CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - TAM-omgevingsplan Doorstroming HOV4 - Motivering

Raadsvergadering 16 juni 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling wijzigingsbesluit TAM omgevingsplan HOV435.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Deze variant vormt de basis voor verdere uitwerking van het ontwerp. Vanuit het gebruik van de plek, met name rondom het Philips Stadion heeft het de voorkeur om naast de doorfietsroute aan de noordzijde ook aan de zuidzijde een fietspad te organiseren. Hierdoor kan grote drukte beter opgevangen worden in de omgeving. Het nieuwe profiel van de Vonderweg biedt ruimte voor veel groen en een royale boomstructuur. Er is ruimte voor meer bomen dan in de huidige situatie, waardoor ook invulling kan worden gegeven aan 'Groenplan Centrum' met de tangent als groene lijst rond het centrum. Een deel van de bestaande bomen is in slechte conditie. Vervanging biedt ruimte voor een optimaler wegprofiel, bredere groenbermen en daarmee meer ruimte voor nieuwe bomen. Een ander deel kan mogelijk worden verplant zodat de bomen behouden kunnen blijven. De invulling van het profiel van de Vonderweg en de pleinfunctie voor het Philips Stadion worden nader uitgewerkt in samenhang met de openbare ruimte van het Emmasingelkwadrant.

Centrum parkeren Ten gevolge van de aanleg van HOV4 zal een aantal parkeerplaatsen in de Mecklenburgstraat en Mauritsstraat komen te vervallen. In de Mecklenburgstraat komen straks 32 parkeerplekken, nu zijn er 51 parkeerplekken. In de Mauritsstraat komen 11 parkeerplekken, dat zijn er nu 18. Het blijft betaald parkeren. Voor bewoners met een vergunning blijft er ruimte om de auto te parkeren binnen de geldende loopafstanden van 200 en 400 meter. Er is namelijk voldoende restcapaciteit in de betreffende vergunningszone, waardoor geen 78

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

compensatie nodig is voor het aantal parkeerplekken dat verdwijnt. Sinds medio juni 2025 is betaald parkeren in alle buurten binnen de Ring van Eindhoven ingevoerd.

7.11.2.2

Inpasbaarheid Karel de Grotelaan

Op de Karel de Grotelaan wordt de busbaan in twee richtingen aan de noordzijde ingepast. De zuidzijde wordt omgebouwd voor autoverkeer in twee richtingen. Concreet wil dit zeggen dat de huidige twee rijstroken stad uit worden omgebouwd tot twee busbanen (een stad in en een stad uit). De twee huidige rijstroken stad in blijven beschikbaar voor gemotoriseerd verkeer maar dan twee keer een rijstrook (één stad in en één stad uit). Hierbij is er wel een verschuiving van de wegas ten opzichte van het huidige profiel. De keuze voor dit profiel zorgt ervoor dat het nieuwe profiel binnen de bestaande verkeersruimte wordt gerealiseerd.

Karel de Grotelaan binnen de ring Binnen de ring wordt de Karel de Grotelaan voor het gemotoriseerd verkeer ingericht als een gebiedsontsluitingsweg 30 (GOW30). De bestaande parallelweg komt te vervallen en parkeervakken worden langs de rijbaan aangebracht. Aan beide zijden van de Karel de Grotelaan wordt een tweerichtingsfietspad gerealiseerd. Hiervoor dienen bomen verplaatst te worden aan de zuidzijde. Dit is ruimtelijk inpasbaar.

Karel de Grotelaan buiten de ring - Kastelenplein Buiten de ring is de Karel de Grotelaan een gebiedsontsluitingsweg met 50 km/h met aan de zuidzijde een tweerichtingsfietspad. Aan de noordzijde zijn de wegvakken tussen de bushaltes en het dichtstbijzijnde kruispunt ontworpen als tweerichtingsfietspad met een bomenrij om het principe van de parklane te borgen.

