CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Bestemmingsplan Brainport Industries Campus (cluster 2)

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Brainport Industries Campus (cluster 2) en vaststelling DOSP als welstandsnota32.529 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

BIC is onderdeel van het derde stadspark van de stad: Brainport Park. In combinatie met het uitstekende bereikbaarheidsprofiel van de locatie betekent dit een kans om de wereldwijde voorsprong van Brainport op alle fronten te versterken. Het bestemmingsplan is in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

3.4.2

Interimstructuurvisie 2009

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad van Eindhoven vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. De kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur. Het plangebied is in onderstaande afbeelding globaal aangeduid met een rode pijl.

60

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

afbeelding : ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven

De onderdelen van de ruimtelijke hoofdstructuur vormen een raamwerk waarnaar het grondgebruik zich richt. De hoofdstructuur ligt grotendeels vast, in fysieke en/of beleidsmatige zin. Het gaat op hoofdlijnen om onderdelen als de hoofdwegenstructuur, spoorlijnen, waterlopen, het bebouwde gebied en de Groene Hoofdstructuur. De kaart geeft ook nieuwe, te ontwikkelen onderdelen van de hoofdstructuur aan, voortvloeiend uit vastgesteld beleid. Voor de evenwichtige doorontwikkeling van Eindhoven zijn deze essentieel. Voorgenomen ontwikkelingen zijn gearceerd of met een onderbroken lijn aangegeven. Het plangebied (zie rode pijl in onderstaande kaartweergave) ligt in een dergelijk transformatiegebied.

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik. In onderstaande afbeelding is de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie opgenomen. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode pijl. Het plangebied is aangeduid als “werken”.

afbeelding : gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

61

Toetsing De gronden binnen het plangebied zijn gelegen in een transformatiegebied en bestemd voor werken. Het plan past aldus binnen de Interimstructuurvisie.

3.4.3 Beleidsregel 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen', Parapluplan waterberging en WKA

Beleidsregel 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. De beleidsregel Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' biedt daar concrete handvaten voor. De beleidsregel zorgt er voor dat gemeente Eindhoven per direct klimaatrobuust handelt bij het ontwerp, de inrichting en de realisatie van projecten en dit ook bij private partijen afdwingt per 2019. Dat doet de gemeente met privaatrechtelijke grond- en vastgoedtransacties en publiekrechtelijk middels het opnemen van de beleidsregel in nieuwe en gewijzigde bestemmingsplannen (en omgevingsplannen). Daarbij wordt getoetst aan de criteria voor klimaatrobuustheid, zoals opgenomen in de bijlagen van de beleidsregel. Het uitgangspunt van deze criteria is het voorkomen van wateroverlast, droogte en hittestress door de voorkeursvolgorde “vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater” te hanteren. Groene maatregelen dragen daar aan bij en voorkomen tevens hittestress.

Concreet bestaat de beleidsregel uit: 1. De klimaatadaptatie labels worden het nieuwe monitoringsinstrument om inzichtelijk te maken hoe ver de gemeente is verwijderd van de ambitie om in 2050 als gehele stad klimaatrobuust ingericht te zijn. Daarbij wordt op buurtniveau gevisualiseerd wat het risico op wateroverlast, droogte en hittestress is en op straatniveau in hoeverre de openbare ruimte klimaatrobuust is ingericht. 2. Een nieuwe (her)inrichting van een straat of ruimtelijke ontwikkeling in de openbare ruimte voldoet minimaal aan label B op basis van de uitgangspunten. Label A behalen is optioneel. De programmaleider Water kan daar beargumenteerd van afwijken, als: a. andere maatschappelijke belangen zwaarder wegen en we de risico's en schade die daardoor ontstaan accepteren. In dit geval is het wel vereist dat de nieuwe (her)inrichting of ruimtelijke ontwikkeling minimaal 1 label beter scoort dan de uitgangssituatie; b. als het doelmatiger is de klimaatadaptatie opgave voor deze ontwikkeling in het omliggende gebied op te vangen. In dit geval is het wel vereist dat de nieuwe (her)inrichting of ruimtelijke ontwikkeling minimaal 1 label beter scoort dan de uitgangssituatie. Daarnaast moet de compenserende maatregel maximaal 3 jaar na deze afweging gerealiseerd kunnen zijn. 3.

Conform het Klimaatplan 2016-2020 is de gehele stad in 2050 klimaatrobuuster, dus ook een groot deel van de private ruimte moet dan klimaatrobuust zijn. Zodra de gemeente Eindhoven in de juridische positie is om eisen te stellen aan klimaatrobuustheid zal ze dat dan ook doen. Dit geldt: a. Bij bouwaanvragen die het bodem- en watersysteem kunnen beïnvloeden en nieuwe of gewijzigde bestemmingsplannen (en omgevingsplannen); b. Bij initiatieven waarin de gemeente een grondpositie heeft, wordt het instrumentarium van de Nota Grondbeleid 2017-2021 ´Koersen op Waarden' gebruikt om klimaatrobuustheid als harde randvoorwaarde te stellen. Deze nota geeft aan dat duurzaamheid één van de vier centrale waarden is in het grondbeleid. 4. Uitzondering op regel 3, waarbij de gemeente geen aanvullende eisen aan 62

