Bijlage 3a - TAM-omgevingsplan Doorstroming HOV4 - Motivering
Tekst van het document
Ontwikkelperspectief Centrum Eindhoven 2040
Het centrum van Eindhoven staat voor een schaalsprong: meer kwaliteit en een hogere dichtheid moeten leiden tot een aantrekkelijk, hoogwaardig en leefbaar centrum van de Brainportregio. Voor beide doelstellingen zijn ingrepen in de structuur van de stad op gebied van mobiliteit, groen en water noodzakelijk en randvoorwaardelijk. Een openbare ruimte gericht op verblijven en bestemmingsverkeer en minder op doorgaand verkeer zorgt voor meer ruimte voor groen, water, voetgangers en fietsers. Eindhoven is in 2040 een gezonde, inclusieve economisch vitale en groene stad, waar een diverse groep Eindhovenaren hun thuis vindt. Het hart van de stad is autoluw, groen en toch goed bereikbaar. Het bestemmingsverkeer wordt via de Ring naar aantrekkelijk ingerichte parkeervoorzieningen geleid. Via verschillende mobiliteithubs kan ook worden overgestapt van de auto naar het openbaar vervoer of gebruik gemaakt worden van deelfietsen. In het centrum zelf is lopen of het gebruik van de fiets aantrekkelijk. De economie van de binnenstad bruist, en wordt daarin perfect aangevuld met de hoogstedelijke woon- en werkomgeving rond het station: Internationale Knoop XL. Daar is de 'Eindhovense werkvloer' direct zichtbaar: wonen in het groen wordt afgewisseld met hightech maakindustrie, kennisuitwisseling in de plint en de Eindhoven Engine.
Net zo levendig als de binnenstad, groen en duurzaam, perfect om te ontmoeten en te verblijven. Waar het nalatenschap van Philips samenkomt met een hoogstedelijk woon, werk en voorzieningenmilieu. Een robuust raamwerk van groen en water verbindt de binnenstad met de omliggende landschappen en de regio op een ontspannen manier die uitnodigt tot ontmoeting en beweging. vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
57
Het Ontwikkelperspectief: Presenteert een integrale ruimtelijke vertaling van beleidsdoelstellingen voor klimaatadaptatie, gezondheid, mobiliteit en verdichting, als voorwaarden voor een vitale economie en een sociaal-inclusieve stad. Het Ontwikkelperspectief is de basis voor de uitwerking van de Omgevingsvisie. Vormt een leidraad voor de wijze waarop verdichting in de verschillende ontwikkel- en zoeklocaties binnen het centrum van Eindhoven mogelijk is, en hoe zich dit verhoudt tot de openbare ruimte en mobiliteit. Dit dient tevens als richtinggevend kader voor initiatiefnemers in de stad. Vormt de basis voor de inzet naar partners bij het Rijk en de Provincie, en regio, voor gesprek over verdichting, klimaatadaptatie, gezondheid en mobiliteit. Toets De ontwikkeling van HOV4 sluit direct aan bij de doelen van het Ontwikkelperspectief Eindhoven Centrum 2040, waarin wordt ingezet op een toegankelijk, leefbaar en toekomstbestendig centrumgebied. Binnen deze visie speelt duurzame mobiliteit een centrale rol, waarbij voetgangers, fietsers en openbaar vervoer (STOMP-principe) prioriteit krijgen boven de auto. De HOV4 versterkt deze transitie door het centrum te verbinden met omliggende ontwikkelgebieden (zoals Groots Gestel en de Ontwikkelas Zuidwest), en maakt daarmee hoogwaardige, snelle en duurzame bereikbaarheid van het centrum mogelijk.
Dit ondersteunt de stedelijke verdichting en functiemenging rond het centrum, zonder extra autoverkeer te genereren. Bovendien draagt HOV4 bij aan het verminderen van de parkeerdruk en het verbeteren van de luchtkwaliteit en leefomgeving, waarmee het ruimtelijk en functioneel naadloos past binnen de langetermijnambitie van een vitaal, verbonden en aantrekkelijk stadscentrum in 2040.
