde. Bewoners van de Gendertoren kunnen dan een extra auto kwijt direct gelegen aan de ontsluitingsweg van Parc Gender.

Uit een parkeertelling uitgevoerd door Goudappel Coffeng en afgestemd met de gemeente Eindhoven op diverse dagen en tijdstippen, blijkt dat er nog een restcapaciteit bestaat van 9 parkeerplaatsen in de wijk. Dit rapport is toegevoegd als bijlage 10. Deze 9 parkeerplaatsen worden ingezet voor het benodigde bezoekersparkeren.

Omdat de Gendertoren in het park staat, wordt het parkeren groen ingepast. Dit bereiken we door te kiezen voor open bestrating, behoud van de aanwezige groenstrook en het aanleggen van taluds om het parkeren (met name vanuit het Genderpark) uit het zicht te halen.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

81

Fietsparkeren Op basis van de rekentool-parkeerbehoefte (bijlage 9), is er in de nieuwe situatie een fietsparkeerbehoefte van 279 fietsenstallingen.

Voor de Gendertoren is ten aanzien van de stalling van alle fietsen, gekozen voor twee deeloplossingen. Voor 2/3 deel van de appartementen wordt dit opgelost met individuele bergingen in de kelder. De 21 woningen die geen eigen berging hebben in de kelder maken gebruik van de gezamenlijke fietsenberging op begane grond niveau. Voor de 21 appartementen dienen 63 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Er worden in totaal 69 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Buiten het gebouw bevinden zich daarnaast 10 fietsnietjes voor het bezoekers fietsparkeren, conform de parkeereisen. Er wordt ruimte gereserveerd voor eventuele uitbreiding van de fietsnietjes mocht dit in de toekomst nodig zijn.

De bergingenkelder is toegankelijk middels de fietslift in de collectieve fietsenstalling en de twee normale liften van het gebouw. Om de kelder zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken worden alle binnendeuren voorzien van automatische deuren. Hierdoor hoeven de bewoners niet met een hand aan de fiets een deur te openen. Ook is de ruimte rondom de liftschacht ruim ontworpen, en is de routing naar de bergingen overzichtelijk en zijn de gangen niet te lang. Dit zorgt ervoor dat op weinig plekken bewoners langs elkaar heen moeten en dat op vrijwel alle plekken de mogelijkheid bestaat om twee richtingen uit te lopen. Beide ten behoeve van een beter bruikbare kelder.

Een leefbare en veilige collectieve fietsenstalling wordt op basis van de volgende punten gecreëerd: Wanneer een fietsenstalling bijvoorbeeld uitpuilt dan organiseren we een opschoonactie (we labelen fietsen), fietsen die dan lang blijven staan slaan we 3 maanden op. Op enkele locaties hebben bewoners een label omdat er ruimte is voor max 2 fietsen per woning. Fietsen zonder label worden opgeslagen totdat de eigenaar zich meldt. De fietsenstallingen bij onze complexen worden beheerd door de beheerder, ook gedeelde stallingen (bijvoorbeeld met instellingen als Vitalis). In de laatste situatie overlegt de beheerder met Vitalis over eventuele acties.

82

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Planvoornemen inclusief aantallen parkeerplaatsen (Bron: Pauwert architectuur)

7.10.5

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met parkeren, de verkeersgeneratie en - veiligheid. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt verkeer en parkeren is het aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

83

7.11

Groen

7.11.1

Algemeen

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie.

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds (beleidsregel groencompensatie). De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

84

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Uitsnede Ruimtelijke Strategieënkaart, projectgebied rood omkaderd (Bron: Groenbeleidsplan 2017)

Het projectgebied zelf is in het Groenbeleidsplan 2017 grotendeels aangeduid als 'Structureel stadsgroen', maar het gebied ligt ook tegen 'Stad, rood bepalend'. In deze gebieden wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:

Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.

