CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - TAM-omgevingsplan Motivering

Raadsvergadering 26 mei 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit ‘TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstation Eindhoven-Noord’19.249 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Groepsrisico 36 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

Figuur 7.5: Aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl)

Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 37 Gemeente Eindhoven

omgevingsplan.

Programma externe veiligheid De gemeente Eindhoven heeft op het programma externe veiligheid vastgesteld. In dit programma is aangegeven waar nieuwe risicobronnen mogen komen en welke risicobronnen daar zijn toegestaan. Ook is een stappenplan in dit programma opgenomen om te komen tot een passende bescherming. 7.7.2

Toetsing

Ten zuidwesten van het plangebied is het spoor gelegen. Het spoor heeft een explosie- en brand- en gifwolkaandachtsgebied. Het spoor heeft een risicocontour (PR 10-8) die binnen het plangebied ligt. In onderstaand figuur is het plangebied weergegeven met de bijbehorende aandachtsgebieden en risicocontour.

Figuur 7.6: Ligging plangebied ten opzichte van aandachtsgebieden en risicocontour (Bron: Atlasleefomgeving)

Het hoogspanningsstation wordt niet beschouwd als een beperkt kwetsbaar gebouw aangezien er geen mensen verblijven (Bkl, bijlage VI). 7.7.3

Conclusie

Door de ligging van het plangebied ten opzichte van het spoor en de activiteit rondom het hoogspanningsstation vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

38 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

7.8

Verkeer en parkeren

7.8.1

Algemeen

Welke mobiliteitsbehoefte een ruimtelijk plan exact met zich meebrengt, is per definitie onbekend. De eindgebruiker is er immers nog niet. Het plan moet evenwel voorzien in een adequate mobiliteitsoplossing. Om de mobiliteitsbehoefte wel zo goed mogelijk in te schatten worden parkeernormen gebruikt. Dit zijn theoretische normen die gestoeld zijn op de gemiddelde behoefte aan (fiets)parkeerplaatsen bij functies van gebouwen en voorzieningen in de Nederlandse praktijk, aangevuld met lokale gegevens. Door uit te gaan van deze normen zal de parkeer/mobiliteitsoplossing van een plan tegemoet komen aan de mobiliteitsvraag van dat plan. 7.8.2

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het hoogspanningsstation Eindhoven Noord, deze functie heeft geen verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte. 7.8.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

7.9

Groen

7.9.1

Algemeen

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds (beleidsregel groencompensatie). De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 39 Gemeente Eindhoven

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als multifunctioneel groen. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden:

Strategie 5: Multifunctioneel groen Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap met een goede balans tussen intensief en extensief recreatief gebruik waarbij de landschappelijke en ecologische waarden worden beschermd. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen en kleinschalige landbouw.

Figuur 7.7: Ruimtelijke Strategieënkaart.

Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit.

Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen 40 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen. Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.

Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen 2024.

Verordeningen bomen 2024 In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand,

of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 41 Gemeente Eindhoven

vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.

Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand. Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.

Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: 1. Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); 2. Groenarme gebieden; 3. Centrumgebied; 4. Bebouwde komgrens; 5. (Particuliere) percelen groter dan 250 m². De informatie op de groene kaart is nodig om: 1. 2. 3. 4.

Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. 7.9.2

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het hoogspanningsstation Eindhoven Noord. Voor de ontwikkeling is onderzoek gedaan naar de ideale situering van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de bestaande assets en afgaande kabels. Er worden als gevolg van de gewenste ontwikkeling géén bosschages of bomen verwijderd. Er is op het terrein één waardevolle boom aanwezig. Om de boom te behouden is het ontwerp dusdanig aangepast dat de huidige poort, die toegang verleend tot het terrein van het hoogspanningsstation, verplaatst moeten worden. Op die manier kan de waardevolle boom blijven staan.

Beleidsregel groen en water De rekentool is gebruikt om te bepalen of er groencompensatie benodigd is voor de ontwikkeling. Voor de ontwikkeling geldt dat er 0 m2 vergroend moet worden volgens de rekentool om te voldoen aan de groencompensatie regeling. Dit vormt geen belemmering voor 42 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

de ontwikkeling. De toetsing aan het onderdeel water in de beleidsregels wordt behandeld in de waterparagraaf 7. 11.