7.11.2.3

Inpasbaarheid Kastelenplein

Op het Kastelenplein komt de busbaan op de Karel de Grotelaan (noordzijde) en het overige gemotoriseerde verkeer op de Meerveldhovenseweg (zuidzijde). Dit geeft meer duidelijkheid omdat reizigers op dezelfde plek kunnen in- en uitstappen. Om de doorstroming en verkeersveiligheid van het verkeer op de Meerveldhovenseweg in de nieuwe situatie te optimaliseren zijn maatregelen opgenomen in het ontwerp. Belangrijke reden voor de tracékeuze is het positieve effect op de ruimtelijke mogelijkheden voor herontwikkeling van het Kastelenplein. Door de keuze voor een busbaan aan de noordkant, verminderd de barrièrewerking aan die zijde en ontstaat er de kans om een prettige en groen woonklimaat te creëren. Door ontwikkelingen in de stad die onder andere voortkomen uit het Masterplan Mobiliteit en Mobiliteit-in-Balans, aanpassing van het wegprofiel van 2x2 naar 2x1 rijstroken en een optimalisatie van de alternatieve routes naar het centrum zoals de Meerenakkerweg, blijkt dat het gemotoriseerd verkeer grofweg halveert. De verkeersberekeningen tonen aan dat er aan de zuidzijde niet meer auto's gaat rijden dan in de huidige situatie. De impact op luchtkwaliteit en geluid in beeld gebracht maatregelen opgenomen in het ontwerp.

De bereikbaarheid en oversteekbaarheid vanuit het zuiden naar het Kastelenplein wordt verbeterd door het realiseren van langzaam verkeersverbindingen zoals in een groene vallei. De gebiedsontwikkeling van het Kastelenplein biedt ook kansen voor de realisatie van een mobiliteitshub. Hier is rekening mee gehouden in het ontwerpproces van HOV4. Parkeerplaatsen in het gebied kunnen dubbel worden gebruikt door bewoners en gebruikers van het Kastelenplein zelf, maar ook door bezoekers van de binnenstad die met een overstap op de HOV4 een snelle directe busverbinding krijgen. Zo wordt autoverkeer aan de rand van de stad opgevangen en worden de stedelijke wegen en het centrum minder belast met vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

79

niet-noodzakelijk autoverkeer.

7.11.2.4

Inpasbaarheid High Tech Campus Eindhoven (HTCE)

Voor de aftakking van HOV4 richting de HTCE heeft er een afweging plaatsgevonden tussen de verschillende routemogelijkheden op het gebied van flora en fauna enerzijds en de vervoerwaarde voor het OV anderzijds. De directe route via de Roffart en Locatellistraat, met een nieuwe brug voor de bus naast de bestaande fietsbrug over de Dommel heeft de voorkeur. De reistijd wordt met 4 minuten minder op deze verbinding sterk verbeterd, wat meer reizigers trekt dan alle andere alternatieven. Naar verwachting ruim 1.000 per dag in 2029. De keuze voor een aparte busbrug heeft de voorkeur omdat dit minder impact heeft op de natuur dan een gecombineerde fiets-busbrug. Voorwaarde is dat compensatie van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) moet worden gerealiseerd en voor aanleg van deze route dient tijdig een ontheffing te worden verkregen voor de in het gebied levende kwetsbare soorten. In de afweging speelt mee dat in de toekomst ook de Brainportlijn die de BIC campus verbindt met de HTC en de campus bij de Run over deels dezelfde infrastructuur gaat rijden als nu de HOV4. Elke minuut reistijdwinst telt dan niet alleen mee voor de reizigers in een HOV4-lijn, maar ook in de Brainportlijn. De bus rijdt na de kruising met de Ehrenstein op de Roffart in beide richtingen mee met het overige gemotoriseerde verkeer.

Door de bus prioriteit te geven bij de verkeerslichten is aan de hand van verkeersberekeningen gebleken dat op dit stuk een vrijliggende busbaan nauwelijks tijdwinst oplevert. Door de prioriteit wordt ook de betrouwbaarheid niet verminderd. Op de aftakking van de Locatellistraat richting de HTCE komt een vrijliggende busbaan voor de directe verbinding met de HTCE. Vanwege de beschikbare ruimte en het beperken van de impact op de omgeving en het Dommeldal, is op de Locatellistraat richting de HTCE gekozen voor de inpassing van een enkele busbaan. De rijtijden worden door de lagere busfrequentie op deze aftakking ten opzichte van het hoofdtracé nauwelijks beïnvloed. Afgezien van de routekeuze richting HTCE heeft het onderzoek naar de vervoerwaarde en reistijden ook inzichten opgeleverd over de routekeuze op de HTCE. Uit de analyse blijkt dat (ongeacht de aanrijroute) één centrale halte op De Strip een betere oplossing is dan de bestaande route rondom de HTCE die, inclusief de halte Professor Holstlaan, in totaal vijf haltes aandoet. Het voorstel is dan ook om met de HTCE één centrale halte nader uit te werken en te realiseren. Aangezien de bus op de campus over privéterrein rijdt, worden er nog afspraken gemaakt over de nadere uitwerking.

