CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Motivering BOPA Uitbreiding Mariënhage Eindhoven

Raadsvergadering 25 maart 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies op aanvraag omgevingsvergunning voor uitbreiding hotel Mariënhage25.543 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). 4.3.2 Beoordeling Het voornemen om het bestaande boutique kloosterhotel Mariënhage uit te breiden met 54 hotelkamers met hieraan ondersteunende voorzieningen kan worden aangemerkt als het toelaten van een geluidrelevante nieuwe activiteit. Het hotel zelf vormt hierbij géén geluidgevoelig gebouw. In de onderhavige situatie wordt de activiteit toegelaten door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Deze omgevingsvergunning past het Omgevingsplan Eindhoven in het nieuwe deel nog niet aan. Dit betekent dat voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid, vanuit het aspect geluid, van het toelaten van de nieuwe activiteit naar de geluidregels wordt gekeken die zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan Eindhoven als bedoeld in afdeling 22.3 en 22.4 (bruidschat). Voor het voornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in Bijlage 3 bij deze motivering. Hierin zijn de vaste bronnen (bijvoorbeeld van afzuigingen, warmtepompen) en mobiele bronnen (verkeer) van geluid gemodelleerd.

Uit het onderzoek zoals opgenomen in Bijlage 3 blijkt het volgende: de beschouwde situatie voldoet aan de Beste Beschikbare Technieken; Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) – Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde uit de bruidsschat, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. Gezien er geen bronnen zijn uitgezonderd, wordt ook de ruimtelijke toets doorstaan. Maximaal geluidniveau (LAmax) – Het maximale geluidniveau is het gevolg van het komen en gaan van bezoekers van het hotel. In de Bruidsschat is dit aspect uitgezonderd van toetsing. De ruimtelijke toets wordt doorstaan daar het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

29

objecten aan de streefwaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Indirecte hinder – Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de milieubelastende activiteit voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de voorkeursgrenswaarde, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. 4.3.3 Conclusie geluid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor het vergunnen van de hoteluitbreiding door middel van een buitenplanse omgevingsplan activiteit. Er is sprake van geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen die aanvaardbaar is. Geluid op geluidgevoelige gebouwen vanwege Indirecte hinder (verkeersbewegingen) is mede aanvaardbaar. Hiermee is voor wat betreft het aspect geluid sprake van een een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. 4.4.1

Natuurgebieden

Natura 2000 Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000-gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn verankerd in de Omgevingswet. De wet verbiedt Natura 2000-activiteiten in art. 5.1 lid 1, aanhef en onder e. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten of het realiseren van projecten die een significante gevolg kan hebben op een Natura 2000 gebied. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan dient de gemeenteraad rekening te houden met de gevolgen voor de Natura2000-gebieden. Een besluit mag alleen genomen indien de raad zich op grond van de Voortoets of Passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (tenminste 4 km) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit. Dit wordt geconcludeerd in de quickscan flora en fauna uitgevoerd door Staro (2024) (Bijlage 4). Op de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt ingegaan in paragraaf 4.4.3.

Natuur Netwerk Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het netwerk is om natuurgebieden beter met elkaar en met omringend agrarisch gebied te verbinden. Uiteindelijk moet er in Nederland een robuust netwerk liggen dat zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze functioneert en klimaatbestendig is. Aanvullend kunnen Gedeputeerde Staten gebieden aanwijzen die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden samen met het NNN aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden. Voor de provincie Noord-Brabant is dit het Natuur

30

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

Netwerk Brabant (NNB). De locatie valt niet binnen de natuurbeheergebieden van de Provincie Noord-Brabant of binnen het Brabantse deel van het Nationale Natuurnetwerk (NNB). Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 60 meter. In de quickscan flora en fauna wordt geconcludeerd dat gezien de afstand en de aard van de ingreep worden als gevolg van de ingreep geen negatieve effecten vastgesteld op de meest nabijgelegen natuurgebieden. De bomen in het plangebied blijven behouden, waardoor toetsing aan de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is. Met het groenplan wordt enkel voorzien in aanvullend groen. 4.4.2 Soortenbescherming In de Omgevingswet is ook soortenbescherming geregeld (flora en fauna). Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren (art. 5.1 lid 2 onder g, Omgevingswet). Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels conform de Europese Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten conform de Europese Habitatrichtlijn en voor overige te beschermen soorten. Het is kortgezegd verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield.

Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. De Omgevingswet maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. In 2024 is een quickscan flora en fauna opgesteld waarvoor een bureauonderzoek en een veldbezoek is gedaan. Het doel van de quickscan is om vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten. Ook wordt er vastgesteld of bij de beoogde werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met soorten en gebieden om een overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. In de quickscan wordt het voorkomen van beschermde planten, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen, amfibieën en reptielen in het plangebied uitgesloten. In het plangebied komen mogelijk wel verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel van de OW, of soorten die staan op de Rode Lijst. Het gaat daarbij om vogels, vleermuizen en muizen (tabel X). Het plangebied biedt geen geschikt foerageergebied voor vogels, gezien het enkel het klooster betreft.

Vogels zullen in de omgeving van het klooster en in de tuin foerageren. Er kan verstoring van broedende vogels optreden door gebruik van machines en dergelijke buiten het pand. Op de zolder van de oostvleugel zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De zolder van de noordvleugel biedt geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Op de zolders worden de aanwezige installaties vervangen. De verblijfplaatsen van vleermuizen gaan hierbij niet verloren, maar kunnen tijdens de werkzaamheden wel worden verstoord. Verstoring kan worden voorkomen door de werkzaamheden op de zolder van de oostvleugel uit te voeren buiten de periode van winterrust van vleermuizen. Daarnaast dient (extra) verlichting afgeschermd te worden van de balken. Openingen in het dak blijven behouden. Hierdoor blijven de verblijfplaatsen op de zolder van de oostvleugel bereikbaar voor de vleermuizen. Tijdens werkzaamheden binnen het klooster, met name op de zolder, kunnen mogelijk verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten worden vernietigd of mogelijk individuen worden verstoord of gedood. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van het Bal onderdeel van de Omgevingswet.

Wel dient aan de zorgplicht voldaan te worden; om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen kan bij de werkzaamheden in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

31

Soort(groep) Vogels

Vleermuizen

Algemene spits-, woelen ware muizen

Bescherming

Functie Mogelijk plangebied effect §11.2.2 Bal Nest-gelegenh Ja (niet jaarrond eid beschermd nest) §11.2.3 Bal

§11.2.4 Bal

Verblijfplaats Ja en

Verblijfplaats Ja en

Vergunning nodig Nee, mits maatregelen worden uitgevoerd

Maatregelen

Nee, mits maatregelen worden uitgevoerd Nee, algehele vrijstelling

Verstoring voorkomen en openingen open houden

Tijdens het broedseizoen (half maart tot en met juli) afstand houden tot bomen en struiken (10 m)

Werkzaamheden in één richting uitvoeren

De ontwikkelingen in het plangebied leiden mogelijk tot een overtreding van de OW. Voor vogels en grondgebonden zoogdieren kan dit voorkomen worden door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor vleermuizen kan door middel van nader onderzoek in beeld gebracht worden of de soorten aanwezig zijn, wat de effecten van de ontwikkeling zijn en of een activiteitenplan en omgevingsvergunning nodig is.

Mitigerende maatregelen Bij geluidproducerende werkzaamheden buiten het pand, zoals werken met machines dient tijdens het broedseizoen een afstand van ongeveer 10 meter tot bomen en struiken te worden aangehouden om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. De werkzaamheden dienen in één richting te worden uitgevoerd zodat aanwezig grondgebonden zoogdieren kunnen vluchten. Werkzaamheden op de zolder van de oostvleugel uitvoeren in de periode april tot en met oktober, dat is buiten de winterrustperiode van vleermuizen. (Extra) verlichting tijdens het werk op de zolder van de oostvleugel afschermen van de balken. Openingen in het dak die vleermuizen toegang kunnen geven tot de zolder van de oostvleugel te allen tijde open houden.

