CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Bestemmingsplan Brainport Industries Campus (cluster 2)

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Brainport Industries Campus (cluster 2) en vaststelling DOSP als welstandsnota32.529 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'gemengd gebied''; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. Deze indeling loopt van categorie 1 met aan te houden afstand 0 meter tot categorie 4.2 met als afstand 200 meter. De staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG is als bijlage bij de regels van dit plan gevoegd. 4.2.2

Het plangebied

Voorliggend bestemmingsplan richt zich op de ontwikkeling van het 2e cluster van een duurzame internationale campus voor kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in een groene en parkachtige omgeving. Er is voor onderhavig plangebied een milieuzonering bepaald op basis van de gevoelige objecten in de directe omgeving van het plangebied of binnen het plangebied (zie navolgende afbeelding). De geluidgevoelige functies in het plangebied van BIC, cluster 2, liggen in de 35 Ke geluidzone van de luchthaven Eindhoven. Derhalve is voor het gebied de klassificering 'Gemengd gebied' aangehouden.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

83

afbeelding : milieuzonering

afbeelding : Tabel richtafstanden Er is voor onderhavig plangebied milieuzonering bepaald op basis van de bovengenoemde gevoelige objecten in de directe omgeving van het plangebied (zie bovenstaande afbeelding). Hierbij is uitgegaan van de standaard VNG normering, zodat aanvullend onderzoek op dit onderdeel in het kader van de totstandkoming van dit bestemmingsplan en bij de verlening van omgevingsvergunning(en) bouw niet aan de orde is.

4.2.3

Vestiging van bedrijven met een hogere milieucategorie

Belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van BIC (als geheel maar ook voor wat betreft cluster 2) is de realisatie van een bebouwde omgeving waarbinnen de bedrijvigheid zal plaatsvinden alsmede een centrale afhandeling van personenauto- en vrachtverkeer. Hierdoor is denkbaar dat de concrete invloed van de bedrijvigheid op de omgeving een meer beperkte is dan mag worden verwacht op basis van de algemene uitgangspunten waarmee de VNG normering tot stand is gekomen. 84

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

Vestiging van bedrijven, behorend tot een hogere milieucategorie dan toegestaan conform de milieuzonering, is in de regels van dit bestemmingsplan derhalve mogelijk gemaakt middels met een omgevingsvergunning (voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan). Hierbij dient aannemelijk gemaakt te worden (in geval van een concrete bedrijfsvestiging afwijkend van de milieuzonering zoals opgenomen in het bestemmingsplan) dat het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan. Dit heeft zich in de regels vertaald in de voorwaarde dat aannemelijk moet zijn dat er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en/of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats vindt. 4.2.4

Conclusie

In het plangebied wordt voldaan aan de VNG normering. Hiermee past de nieuwe bedrijvigheid binnen de richtafstanden aangegeven in de VNG Brochure Bedrijven en Milieuzonering. Gelet op het vorenstaande wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening en is de nieuwe bedrijvigheid in principe inpasbaar.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrie-, luchtvaart-, weg- en railverkeerslawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met nieuwe bestemmingen waar geluidgevoelige gebouwen kunnen worden opgericht (zoals woningen, woonwagens, woonwagenwoningen en gebouwen gericht op onderwijs en gezondheidszorg) moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat de geluidbelasting op de gevels van voor gevoelige functies bestemde gebouwen aanvaardbaar is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Het voorliggend bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die het mogelijk maken om nieuwe geluidgevoelige bestemmingen te realiseren. Eventuele onderwijsactiviteiten binnen BIC richten zich op praktijkonderwijs, waarmee studenten vertrouwd worden gemaakt met de hoogwaardige apparatuur die binnen BIC. Dergelijke mogelijkheden zijn binnen reguliere onderwijsinstellingen niet of in (aanzienlijk) mindere mate aanwezig. Hierdoor vormt het onderwijs binnen BIC een belangrijke schakel in de kennisontwikkeling binnen Brainport. Dergelijk onderwijs kan als niet geluidgevoelig worden aangemerkt, omdat immers de feitelijke omstandigheden niet afwijken van hetgeen in de betreffende bedrijven feitelijke gebeurd. Onderwijs vindt bovendien plaats aan personen ouder dan 16 jaar.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

85

4.3.2

Wegverkeerslawaai

Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving. In onderstaande tabel zijn de zonebreedten weergegeven.