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

klimaatrobuustheid kan stellen, zijn: a. Initiatieven die passen binnen geldende bestemmingsplannen. b. In het geval dat er al afspraken zijn gemaakt en/of vergunningen zijn verstrekt. Samenhangend met het beginsel van behoorlijk bestuur worden verleende vergunningen gerespecteerd. c. Bijzondere situaties, zoals verbouwingen van monumenten, om maatschappelijke desinvestering te voorkomen. 5. De Prestatieafspraken met de Woningbouwcorporaties worden ingezet om bij nieuwbouw en verbouwing in de sociale woningbouw klimaatrobuustere woningen en percelen te realiseren conform bijlage 1 van deze beleidsregel. 6. Als er geen gemeentelijke grondpositie is en het klimaatrobuust bouwen niet in strijd is met het bestemmingsplan, zal de gemeente de initiatiefnemer stimuleren tot klimaatrobuust bouwen door middel van goede argumenten. BIC cluster 2 wordt gasloos en de gebouwen energieneutraal. Alle energie die nodig is duurzaam en, waar mogelijk, lokaal opgewekt. De opbrengsten van overproductie dragen bij aan de business case voor bedrijven in het gebied. Door middel van de waterberging en afvoer, wordt de natuurlijke waterhuishouding van het gebied versterkt. BIC I2 gaat gasloos opereren. Collectieve voorziening voor warmte en koude zorgt dat het gebouw efficiënter functioneert.

Door de gebruiksdata te analyseren en daarmee piekvermogens te reduceren kan BIC cluster 2 ten volle profiteren van het schaalvoordeel op zowel warmte als elektra. Daarnaast spant initiatiefnemer zich in zoveel mogelijk waarde te bieden op de overige duurzaamheidsambities van de gemeente Eindhoven. In afstemming met de gemeente zorgt initiatiefnemer ervoor dat duurzaamheidsmaatregelen geïmplementeerd worden bij de verdere planontwikkeling en realisatie (waaronder gasloos bouwen, CO2-vermindering, flexibiliteit en energieneutraliteit).

Paraplubestemmingsplan waterberging 2020 De gemeente heeft voor haar gehele grondgebied een integrale, regeling in voorbereiding. Daartoe is het 'Paraplubestemmingsplan waterberging 2020' inmiddels vastgesteld. Het parapluplan zal worden geïncorporeerd in onderhavige bestemmingsplan. In dat parapluplan wordt geregeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen vast dient te staan dat wordt voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid. De inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen worden vastgesteld met toepassing van de beleidsregel "Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen" behorende bij de bijlage uit het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022 met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode kan worden gewijzigd en aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende bijdrage aan de klimaatbestendigheid. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de waterberging, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

63

Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave.

Toetsing In het bouwplan wordt rekening gehouden met deze eisen en maatregelen, zodat wordt voldaan aan het paraplubestemmingsplan en de beleidsregel. De desbetreffende bepalingen zijn in de planregels van het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. 3.4.4

Conclusie gemeentelijk beleid

Uit deze toelichting blijkt dat sprake is van een zorgvuldige belangenafweging en duurzame ruimtelijke verstedelijking, die past binnen de hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid.

3.5

Archeologische en cultuurhistorische waarden

3.5.1

Archeologie

Nationaal beleid

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen en het toekomstig omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebied dekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart en erfgoedverordening. Met dit beleid wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. 64

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën. De categorieën worden op de verbeelding en in de regels van een bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' (gebieden van categorie 2), 'Waarde Archeologie 3' (gebieden van categorie 3), 'Waarde – Archeologie 4' (gebieden van categorie 4), 'Waarde – Archeologie 5' (gebieden van categorie 5), 'Waarde – Archeologie 6' (gebieden van categorie 6) en 'Waarde – Archeologie 7' (gebieden van categorie 7). Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. Vanuit beleidsmatig oogpunt is per categorie aangegeven wat voor een archeologische onderzoeksplicht hieraan gekoppeld is. Is de oppervlakte én diepte van de bodem verstorende activiteiten ten behoeve van een planontwikkeling groter dan de ondergrens, dan is een archeologisch (voor)onderzoek verplicht. De gemeentelijk adviseur archeologie kan aangeven welke vorm van archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is voor de aanvraag. Is de oppervlakte óf diepte van de bodem verstorende activiteiten ten behoeve van een planontwikkeling kleiner dan de ondergrens, dan is een archeologisch (voor)onderzoek niet verplicht.

Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn.

Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en het grondgebied van de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger.

Archeologische waarden plangebied Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart uit 2022 ligt het bestemmingsplangebied voor het overgrote deel binnen een zone van categorie 7: 'gebied met een lage archeologische verwachting'. In de noordwesthoek van het bestemmingsplangebied ligt een zone van categorie 5: 'gebied met een hoge archeologische verwachting' vanwege de ligging binnen het nu verdwenen kamp Beatrixoord/ Siedlung aan de Oirschotsedijk. Voor terreinen met een hoge archeologische verwachting geldt onderzoeksplicht bij initiatieven met een bodemverstoring groter dan 250 m2 én dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. Voor gebieden met een lage archeologische verwachting geldt dat bij een bodemverstoring groter dan 25000 m2 en dieper dan 30 cm -mv. De vrijstellingscategorie in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de zone met de hoogste waarde of hoogste verwachtingswaarde (en dus met de laagste ondergrenzen) is dus leidend voor alle ingrepen in vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