6.4.6
Betaald parkeren binnen de Ring
Sinds medio juni 2025 is de gefaseerde invoering van betaald parkeren in alle woonwijken binnen de Ring van Eindhoven gereed. De gemeente Eindhoven heeft dit ingevoerd om: 1. Autoverkeer naar het centrum te verminderen. 2. Parkeeroverlast in woonwijken te beperken. 3. En duurzame mobiliteit te stimuleren. De aanleg van de HOV4 biedt een aantrekkelijk alternatief voor de auto, juist voor bestemmingen binnen de Ring. Betaald parkeren stimuleert busgebruik en helpt om minder auto's in de stad te krijgen. Op die manier ondersteunt de ontwikkeling van de HOV4 het mobiliteitsbeleid van Eindhoven, waarin OV en fiets prioriteit krijgen boven autoverkeer. De ontwikkeling van HOV zorgt ervoor dat voor nieuwe woningbouwontwikkelingen in minder parkeerplaatsen hoeft worden voorzien hetgeen leidt tot een vermindering van de stimulans voor autobezit van nieuwe bewoners. Conclusie Gelet op het voorgaande draagt de ontwikkeling van de HOV4 bij aan een integraal mobiliteitssysteem waarin betaald parkeren en aantrekkelijk openbaar vervoer elkaar aanvullen. De combinatie helpt het autogebruik in de binnenstad te beperken en de bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid van de woonwijken binnen (en deels buiten) de 58
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Ring te verbeteren.
6.4.7
Gebiedsvisie Groots Gestel
Voor heel Eindhoven geldt dat de mobiliteitstransitie nodig is om de stad leefbaar te houden en ruimte te bieden voor de toevoeging van nieuwe woningen. De komst van de HOV4-lijn is de drager van de verbeterde bereikbaarheid en de mobiliteitstransitie in dit deel van de stad (Centrum en voornamelijk Gestel). Daarom zijn het HOV4-tracé en het HOV4-invloedsgebied bestempeld tot ontwikkelas en zijn afspraken gemaakt over de verstedelijking in deze as. Het uitgangspunt is dat in het Gestelse gedeelte van de ontwikkelas 3.500 tot 6.000 extra woningen bijgebouwd zullen worden, met bij- behorende voorzieningen. In het gebied heeft het Kastelenplein de potentie om een goed functionerend stadsdeelcentrum te worden met een signatuur die past bij de nieuwe omgeving. Het nieuwe commerciële centrum, aangevuld met maatschappelijke functies, kan het kloppend hart worden van de omliggende wijken. De optimalisatie van het Kastelenplein past binnen een hoog stedelijke ontwikkeling. Daarbij hoort een verscheidenheid van aanbod. De intensivering van het aantal woningen in het gebied zal zorgen voor meer vraag binnen verschillende voorzieningen zoals zorg, onderwijs en kinderopvang, bibliotheek, ontmoetingsplekken en ruimte voor sport en spel en cultuur.
In de gebiedsvisie Groots Gestel staan 4 principes benoemd ten aanzien van HOV4. Deze zijn: 1. De nieuwe HOV-verbinding maakt zo veel mogelijk gebruikt van het huidige profiel van de hoofdwegenstructuur. 2. Op diverse plekken zal de verkeerssituatie moeten worden aangepast om de doorstroming van de HOV-lijn en het autoverkeer te waarborgen, zonder dat het verkeer voor teveel overlast zorgt. 3. Bij de inpassing van de haltes wordt voor goede aansluiting gezorgd op de bestaande loop- en fietsroutes in het gebied. Waar nodig worden deze routes verbeterd en opgewaardeerd. 4. De haltes worden ontworpen op herkenbare en logisch ingebedde locaties in een veilige omgeving, gekoppeld aan een oversteek voor langzaam verkeer en meestal ook voor autoverkeer. De toekomstige haltes zijn voor alle gebruikers toegankelijk en bieden voldoende fietsparkeervoorzieningen om ketenmobiliteit te optimaliseren. Naast expliciete principes voor HOV4 omvat de gebiedsvisie Groots Gestel ook een omschrijving over parkeren en mobiliteit in Groots Gestel. Om de woningbouw en een kwalitatieve openbare ruimte te kunnen realiseren dient de ruimte voor verkeer of parkeren te worden teruggedrongen. Hiervoor moet anders gekeken worden naar parkeernormering en het parkeerregime. De parkeernota vormt de basis voor het toe te voegen (woon)programma.
Bepalend qua parkeerbehoefte is vooral het aandeel in de sociale woningbouwsector. Streven is om de parkeernormen verder omlaag te brengen om het autobezit in de te ontwikkelen gebieden te reduceren.