Het plangebied is gelegen in de zone van de A2/N2 met een breedte van 600 m aan weerszijden. In deze zone wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Dat betekent dat hier geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen kunnen komen. Verder bevinden zich in en nabij het plangebied een aantal wegen waar een snelheidsregime geldt van 50 km per uur en in het kader van "Duurzaam Veilig" zijn enkele daarvan 30 km per uur wegen geworden. Wegen waarop de maximum snelheid is beperkt tot 30 km per uur hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen blijven. De Wet geluidhinder maakt onderscheid tussen zogenaamde bestaande situaties en nieuwe situaties. Ingevolge hoofdstuk VI, afdeling 3 ("bestaande situaties") van de Wet geluidhinder behoeft voor de reeds aanwezige geluidgevoelige bebouwing geen nieuw akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van geluidgevoelige gebouwen en om die reden is een hogere ontheffingswaardenbesluit niet aan de orde. Reconstructies van wegen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, die leiden tot een toename van de geluidbelasting met 2 dB of meer, worden niet toegestaan.

4.3.3

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorverbindingen, zodat geen rekening gehouden hoeft te worden met een zonebreedte zoals vermeld in artikel 1.4a.1 van het Besluit geluidhinder.

Het onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en om die reden is een hogere ontheffingswaardenbesluit niet aan de orde. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden tot het wijzigen van de spoorwegen, zoals nader omschreven in het Besluit geluidhinder (artikelen 1.1.1.f en 1.1.2).

4.3.4

Industrielawaai

Een geluidszone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die "in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken" zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Op het luchtvaartterrein worden sinds decennia vliegtuigmotoren beproefd na (correctief) onderhoud of reparaties. Vanwege dit proefdraaien, is het luchtvaartterrein een inrichting die in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken. Het luchtvaartterrein is daarom een gezoneerd industrieterrein op grond van de Wet geluidhinder. In dat kader is in 1993 van 86

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

rechtswege een geluidszone vastgelegd rondom het industrieterrein waar zowel Vliegbasis Eindhoven als Eindhoven Airport bij horen. Op grond van de Wgh behoort het gebied tussen het industrieterrein en de buitengrens van de zone, tot de geluidszone. Het industrieterrein zelf (het luchthavengebied) maakt dus geen deel uit van de zone. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. In 2011 is een vrijstelling van het bestemmingsplan verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de voormalige Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), voor het verplaatsen van de proefdraailocatie. De daarbij behorende wijziging van de geluidzone is, met de daarbij behorende MTG-waarden, per 29 april 2015 onherroepelijk geworden (zie onderstaande figuur). De wijzigingen zijn tevens in het Barro en Rarro opgenomen.

Binnen de geluidszone zijn bestaande woonbestemmingen en andere bestaande geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. De geluidszone is met een gebiedsaanduiding in het bestemmingsplan opgenomen. In de regels is opgenomen dat nieuwe geluidsgevoelige functies binnen deze zone niet zijn toegestaan.

afbeelding : geluidszone industrielawaai Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport

Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt de begrenzing van de geluidzone behorende bij de nieuwe proefdraailocatie vastgelegd. De geluidszone is met een gebiedsaanduiding op de verbeelding opgenomen.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

87

4.3.5

Luchtvaartlawaai

Ten oosten van het plangebied ligt op enige afstand van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld. De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens juncto artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.

afbeelding : cumulatieve Ke-contouren cfr. luchthavenbesluit Eindhoven De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidgevoelige objecten (woningen en andere geluidgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonboten) toegestaan. Het plangebied ligt binnen deze vastgestelde geluidszone (35 Ke-contour). Omdat het bestemmingsplan geen nieuwe woningen of andere nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen (zoals staanplaatsen voor woonwagens, scholen e.d.) binnen deze geluidzone mogelijk maakt is deze contour niet op de verbeelding opgenomen.

4.3.6

Cumulatie

De bestaande geluidgevoelige bestemmingen in het plangebied ondervinden reeds relevante geluidbelastingen door weg- en vliegverkeer (binnen de 35 Ke-zone) en door industrielawaai (binnen de geluidzone van Vliegbasis Eindhoven / Eindhoven Airport). Middels inwaartse zonering wordt geborgd dat voor de nieuwe bedrijvigheid overal wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG Brochure Bedrijven en Milieuzonering. Ten opzichte van de reeds heersende geluidbelastingen zijn de bijdragen van BIC cluster 2 volledig te verwaarlozen. Cumulatie vormt op basis hiervan geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

88

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

4.3.7

Conclusie

Op grond van het voorstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgestane invulling van het plangebied c.q. totstandkoming van het onderhavige bestemmingsplan.