Bij het ontwerpen van de Dommelbrug zullen maatregelen genomen worden die de impact op de ecologie zo klein mogelijk maken, bijvoorbeeld in de vormgeving van de brug en het vrijhouden van de oevers. Uit onderzoek moet naar voren komen welke maatregelen dit zijn. Om tot deze voorgestelde routekeuze te komen en in lijn met de toezegging aan uw raad op 20 juni 2023 is een bredere afweging van scenario's gemaakt.

7.11.2.5

Verkeersstromen

Aangezien het ten behoeve van het ontwerp van de HOV4 van belang is om in een vroeg stadium inzicht te krijgen in de gewijzigde verkeersstromen en in de verwerkingscapaciteit van de kruispunten en wegvakken, is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Hierbij is op basis van het BBMA2024 verkeersmodel inzicht gegeven in diverse verkeerseffecten rondom het HOV4-tracé.

Gebruikers van het OV op het tracé Geconcludeerd kan worden dat de HOV4 goed gebruikt gaat worden. Vooral vanwege de 80

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

realisatie van het vrijliggende tracé. Het gebruik van het openbaar vervoer op het tracé ter hoogte van het Kastelenplein verdubbelt ruim (120% meer) ten opzichte van de huidige situatie. De beoogde frequentie is afdoende om in de spits de passagiersstromen te accommoderen. In principe is er altijd ruimte in de bus om in te kunnen stappen. Op de busbaan is nog afdoende ruimte om de frequentie op te hogen.

Effect gemotoriseerd verkeer In Eindhoven zijn er duidelijke verschillen te zien in de hoeveelheid verkeer. Vooral rondom het Kastelenplein en bij de kruising met de Ring zorgt de realisatie van de busbaan voor veranderde infrastructuur en daarmee veranderde wegvakintensiteiten. In Eindhoven wordt in de huidige situatie ruim 40% van alle verplaatsingen (auto-OV-fiets) met de auto gemaakt. In 2040 daalt dit, mede door de landelijke ontwikkelingen, tot 37%. Alle mobiliteitsmaatregelen die worden voorzien in Eindhoven, inclusief de aanleg van HOV4, zorgen aanvullend voor een afname van het autogebruik tot 27% (aandeel auto tov totaal gebruik auto+OV+fiets). Ter hoogte van de HOV-baan is op sommige plaatsen sprake van een halvering van de verkeersintensiteit. Dit past binnen de beoogde doelen van de mobiliteitstransitie.

Resultaten verkeersonderzoek op wegvakniveau gemotoriseerd verkeer De analyse van de wegvakintensiteiten van zowel de referentievariant als de planvariant laten significante verschillen zien. Op wegvakniveau zijn deze verschillen prima op te vangen. De wegvakcapaciteit is groot genoeg (ook na realisatie van het gehele HOV4-tracé) om het verkeer te kunnen verwerken. Ook in de spitsen. In alle doorgerekende varianten blijft de intensiteit in de spits ruim onder de capaciteit op wegvakniveau.

Resultaten verkeersonderzoek op kruispuntniveau gemotoriseerd verkeer De realisatie van het HOV4-tracé veroorzaakt op kruispuntniveau enkele knelpunten. Door het toevoegen van: de bypass bij de Bouvigne, een extra rijstrook de stad uit tussen Bouvigne en de N2 en een extra rijstrook tussen de Roffart en Tinelstraat wordt het knelpunt bij Bouvigne opgelost en bij de Kasteellaan verkleind. Deze maatregelen zijn noodzakelijk en opgenomen in het schetsontwerp van mei 2025. Enkele kruispunten kennen nog geen afwikkeling conform de beleidsdoelstellingen. Dit zijn de Mauritsstraat – Mecklenburgstraat – Willem de Zwijgerstraat, de Karel de Grotelaan -Roffart – Kasteellaan en het kruispunt met de N2. Voor het eerste kruispunt ziijn de verwachte wachtrijen vergelijkbaar met de huidige situatie. Er is dus door de komst van HOV4 geen sprake van een verslechtering van de doorstroming. Het tweede kruispunt lost deels op door de afname van verkeer in 2040 ten opzichte van 2030. Het derde kruispunt is gemeld bij Rijkswaterstaat want dit is onafhankelijk van HOV4 een verwacht knelpunt.