7.9.3

Conclusie

Het aspect groen levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

7.10

Natuur

7.10.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijnen en de EU-habitatrichtlijnen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale 3. of economische aard; en 4. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 43 Gemeente Eindhoven

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 7.10.2

Toetsing

Brabant Eco heeft in 2024 een ecologische QuickScan uitgevoerd op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De QuickScan is bijgevoegd in bijlage 4.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt op ongeveer 7,6 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Op 8,9 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Kempenland-West. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn directe effecten op voorhand uit te sluiten. Het plangebied is op 7,6 kilometer afstand gelegen van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux' en op 8,9 kilometer afstand van Kempenland-West. Er is een berekening uitgevoerd voor de ontwikkeling Eindhoven-Noord. De berekening is toegevoegd als bijlage 5. Voor de gebruiksfase is er zowel in de huidige situatie als met de uitbreiding geen sprake van emissies van mobiele werktuigen. Ook wijzigt het aantal verkeersbewegingen voor onderhoud met de uitbreiding niet ten opzichte van de bestaande situatie; dit is verwaarloosbaar.

Een significant negatief effect in de gebruiksfase kan worden uitgesloten. Uit de berekening voor de aanlegfase volgt de volgende conclusie: vanwege de uitbreiding van schakelstation Eindhoven Noord bedraagt de (tijdelijke) toename in stikstofdepositie volgens de rekenresultaten minder dan 0,005 mol/ha/jaar. Hieruit kan dus geconcludeerd worden dat een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten kan worden.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt tussen delen van het Natuurnetwerk Nederland. In een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de 'wezenlijke kenmerken of waarden' aantasten. Het 44 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

plangebied ligt niet in het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

Figuur 7.8: NNN gebieden ten opzichte van het plangebied

Soortenbescherming Flora Geen van de beschermde soorten is aangetroffen in het plangebied, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn.

Zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. De bebouwing heeft geschikte openingen voor vleermuizen. De boom in en meerdere bomen rondom het plangebied kunnen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn. De bebouwing en bomen blijven behouden en hierdoor geschikt. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. Bij bebossing, waarvan het aannemelijk is dat die als verblijf- en foerageerplaats voor vleermuizen dient, is het belangrijk om bij werkzaamheden zorgvuldig om te gaan met verlichting. Werk bij voorkeur overdag en richt kunstlicht uitsluitend op het plangebied, niet op de bomen. Essentieel leefgebied van marterachtigen is niet in het plangebied aanwezig. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op het leefgebied van deze soortgroep. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van overige grondgebonden zoogdieren. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. Het plangebied biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten.

De vegetatie in het plangebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten. Indien er vegetatie verwijderd wordt, vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 45 Gemeente Eindhoven

wordt wel geadviseerd dit buiten het broedseizoen uit te voeren. De bebouwing biedt geen nestgelegenheden voor vogels. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. Het is mogelijk dat beschermde amfibieën of reptielen het plangebied passeren en de directe omgeving gebruiken als onderdeel van het leefgebied. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. In het kader van de zorgpis dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen.

Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. 7.10.3

Conclusie

Voor gebiedsbescherming zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Uit de stikstofberekening blijkt dat een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten kan worden. Voor soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met werkzaamheden. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

7.11

Weging van het waterbelang

7.11.1

Algemeen

Er moet voldaan worden aan de beoordelingsregels voor een ruimtelijk plan die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan. Daarnaast moet een ruimtelijk pla voldoen aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap. In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.

Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven 46 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.

Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang: In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan.

Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.

Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Waterschap Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt 'water en bodem sturend' kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. De Waterschapsverordening van Waterschap De Dommel bevat een verbod op afvoer door verhard oppervlak zonder vergunning. Op basis van de algemene regel (Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 47 Gemeente Eindhoven

oppervlak) geldt een vrijstelling als het waterschap na 1 januari 2019 heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Eindhoven is dit het geval. Dat betekent dat de rekentool klimaatadaptie opgave leidend is bij elke nieuwe ontwikkeling.

Gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool. Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.

Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.

Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. 48 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. 2. 3. 4.

Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.

Samenvattend Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn. 7.11.2

Toetsing

Het proces van de weging van het waterbelang is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders (in dit geval Waterschap De Dommel en gemeente Eindhoven) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Door Antea Group is een weging van het waterbelang opgesteld. Deze is bijgevoegd in bijlage 6. In de weging worden de randvoorwaarden voor waterhuishoudkundige aspecten beschreven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bij de weging heeft reeds afstemming plaatsgevonden met het waterschap.

Oppervlakteverdeling Het volledige plangebied, inclusief het bestaande hoogspanningsstation, heeft een totale oppervlakte van circa 27.635 m². In de huidige situatie is het plangebied grotendeels al verhard/bebouwd circa 16.905 m². Op basis van het meest recente ontwerp wordt er circa 835 m² verhard/bebouwd oppervlak toegevoegd. In de toekomstige situatie bestaat dus circa 17.740 m² uit verhard/bebouwd oppervlak. De overige circa 9.895 m² blijft onverhard oppervlak.

Wateropgave Wanneer er sprake is van toename verhard oppervlakte, verandert de hemelwaterafvoer. Neerslag op verhard oppervlak komt sneller tot afstroming naar nabijgelegen oppervlaktewater, dan neerslag op onverhard oppervlak. Het oppervlaktewatersysteem wordt hierdoor zwaarder belast, hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Om de waterbergingsopgave te bepalen, is gekeken naar de opgaves vanuit het beleid van het waterschap de Dommel en de gemeente Eindhoven. Op basis hiervan is bepaald welk beleid voor deze planontwikkeling maatgevend is. vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 49 Gemeente Eindhoven

Waterschap de Dommel: Op basis van het meest recente ontwerp is de totale toename in verhard oppervlak circa 835 m². Om aan de gestelde 60-mm regel van het waterschap te voldoen moet er een bergingscapaciteit van circa 50,1 m³ (835 x 0,06) gerealiseerd worden. Gemeente Eindhoven: Op basis van de rekentool van de gemeente Eindhoven is bepaald wat de waterbergingsopgave voor de uitbreiding is. Uit de rekentool volgt dat de uitbreidingslocatie een bergingsopgave van 49,5 m³ heeft. De waterbergingsopgave vanuit de gemeente Eindhoven is maatgevend. Door te voldoen aan de berekende waterberging voldoet de ontwikkeling tevens aan de eisen van het waterschap voor waterberging. Hiermee wordt ook voldaan aan de wens om het water binnen het plangebied vast te houden en wateroverlast te voorkomen. In totaal is de bergingsopgave voor de voorgenomen uitbreiding 49,5 m³.

Grondwater Ontwatering Als uitgangspunt voor de minimale ontwateringsdiepte wordt conform vigerend beleid, gehanteerd dat in de gebieden waar de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ondieper is dan 0,7 meter onder het maaiveld ter plaatse van een woning er sprake is van een onvoldoende ontwateringsdiepte. Indien dit het geval is kan er mogelijk wateroverlast optreden. Op basis van zowel de grondwaterstanden beschikbaar uit de eerder genoemde modellen en de informatie uit de rekentool van de gemeente Eindhoven (GHG > 1,3 m-mv), is het niet de verwachting dat de GHG op minder dan 0,7 m-mv gesitueerd is ter plaatse van het plangebied. Infiltratie Vooralsnog zijn er geen lokale gegevens beschikbaar van de doorlatendheid van de bodem ter plaatse van het plangebied. Indien in de toekomst ter plaatse van het plangebied hemelwater geïnfiltreerd gaat worden, is op aangeven van de gemeente Eindhoven, een infiltratieonderzoek noodzakelijk. Hiernaast dient ten aanzien van het infiltreren van afvloeiend hemelwater een melding worden gedaan bij de provincie. Hiernaast dient zorg te worden gedragen dat het infiltrerend hemelwater schoon is en daar waar nodig zuiverende voorzieningen worden gerealiseerd. Dit omdat de nabij gelegen natuur niet vervuild mag raken.