Voorwaarden voor deze reductie zitten onder meer in: De ontwikkeling van goed HOV. Dit doen we door HOV4 aan te leggen en het bestaande openbaar vervoer te optimaliseren. Realisatie van wijkhubs en microhubs voor deelvervoer binnen bereik van elk adres in het gebied. Hubs in combinatie met deelmobiliteit kan bijdragen aan een aantrekkelijke(re) openbare ruimte en worden gecombineerd met voorzieningen. Parkeren op afstand realiseren als mogelijke oplossing voor bezoekers en voor een mogelijke tweede auto van de nieuwbouwwoningen.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
59
Verder zijn de volgende doelstellingen voor parkeren van toepassing: Uit parkeertellingen (2023) blijkt dat er op verschillende plekken restcapaciteit in het gebied aanwezig is. Het is wenselijk gebruik te maken van deze restcapaciteit in het gebied totdat een maximumbezetting van 90% ontstaat, waarbij rekening wordt gehouden met maximaal acceptabele loopafstanden. Daarvoor dient het maximaal aantal parkeerplaatsen dat per bouwplan in de openbare ruimte mag worden opgelost te worden losgelaten, waardoor de huidige parkeerplaatsen kunnen worden benut. Nieuwe en mogelijk huidige parkeerbehoefte voor bewoners zo veel mogelijk in gecentraliseerde gebouwde parkeervoorzieningen (stallingsgarages). Slim gebruik maken van dubbelgebruik in het gebied. Streven naar maximaal 1 vergunning per adres. Streven om aan te haken op een regie-organisatie zoals MobilityXL voor KnoopXL voor beheer van parkeer- en mobilteitsaanbod in het hele gebied en de uitgifte van parkeerabonnementen. Naast het voorzien van een goede OV-verbinding voor bewoners in Gestel heeft HOV4 ook een ander doel: bezoekers aan de binnenstad of reizigers van centraal station op een snelle en duurzame wijze in en uit de stad krijgen. Het idee is dat deze niet meer met hun auto tot de binnenstad rijden. Hiervoor wordt een P+R voorzien bij Kastelenplein.
Echter is het reëel dat, afhankelijk van de doelgroep, ook andere haltes gebruikt gaan worden om de overstap te maken van auto naar OV. In dat geval parkeren ze in de wijk rondom een halte terwijl dit niet het doel is van deze parkeerplaatsen. Om ervoor te zorgen dat de leefbaarheid in de wijken rondom HOV4 en de beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte gebruikt worden zoals ze bedoeld worden, is betaald parkeren een effectieve maatregel. Sinds het invoeren van betaald parkeren binnen de Ring is de parkeerdruk op de wijken buiten de ring zichtbaar toegenomen. De eerste bewoners van straten net buiten de ring vragen het invoeren van betaald parkeren aan. De komst van betaald parkeren in een groter gebied van Gestel lijkt daarmee ingezet en een reëel uitgangspunt voor het beleid in 2040. Dit uitgangspunt is conform het beeld uit de Gebiedsvisie Groots Gestel.
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt met dit project invulling gegeven aan de principes en uitgangspunten zoals geformuleerd in Gebiedsvisie Groots Gestel.
60
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 7
Fysieke leefomgeving en milieu
7.1
Ladder van duurzame verstedelijking
7.1.1
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.1.2
Toetsing
Een stedelijke ontwikkeling is volgens artikel 5.129g van het Bkl gedefinieerd als een 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' De aanleg van een HOV-lijn valt niet onder dit begrip. Er wordt geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. gerealiseerd. Het is niet benodigd om de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen. 7.1.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, daarmee is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
61
7.2
M.e.r.-beoordeling
7.2.1
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(meldings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-melding betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. 7.2.2
Toetsing
In het kader van de notitie 'Aanmeldnotitie mer-beoordeling' en de onderzoeken in het kader van de motivering 'Doorstroming Eindhoven-Veldhoven' is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake zal zijn van ‘aanzienlijke milieueffecten’. Daar waar noodzakelijk zijn regels en/of compensatieplannen benoemd om effecten te voorkomen. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele mer-procedure. 7.2.3
Conclusie
Gelet op het bovenstaande (zie ook de bijlage 'Aanmeldnotitie mer-beoordeling') is besloten dat er geen milieueffectrapportage nodig is.
7.3
Geluid
7.3.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
62
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Evenwichtige toedeling Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet dienen gemeenten ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit wordt bereikt door activiteiten en functies te reguleren en te koppelen aan locaties voor het gemeentelijke grondgebied. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met alle betrokken belangen. De instructieregels van het Rijk (Besluit kwaliteit leefomgeving) en de provincie (Provinciale verordening) geven mede invulling aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3.1.1 Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente Eindhoven heeft de instructieregels voor gemeente- en waterschapswegen verwerkt in de beleidsregel 'Geluid in geluidaandachtsgebieden', vastgesteld op 14 november 2023.