7.11.2.6

Ontwikkelingen en realisatie

Op het tracé vinden veel ontwikkelingen plaats zoals woningbouw, herinrichting verkeer door VCP en betere doorstroming op de Ring. De uitvoeringsplanning zal afhankelijk zijn van al deze ontwikkelingen. Daarom starten we zo snel mogelijk op tracédelen waar de meeste winst te behalen is op de beleidsdoelstellingen van het Masterplan Mobiliteit. Dit betekent de realisatie van HOV4 op tracédelen waar de meeste reistijdwinst wordt behaald én het realiseren van verkeerscirculatie in de zuidwestkant van de stad. Dit zorgt ervoor dat doorgaand verkeer uit het centrum wordt geweerd en de doorstroming en verkeersveiligheid van het langzaam verkeer wordt verbeterd. Dit zal in een latere fase met elkaar worden afgestemd zodra de plannen van de raakvlakprojecten concreter worden. vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

81

Gedurende aanleg zal onvermijdelijk tijdelijke hinder en overlast optreden. Door middel van een zogenoemde BLVC-aanpak worden de Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie geborgd. Bij de fasering en uitvoering van HOV4 is het uitgangspunt dat tracédelen na aanleg zo snel mogelijk in gebruik worden genomen als busbaan.

7.11.3

Conclusie

Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

7.12

Groen

7.12.1

Algemeen

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

82

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart 7.12.2

Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven

Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit.

Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen. Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.

Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

83

7.12.3

Verordening bomen 2024

In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een

plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.

Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand.

Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het besluitgebied mogelijk. 84

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college. 7.12.4

Groene kaart

Er is een Groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); groenarme gebieden; centrumgebied; bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen. De informatie op de groene kaart is nodig om: te duiden waar de waardevolle bomen staan; te duiden waar de monumentale bomen staan; inzicht te geven in de Bebouwingscontour houtkap; inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is; het centrumgebied en de groenarme gebieden (zie Nadere regels compensatieplicht). Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

7.12.5

Toetsing

De groennorm ingevolge de Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven, ziet uitsluitend op ruimtelijke ontwikkelingen die zien op bouwwerken (vanaf 1 woning en niet-woningen vanaf 50 m2 B.V.O) en dus niet op de aanleg van een HOV-tracé.

Groencompensatie Daar waar sprake is van een functiewijziging van groen naar verkeer, is sprake van aantasting van bestaand groen. Ingevolge de Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven is aantasting en compensatie van bestaand groen toegestaan wanneer sprake is van versterking op het gebied van klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid of identiteit, of (zwaarwegend) maatschappelijk belang en het afdelingshoofd Klimaatadaptatie hier goedkeuring voor geeft. Daar wordt in dit geval aan voldaan. De realisatie van het HOV4-tracé in Eindhoven dient een zwaarwegend maatschappelijk belang. Het project beoogt de structurele verbetering van de bereikbaarheid tussen de belangrijkste onderwijs- en economische knooppunten binnen de Brainportregio, waaronder het stationsgebied, de HTC en ASML. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdoelen op het gebied van duurzame mobiliteit, klimaat en verstedelijking (o.a. NOVI, Mobiliteitsprogramma Zuid-Nederland en Mobiliteitsplan Eindhoven 2040). Het HOV-tracé draagt bij aan een modal shift (vervoerswijzeverschuiving) van autoverkeer naar emissievrij openbaar vervoer, vermindert verkeersdruk en emissies in de stedelijke kern en ondersteunt de woningbouw- en verdichtingsopgave rond OV-knooppunten.

Gelet op deze vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

85

cumulatie van publieke belangen wordt de aanleg en uitvoering van het HOV4-tracé aangemerkt als een project van zwaarwegend maatschappelijk belang dat een evenwichtige belangenafweging in het kader van de fysieke leefomgeving rechtvaardigt. De gronden met een bestaande groenfunctie die met dit besluit worden gewijzigd naar de verkeersfunctie zijn zorgvuldig geïnventariseerd. De resultaten hiervan zijn in onderstaand tabel opgenomen. Het gaat daarbij in totaal om 40.861 m2 aan gronden met de groenfunctie die wordt gewijzigd naar de verkeersfunctie. Het verval van de groenfunctie van deze gronden door de projectering van het tracé van de HOV4 en daarmee van de verkeersfunctie, zal passend worden gecompenseerd.