65

het plangebied. Dit is ook het geval wanneer sprake is van bodemingrepen in verschillende zones met een waarde of verwachtingswaarde die verdeeld zijn over het plangebied en ook wanneer deze zones niet aan elkaar grenzen. Slechts als de hoogste waarde of verwachtingswaarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging door burgemeester en wethouders worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied; Voor dit bestemminsplan wordt daarom de vrijstellingsgrens van ontwikkelingen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm -mv aangehouden. Bij het bepalen of wordt voldaan aan de vrijstellingsgrenzen, worden de afmetingen in oppervlakte én diepte van het totaal aan verwachte bodemingrepen (voor alle relevante activiteiten, zoals: bouwen, ondergronds slopen, het uitvoeren van werken of werkzaamheden) in het plangebied bij elkaar opgeteld. Omdat de omvang van de te verwachten bodemverstorende activiteiten ten behoeve van de planontwikkeling de vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, is het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek noodzakelijk. Daarom is in het plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. In de hier als bijlage 4 opgenomen rapportage van bureau Antea “Bureauonderzoek Brainport Industrie Campus II (BIC II) te Eindhoven (Antea Group Archeologie rapportnr.

474272) is gekeken naar het aspect archeologie. Als conclusie wordt door Antea aangegeven : Het advies luidt om in de zone met een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog (ca. 12,4 ha; terrein voormalig kamp Beatrixoord) archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (IVO-P), indien er grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (Afbeelding 19). Hiervoor dient een programma van eisen te worden opgesteld. Op dit moment is daar in de plannen echter geen sprak e van. Voor de gebieden met mogelijke vennen wordt een archeologisch booronderzoek geadviseerd om te bepalen of de in dit bureauonderzoek waargenomen hoogteverschillen met vennen samenhangen en of er bodemvorming herk enbaar is waarop bewoning aanwezig was. Dit kan worden uitgevoerd met enkele boorraaien bij alle oevers op de gradiëntzone van de mogelijke vennen. De vennen zelf kunnen (bij het aantreffen ervan) worden vrijgegeven omdat deze zeer laaggelegen zijn en vol stonden met water, maar de gradiëntzones niet, als er sprake is van voldoende intacte podzolbodems. Dat wil zeggen: als er tenminste een B-horizont aanwezig is. Als dat het geval is, is er een trefkans op archeologische resten uit het mesolithicum - midden neolithicum.

Afbeelding: Advieskaart voor archeologisch vervolgonderzoek. Rood: 23 m NAP (of hoger); 66

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

blauw: 15 m NAP (of lager). Blauwe kruizen geven locaties van bomkraters, munitieopslag en mitrailleuropstellingen weer. Selectiebesluit van gemeente naar aanleiding het archeologisch bureauonderzoek (Antea Group Archeologie rapport 2022/185): In te stemmen met het rapport van het archeologisch bureauonderzoek. In het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek te doen in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit onderzoek op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Plan van Aanpak (PvA) te laten uitvoeren door een daartoe gecertificeerde instantie en volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). In de gebieden met een WOII-verwachting wordt geadviseerd het vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE) te laten uitvoeren door een daartoe gecertificeerde instantie en volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

Tot dat, middels een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch onderzoek, is aangetoond dat op de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is, dient een dubbelbestemming archeologie opgenomen te worden voor het hele plangebied. Het vervolgonderzoek moet uitgevoerd worden voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning. Meldingsplicht toevalsvondsten Ook gebieden waarvoor geen dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' is opgenomen, of die op basis van archeologische (voor)onderzoeken worden vrijgegeven is niet geheel uit te sluiten dat er alsnog archeologische resten kunnen worden aangetroffen. De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

Door middel van de bouwregels en een vergunningvereiste voor het verrichten van bepaalde werken en werkzaamheden, worden de op en/of in deze gronden voorkomende of verwachte archeologische waarden beschermd en veiliggesteld. Binnen deze dubbelbestemming mogen grondverstoringen pas plaatsvinden als het archeologisch belang dit toelaat.

Conclusie Omdat de omvang van de te verwachten bodemverstorende activiteiten ten behoeve van de planontwikkeling de vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, is het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek noodzakelijk. Inmiddels is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is vervolgonderzoek geadviseerd in het hele plangebied. Totdat middels een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is, dient een dubbelbestemming archeologie opgenomen te worden voor het hele plangebied.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

67

3.5.2

Cultuurhistorische waarden

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten, een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

Locatie Overeenkomstig de cultuurhistorische waardenkaart van de Gemeente Eindhoven kent de locatie deels de aanduiding “historisch landschap”.

afbeelding : uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

De locaties die ingevolge de provinciale Verordening zijn voorzien van de aanduiding Complex van cultuurhistorisch belang zijn – conform ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023 - op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2'. In de regels zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Het is niet zonder meer mogelijk om een werk, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