Watersysteem Ter plaatse van of nabij het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig welke zijn aangemerkt op de legger van waterschap de Dommel. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten op het oppervlaktewatersysteem van waterschap de Dommel. Echter zijn er wel diverse oppervlaktewateren (vijver) en sloten aanwezig in de nabije omgeving van het plangebied of direct grenzend hieraan. Deze oppervlaktewateren zijn momenteel in privaat beheer. Het is onbekend wat de functie van de sloten/greppels zijn ter plaatse van het plangebied. Als het hemelwater lokaal geïnfiltreerd gaat worden is er geen effect op deze diverse oppervlaktewateren.

Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Dit houdt in dat er geen negatieve gevolgen zijn op het omliggende grond en/of oppervlaktewatersysteem. Als (afvloeiend) hemelwater geïnfiltreerd of afgevoerd gaat worden is het noodzakelijk dat dit water niet vervuild is. Indien nodig dient er een voldoende zuiverende voorziening gerealiseerd te worden. Geadviseerd wordt om het (waterhuishoudkundig)plan af te stemmen en te toetsen bij de provincie Noord-Brabant. 50 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich niet nabij een dijk of binnen een dijkring. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen invloed op de waterveiligheid.

Vuil- en hemelwater Het vuilwater en hemelwater dienen apart te worden afgevoerd. Het vuilwater dient op een vuilwaterriool van de gemeente te worden afgevoerd.

Natuur Het plangebied bevindt zich niet binnen een Natura 2000 gebied. Echter in de omgeving is wel een NNN gebied aanwezig. Met het voornemen om het regenwater lokaal op te slaan en schoon regenwater te laten infiltreren, zoals in de huidige situatie ook plaatsvindt heeft de ontwikkeling geen effect op de waterhuishouding in de nabijgelegen natuurgebieden. 7.11.3

Conclusie

Binnen de projectgrenzen is voldoende ruimte beschikbaar om voorzieningen te realiseren die het afstromende hemelwater van de nieuw te realiseren bebouwing kunnen bergen. Het plangebied biedt tevens voldoende ontwateringsdiepte. Ruimtelijk is er vanuit water geen bezwaar tegen de huidige invulling van de wateropgave. In de vervolgfase wordt de (technische) uitwerking en onderbouwing uitgebreid. Dit staat onder andere beschreven in de download van de rekentool klimaatopgave. Ook moet onderzocht worden of de infiltratie keuze op deze locatie wel is toegestaan, dan wel de juiste is. Als dat niet het geval is moet een alternatieve uitwerking aangeleverd worden voor de invulling van ongeveer 39 m3 aan waterberging. Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen bezwaren om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

7.12

Archeologie

7.12.1

Algemeen

Wettelijk en beleidsmatig kader Nationaal beleid Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn.

Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 51 Gemeente Eindhoven

Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor het omgevingsplan. Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding opgenomen als Waarde - Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn.

Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en het grondgebied van de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger.

Meldingsplicht toevalsvondsten De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

52 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

7.12.2

Toetsing

Toetsing aan de archeologische verwachtingen- en waardenkaart heeft ertoe geleid dat een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek werd verricht. Arcadis Nederland B.V. heeft dit bureauonderzoek in augustus en september 2024 uitgevoerd. In januari 2025 kon het conceptrapport (v2.0 14 okt. 2024) inhoudelijk worden beoordeeld door de gemeente. Daaropvolgend werd het aangepaste rapport (v. 16 jul. 2025) op 21 juli 2025 her-beoordeeld en akkoord bevonden.