In onderstaand tabel is per projectdeel uiteengezet op welke wijze dit project voorziet in de groenopgave.

Gebied

Functie Groen in huidig Om gevingsplan (m 2)

Functie Groen in nieuw Om gevingsplan (m 2)

Te Extra groen Totale com penseren conform oppervlakte groen binnen inrichtingsteken groen na de functie ingen realisatie HOV4 Verkeer (m 2) (ca. m 2) (bij benadering) (m 2)

Binnen de Ring

1.922

0

1.922

13.566

15.488

Ring en KdGlaan buiten de Ring

17.192

2.802

14.390

10.543

27.735

Kastelenp lein tot aan A2/N2

23.780

4.095

19.685

2.892

26.672

Aftakking HTC

6.544

1.680

4.865

8.993

15.537

Totaal

49.438

8.577

40.861

35.994

85.432

Tabel groencompensatie

Ter planologisch juridische borging is het volgende in de regels opgenomen: De groenfunctie/activiteit is opgenomen voor de grotere reeds aanwezige groenzones en daar waar bestaande groenstroken als afscherming naar omliggende functies (veelal woningen) behouden moeten blijven. Binnen de verkeersfunctie/activiteit zijn beoordelingsregels opgenomen (voormalige voorwaardelijke verplichting) om de tijdige realisatie en instandhouding van de compensatie zoals in bovenstaande tabel staat aangegeven te borgen. Met aanduidingen (overige zone - realisatie m² groen HOV4 projectdeel) op de verbeelding is het besluitgebied in de vier bovenstaande gebieden verdeeld en is per gebied een minimaal aantal vierkante meters te realiseren groen opgenomen. De groengebieden zijn niet expliciet op de verbeelding vastgelegd, om de nodige flexibiliteit te behouden. In Bijlage 1 is het ontwerptracé van de HOV4 opgenomen waarin ook de geplande groeninvulling is ingetekend.

Bomen 86

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

Bij de uitwerking van de HOV4 zijn het tracé en profiel zoveel mogelijk geoptimaliseerd om zoveel mogelijk bomen te kunnen sparen met behoud van kwaliteit: De conditie, vitaliteit en toekomstverwachting van de bestaande bomen, de omvang, boomsoort en vervolgens potentiële verplantbaarheid zijn meegenomen in de afweging om zoveel mogelijk bomen te behouden en het profiel in samenhang met de boom- en groenstructuren zoveel mogelijk te optimaliseren. Meer groen en zoveel mogelijk versterking van boom- en groenstructuren is uitgangspunt, zoals de uitwerking van de Westtangent als doorlopende bomenlaan en groenstructuur (conform Groenplan Centrum) en de Karel de Grotelaan volgens het Parkway-principe. Er is ingestoken op robuustere groenbermen met meer toekomstgerichte kansen voor zowel bestaande als nieuwe bomen. Ten behoeve van meer groen en groeiruimte voor bomen is er in de Mecklenburgstraat voor gekozen om de bomen aan de zuidzijde te vervangen en nieuwe bomen in een nieuwe ruime groenberm op ruimere afstand van de woningen aan te planten. Bij bushaltes en het tankstation langs de Karel de Grotelaan is zeer kritisch gekeken welke bomen behouden kunnen blijven, maar ook hoe de boomstructuur op zichzelf het beste in stand gehouden en zo mogelijk versterkt kan worden. Op enkele plekken wordt het fietspad daarom verlegd.

Om zoveel mogelijk bomen langs de Locatellistraat (gedeelte verbindingsweg naar HTC) te sparen en het groene karakter te waarborgen, wordt de busbaan hier enkelbaans uitgevoerd. Een deel van bomen vormt lesmateriaal voor de hier gesitueerde groenschool. Het nieuwe profiel biedt ook kansen om dit lesmateriaal aan te vullen. Het voorafgaand aan de ontwerpfase uitgevoerde bomenonderzoek inclusief nadere verplantbaarheidsonderzoeken en de Bomen Effect Analyse (BEA) op basis van het voorlopige ontwerp (VO) gaven daarbij belangrijke inhoudelijke informatie om dat te kunnen doen. Daarbij is ook samen opgetrokken met Trefpunt Groen Eindhoven. Ondanks het uitgangspunt voor het behoud van zoveel mogelijk bomen en de optimalisatie van het ontwerp daar waar het kan, zullen er over het gehele tracé – op basis van het ontwerp dat er medio oktober 2025 ligt – 402 bomen worden gekapt met een totale monetaire waarde van € 2.185.353,--. Er worden zoveel mogelijk bomen fysiek gecompenseerd binnen de projectgrenzen. Zo is het centrumdeel (Vonderweg, Mauritsstraat en Mecklenburgstraat), sprake van een zogenoemd groenarm gebied, waar dankzij het nieuwe profiel kansen om een nieuwe boomstructuur met meer bomen en meer groen aan te planten wordt gecreeërd. Langs de Karel de Grotelaan wordt ook ingezet op versterking van de bestaande boomstructuren.