Geluidbronsoorten
Standaardw aarde in Lden (dB)
Grensw aarde in Lden (dB)
Nieuw e geluidgevoelige gebouw en
Aanleg of aanpassing bron
Rijks- en provinciale w egen
50
60
65
Gemeente- en w aterschapsw egen
53
70
70
Gemeente- en Waterschapsw egen in uitleggebieden voor stroomw egen, gebiedsontsluitingsw egen en w ijk-/buurtontsluitingsw egen
53
58
58
Hoofd- en lokale spoorw egen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
63
van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
7.3.2
Toetsing
Er is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van geluid op de voorgenomen ontwikkeling. Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in twee fasen, waarbij fase 1 zich heeft toegespitst op het beschouwen van de geluideffecten op hoofdlijnen op basis van emissiegetallen van de wegen, conform het schetsontwerp. De rapportage van fase 1 is als Bijlage 12 aan deze motivering gehecht. In fase 2 zullen de optimalisaties uit het voorontwerp / definitief ontwerp verder worden verwerkt en zal een gedetailleerd akoestisch onderzoek plaatsvinden op woningniveau. Uit de resultaten van fase 1 kan worden opgemaakt dat op grote delen van het tracé geen sprake is van een aanpassing van de weg, waarbij eveneens sprake is van een relevante afname van de geluidemissie. Met name binnen de woonkern van Eindhoven ten noorden van het Verkeersplein zijn grote afnamen van de geluidemissie bepaald, vanwege het plaatsen van enkele knips in de verkeersnetwerken. Als maatregel is binnen het project HOV4 reeds rekening gehouden met het verlagen van het maximaal toegestane rijsnelheid van 70 km/uur naar 50 km/uur.
Voor nu is bepaald dat voor een de volgende locaties sprake is van een relevante fysieke aanpassing van de weg: 1. Rondom de kruising Meerveldhovenseweg treden relevante toenamen op ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen. Deze toenamen zijn toe te schrijven aan de fysieke wijzigingen van de weg, waarbij de weg meerdere meters verschuift in de richting van woningen (noordzijde en zuidzijde). 2. Tracédeel tussen de kruising met Bouvigne en de Kasteellaan, waar de rijrichting van het reguliere verkeer in de oost-west richting wordt verwisseld met het openbaar vervoer (bussen). 3. Voor de locatie bij het Verkeersplein (Karel de Grotelaan - Limburglaan) blijkt dat door de aanpassing aan de weg geen sprake is van een toename van het geluid als gevolg van de wegaanpassing. Voor deze locaties is voor een tweetal locaties een beoordeling op hoofdlijnen in uitgewerkt. Hieruit blijkt dat door de aanpassing aan de weg geen sprake is van een toename van het geluid als gevolg van de wegaanpassing.
Geluidwerende maatregelen Uit de eerste geluidberekeningen blijkt dat een geluidwerend scherm van 102 meter lang en 3 meter hoog dient te worden gerealiseerd om de overschrijding van de geluidgrenswaarde op de woningen aan de Ridderzaal (Kastelenplein) weg te nemen. Dit scherm dient aan de achterzijde van genoemde woningen, aan de Meerveldhovenseweg te worden gerealiseerd. 64
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
7.3.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.4
Milieubelastende activiteiten
7.4.1
Algemeen
Het is van belang dat verschillende activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving en milieugevoelige functies in evenwicht zijn met elkaar. Onder de Omgevingswet heet dit 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit evenwicht kan in hoofdzaak op twee manieren worden bereikt: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet in ieder geval worden voldaan aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur, externe veiligheid en trillinghinder door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Door milieunormen te stellen voor milieubelastende activiteiten wordt de milieugebruiksruimte beperkt. Zo kunnen milieubelastende activiteiten op een specifieke locatie worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in de nabijheid.
In het Bkl en ook in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het uitgangspunt is dat alle milieubelastende activiteiten in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact van wonen op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2024' De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2024' van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur.
Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2024' gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 7.4.2
Toetsing
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het besluitgebied. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt en geen gevoelige functies. Hierdoor is een toetsing aan de richtafstanden niet benodigd. Ook belemmert het voornemen de bestaande aanwezige functies niet in hun bedrijfsvoering. vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
65
7.4.3
Conclusie
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2.
in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
norm
ingangsdatum
Jaargemiddelde grensw aarde NO2 d
40 µg/m3
1-1-2015
Jaargemiddelde grensw aarde PM10
40 µg/m3
1-6-2011
Daggemiddelde grensw aarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3
1-6-2011
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden.
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij 66
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 7.5.2
Toetsing
Er is onderzoek verricht naar de concentratieniveaus in relatie tot de Rijksomgevingswaarden (zie onderstaand tabel). De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 13 aan deze motivering gehecht.