Resultaten archeologisch (voor)onderzoek Op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek is een verwachting vastgesteld voor het aantreffen van archeologische resten van een militair kampement van de Tiendaagse Veldtocht uit 1831. Daarnaast komt uit het bureauonderzoek naar voren dat door het onderzoeksgebied de Groote Beek heeft gestroomd. Derhalve bestaat er ook een verwachting voor het aantreffen van aan het beekdal gerelateerde archeologische fenomenen. De geplande ingrepen gaan maximaal tot 2,5 m diep. Hierdoor bestaat de kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord worden. 7.12.3

Conclusie en advies

De gemeente Eindhoven als bevoegd gezag stemt in met het advies van Arcadis dat in het onderhavige onderzoeksgebied een archeologisch vervolgonderzoek nodig is in de vorm van een archeologische begeleiding en een archeologisch verkennend booronderzoek, zoals aangeduid op de advieskaart (zie figuur 7.9). Hierbij wordt aangemerkt dat in het bureauonderzoek een groter plangebied wordt aangegeven dan waarvoor dit TAM-IMRO wordt opgesteld. Daarom is binnen de plangrenzen alleen sprake van een dubbelbestemming Waarde Archeologie 7.

Figuur 7.9: Advieskaart voor het plangebied Eindhoven Noord (bron afbeelding Arcadis)

Het archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door het bevoegd vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 53 Gemeente Eindhoven

gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE) en Plan van Aanpak (PvA), door een daartoe gecertificeerde instantie en volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de richtlijn van de gemeente Eindhoven voor dergelijke onderzoeken. Nadat het veldwerk is uitgevoerd, zullen de onderzoeksresultaten van de archeologische onderzoeken worden vastgelegd in een onderzoeksrapport (indien mogelijk graag de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken in de rapportage combineren). Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt de gemeente een besluit over de vervolgstappen. Deze vervolgstappen kunnen bestaan uit vrijgave, vervolgonderzoek, behoud van archeologische resten in de bodem, of een combinatie hiervan. Het archeologische onderzoek is pas afgerond als alle archeologische rapportages door de gemeente zijn goedgekeurd en de vondsten en vondstdocumentatie aan het archeologische depot zijn aangeleverd. De kosten die met het archeologisch onderzoek gemoeid zijn (veldwerk, uitwerking, analyse en rapportage) zijn voor rekening van de initiatiefnemer, evenals het daarvoor op te stellen PvE en PvA. Meldingsplicht toevalsvondsten De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016).

Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit Integraal Ontwerp) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

7.13

Cultuurhistorie

7.13.1

Algemeen

Op 29 november 2022 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven geactualiseerd. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart bestaat uit twee deelwaardenkaarten, te weten de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed. Op de waardenkaart historisch cultuurlandschap zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven Op de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed zijn aangegeven de beschermde rijksen gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historisch-stedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven. 7.13.2

Toetsing

Beschermingsregime rijk en provincie Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten gelegen. De omgeving is door de provincie Brabant wel gekenmerkt als complex van cultuurhistorisch belang. Het hoogspanningsstation bevindt zich in Landgoed De Grote Beek. De voorgenomen ontwikkeling schaadt de cultuurhistorische waarden niet door de huidige ligging van het hoogspanningsstation. 54 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

Cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven Het plangebied is gelegen in een cultuurlandschap, Jonge heide- en broekontginningen. Dit landschap is ter plaatse met een middenwaarde gewaardeerd waardoor er vanuit cultuurhistorie geen bescherming op ligt. In de noordoostelijke hoek van het plangebied bevindt zich een deel van een laanbeplanting die een zeer hoge waarde is toegekend en daarmee bescherming geniet t.a.v. cultuurhistorie. De ontwikkeling en bijbehorende werkzaamheden vinden echter plaats buiten de invloedssfeer van deze laanbeplanting waardoor deze niet zal worden aangetast.

Figuur 7.10: Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: gemeente Eindhoven) 7.13.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

7.14

Duurzaamheid

7.14.1

Algemeen

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven Noord 55 Gemeente Eindhoven

de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers - woningen, winkels, kantoren - mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan 56 oord

vastgesteld TAM-omgevingsplan Uitbreiding hoogspanningsstationEindhoven N

Gemeente Eindhoven

het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) Geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16834422/2