68

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

afbeelding : uitsnede verbeelding ontwerp BP Buitengebied Eindhoven 2023

De bouw van BIC cluster 2 leidt onlosmakelijk tot een verandering van de karakteristiek en wist enkele cultuurhistorisch (beperkt) waardevolle structuren in het gebied uit. Het ontwerp heeft rekening gehouden met de meest waardevolle elementen, door de belijning van het landschap op te nemen in het ontwerp. De verkaveling doet in behoorlijke mate recht aan de historische verkaveling. De meest waardevolle zandweg in het zuiden blijft behouden en ook de west-oost georiënteerde kavelgrens wordt geaccentueerd met een open verbinding van oost naar west. Zie voor meer inhoudt m.b.t. de cultuurhistorische waarde bijlage 15 Cultuurhistorisch onderzoek, Antea, 27 juni 2023. 3.5.3

Conclusie

Met inachtneming van het voorgaande geeft cultuurhistorie geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

3.6

Verkeer en parkeren

3.6.1

Verkeer: Eindhoven op weg

In de visie Eindhoven op Weg wordt gewerkt aan het realiseren van ruimtelijke- en duurzaamheidsdoelen én aan het oplossen en voorkomen van knelpunten die met mobiliteit samenhangen. Eindhoven op Weg is een kans gedreven visie met ambities, richting en kader voor concrete uitwerking. Eindhoven op Weg zet in op: aantrekkelijk vestigingsklimaat voor Brainport: multimodale bereikbaarheid van de economische toplocaties draagt bij aan een uitstekend vestigingsklimaat; aantrekkelijk leefklimaat: het centrum, woon- en verblijfsgebieden zijn vrij van hinder en overlast van het verkeer en de kwaliteit van de openbare ruimte en het groen is goed; gezond, schoon, groen en sociaal: de lucht is schoon en het geluid van een aangenaam niveau. Sociale cohesie is gegroeid door meer en aantrekkelijkere ruimtes voor ontmoeten en ontspannen en het gebruik van gedeelde voorzieningen in het vervoer; energieneutraal in 2040: energiebesparing in het verkeer en een transitie naar het gebruik van duurzame brandstoffen; veilig: een stad met zo min mogelijk verkeersslachtoffers; duurzame mobiliteit: een stad, met waar het kan meer lopen, fietsen en gebruik van het openbaar en waar het moet prioriteit voor de auto.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

69

Uit oogpunt van mobiliteit wordt gewerkt volgens het principe 'slow motion – fast forward'. Waar het kan krijgen de voetganger, de fietser en het openbaar vervoer het primaat. Waar het moet is er prioriteit voor de auto. Voor het ruimtelijk transformeren naar de veelzijdige stad geldt het principe 'plaats maken'. Daadwerkelijk ruimte maken voor duurzamer vervoer en verbetering van stedelijke kwaliteit met meer ruimte voor groen. De bovengenoemde principes bepalen dat waar mogelijk de historische radialen primair geschikt worden gemaakt voor de fietser en de voetganger, en secundair voor de auto. De nieuwe radialen worden juist meer gebruikt door de auto en het HOV. 3.6.2

Verkeer: onderzoek en verkeersstormen

Verkeer van en naar BIC kent een aantal aspecten, die hieronder schematisch zijn weergegeven : Autoverkeer Het plangebied wordt centraal ontsloten en kent voor autoverkeer gebouwde parkeervoorzieningen.

afbeelding : netwerk autoverkeer BIC 2 Fietsverkeer Fietsnetwerk BIC cluster 2 is met de Slowlane en Groen Corridor zeer goed ontsloten binnen het fietsnetwerk van Eindhoven. We stimuleren het gebruik van de fiets door hoogwaardige, inpandige fietsenstallingen op te nemen bij de entrees van de gebouwen. Dit organiseren we zo voor iedere te bouwen fase, waardoor loopafstanden kort blijven. In de stallingen zijn lockers en douches aanwezig. De fietsenstellingen voldoen aan de kwaliteitseisen van inpandige fietsenstallingen d.d. 22-04-2021.

70

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

afbeelding : fietsnetwerk BIC 2 Expeditie- en calamiteitenverk eer Vrachtverkeer voor BIC cluster 2 kan laden en lossen in het centraal gelegen techniekplein met een zuidzijde bestemd voor fase 1 en een noordzijde bestemd voor fase 2 en 3.

afbeelding : laden en lossen BIC 2 In het techniekplein is ook de centrale opslag van gassen voorzien, de afvalinzameling en techniekruimtes voor nuts en sprinkler. Vanaf het techniekplein loopt een centrale as door het gebouw om alle bedrijven te bereiken. Rondom het gebouw is een pad voorzien voor bijzonder en incidenteel transport. Dit vormen geen entrees voor de bedrijven maar zijn uitsluitend bedoeld voor incidenteel gebruik (bv. toegang invaliden) en kunnen bij calamiteiten gebruikt worden door de hulpdiensten. OV en looptijden De nieuwe HOV 3 lijn (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) verzorgt een zeer frequente en snelle verbinding met Station Eindhoven Centraal en Eindhoven Airport. De hoofdentree (van de 1e fase) is hier op zo kort mogelijke afstand van gelegen om het gebruik van het OV zoveel mogelijk te stimuleren. Deze afstand is kleiner dan 400 meter waardoor een reductie ten aanzien van het aantal parkeren met 25% is opgenomen in de parkeerbalans.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