Tabel Rijksomgevingswaarden Voor het zichtjaar 2033 bedragen de jaargemiddelde achtergrondconcentraties in de omgeving van Eindhoven: NO2: Tussen de 5,9 en 14,0 µg /m3; PM10: Tussen de 12,2 en 16,8 µg /m3; PM2.5: Tussen de 6,1 en 9,3 µg /m3. De concentratieniveaus in de omgeving van het projectgebied liggen daarmee in de huidige situatie al onder de Rijksomgevingswaarden. In het onderzoek zijn de concentratieniveaus getoetst aan de Rijksomgevingswaarden. Hiervoor is Geomilieu gebruikt. De NIBM-tool is niet geschikt, omdat de mate van 'niet-betekenend' nog niet is bepaald voor de nieuwe Rijksomgevingswaarden vanaf 2030. Uit voornoemde toetsing in Geomilieu is gebleken dat de totale concentratieniveaus van achtergrondconcentratie plus bronbijdrage op de toetspunten (op wegen waar toenames te verwachten zijn van verkeer) maximaal bedragen: 14,9 µg NO2/m3; 14,5 µg PM10/m3; 7,2 µg PM2,5/m3. De conclusie van het onderzoek luidt dan ook dat de toename van het jaargemiddelde concentratieniveau van de stoffen NO2 en PM10, en PM2,5 onder de huidige Rijksomgevingswaarden liggen.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
67
7.5.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.6
Geur
7.6.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan.
Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
98-percentiel
99,9 percentiel
Omgevingscategorie Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Richtw aarde ouE(H)/m3
Grensw aarde ouE(H)/m3
Wonen
1,0
2,0
4
8
Gemengd
2,0
4,0
8
16
Overig
10
10
40
40
Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 68
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 7.6.2
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen geurbelastende activiteit mogelijk en geen geurgevoelige functies zoals woningen. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in een omgeving met intensieve veehouderij of andere geurbronnen. Een onderzoek voor het aspect geur is hierdoor niet benodigd. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.6.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect geur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.7
Bodem
7.7.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
69
7.7.2
Toetsing
Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van omgevingsvergunningen, of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen. Op diverse locaties in Eindhoven zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen het HOV4-tracé niet bekend. Op basis van archiefinventarisatie zijn geen omvangrijke verontreinigingen te verwachten. Het plan in kwestie ziet op infrastructuur, zodat geen sprake is van een bodemgevoelige locatie en inzicht in de bodemkwaliteit niet nodig is. Als voor de werkzaamheden in verontreinigde grond moet worden gewerkt is wel inzicht in de bodemkwaliteit nodig met het oog op een melding graven groter dan de interventiewaarde en het Arbeidsomstandighedenbesluit. De gronden zijn geschikt voor de functie (verkeer). Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zullen de bodemonderzoeken afgerond moeten zijn. Bij een civiel werk dient een melding 'graven in schone grond' (graven < I) worden gedaan.
In het geval van een sterke verontreiniging dient aanvullend een melding 'graven > I' voor de sterk verontreinigde grond gedaan worden. Er wordt in dit geval evenwel niet gesaneerd en er is geen saneringsdoelstelling. Er wordt uitsluitend verwijderd wat om civieltechnische redenen moet worden verwijderd. Het Tracé loopt deels door de boringsvrije zone en in een gebied dat verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Met de uitvoering van werkzaamheden zal hiermee rekening worden gehouden. 7.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.8
Ontplofbare oorlogsresten
7.8.1
Algemeen
In Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog hard gevochten, dat heeft zijn sporen in de bodem achtergelaten. Er worden nog steeds diverse soorten munitie of resten daarvan in de bodem gevonden. Dit noemen we Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Voorheen werd dit aangeduid als niet gesprongen explosieven (nge’s) ook wel conventionele explosieven. Explosieven in de grond die niet aangeraakt of verstoord worden, leveren in beginsel geen gevaar op. Maar bij aanraken of verstoring (bv. heien) is er wel een risico op explosie, dat kan leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en de gezondheid van mensen. In het verleden zijn er in Eindhoven al zeer veel OO opgeruimd. Maar er was geen goed beeld van de locaties waar mogelijk nog OO aanwezig zijn. Daarom is in 2018 en 2019 een omvangrijk archief onderzoek uitgevoerd om de locaties waar mogelijk nog OO liggen in kaart te brengen. Voor OO gelden de regels uit de ARBO-wetgeving, meer in het bijzonder de CS-OOO certficatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten. En het CS-VROO certificatieschema vooronderzoek en risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten. 70
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van OO. In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een risicoanalyse (RA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek OO worden aangetroffen worden deze geruimd. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) is verantwoordelijk de opruiming en vernietiging van niet-gesprongen explosieven. 7.8.2
Toetsing
Er heeft een oriënterend onderzoek plaatsgevonden, waarvan de rapportage als Bijlage 14 aan deze motivering is gehecht. Op basis van de gegevens zoals opgenomen in onderhavige Oriënterend onderzoek OO is duidelijk geworden dat binnen het onderzoeksgebied in het verleden meerdere onderzoeken zijn uitgevoerd. Deze hebben uitgewezen dat binnen het onderzoeksgebied van HOV4 in Eindhoven meerdere op OO verdachte gebieden aanwezig zijn.