De verwachting is dat het grootste deel van de totale monetaire waarde ook daadwerkelijk binnen het projectgebied gecompenseerd kan worden, door niet alleen te investeren in nieuwe bomen en onderbeplanting maar ook flink te investeren in de ondergrondse groeiruimte bij de bestaande bomen. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat belangrijke groenstructuren voor de stad, zoals de bomenrijen van lindes langs de Karel de Grotelaan, uit kunnen groeien tot een robuuste monumentale groenstructuur. Indien er ondanks de investeringen in nieuwe bomen, vergroening en groeiplaatsverbetering toch nog een restbedrag overblijft dat we niet in fysieke compensatie weten om te zetten, zal de resterende monetaire waarde financieel gecompenseerd worden in het Bomen Compensatie Fonds (BCF). In Bijlage 1 is het Ontwerptracé van de HOV4 opgenomen waarin ook is aangegeven welke bomen verwijderd worden (of nog ter discussie staan en worden onderzocht), welke bomen behouden blijven en waar nieuwe bomen worden aangeplant.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

87

7.12.6

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect groen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit. Per saldo wordt een groter oppervlak aan groen toegevoegd dan dat er groen moet worden verwijderd als gevolg van de aanleg van de HOV4.

7.13

Natuur

7.13.1

Algemeen

In dit artikel komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in 88

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.13.2

Toetsing

7.13.2.1

Gebiedsbescherming

Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en ligt op circa 3,0 kilometer afstand ten zuidwesten van het besluitgebied. Dit gebied is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Binnen een straal van 15 km liggen nog twee andere Natura 2000-gebieden. Het betreft Kempenland-West en Strabrechtse Heide & Beuven.

Ligging van het besluitgebied (wit omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen vlak)

De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de storingsfactoren, zoals verdroging of geluiden lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

89

tijdens de realisatiefase en/of de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. Er zijn onderzoeken naar de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd, waarvan de rapportages als Bijlage 6 en 7 aan de motivering zijn gehecht. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositietoename op omliggende Natura 2000-gebieden en zijn significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Daarmee is er geen vergunning voor een Natura 2000-activeit vereist. Op twee locaties ligt het besluitgebied binnen de begrenzing van het NNB. Aangezien als gevolg van de ontwikkeling sprake kan zijn van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB, is dit nader onderzocht en beoordeeld dat ten gevolge van de ontwikkeling inderdaad sprake is van zowel fysieke aantasting door de aanleg van de bruggen als door het gebruik van deze wege. In het Compensatieplan NNB en Gebiedsbescherming NNB die als Bijlage 8 en Bijlage 9 aan deze motivering is gehecht is de wijze van compensatie verder gemotiveerd en uiteengezet. Voor het overige wordt in dit kader verwezen naar de uiteenzetting in paragraaf 6.2.2 van deze motivering (externe werking en compensatie NNB).

Houtopstanden De bomen binnen het besluitgebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in Artikel 11.111 (Bal).

7.13.2.2

Soortenbescherming

Uit de natuurtoets waarvan de rapportage als Bijlage 10 aan deze motivering is gehecht, is gebleken dat de volgende soorten kunnen voorkomen in het besluitgebied: buizerd, sperwer, boomvalk, ransuil, vleermuizen (vliegroutes en foerageergebied), bever, otter, kleine marterachtigen, steenmarter, alpenwatersalamander, kamsalamander, rugstreeppad, poelkikker, levendbarende hagedis, vlinders (grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage) en libellen (beekrombout, bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel). In een analyse van de haalbaarheid die als Memo Haalbaarheid ecologie HOV4 Eindhoven aan deze motivering is gehecht is voor alle voornoemde soorten gebleken dat met de voorziene ontwikkelingen sprake is van gedegen wettelijke belangen. Ook is gebleken dat er haalbare, realistische mogelijkheden zijn om maatregelen te treffen om de staat van instandhouding van deze soorten te waarborgen, zowel in de realisatie als de gebruiksfase. Het inpassen van deze maatregelen vergt, indien zij uit onderzoek noodzakelijk blijken, mogelijk tot (kleine) aanpassingen in het ontwerp. De nodige mitigerende en compenserende maatregelen worden hierna per soort uiteengezet. Buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil De ontwikkeling leidt niet tot directe aantasting van mogelijke nesten van deze soorten. Wel kunnen broedende exemplaren tijdens de broedperiodes worden verstoord.