4.4.3 Gebiedsbescherming (stikstof) Het plan mag geen negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Doordat het plangebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (tenminste 4 km) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Als blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden kan er sprake

32

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

zijn van significant negatieve effecten. Als dat het geval is, dan is er sprake van een Natura 2000-activiteit en moet een passende beoordeling worden uitgevoerd. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten als er door het voornemen geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor een toename van stikstofdepositie, in vergelijking met de referentiesituatie. Het vaststellen hiervan gebeurt middels een voortoets. Er is een stikstof beoordeling uitgevoerd voor het planvoornemen. Hierbij is uitgegaan van de stikstofemissies weergegeven in onderstaande tabel. Fase Realisatie fase Gebruiksfase

Stikstofemissie NOX (kg/per jaar) 89,9 8,7

Stikstofemissie NH3 (kg/per jaar) 0,1 0,2

In de stikstofnotitie wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden kunnen op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het planvoornemen is daarom niet aan te merken als een Natura 2000 activiteit waarvoor een passende beoordeling aan de orde is. Ten aanzien van het NNN hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect tot gevolg op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De bomen in het plangebied blijven behouden, waardoor toetsing aan de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is. Met het groenplan wordt enkel voorzien in aanvullend groen.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Algemeen Bij een evenwichtige toebedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een wijziging van het omgevingsplan ofwel het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van het te vergunnen voornemen beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 4.5.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl).

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

33

oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl.

Beoordeling bijdrage activiteit aan luchtkwaliteit De gemeente Eindhoven is een aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10. Dit betekent dat een beoordelingsplicht geldt voor het planvoornemen. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 54 hotelkamers waarmee ( in een worstcase beschouwing) een toename van verkeersbewegingen is gepaard (de verkeersbewegingen die verband houden met de 23 zorgappartementen die als gevolg van het initiatief verdwijnen worden hierbij buiten beschouwing gelaten). Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Het hotel is gelegen in sterk stedelijk gebied in het centrum en kent volgens deze publicatie 10,7 bewegingen per 10 kamers per etmaal ( 10,7 x 5,4 = 57,78). De NIBM-tool kan voor kleinere ruimtelijke plannen, zoals dit planvoornemen, worden gebruikt voor de beoordeling van luchtverontreiniging. In onderstaande figuur is het resultaat van de NIBM-tool weergegeven voor het planvoornemen. Hierbij is het aantal extra voertuigbewegingen voor gebruik in de NIBM-tool naar boven afgerond. Het planvoornemen is NIBM.

Beoordeling woon- en leefklimaat Het voornemen voorziet in voor luchtkwaliteit gevoelige objecten. Ter plaatse van de locatie van het voornemen moet daarom sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft

34

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

luchtverontreiniging. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM1 0) ter plaatse van het plangebied is 15,9 µg/m³ (onderstaand figuur). De achtergrondconcentratie (de concentratie op basis van bronnen in de wijde omgeving, inclusief de bijdrage uit het buitenland) ligt ruim zeer onder de grenswaarde van 40 µg/m³ als jaargemiddelde. De achtergrondconcentratie ligt ook zeer ruim onder de waarde van 31,2 µg/m³, de waarde waarboven het aantal overschrijdingsdagen maatgevend wordt. De WHO-advieswaarde voor fijnstof PM10 is 15 µg/m³. De achtergrondconcentratie van stikstofdioxide in Nederland is over het algemeen relatief laag. Verhoogde concentraties worden alleen waargenomen rondom drukke wegen in stedelijk gebied. De NO2 concentratie ter plaatse van het plangebied is 14,9 µg/m³ en ligt ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³ (GCN, 2023). Dit ligt niet onder de gezondheidskundige advieswaarde van de WHO van 10 µg/m³. De gemeente Eindhoven heeft het Schone Luchtakkoord (SLA) ondertekend. Het SLA richt zich op een beter luchtkwaliteit en een afname van gezondheidsschade. Het akkoord streeft naar een afname in gezondheidsschade met 50% in 2030, in vergelijking met 2016. Deelnemende partijen nemen maatregelen om luchtverontreiniging van binnenlandse bronnen te beperken. Monitoring van maatregelen en effecten is een belangrijk onderdeel van het akkoord.

Omdat de gemeente Eindhoven ook deelneemt zal de luchtkwaliteit de komende jaren in de gemeente verbeteren en de gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof en stikstofdioxide worden gehaald/benaderd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dat in de komende jaren zal verbeteren.