71

afbeelding : looptijden OV Bereikbaarheid hulpdiensten Het pad dat rondom het gebouw alle zijden ontsluit is ook bereikbaar voor hulpdiensten

afbeelding : bereikbaarheid hulpdiensten Ten aanzien van het aspect verkeer is gekomen tot de memo “Verkeersonderzoek ontwikkeling BIC 2” van bureau Antea d.d. 9 november 2023, hier opgenomen als bijlage 5. Wat betreft de verkeersafwikkeling concludeert Antea dat er geen sprake is van ontwikkelingen, die de vaststelling van dit bestemmingsplan thans in de weg staan. In de verkeersafwikkeling op wegvakniveau worden in 2040 geen knelpunten voorzien. In de plansituatie benadert de I/C verhouding op de wegen rondom aansluiting A58 Best de waarde van 0,8: dit is de grenswaarde waarboven er kans bestaat op congestievorming. De grenswaarde wordt echter niet gepasseerd. Over de verkeerafwikkeling op kruispuntniveau worden de volgende conclusies gesteld: In de autonome situatie in 2040 zijn er geen afwikkelingsknelpunten; De VRI's Dirk Noordhoflaan-Spottersweg en Rein Welschenlaan-Spottersweg ondervinden in de plansituatie 2040 eveneens geen knelpunten; De VRI Spottersweg-Luchthavenweg vraagt aandacht, zoals hierna beschreven. Gedurende de gefaseerde ontwikkeling van BIC cluster 2, wordt de VRI Spottersweg-Luchthavenweg dan ook aangepast. Na het realiseren van de busbaan, waarmee de linksafbeweging op Spottersweg-Noord komt te vervallen), kan het kruispunt tot 55% van 72

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

de maximale verkeersgeneratie van BIC cluster 2 verwerken in de avondspits 2040 (met cyclustijden onder de 120 seconde). Met hierbij de volgende bemerkingen: a. De berekening voor de VRI's gaat uit van volledige belasting van BIC cluster 2 in de avondspits, waarbij sprake is van een dubbelgebruik van 20% van de parkeerplaatsen. Dit dubbelgebruik is in de avondspits niet maatgevend, waardoor de verkeersdruk op dat moment 20% lager is dan de aangenomen 100%. b. Realisatie van een derde parkeergarage is optioneel en vindt enkel plaats indien diverse alternatieve modal shift maatregelen onvoldoende blijken. c. In geval van realisatie van de derde parkeergarage, kan middels een actief verwijzingssysteem verkeer naar het zuiden via de noordelijke route worden afgehandeld, om hiermee verkeersstromen te laten verlopen via de A2 in plaats van de N2, en te sturen in de belasting op deze VRI. In de regels is opgenomen dat een derde parkeergarage enkel is toegestaan, na realisatie van een dynamisch verwijzingssysteem, zoals genoemd in bovenstaande, wordt voldaan aan de beleidsregeling 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen d.d. 22.04.2021', er middels gerichte communicatie duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd. Daarnaast moeten de langzaamverkeersmaatregelen zoals beschreven in het DSOP en het mobiliteitsplan zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Gezien het voorstaande is het niet noodzakelijk in het kader van bestemmingsplan uit te gaan van concrete maatregelen voor wat betreft de verkeersstructuur, anders dan voormelde busbaan.

3.6.3

Parkeren: Nota parkeernormen

Op 24 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Actualisatie nota 2019' vastgesteld (Gemeenteblad 3 oktober 2019, nr. 240213). Hierin is geregeld hoe voldaan moet worden aan de parkeerbehoefte bij ontwikkelingen. Het beleid is herzien van een uitsluitend projectgerichte kwantitatief-normerende benadering naar een gebiedsgerichte flexibele benadering. Dit om te voorkomen dat gewenste ontwikkelingen (financieel) niet tot stand kunnen komen vanwege de parkeervraag die dan volgens de normen ingevuld moet worden. Of om te voorkomen dat er overcapaciteit wordt ontwikkeld, terwijl dat ook ingevuld kan worden door gebruik te maken van bestaande, beschikbare parkeercapaciteit. Of omdat parkeervraag niet of slechts ten dele optreedt bij bestaande of nieuwe functies dankzij mobiliteitsmanagement gericht op beperken of voorkomen van autobezit en autogebruik. De parkeerbehoefte wordt gebiedsgericht bepaald op grond van de toegevoegde functies en doelgroepen. Er vindt mobiliteitscorrectie plaats op grond van de mitigerende maatregelen die in het mobiliteitsplan voor het gebied worden opgenomen (waaronder 'smart mobility' maatregelen). Op basis hiervan wordt de uiteindelijke parkeereis bepaald. De parkeernormen zijn verbonden aan de aanvraag van een omgevingsvergunning. De parkeernormen kennen een gebruikers- en een bezoekersdeel.