Indien sprake is van broedgevallen van buizerd, sperwer, boomvalk en/of ransuil dienen de werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen plaats te vinden. Hierdoor is het aannemelijk dat aanwezigheid van deze soorten geen belemmering vormt bij het planvoornemen. Vleermuizen (vliegroutes en foerageergebied) Indien binnen het besluitgebied essentiële vliegroutes/foerageergebied van vleermuizen worden aangetroffen is het nodig om eventuele verstoring en aantasting zoveel mogelijk te voorkomen en om de essentiële vliegroutes/foerageergebied te compenseren. Bij het plan dient lichtuitstraling en andere verstoringen bij het nieuwe voornemen zowel in de realisatiefase als gebruiksfase zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan door middel van 90

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

afschermen of de lichten de andere kant op te richten en te werken met speciale armaturen. Verder dient functie van de Dommel als vliegroute niet aangetast te worden. Om dit te bewerkstellingen is het essentieel dat extra lichtuitstraling op de Dommel wordt vermeden. Indien de mate van verlichting (op het wateroppervlak en omringende bomen en overige opgaande begroeiing) niet toeneemt zijn effecten niet te verwachten. De toe te passen verlichting worden uitgewerkt in een lichtplan bij de vergunningsaanvraag. Hierdoor is het aannemelijk dat het realiseren van mogelijke mitigatie/vervolgstappen geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten vleermuissoorten. Marterachtigen (steenmarter en kleine marterachtigen) Indien essentieel leefgebied van steenmarter en/of kleine marterachtigen wordt aangetroffen binnen het besluitgebied is het nodig om deze zowel tijdelijk als permanent te mitigeren. De steenmarter en kleine marterachtigen maken mogelijk gebruik van het mogelijk te verwijderen groen als essentieel leefgebied. Bij het verwijderen van het groen is het mogelijk om, indien nodig, tijdelijke voorzieningen in de directe omgeving te treffen in de vorm van marterbunkers en takkenrillen.

In het nieuwe plan dient er evenveel vergelijkbaar leefgebied (groen) te worden gerealiseerd, mocht er essentieel groen verloren gaan. Dit is in huidig planvoornemen zeker mogelijk. Hierdoor is het aannemelijk dat het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten martersoorten. Amfibieën (alpenwatersalamander, poelkikker, kamsalamander, rugstreeppad) De (tijdelijke) wateren in het besluitgebied zijn mogelijk geschikt leefgebied voor (beschermde) amfibieënsoorten als alpenwatersalamander, poelkikker, kamsalamander en rugstreeppad. Bij verlies van leefgebied kan translocatie (verplaatsing van de dieren) een optie zijn. Ook het herstellen van bestaande leefgebieden, het creëren van nieuwe voortplantingsplaatsen en het verbeteren van de waterkwaliteit zijn belangrijk. Daarnaast kunnen maatregelen, zoals het aanleggen van faunapassages helpen bij het verminderen van de effecten van versnippering. Gezien de geringe omvang van de ingreep op water, in combinatie met de mogelijkheid tot compensatie, is het aannemelijk dat het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten amfibieënsoorten.

Reptielen (levendbarende hagedis) De (ruigere) oevers van de Dommel zijn mogelijk geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis. Indien leefgebied van levendbarende hagedis bij het planvoornemen verloren gaat dient dit één op één te worden gecompenseerd op een nabije locatie. Gezien de geringe omvang van de ingreep op de oevers van de Dommel, in combinatie met de mogelijkheid tot compensatie van leefgebied, is het aannemelijk dat het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten reptielensoort. Vlinders (grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage) Bij de ontwikkeling worden meerdere potentiële waardplanten van grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage gekapt. Bij een eventuele vergunningsaanvraag en een in dat kader op te stellen mitigatieplan kunnen alle gekapte waardplanten (boomsoorten) weer worden aangeplant op een nabije locatie. Het is altijd wenselijk om meer waardplanten aan te planten dan oorspronkelijk aanwezig. Verder dient de kap en aanplant plaats te vinden in de periodes dat de soorten niet kwetsbaar zijn. vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