Afbeelding: achtergrondconcentratie PM10

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

35

Afbeelding: achtergrondconcentratie NO2 4.5.3 Conclusie luchttkwaliteit Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' géén belemmeringen oplevert voor het vergunnen van onderhavig voornemen als buitenplans omgevingsplanactiviteit en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geurhinder

4.6.1 Algemeen Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. De gemeenten moeten in het Omgevingsplan rekening houden met de geur vanwege activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

36

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur vanwege een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan. 4.6.2

Beoordeling

Ten aanzien van het toestaan van een activiteit: Het voornemen om het bestaande boutique kloosterhotel Mariënhage uit te breiden met 54 hotelkamers met hieraan ondersteunende (keuken-)voorzieningen, kan worden aangemerkt als een neutrale ontwikkeling vanuit het oogpunt van het aspect geur. De bestaande keukenvoorziening, die eerder is ingezet voor de zorgappartementen, zal worden voorzien van nieuwe keukenapparatuur om te voldoen aan HAACP en voor de bereiding van ontbijt e.d. in gebruik blijven. De afstanden tot aan omliggende geurgevoelige gebouwen worden hierbij niet verder verkort en voldoet aan VNG-richtafstanden voor het aspect geur in de categorie 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Die richtafstand komt (wanneer géén rekening wordt gehouden met het feit dat sprake is van een gemengde omgeving waarin de richtafstanden met 1 stap kunnen worden verkleind en hiermee een richtafstand van 0 meter aan de orde is) voor het aspect geur neer op 10 meter. Binnen de afstand van 10 meter zijn géén geurgevoelige gebouwen aanwezig. Zie hiervoor ook onderstaande afbeelding.

Afbeelding: projectie van een richtafstand van 10 meter voor het aspect geur ten opzichte van (toegestane) geurgevoelige gebouwen in de omgeving van het voornemen (bewerking uit mer beoordeling

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

37

PouderoyenTonnaer) Voor het gebruik van de keuken gelden daarnaast specifieke normen op grond van paragraaf 22.3.15 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidschat). Meer specifiek voor geur is het bepaalde in artikel 22.199 van het tijdeljk deel van het omgevingsplan relevant, waarin regels worden gesteld die zien op het voorkomen van geuroverlast. Onder andere door het gebruik van vetvangende filters voor te schrijven. Hiermee is mede geborgd dat een eventuele geurbelasting op geurgevoelige gebouwen vanwege het gebruik van de keuken aanvaardbaar is. Ten aanzien van een aanvaardbaar verblijfsklimaat: Het voornemen bevat géén woonfunctie. Ter vervanging van de 23 zorgappartementen wordt voorzien in een uitbreiding van het boutiquehotel Mariënhage met 54 hotelkamers. Vanuit het oogpunt van geur en een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gesteld dat sprake is van een neutrale ontwikkeling. De zorgappartementen zijn reeds als geurgevoelig aan te merken. Ter volledigheid en ten overvloede is voor het voornemen van de uitbreiding van het aantal hotelkamers ten aanzien van het aspect geur een beoordeling uitgevoerd van het woon- en leefklimaat aan de hand van milieuzonering. Hiervoor zijn eerst potentiële geurbronnen in de omgeving geïnventariseerd. Op basis van de planologische mogelijkheden zijn de potentiële geurbronnen bepaald.

Deze zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

Afbeelding: potentiële geurbronnen in de omgeving van de hoteluitbreiding (bron: PouderoyenTonnaer) In de omgeving van het plangebied is op verschillende locaties mogelijk om activiteiten te verrichten die een geuremissie hebben. Dit gaat echter om kleinschalige activiteiten zoals een hotel, een café of restaurant, dienstverlening, zorginstellingen, supermarkt, detailhandel etc. Maximale milieucategorie voor bedrijven is milieucategorie 2 (30 meter voor gebiedstype 'rustige woonwijk'). Deze functies zijn in het gebied gemengd met woonfunctie (gemengd gebied) of grenzen aan woon- en verblijffuncties. De potentiële geurbronnen komen maximaal overeen met milieucategorie 2 (30 meter).

38

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

Op basis van de afstandscontouren die zijn getrokken vanaf het besluitvakgebied (bovenstaande afbeelding), kan worden gesteld dat alle potentiële geurbronnen op meer dan 50 meter afstand liggen van het besluitvakgebied. Hierdoor is er geen overlap met geurcontouren van omliggende geurbronnen met het plangebied. Bij toepassing van integrale milieuzonering wordt rekening gehouden met cumulatieve effecten. Er kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Bij een ontwikkeling wordt enerzijds gekeken of het de functie zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het de functie kwetsbaar is voor hinder. In 2019 is de uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gepubliceerd, maar omdat in het Omgevingsplan (van rechtswege) milieuzonering nieuwe stijl nog niet is toegepast, wordt uitgegaan van de systematiek beschreven in Bedrijven en milieuzonering uit 2009 (oude stijl). De VGN Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG, 2009) biedt een maatgevend kader voor ruimtelijke ontwikkelingen voor het toepassen van een goede ruimtelijke ordening.