Strategie 4: Structureel stadsgroen In deze gebieden gaat het om het netwerk van de binnenstedelijke groenstructuur. Het groen is bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Als uitgangspunt wordt ingezet op een robuust groen netwerk. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

85

7.11.2

Beleidsregel Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven

Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit. Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen.

Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.

Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.

7.11.3

Verordening bomen 2024

In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; 86

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de uitwerking daarvan in de nadere regels.

Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand. Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.

7.11.4

Groene kaart

Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: 1. Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); 2. Groenarme gebieden; 3. Centrumgebied; 4. Bebouwde komgrens; 5. (Particuliere) percelen groter dan 250 m². De informatie op de groene kaart is nodig om: 1. 2. 3. 4.

Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

87

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

7.11.5

Toetsing

Ruimtelijke strategieën In de ruimtelijke strategieënkaart is de locatie gelegen binnen 'Structureel stadsgroen' en omsloten door 'Stad, rood beeldbepalend'. Binnen deze strategie is het uitgangspunt het verder versterken van de groene structuur. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur. In deze situatie was op de locatie al een maatschappelijke bestemming opgenomen en was al voorzien in de realisatie van een toren van 50 meter hoog. Daarmee is in het verleden al afgewogen dat op deze locatie bebouwing gerealiseerd kan worden. De voorgenomen ontwikkeling sluit hierop aan, door realisatie van een woongebouw van 50 meter hoog. Daarnaast wordt wel veel aandacht besteed aan het realiseren van een groene omgeving. De bestaande groenstructuur wordt zoveel mogelijk behouden. Wat wordt verwijderd, wordt gecompenseerd door nieuw hoogwaardig groen te realiseren. Ook wordt extra groen aangebracht in de vorm van groen op de daken. Groennorm en groenplan Met de ontwikkeling wordt een niet-groene voorziening toegevoegd in de vorm van een woongebouw, maar dat was juridisch al beoogd op deze locatie.

(in de vorm van een uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan). Wel is bij het ontwerp rekening gehouden met de omliggende groenstructuren. Voldoende afstand wordt gehouden van het groen rondom de Gender. Waar mogelijk wordt bestaand groen behouden. Bestaande bomen en groen wat moet wijken voor de nieuwbouw wordt gecompenseerd. Verder wordt de tussenruimte voorzien van hoogwaardig groen, met grotendeels inheemse plantensoorten. Door de toepassing van inheemse en stuifmeelhoudende beplanting wordt het plan diervriendelijker gemaakt en wordt bijgedragen aan de biodiversiteit van het gebied. Hogere beplanting in de vorm van bomen zal bijdragen aan de privacy tussen de gebouwen doordat het een buffer vormt. Tevens markeren deze de overgang tussen het 'open' park en de 'besloten' binnentuin tussen de diverse gebouwen richting het woonzorgcomplex Engelsbergen. Nestgelegenheden worden in het ontwerp geïntegreerd om vogels en vleermuizen een plek te bieden. Met een ecoloog zullen de gepaste nestgelegenheden op de juiste positie nader afgestemd worden.

Op basis van de ingevulde klimaattool (bijlage 15) bedraagt de groenopgave 736 m2. Bij het bouwrijp maken van het plangebied en om het parkeren compact te organiseren wordt een deel van een bestaande groenstructuur aangetast, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Deze groenstructuur bestaat uit bomen, struiken en onder begroeiing, waarvan de kwaliteit als niet erg waardevol is vastgesteld (zie bijlage 11). Deze 300 m2 te verwijderen groenstrook dient gecompenseerd te worden in de vorm van hoogwaardig groen.