Bij ruimtelijke initiatieven dient de parkeerbehoefte in principe op eigen terrein opgelost te worden. Onder omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Nota parkeernormen 2024 Het college van burgemeester en wethouders heeft in april 2024 de 'Nota parkeernormen 2024' vastgesteld. Deze parkeernormen zijn korte tijd daarna in werking getreden. Er bestond behoefte om de parkeernormen uit 2019 opnieuw te actualiseren en optimaliseren. De belangrijke verandering is aanpassing van de parkeernormen voor wonen op basis van autobezit in Eindhoven. De belangrijkste verschillen tussen de 'Actualisatie nota 2019' en de 'Nota parkeernormen 2024' zijn -voor zover relevant voor onderhavig bestemmingsplan -hieronder weergegeven: - Gebiedsindeling

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

73

De parkeernorm is afhankelijk van de locatie. In het centrum is de norm lager dan in de wijken om het centrum en in een woonwijk buiten de ring. In de 'Actualisatie nota 2019' wordt onderscheid gemaakt naar het centrum, wijken daaromheen (schilgebied) en de rest van de stad buiten de Ring. In de nieuwe parkeernota krijgt Strijp-S ook de centrumnorm en wordt de parkeernorm voor het schilgebied uitgebreid met Strijp-T, WoensXL en ontwikkelas ZW. - Deelauto Als een plan deelauto's inzet, kan er bespaard worden op parkeerplaatsen. Volgens de 'Actualisatie nota 2019' kan hier onbeperkt mee gereduceerd worden. Hier wordt in de nieuwe parkeernota een maximum aan gesteld (50% in het schilgebied, 25% in de rest van de stad). - Mobiliteitsfonds Volgens de 'Actualisatie nota 2019' is het mogelijk de parkeeropgave volledig af te kopen door de afkoopsom in het mobiliteitsfonds voor stadsbrede mobiliteitsvoorzieningen te storten. Buiten het centrum is onbeperkte afkoop niet wenselijk. Dit wordt in het schilgebied beperkt tot 50% van de parkeereis en daarbuiten tot 25%. In het centrum blijft volledige afkoop wel mogelijk, maar wel op voorwaarde van een hoogwaardige fietsenstalling en aanbod van deelmobiliteit. - Stedelijkheidsgraad De parkeernormen (behalve wonen) zijn grotendeels gebaseerd op de kencijfers van het kenniscentrum voor verkeer & vervoer, CROW geheten.

Het CROW maakt daarbij onderscheid naar de mate van stedelijkheid. Door de toename van de adressendichtheid valt Eindhoven nu in de hoogste categorie (zeer sterk stedelijk). De normen zijn hierop aangepast. - Mobiliteitshub Voor een mobiliteitshub bestond nog geen correctiefactor op de parkeerbehoefte. Deze wordt nu geïntroduceerd. In deze nieuwe parkeernota is aangegeven dat voor gebiedsontwikkelingen een specifiek voor het betreffende gebied gebieds- of ontwikkelkader kan worden opgesteld. Daarin wordt onder meer een specifieke aanpak voor de bereikbaarheid van het gebied vastgelegd, alsmede de uitgangspunten om te voorzien in de (toekomstige) parkeereis, gericht op een bijdrage aan de mobiliteitstransitie en het voorkomen van parkeeroverlast. De afwijkende uitgangspunten en/of parkeernormen worden voor de betreffende gebiedsontwikkeling dan in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan vastgelegd.

Fietsparkeren In onderstaande tabel is het programma van BIC cluster 2 vertaald naar een parkeernorm. Deze fietsparkeernorm gaat uit van een arbeidsintensieve bedrijfslocatie (maakindustrie)/ bezoekersintensief). Deze voorzieningen worden in het plangebied gerealiseerd.

Het gebruik van de fiets wordt gestimuleerd door hoogwaardige inpandige fietsenstallingen nabij de entrees van de gebouwen, waardoor loopafstanden kort blijven. De routing naar de stallingen wordt vormgegeven in het groen. Nabij de stallingen zijn, conform de nota kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen, lockers en douches aanwezig.

74

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

Autoparkeren Het beleid van de gemeente (Mobiliteitsvisie: 'Eindhoven op weg', vastgesteld door gemeenteraad 19-11-2013, geactualiseerd 2022) om autogebruik en -bezit te ontmoedigen leidt ertoe dat voor de parkeervoorzieningen sprake is van een gebiedsgerichte maatwerkoplossing gebaseerd op de nieuwe vastgestelde gemeentelijke nota parkeernormen (Actualisatie nota parkeernormen 2019). De kracht van BIC is dat meerdere type functies gecombineerd kunnen worden en er flexibiliteit is in het type bedrijven en instellingen dat zich op BIC kan vestigen. Dat vraagt om flexibiliteit in de parkeernormering, waarbij ingespeeld kan worden op veranderingen in de mobiliteitsbehoefte gedurende de ontwikkeling van BIC cluster 2, zonder de bereikbaarheid uit het oog te verliezen. BIC zet actief in op duurzame mobiliteit door een combinatie van hoogwaardige OV en fiets bereikbaarheid. In onderstaande tabel is het programma van BIC cluster 2 vertaald naar een parkeernorm. Vanwege de aanwezigheid van HOV nabij de entree van BIC cluster 2 is hierbij een mobiliteitscorrectie van 25% toegepast. Het aantal parkeerplekken wordt in beginsel in twee parkeergebouwen ondergebracht.