Uitsnede van de landelijke BBK van Antea Group. Het tracé loopt door meerdere verdachte gebieden (Bron: Antea Group). Met name in het centrum van Eindhoven is een groot verdacht gebied aanwezig dat bestaat uit een samenvoeging van meerdere gebieden die afgebakend zijn n.a.v. grondgevechten en bombardementen. In alle verdachte gebieden geldt een onverdachte bovenlaag van 0,5 meter onder maaiveld. De verticale ondergrens van de verdachte gebieden dient opgevraagd, dan wel vastgesteld te worden. Advies verdacht gebied OO Indien binnen verdacht gebied grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd die dieper reiken dan 0,5 meter onder maaiveld, zullen vooraf vervolgstappen genomen moeten worden met betrekking tot OO. Dit kan in de vorm van opsporingsonderzoek waarna het gebied wordt vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
71
vrijgegeven, of werkzaamheden onder OO begeleiding. Afhankelijk van de aard en omvang van de geplande werkzaamheden kan het nuttig zijn om vooraf een onderzoek na-conflictperiode en risicoanalyse uit te voeren, waarbij gekeken wordt naar de grondroerende werkzaamheden in de periode 1945-heden. Dit levert in de regel een reductie van het verdachte gebied op en een besparing bij het opsporingsonderzoek. Advies onverdacht gebied OO Bij de voorgenomen werkzaamheden in onverdacht gebied hoeft geen rekening te worden gehouden met het aantreffen van OO. Door leemten in historische gegevens kan de vondst van een explosief evenwel nooit volledig worden uitgesloten. Mocht tijdens werkzaamheden spontaan een OO aangetroffen worden, dan dient het protocol 'Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten' aangehouden te worden. Indien OO worden aangetroffen binnen het onderzoeksgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident, of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen.
7.8.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect OO geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het wijzigingsbesluit.
7.9
Omgevingsveiligheid
7.9.1
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per 72
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
73
mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
7.9.2
Toetsing
De risicobronnen op het gebied van externe veiligheid in de nabijheid van het voorkeurstracé in de gemeente Eindhoven zijn onderzocht. Daarbij is tevens het externe veiligheidsrisico dat het tracé eventueel voor haar omgeving vormt beschouwd. Uit het onderzoek waarvan de rapportage als Bijlage 15 aan deze motivering is gehecht, blijkt dat er geen relevante PR-contouren of brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van omliggende stationaire bronnen, buisleidingen, of vaarroutes overlappen met het voorkeurstracé. Het PR en de aandachtsgebieden van de stationaire bronnen, buisleidingen, en vaarroutes houden daarom geen beperkingen in voor de ontwikkeling van de HOV4-lijn op deze locatie. Spoorlijn (route 12) en de rijksweg A2 hebben wel PR 10-6-contouren en aandachtsgebieden die lokaal overlappen met het voorkeurstracé. Omdat de geplande ontwikkeling beperkt is tot een tracé en enkele additionele infrastructurele aanpassingen zoals bushaltes en er geen sprake is van nieuwbouw van zeer kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties, houden het PR en de aandachtsgebieden van de spoorlijn en de rijksweg geen wettelijke belemmeringen in voor de geplande ontwikkeling. Er wordt daarom geconcludeerd dat het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden geen beperkingen inhouden voor de ontwikkeling van de HOV4-lijn op deze locatie.
Stationaire EV-activiteiten en bijbehorende PR-contouren in de omgeving van het beoogde tracé. Het beoogde HOV4 tracé (blauw), de aftakking naar de High Tech Campus (groen) en de bushaltes (rood) zijn hierin aangegeven. Bron: Atlas Veiligheid.
74
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
Stationaire EV-activiteiten en bijbehorende aandachtsgebieden in de omgeving van het beoogde tracé. Het beoogde HOV4 tracé (blauw), de aftakking naar de High Tech Campus (groen) en de bushaltes (rood) zijn hierin aangegeven. Bron: Atlas Veiligheid.