Hierbij is het uitgangspunt een functiescheiding tussen milieubelastende (bedrijfsmatige inrichtingen) en milieugevoelige functies (waaronder woningen). Milieuzonering zorgt voor een ruimtelijke scheiding tussen deze functies, om hinder en overlast te voorkomen en de leefkwaliteit te beschermen. Hoe hoger de milieucategorie, hoe zwaarder de milieubelasting door de bedrijvigheid en het mogelijke hinder en gevaar. Voor elke milieucategorie zijn richtafstanden gegeven, waarbij de afstand toeneemt bij een hogere milieucategorie. Richtafstanden zijn bepaald voor de milieuthema's geur, stof, geluid en gevaar. 4.6.3 Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat geur vanwege de voorgenomen activiteiten op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Daarmee is voor dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)

4.7.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor in elk geval aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. Ten behoeve van deze omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze BOPA. Hierbij wordt gekeken naar het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Er wordt getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord.

Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een besluitvakgebied worden toegestaan.

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

39

4.7.2 Beoordeling Ten behoeve van het voornemen om boutique kloosterhotel Mariënhage met 54 hotelkamers uit te breiden is een quickscan uitgevoerd voor omgevingsveiligheid op basis van de Signaleringskaart Externe Veiligheid. Een uitsnede van de kaart is weergegeven in onderstaande afbeelding. Er liggen geen beperkende gebieden over het plangebied. Dit geldt ook voor de aandachtsgebieden.

Afbeelding: signaleringskaart externe veiligheid met bewerking PouderoyenTonnaer voor wat betreft de duiding van het plan- c.q. besluitvakgebied Het plangebied ligt daarom op voldoende afstand van risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Het plangebied overlapt niet met een aandachtsgebied. Daarnaast voorziet het planvoornemen niet in de realisatie van een risicovolle activiteit. Het aspect omgevingsveiligheid levert daarom geen belemmeringen op voor onderhavige omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er is voor wat betreft omgevingsveiligheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.7.3 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

4.8

Bodem

4.8.1 Algemeen Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het Omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). 4.8.2 Beoordeling Het planvoornemen voorziet in een functieverandering van maatschappelijk naar een hotel. In beide situaties is er sprake van verblijf/bewoning van het pand. Er vindt geen grondverzet zoals graafwerkzaamheden plaats voor het planvoornemen. Er is met het groenplan enkel sprake van een tuinaanleg. Hierdoor kan de bodemkwaliteit niet verslechteren. Ter plaatse van het besluitvakgebied is geen verontreiniging bekend (zie onderstaand figuur). Voor de functiewijziging hoeft de kwaliteit van de bodem niet opnieuw te worden getoetst.

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

41

Bodemverontreinigingen https://eindhoven.nazca4u.nl/atlas/ 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem staat niet in de weg aan het voornemen. Vanuit het oogpunt van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Water

4.9.1 Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels voor de bescherming van primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren en het Ijselmeergebied.

42

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

4.9.2

Beleid

4.9.2.1 RegionaalWater en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, waarbij het water en het bodemsysteem moeten zijn toegerust op natte én droge tijden. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht.

Integrale en gezamenlijke aanpak De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

4.9.2.2 Beleid Waterschap Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

43

waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: Van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. Van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.

Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Waterschapsverordening In de waterschapsverordening van Waterschap De Dommel (opvolger van de Keur) staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de waterschapsverordening regels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. De waterschapsverordening is digitaal en de regels zijn verbonden aan de gebieden waar ze gelden. Dus in plaats van algemeen en overal geldig, naar specifiek geldig voor sommige gebieden en activiteiten. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet verdwenen sommige rijksregels over lozingen. Die regels staan nu in de waterschapsverordening. Het gaat om lozingen op een rivier, beek, sloot van een waterschap of een

44

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

rioolwaterzuivering van een waterschap. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de waterschapsverordening hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. In de waterschapsverordening is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting.

Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.

Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de waterschapsverordening. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.

Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

45

wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 4.9.2.3 Gemeentelijk beleid Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026

Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen voor iedere m2 toename aan verharding in het plangebied in basis maximaal 75 mm waterberging binnen datzelfde plangebied te worden gecreëerd.Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave.

Paraplubestemmingsplan waterberging 2020 De gemeente heeft met het 'Paraplubestemmingsplan waterberging 2020' voor haar gehele grondgebied een integrale regeling voor waterberging vastgelegd. in het 'Paraplubestemmingsplan waterberging 2020' worden in feite uitgangspunten die zijn neergelegd in de Water- en klimaatadaptatie Aanpak en voorlopers hiervan ruimtelijk gereguleerd. Het parapluplan wordt als uitgangspunt gehanteerd voor onderhavige omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In het parapluplan wordt geregeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen vast dient te staan dat wordt voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid. Op grond van het paraplubestemmingsplan kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de maatvoering van de waterberging, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is. De inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen worden vastgesteld met toepassing van de beleidsregel "Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen" behorende bij de bijlage uit het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022 met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd er aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende bijdrage aan de klimaatbestendigheid.

46

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

Inmiddels is sprake van nieuwe beleidsregels (geldend vanaf 17 juli 2024) en worden de inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen vastgesteld op grond van 'Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven'. Voor het bepalen van de inhoud van de waterberging wordt gebruik gemaakt van een rekentool die de gemeente Eindhoven beschikbaar heeft gesteld. Het gebruik van de rekentool is aan de orde als er een waterbergingsopgave is. Die waterbergingsopgave is aan de orde bij bij alle ruimtelijke ontwikkelingen waarbij méér dan 50m2 verhard oppervlak wordt aangelegd of vernieuwd. In onderhavige situatie is er geen sprake van de aanleg ofwel vernieuwing van méér dan 50 m2 verhard oppervlak. 4.9.3 Beoordeling Het planvoornemen betreft een inpandige verbouwing alsmede de realisatie van een groenplan. Er vinden geen veranderingen in de waterhuishouding plaats en het verhard oppervlak wordt met het planvoornemen niet met méér dan 50 m2 vergroot ofwel vernieuwd. Het gebruik van de rekentool is bij deze ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde, omdat er géén wateropgave is. Het aspect 'water' levert daarom geen belemmeringen op voor de verlening van een omgevingsvergunnning voor een buitenplans omgevingsplan activiteit en er is vanuit het aspect water sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9.4 Conclusie Het aspect water staat niet in de weg aan het voornemen. Vanuit het oogpunt van het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Algemeen In het kader van de toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat een voornemen niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Voor verkeer en parkeren geldt dat géén omgevingswaarden zijn vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Gemeenten hebben de mogelijkheid om gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen en parkeerbeleid te vertalen in het nieuwe deel van het gemeentelijke omgevingsplan. Hiervoor zullen ze zelf invulling moeten geven aan de omgevingswaarden conform artikel 2.9 van de Wet. 4.10.2

Verkeer

Visie Eindhoven op weg (actualisatie 2022) In de visie Eindhoven op Weg wordt gewerkt aan het realiseren van ruimtelijke- en duurzaamheidsdoelen én aan het oplossen en voorkomen van knelpunten die met mobiliteit samenhangen. Eindhoven op Weg is een kans gedreven visie met ambities, richting en kader voor concrete uitwerking. Eindhoven op Weg zet in op: aantrekkelijk vestigingsklimaat voor Brainport: multimodale bereikbaarheid van de economische toplocaties draagt bij aan een uitstekend vestigingsklimaat; aantrekkelijk leefklimaat: het centrum, woon- en verblijfsgebieden zijn vrij van hinder en overlast van het