De ambitie van BIC is vervoer van en naar BIC waar mogelijk onafhankelijk te maken van fossiele brandstoffen. Naast een inzet op fietsparkeren en bereikbaarheid met hoogwaardig openbaar vervoer, is deze ambitie ook onderdeel van de autoparkeervoorzieningen. Parallel met de in gebruik name van de BIC cluster 1, is ook het 1e parkeergebouw met 1.000 parkeerplaatsen in gebruik genomen. De afgelopen jaren zijn diverse elektrische oplaadpunten toegevoegd aan deze parkeergarage. In 2017 waren er 0 parkeerplaatsen voorzien voor elektrische auto's. In 2019 zijn hier 40 oplaadpunten aan toegevoegd en in 2022 zijn hier nog eens 40 oplaadpunten aan toegevoegd (totaal thans 80 oplaadpunten), waarbij een verdere groei wordt verwacht. Deze garage kent op dit moment nog geen dubbelgebruik van plaatsen (gemeten over een totale werkdag). De plaatsen met oplaadpunt zijn enkel voorbehouden aan elektrische auto's. De normatieve parkeerbehoefte voor BIC cluster 2 omvat - conform normatieve parkeerbalans minimaal 2.700 en maximaal 3.375 parkeerplaatsen. Circa 30% van de 2.700 parkeerplaatsen wordt beschikbaar voor uitsluitend emissievrije voertuigen (bijvoorbeeld elektrisch). Dit betekent dat 855 parkeerplaatsen enkel toegankelijk zijn voor emissievrije voertuigen. 1.845 van de 2.700 parkeerplaatsen zijn beschikbaar voor alle voertuigen. Hiermee wordt aan de gemeentelijke parkeernorm voldaan.

Daarnaast worden naar behoefte extra parkeerplaatsen voorzien van oplaadpunten. Parkeervoorzieningen meer dan voormelde 2.700 plaatsen worden uitsluitend beschikbaar gesteld voor emissievrije voertuigen om hiermee enerzijds aan de feitelijke vraag te kunnen voldoen en anderzijds invulling te geven aan voormelde ambitie. Het is de verwachting dat het aandeel elektrische oplaadpunten in de (nabije) toekomst sterk oploopt. Het bovenstaande is geborgd middels toepassing van een concrete parkeernormering in Bijlage 4 van de regels waarna wordt verwezen. 3.6.4

Conclusie

Conclusie is dat bij deze ontwikkeling in voldoende mate in parkeerplaatsen worden voorzien, e.e.a. conform actueel gemeentelijk beleid.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

75

Middels een mobiliteitsplan is de mobiliteitsambitie van BIC cluster 2 – voorafgaand aan de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan geconcretiseerd, zie bijlage 16. Bij de vergunningverlening zal getoetst worden aan het op dat moment van toepassing zijnde gemeentelijke beleid c.q. beleidsregels ten aanzien van het aspect parkeren (gebiedsgerichte benadering) en nadere voorwaarden bij de vergunningverlening opgenomen worden ten aanzien van het aspect parkeren, e.e.a. zoals geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Van een onaanvaardbare verkeerstoename vanwege de ontwikkeling ten opzichte van de voorheen bestaande situatie is geen sprake.

3.7

Groen

3.7.1

Groenbeleidsplan 2017

In januari 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn: richting geven aan ontwikkelingen en ambities formuleren; faciliteren van de ontwikkeling van Eindhoven als gezonde, klimaatadaptieve en groene stad om zo de vitaliteit en het welzijn van haar bewoners naar een hoger plan te kunnen brengen; aanknopingspunten bieden voor beheer en inrichting; groen en groenontwikkelingsmogelijkheden voor Eindhoven duurzaam veiligstellen waar het moet en flexibiliteit bieden waar het kan; partners in de stad inspireren en stimuleren: inwoners, bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid. Het Groenbeleidsplan 2017 blijft van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al de groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatie-fonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

76

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

afbeelding : ruimtelijke strategieënkaart groenbeleidsplan 2017

Dit bestemmingsplan is gelegen binnen de strategie “Integrale ontwikkeling groen/rood”. Het betreft hier ontwikkelingslocaties. Het accent ligt op behoud en integrale ontwikkeling van zowel groene functies als van woon- en werkgebieden. Er wordt op structuurvisieniveau een verweving van stad en natuur nagestreefd, waarbij de rode ontwikkeling de kosten van de groene ontwikkeling draagt.

Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist. De Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Ingevolge deze beleidsregel (hoofdstuk 2, pagina 6) geldt deze Beleidsregel echter niet voor locaties buiten het bestaand stedelijk gebied zoals bedoeld in de provinciale verordening; Buiten het bestaand stedelijk gebied is de provinciale verordening leidend voor natuurcompensatie (o.a. het beginsel van Kwaliteitsverbetering landschap), zie ook paragraaf 3.3.2. 3.7.2

Beleid Bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op : bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

77

Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig.

Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven : Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om : Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie, zoals 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. 78

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

3.7.3

Plangebied

Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan. De bomenverordening 2021 is in die gevallen van toepassing, tenzij zoals ten aanzien van onderhavige plangebied de Wnb van toepassing is.

Binnen het plangebied worden er diverse groenstructuren gekapt. In het kader van dit bestemmingsplan is door bureau Antea gekomen tot een compensatieplan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de hier als bijlage 13 opgenomen rapportage “Compensatieplan NNB, Brainport Industries Campus II te Eindhoven” (projectnummer: 0474272.100 d.d. 18 juli 2023). In dit rapport is de compensatieopgave vanuit de NNB (zie paragraaf 4.9) uitgewerkt. In deze rapportage is de aantasting inzichtelijk gemaakt, evenals de benodigde maatregelen om deze effecten te compenseren.