Alles overziend wordt geconcludeerd dat het voorkeurstracé van HOV4 vanuit het oogpunt externe veiligheid realiseerbaar is en er geen belemmeringen naar voren komen uit dit onderzoek. 7.9.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.10
Trillingen
7.10.1
Algemeen
Zwaar verkeer, heiwerkzaamheden, machines, enzovoort kunnen aanleiding geven tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot hinder voor personen en schade of storingen aan apparatuur. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en het milieu-instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillingshinder. Met de komst van de Omgevingswet ligt de regelgeving voor hinder als gevolg van trillingen (deels) verankerd in het omgevingsplan van de gemeenten en in de Rijksinstructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt slechts ten dele, omdat het overgangsrecht niet direct regelt dat regelgeving als gevolg van wegverkeer standaard zijn overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Bovendien vallen trillingen als gevolg van wegen buiten het toepassingsbereik van de instructieregels uit het Bkl. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om eigen regels daarover op te nemen als men dat wenst.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
75
De gemeenten Eindhoven en Veldhoven hebben dit (vooralsnog) niet gedaan. Er bestaat daarmee geen specifiek juridisch kader in zijn algemeenheid voor trillingen. De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) wordt daarom vaak als toetsingskader gehanteerd. Deze heeft formeel geen wettelijke status, maar wordt in jurisprudentie dikwijls toegepast bij het beoordelen van trillingen. Dit instrument wordt daarom in voorliggend onderzoek als toetsingskader aangehouden. De richtlijn bestaat uit drie onderdelen, die elk een ander aspect van trillingen beoordelen. Te weten: deel A: Schade aan bouwwerken; deel B: Hinder voor personen in gebouwen; deel C: Storing aan apparatuur. In Bijlage 16 zijn deze onderdelen op hoofdlijnen toegelicht. 7.10.2
Toetsing
Er is een trillingsonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage als Bijlage 16 aan deze motivering is gehecht. Betreffend onderzoek gaat hoofdzakelijk in op de effecten in de gebruiksfase en voorziet in een toetsing aan de richtlijnen uit de SBR. SBR-A schade aan bouwwerk en Uit metingen in gebouwen langs wegen blijkt dat op alleen zeer korte afstand (minder dan 5 meter) en in uitzonderlijke gevallen tot schade aan gebouwen leiden. Voor het merendeel van het tracé blijft de afstand in de toekomstige situatie gelijk ten opzichte van de huidige situatie. Concluderende dat negatieve effecten zoals schade aan bouwwerken zijn dus niet te verwachten. Eventuele risico's op schade aan bouwwerken tijdens de aanlegfase, bijvoorbeeld door het inbrengen van damwanden, zullen in een vervolgfase nader worden onderzocht. SBR-B hinder voor personen in gebouwen Op basis van een prognosemodel is voor een onderzoeksgebied van 30 meter van het project een berekening gedaan van Vmax en getoetst aan de toetsingscriteria uit de SBR-B. Hieruit blijkt dat 19 panden voldoen aan grenswaarde A1. Voor 23 panden is dit niet het geval, omdat daar een toename van Vmax wordt berekend in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Een toename van Vmax in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie is niet toegestaan volgens SBR-B.
Voor de resterende 613 panden is een beoordeling van Vper nodig om uitsluitsel te geven. Dit zal in een vervolgonderzoek worden bekeken. Met betrekking tot hinder (kijkend naar alleen Vmax) heeft het project HOV4 een positief effect. Veel panden verschuiven van matige hinder naar weinig/geen hinder, mede doordat Vmax voor het merendeel van de panden afneemt in de toekomstige situatie. Met als hoogste waarde 0,51 in de plansituatie kan verder worden gesteld dat deze trillingsniveaus naar verwachting niet tot onacceptabele en onvergunbare hinder leiden. Aanvullend hierop draagt het project bij aan een verbeterde doorstroming van het busverkeer en in combinatie met een snelheidsverlaging op een groot deel van het tracé luidt de verwachting dat trillingshinder binnen gebouwen afneemt. Het bevoegd gezag dient een oordeel te vellen over de aanvaardbaarheid, als ook Vper is betrokken in het onderzoek.
76
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
SBR-C storing aan apparatuur De bedrijven in de nabijheid van de HOV4 verbinding waar mogelijk storing aan apparatuur speelt zijn ASML en het MMC. Beiden zijn niet gelegen in Eindhoven. 7.10.3
Conclusie
Door middel van onderzoek zijn de effecten van HOV4 getoetst in de gemeente Eindhoven. Voor de onderdelen A: Schade aan bouwwerken, B: Hinder voor personen in gebouwen, C: Storing aan apparatuur zijn er vanuit trillingen gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkelingen op deze locatie toe te staan. Wel dient het bevoegd gezag in het kader van B (hinder voor personen in gebouwen) een oordeel te vellen over de aanvaardbaarheid en als de Vper. Deze beoordeling kan op basis van aanvullend onderzoek. Dit is juridisch geborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
7.11
Verkeer
7.11.1
Verkeer en mobiliteitsmaatregelen
Met de voorgenomen ontwikkelingen worden diverse mobiliteitsmaatregelen gerealiseerd. De mobiliteitsmaatregelen beschrijven hoe verkeer in het plangebied wordt geregeld en hebben als doel het verbeteren van de bereikbaarheid en de mobiliteit in de regio Eindhoven-Veldhoven. De ontwikkeling draagt bij aan een duurzame, leefbare en verkeersveilige omgeving. Op grond van het vastgestelde voorkeurstracé heeft de uitwerking en afweging van het ontwerp plaatsgevonden. Op het grootste deel van het tracé is de inpassing van vrijliggende businfrastructuur in twee richtingen mogelijk. Bij het tot stand gekomen ontwerp is per wegvak zorgvuldig naar de bestaande situatie gekeken en is een integrale afweging gemaakt voor de inpassing van infrastructuur, groen, parkeren, water en andere voorzieningen. Per tracédeel zijn diverse varianten uitgetekend om de voor- en nadelen te inventariseren en af te wegen. Op grond van de feedback van bewoners, belanghebbenden en andere stakeholders is per wegvak een keuze gemaakt voor optimale samenhang in ruimtelijke kwaliteit, met specifieke aandacht voor (verkeers)veiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid.