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

47

verkeer en de kwaliteit van de openbare ruimte en het groen is goed; gezond, schoon, groen en sociaal: de lucht is schoon en het geluid van een aangenaam niveau. Sociale cohesie is gegroeid door meer en aantrekkelijkere ruimtes voor ontmoeten en ontspannen en het gebruik van gedeelde voorzieningen in het vervoer; energieneutraal in 2040: energiebesparing in het verkeer en een transitie naar het gebruik van duurzame brandstoffen; veilig: een stad met zo min mogelijk verkeersslachtoffers; duurzame mobiliteit: een stad, met waar het kan meer lopen, fietsen en gebruik van het openbaar en waar het moet prioriteit voor de auto. Uit oogpunt van mobiliteit wordt gewerkt volgens het principe 'slow motion – fast forward'. Waar het kan krijgen de voetganger, de fietser en het openbaar vervoer het primaat. Waar het moet is er prioriteit voor de auto. Voor het ruimtelijk transformeren naar de veelzijdige stad geldt het principe 'plaats maken'. Daadwerkelijk ruimte maken voor duurzamer vervoer en verbetering van stedelijke kwaliteit met meer ruimte voor groen. De bovengenoemde principes bepalen dat waar mogelijk de historische radialen primair geschikt worden gemaakt voor de fietser en de voetganger, en secundair voor de auto. De nieuwe radialen worden juist meer gebruikt door de auto en het HOV.

Afbeelding: sleutelkaart schaalniveau stadsrand uit visie 'Eindhoven op weg' (actualisatie 2022) Het voormalige kloostercomplex Mariënhage ligt op een van de hoofdknooppunten van binnenstedelijke routes voor voetgangers, fietsers, openbaar vervoer en auto's en is daarmee van buitenaf optimaal bereikbaar met alle modaliteiten. Autoverkeer, expeditieverkeeren calamiteitenverkeer

48

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

Relevante wegen in directe omgeving: Het besluitvakgebied binnen het voormalige kloostercomplex Mariënhage wordt direct omringd door de Kanaalstraat aan de zuidelijke zijde, de Tramstraat aan de westelijke zijde en de Augustijnendreef aan de noordelijke zijde. Aan westelijke zijde komt de Kanaalstraat via de Ten Hagestraat uit op de Vestdijk. Meer op afstand aan de oostelijke zijde van het besluitvakgebied en parallel aan de Dommel zijn gelegen de Nachtegaallaan en de Bleekstraat (éénrichtingsverkeer van noordelijke naar zuidelijke richting). Het verlengde van de Kanaalstraat aan oostelijke zijde van de Dommel wordt gevormd door de Kanaaldijk Zuid. De betreffende wegen zijn als volgt gecategoriseerd: De Kanaalstraat, Ten Hagestraat en de Tramstraat zijn 30km-wegen, gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg voor de binnenstad en het Augustijnenkwartier. De Nachtegaallaan en de Bleekstraat zijn 30km-wegen, eveneens gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg. De Kanaaldijk Zuid is een 50km-weg tot aan de Nachtegaallaan die de aansluiting met de oostelijke kant van de ring verzorgt voor autoverkeer dat de stad in- en uitrijdt. De Vestdijk is onderdeel van de binnenring en betreft een 50km-weg voor autoverkeer dat zich in de stad verplaatst.

Afbeelding: luchtfoto met de belangrijkste aanrijrichtingen voor autoverkeer richting Mariënhage rekening houdend met eenrichtingsverkeer van de Vestdijk en Nachtegaallaan (bron: google Maps, bewerking PouderoyenTonnaer) Afwikkeling aankomend auto- en vracht- c.q. calamiteitenverkeer voor het gehele complex Mariënhage: De belangrijkste aanrijrichting voor autoverkeer richting Mariënhage wordt gevormd door de Kanaaldijk Zuid en de Kanaalstraat in het verlengde daarvan. Daarnaast zijn ook de aanrijrichtingen vanuit de Nachtegaallaan en vanuit de Vestdijk mogelijk. Vanuit de aanrijrichting Kanaaldijk Zuid en de Nachtegaallaan zijn voor expediteurs de laad- en losplekken voor de bevoorrading van het hotel en het hieraan gelieerde restaurant en brasserie op het binnenterrein van Marienhage bereikbaar via de huidige ontsluiting, langs de Kapel over het dommelpad. Vanuit voornoemde