3.8

Kabel, leidingen

Planologisch relevante leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. Tevens moeten relevante zones worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd : gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Daarnaast moeten optisch vrije paden in het bestemmingsplan worden opgenomen.

Binnen het plangebied liggen geen hoofdtransportleidingen en straalpaden die vanuit ruimtelijk oogpunt relevant zijn voor verwerking in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen.

3.9

Explosieven

Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is voor Eindhoven geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Doordat de geallieerden dwars door Eindhoven zijn getrokken naar Son en er over en weer is geschoten met artillerie, is het nooit helemaal uit te sluiten dat er explosieven worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

79

afbeelding : kaart “Eindhoven open data” Blindgangers, niet gesprongen explosieven

Aldus is in het kader van dit bestemmingsplan gekeken naar de mogelijk om te komen tot een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van CE of delen daarvan binnen het projectgebied. Vanwege de aanwezige verhardingen en obstakels in het onderzoeksgebied is het echter ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan niet mogelijk om een onderzoek in het veld te doen naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Vastgesteld kan worden dat de locatie verdacht is voor het aantreffen van niet gesprongen explosieven. Voorafgaand aan graaf- en bouwwerkzaamheden zal (in eerste instantie) een vlakdekkend detectieonderzoek worden uitgevoerd. Hierbij wordt de locatie middels een meersonde gradiometer en een grondradar ingemeten. Op grond van de analyse worden op een locatiekaart de vrijgegeven gebieden en eventueel aanwezige verdachte objecten aangegeven met een uniek identificatienummer. Aan de hand van de uitkomsten zal worden bezien of en zo ja welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

80

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale verordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland).

Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is om een milieueffectrapportage op te stellen.

De effecten van de onderhavige bestemmingswijziging dienen door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld te worden gebracht.

Beoordeling In de hier als bijlage 6 opgenomen rapportage van bureau Antea “Plan-m.e.r. beoordeling BIC cluster 2”, (projectnummer 0474272.100, d.d. 14 juli 2023) is bepaald of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Deze plan-m.e.r.-beoordeling heeft als doel om te toetsen of, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

81

Het voornemen overschrijdt de drempelwaarden van 200.000 m2 bvo uit de categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dus een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter: BIC cluster 2 maakt onderdeel uit van het grotere geheel BIC, waarvoor al eerder (in 2015) een gecombineerde plan- en project-m.e.r.-procedure is doorlopen en een milieueffectrapport is opgesteld. Jurisprudentie stelt dat voor een activiteit waarvoor al eerder een project-m.e.r.-procedure is doorlopen, dit niet nog een keer gedaan hoeft te worden. Dit mits de activiteit past binnen de bandbreedtes van de eerder onderzochte activiteit en effecten van de activiteit. Dat laatste is in beginsel het geval (zie volgende alinea). In het MER voor BIC 2015 is aangekondigd dat het MER uit 2015 bij alle volgende bestemmingsplan- procedures na fase 1 zou worden gevoegd. Dat is bij deze ontwikkeling dus ook aan de orde. De (wettelijke) context rondom milieuaspecten in 2015 wijkt echter wel af van de huidige context. Zo is in de huidige context het aspect stikstofdepositie in sterkere mate bepalend voor het optreden van effecten dan in 2015. Om recht te doen aan die veranderende context en het op groter detailniveau inzichtelijk maken van effecten van detailontwerpen wordt alsnog een m.e.r.-beoordeling opgesteld.

Hierdoor is geen toetsing aan de orde of BIC cluster 2 valt binnen de bandbreedte van de eerder onderzochte activiteit en effecten van de activiteit. Conclusie is dan ook dat er formeel voor het bestemmingsplan BIC cluster 2 geen m.e.r.-plicht en geen (vorm-vrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (ondanks het overschrijden van de drempelwaarden). Echter, omdat er een plan-m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen (zie volgend kopje), is besloten dit tevens een m.e.r.-beoordeling te noemen. Inhoudelijk en procedureel komen beide (m.e.r.-beoordeling en plan-m.e.r.-beoordeling) overeen.

M.e.r.-verplichtingen vanuit Wet natuurbescherming De ontwikkeling van BIC cluster 2 kan in de aanlegfase als de gebruiksfase leiden tot toename van uitstoot van stikstof en daarmee tot toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Dit leidt tot een plan-m.e.r.-plicht. Echter: BIC cluster 2 valt onder de voorwaarden (op basis van artikel 7.2a lid 2 Wm) om te volstaan met een plan-m.e.r.-beoordeling: de passende beoordeling is de enige reden voor de plan-m.e.r.-plicht (er geldt immers formeel geen m.e.r.-verplichting meer vanuit het Besluit m.e.r. (zie vorig kopje); het bestemmingsplan BIC cluster 2 is een gemeentelijk plan; BIC cluster 2 omvat minder dan 1% van de het oppervlak van de gemeente Eindhoven. Conclusie is dan ook dat voor het bestemmingsplan BIC cluster 2 vanuit de Wet natuurbescherming een plan-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In bijlage 6 is de opgestelde plan-m.e.r. beoordeling opgenomen. In de opgestelde plan-m.e.r.-beoordeling wordt voorzien in die informatiebehoefte.

Conclusie Uit de plan-m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende of compenserende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Er is voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER voor onderhavige ontwikkeling. De beslissing op de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan genomen. 82

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14125638/1