Bij de inpassing van de busbaan zijn de volgende principes leidend: De doorstroming van alle verkeer voldoet aan de uitgangspunten van het Masterplan Mobiliteit 2050 en Raadsvoorstel Mobiliteit-in-balans; Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande verhardingen en funderingen; Alle ontwerpen zijn verkeersveilig. Op alle ontwerpen wordt een verkeersveiligheidsaudit uitgevoerd; Alle ontwerpen voldoen aan de toegankelijkheidseisen; Bestaande groen- en bomenstructuren zijn zoveel mogelijk ontzien. Te kappen bomen worden volledig gecompenseerd; Er wordt voldaan aan de wateropgave om wateroverlast in de toekomst te voorkomen; Waar mogelijk is rekening gehouden met (toekomstige) ondergrondse infrastructuur; De haltes zijn op slimme locaties gepositioneerd met optimale bereikbaarheid vanuit de omgeving en voorzien van fietsenstallingen en deelmobiliteit voor eventueel vervolg transport. Deze komen overeen met de locaties in de Gebiedsvisie Groots Gestel.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven
77
7.11.2
Toetsing
7.11.2.1
Inpasbaarheid Centrum
In het centrum gaat de route lopen via de Vonderweg – Mauritsstraat - Mecklenburgstraat. In de Mauritsstraat en de Mecklenburgstraat is de breedte van het profiel niet toereikend om een vrijliggende busbaan in twee richtingen in te passen inclusief alle andere modaliteiten. Daarom is de keuze gemaakt om de bus in één richting mee te laten rijden met het overige verkeer. De rijrichtingen waar de bus meerijdt met het overige verkeer zijn op de Mauritsstraat richting de Vonderweg en op de Mecklenburgstraat richting de Karel de Grotelaan. Deze rijrichtingen zijn onder meer gekozen op grond van beschikbare ruimte op het kruispunt Mauritsstraat – Mecklenburgstraat en Mobiliteit in Balans. Door prioriteit en een voorstart bij de verkeerslichten zorgt dit voor een betrouwbare reistijd. Daarnaast is ook gekozen voor een tweezijdig fietspad aan centrumzijde/noordzijde van de Vonderweg en Mauritsstraat. Bij de Mecklenburgstraat is er een tweezijdig fietspad aan de zuidoostzijde. Het gekozen profiel is inpasbaar in de bestaande verkeersruimte.
Vonderweg Het tracédeel Vonderweg is het aansluitende tracédeel met de ontwikkelingen aan Fellenoord. Hier wordt de verdere busverbinding gemaakt met het Station. Vanuit het verkeerscirculatieplan (gekozen 20-05-2025 Levende Pleinen variant) wordt ter hoogte van de Vonderweg voor autoverkeer een knip gemaakt. Doorgaand verkeer tussen Mauritsstraat en Elisabethtunnel zal in de toekomst niet meer mogelijk worden gemaakt. Dit geldt ook voor de Willemstraat, tussen de Sint Antoniusstraat en de Vonderweg. Dit is een van de maatregelen die nodig zijn om het doorgaande verkeer in de gehele binnenstad tegen te gaan. Daarnaast geldt voor dit tracédeel dat de Vonderweg onderdeel is van de doorfietsroute, die in het verlengde van de Maurisstraat tweezijdig aan de noordzijde zal worden uitgevoerd. Nog voordat er concrete afspraken waren vastgelegd vanuit het verkeerscirculatieplan zijn verschillende scenario's en daarmee ook varianten uitgewerkt voor dit tracédeel. Uitgangspunt voor alle varianten is dat altijd een busbaan in twee richtingen is ingepast. De keuze voor het verkeerscirculatieplan heeft een definitieve inrichtingsvariant voor de Vonderweg bepaald. Uitgangspunt: VCP vastgesteld levende pleinen 20-05-2025. Hiermee wordt een doorgaande verbinding tussen Lumenstraat / Willemstraat en de Elisabethtunnel niet meer mogelijk gemaakt.