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

49

aanrijrichting en vanuit de aanrijrichting Vestdijk is voorts de bevoorrading van het ceremoniehuis in de kerk door expediteurs mogelijk.Daarbij is rekening gehouden met de vereiste bochtstralen die op de relevante plekken gedimensioneerd worden voor expeditie- en/of calamiteitenverkeer. Laad- en losplekken zijn hierbij in de bestaande situatie aanwezig. Vanuit voornoemde aanrijrichting en vanuit de aanrijrichting Vestdijk zijn voorts de bestaande parkeerterreinen aan de Tramstraat en en aan de Augustijnerdreef bereikbaar. Afwikkeling vertrekkend auto- en vracht- c.q. calamiteitenverkeer voor het gehele complex Mariënhage: De afwikkeling van afwaartse autoverkeerbewegingen van Mariënhage naar andere locaties in de stad en/of buiten de stad vindt hoofdzakelijk plaats via de Kanaalstraat en de Tramstraat richting de Ten Hagestraat en vervolgens verder via de Vestdijk. Belangrijke andere afwaartse bewegingen vinden plaats vanuit de Tramstraat via de Kanaalstraat naar de Kanaaldijk Zuid of Bleekstraat.

Afbeelding: luchtfoto met de belangrijkste afwaartse rijrichtingen van autoverkeer komend vanaf Mariënhage rekening houdend met eenrichtingsverkeer (bron: google Maps, bewerking PouderoyenTonnaer)

Fietsverkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer De Kanaalstraat is onderdeel van een stadsfietsroute met een korte aansluiting op snelfietsroutes.

50

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

Over de Kanaalstraat loopt een buslijn. Aan de Kanaaldijk Zuid en op de Vestdijk (HOV-lijn) zijn in de huidige situatie diverse bushaltes op korte loopafstand vanaf het Mariënhage complex gelegen. Centraal Station Binnen een kilometer afstand vanaf het complex ligt het Centraal Station en busstation Neckerspoel dat met verschillende vervoersmodaliteiten is te bereiken, waardoor met de bus of de trein nagenoeg heel Nederland bereikbaar is en andersom het complex bereikbaar is. Doorwaadbaarheid Mariënhage voor de voetganger De kloostertuinen van Mariënhage en het complex zelf zijn doorwaadbaar voor de voetganger. Op grond van een eerdere planprocedure (I Binnenstad (Mariënhage Dommeltuin e.o.) is de planologische mogelijkheid gecreëerd voor een voetgangersbrug over de Dommel richting de Nachtegaallaan. Een en ander om hiermee een fysieke verbinding te maken met het NRE-terrein en invulling te geven aan de stedelijke ambitie van de verbrede binnenstad, waarbinnen districten ontstaan met ieder hun eigen sfeer. Mariënhage vormt hierin een plek als groene oase van rust en sereniteit. De planologische mogelijkheid van de realisatie van deze voetgangersbrug is tot op heden nog niet ingevuld en geldt dan ook nog steeds als een kans voor het verbinden van de districten.

Voorliggend initiatief tot uitbreiding van boutique kloosterhotel Mariënhage is overigens niet afhankelijk van voornoemde verbinding. De ontsluiting van het boutique kloosterhotel Mariënhage voor voetgangers vindt plaats via de centrale entree aan de Kanaalstraat. Afwikkeling intensiteiten autoverkeer als gevolg van uitbreiding boutiquehotel Mariënhage in relatie tot infrastructuur: Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Het hotel is gelegen in sterk stedelijk gebied in het centrum en kent volgens deze publicatie maximaal 10,7 bewegingen per 10 kamers per etmaal ( 10,7 x 5,4 = 57,78). Uitgaande van dezelfde CROW-publicatie 381 komen deze verkeersbewegingen in de plaats van

omgevingsvergunning BOPA Uitbreiding hotel Mariënhage Eindhoven

51

verkeersbewegingen voor 23 serviceflat appartementen. Volgens de publicatie hiervoor in sterk stedelijk gebied in het centrum een maximaal aantal van 1,2 bewegingen per serviceflat appartement per etmaal ( 23 x 1,2 = 27,6). De feitelijke toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt hiermee 57,78 - 27,6 = 30,18 ofwel afgerond 31 verkeersbewegingen per etmaal. In een worstcase invulling (zonder rekening te houden met een uitwisseling van functies) geldt een maximale toename van 57,78 (afgerond naar boven: 60 verkeersbewegingen per etmaal). Wanneer uitgegaan wordt van een toename van 60 verkeersbewegingen per etmaal, dan betekent dit 2,5 verkeersbewegingen per uur en 0,04 extra verkeersbewegingen per minuut. Alles overziend is dit verwaarloosbaar en leidt dit in de verkeersafwikkeling niet tot problemen. 4.10.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15123607/2