88

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Beoogde situatie verharding en groen (Bron: Pauwert architectuur) In de klimaattool is uitgewerkt hoe invulling wordt gegeven aan de groenopgave. In onderstaande afbeelding is hier een overzicht van gegeven. De groenopgave (1.379 m2) wordt voor een groot gedeelte gerealiseerd in de vorm van openbaar groen (120,6 m²), grasbetonelementen (40,2 m²), extensieve groendaken (556,8 m²) binnen het projectgebied. Daarnaast wordt 737 m2 groen gerealiseerd op een alternatieve locatie. De te compenseren 300 m2 groenstrook vindt plaats buiten het projectgebied, waarbij de zone aan de oostzijde van het projectgebied (zoals op onderstaande afbeelding is aangegeven) in beeld is. De te realiseren groenopgave is geborgd in de planregels.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

89

Te verwijderen en te realiseren beplanting (Bron: Pauwert architectuur)

Bomen Binnen en rondom het plangebied zijn vereschillende bomen gesitueerd. In onderstaande afbeelding zijn de in de omgeving van het projectgebied gelegen waardevolle bomen gelegen. De groenstructuur ten zuidwesten van het projectgebied is hier niet specifiek in opgenomen.

90

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Uitsnede Bomen kaart (Bron: Eindhoven Open Data)

Om de bestaande bomen (binnen en rondom het projectgebied) goed in het toekomstig ontwerp te kunnen implementeren en om de kwaliteit van het huidige bomenbestand te onderzoeken is een bomen effect analyse (BEA) uitgevoerd. De rapportage van deze beoordeling is als bijlage 11 bij deze motivering gevoegd. Naar aanleiding van de eerste versie van de BEA zijn aanpassingen in het ontwerp doorgevoerd, om zoveel mogelijk bomen en beplanting duurzaam te kunnen behouden. Het advies vanuit de BEA met betrekking tot bescherming van de te behouden bomen wordt opgevolgd.

Kwaliteit van het bomenbestand In totaal zijn 23 bomen geïnventariseerd. Alle bomen verkeren in een redelijke tot goede conditie en er zijn geen bijzonderheden aangetroffen tijdens de visuele inspectie die de toekomstverwachting negatief beïnvloeden.

Effect van geplande werkzaamheden Omdat de geplande parkeervakken met parkeerlus op de bomen zijn geprojecteerd zijn verschillende bomen niet duurzaam te behouden. Zeven bomen zijn niet duurzaam te behouden als gevolg van ruimtelijk beslag. Drie bomen zijn niet duurzaam te behouden vanwege werkzaamheden binnen of nabij de stabiliteitskluit. Op de afbeelding hiervoor is weergegeven welke bomen worden verwijderd. Voor de overige bomen is het uitgangspunt deze te behouden.

Compensatieplicht In dit geval worden een aantal bomen gekapt waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is. De te kappen bomen zullen worden gecompenseerd in het nieuwe plan door aanplant van nieuwe bomen.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

91

7.11.6

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met groen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

7.12

Natuur

7.12.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn 92

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 7.12.2

Toetsing

Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is het gebied “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux” dat op circa 4,4 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied is gelegen.

Op ongeveer 630 meter ten westen van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant) gelegen. Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.

Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten.

Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 12 en 13 (memo) bij deze motivering gevoegd.

Uit de berekening met AERIUS Calculator (2025.0.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.

Soortenbescherming Quickscan flora en fauna Aangezien voorgenomen werkzaamheden mogelijk kunnen leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, heeft een quickscan flora en fauna vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

93

plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage 14 bij deze motivering gevoegd.

Algemene in opgaande vegetatie broedende vogels In de vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (incl. wezel) en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (tabel 3.82 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; Provincie Noord-Brabant, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

In de Provincie Noord-Brabant hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Omdat het plangebied kleiner is dan één hectare, hoeft er met wezels verder geen rekening te worden gehouden. 7.12.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met gebieds- en soortenbescherming. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

7.13

Water

7.13.1

Algemeen

Er moet worden voldaan aan de beoordelingsregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan (www.vng.nl). Daarnaast moet worden voldaan aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap (nu: Keur).

In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.

94

vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

Algemeen (wettelijk kader /gemeentelijk beleid) Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.

Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang:

In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.

In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.

Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden vastgesteld TAM-omgevingsplan Gendertoren Gemeente Eindhoven

95

gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is. Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Waterschap Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 dient de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3. Wat schoon is moet schoon blijven. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5. 96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16930454/1