91

Hierdoor is het aannemelijk dat het realiseren van mitigatie geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten vlindersoorten. Libellen (Bosbeekjuffer, beekrombout, gevlekte witsnuitlibel) De oevers van de Dommel zijn mogelijk geschikt leefgebied voor bosbeekjuffer, beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. Het mogelijk verloren leefgebied dient hierbij één op één te worden gecompenseerd. Gezien de geringe omvang van de ingreep op de oevers van de Dommel, in combinatie met de mogelijkheid tot compensatie van leefgebied, is het aannemelijk dat het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie geen belemmering vormt bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de te verwachten libellensoorten. Naar aanleiding van de Natuurtoets is in de periode 12 maart 2025 tot en met 1 juli 2025 onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten (boomvalk, ransuil, sperwer en buizerd) en vlindersoorten (grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart). De rapportage van dit onderzoek is als bijlage aan deze motivering gehecht. In onderstaand tabel zijn de conclusies van het nader onderzoek per onderzochte soort weergegeven.

Overzicht conclusies en vervolgstappen onderzochte soorten Er zijn voor deze fase geen vervolgstappen in de vorm van vergunningsaanvragen noodzakelijk. Wel zijn enkele maatregelen voor algemene broedvogels noodzakelijk, zoals ook al beschreven staat in de natuurtoets. Verder geldt de algemene zorgplicht bij de uitvoering van alle werkzaamheden. 7.13.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

92

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

7.14

Water

7.14.1

Algemeen

Er moet voldaan worden aan de beoordelingsregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan (www.vng.nl). Daarnaast moet het planvoornemen voldoen aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap (nu: Keur). In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.

Rijksbeleid Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw.

Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.

Provinciaal beleid De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang: In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan.

Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

93

overige zone - ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is. Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied.

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Beleid Waterschap Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 dient de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. 3. Wat schoon is moet schoon blijven. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 94

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

1. 2. 3. 4. 5.

Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.

De waterschapsverordening, voorheen de Keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. In de waterschapsverordening is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: 'Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam'). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen. Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha. De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe compensatie kan plaatsvinden.

Beleid gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

95

regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een besluitgebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool. Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.

Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een besluitgebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar besluitgebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het besluitgebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.

De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.

Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het besluitgebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het besluitgebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het besluitgebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie.

De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. 2. 3. 4.

Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het besluitgebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.

96

vastgesteld TAM-omgevingsplan Doorstroming Eindhoven-Veldhoven(HOV4) Gemeente Eindhoven

Samenvattend Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn.

7.14.2

Toetsing

In het kader van de gebiedsontwikkeling van het HOV4-traject binnen de gemeenten Eindhoven en Veldhoven is een analyse uitgevoerd van de waterbelangen die spelen in het projectgebied. Deze analyse is vastgelegd in het document Weging van het waterbelang, opgesteld conform de Handreiking Weging van het Waterbelang van Waterschap De Dommel. Het rapport dat als Bijlage 20 aan deze motivering is gehecht betreft specifiek het deeltraject binnen de gemeente Eindhoven. Het doel is om inzicht te geven in de mate waarin het voorlopig ontwerp (VO) van dit deeltraject voldoet aan de geldende waterkundige eisen en beleidskaders van betrokken partijen, waaronder Waterschap De Dommel en de gemeente Eindhoven. Waar nodig worden aanbevelingen gedaan voor aanvullende maatregelen of ontwerpaanpassingen. De HOV4-lijn door Eindhoven is in een vroeg ontwerpstadium al nadrukkelijk getoetst op de wateropgave. De gemeente Eindhoven heeft hierbij integraal gekeken naar: Afwatering van zowel nieuwe als bestaande verhardingen. Mogelijkheden om wateroverlast in de omgeving te verminderen. Ruimte voor klimaat adaptieve en ecologisch waardevolle oplossingen. Het overkoepelend Waterhuishoudkundig Plan (WHP) is in ontwikkeling. Hierin worden alle ontwerpkeuzes en berekeningen stapsgewijs geactualiseerd en vastgelegd voor vergunningverlening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16926586/1