4.4

Geur

4.4.1

Geur (veehouderijen)

Wettelijk kader Bij het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning dient met het aspect geur rekening te worden gehouden. De Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) bevat regels inzake geurhinder veroorzaakt door veehouderijen. Die wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting als gevolg van emissies door veehouderijbedrijven. Met de in de Wgv opgenomen grenswaarden moet rekening worden gehouden bij het nemen van beslissingen in het kader van de Wabo en de Wro. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. Voor het met dierenhouderijen verband houdende aspect geur zijn die objecten van belang welke als geurgevoelig kunnen worden betiteld. Van een geurgevoelig object is, aldus de Wgv, sprake indien het gaat om een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Onder 'gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf' verstaat die wet een gebouw dat op grond van een planologisch besluit (bestemmingsplan, inpassingsplan, beheersverordening of Wabo omgevingsvergunning) mag worden gebruikt voor bewoning of verblijf door mensen.

Dit betekent dat gebouwen die feitelijk wel voor bewoning of menselijk verblijf worden gebruikt maar hiervoor in planologische zin niet zijn bestemd, niet als geurgevoelig object worden beschouwd. Alleen indien het wonen of het verblijf in een gebouw op grond van het overgangsrecht is toegestaan is dit anders (bijv. indien het gebruik ingevolge persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan is toegestaan). De laatste eis, dat sprake moet zijn van 'feitelijk en permanent' gebruik, laat zien dat het bij het betreffende gebouw moet gaan om langdurige blootstelling aan geurhinder. Ten aanzien van bedrijfswoningen die nog behoren bij een veehouderij (artikel 3, lid 2 Wgv) geldt op grond van de Wgv een verlaagd beschermingsniveau tegen geurhinder afkomstig van een andere veehouderij. Ook ten aanzien van een geurgevoelig object dat voorheen bij een veehouderij hoorde maar dat sinds 19 maart 2000 daarvan geen deel meer uitmaakt (artikel 3, lid 2 Wgv) en ten aanzien van een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd ter vervanging van gesloopte agrarische bedrijfsopstallen (artikel 14, lid 2 Wgv) geldt op grond van de Wgv een verlaagd beschermingsniveau. In de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) zijn ter uitvoering van de Wgv regels vastgelegd met betrekking tot de wijze van berekening van de geurcontouren.

Afhankelijk van de diersoort en het toegepaste stalsysteem wordt een geuremissiefactor vastgelegd of een minimale vaste afstand voorgeschreven. Aan de hand van de geuremissiefactor en het aantal vergunde dieren van een bepaalde diersoort kan de geurbelasting worden berekend. Met behulp van rekenprogramma's kan worden bekeken of een milieuvergunning kan worden verleend, gelet op de in de omgeving aanwezige geurgevoelige objecten en of er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor te realiseren geurgevoelige objecten. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, waarbij wordt voorzien in de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (veelal woningen) nabij een bestaand (veehouderij-) bedrijf dat geurhinder veroorzaakt, dient het aspect geurhinder bij de totale belangenafweging te worden meegenomen. Hierbij gaat het er vooral om dat kan worden aangetoond dat ondanks de aanwezigheid in de nabijheid van geurveroorzakende bedrijvigheid ter plaatse van de nieuw te bouwen geurgevoelige objecten een goed woon- en vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

89

verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd. Er dient tevens rekening te worden gehouden met de bestaande belangen van het nabijgelegen geurveroorzakende bedrijf, bijvoorbeeld een aanwezige veehouderij. Het oprichten van geurgevoelige bebouwing binnen een aanwezige geurcontour kan mogelijk vanuit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat wel aanvaardbaar zijn, maar niet als bestaande belangen van het geurveroorzakende bedrijf daarmee op een onevenredige wijze worden aangetast. In de Wgv zijn voor sommige diercategorieën geurnormen opgenomen en voor enkele andere gelden vaste afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De geuremissie van een veehouderij wordt uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid (hierna: ouE/s. De geurbelasting van een veehouderij wordt uitgedrukt in Europese odour units per m3 lucht als 98-percentielswaarde (hierna: ouE/m3). De 98-percentielswaarde betekent dat deze concentratie gedurende 2% van de tijd wordt overschreden. De overige 98% van het jaar is de concentratie lager. Tevens is in de wet bepaald dat gemeenten hun eigen normen mogen vaststellen (binnen een bepaalde bandbreedte). De gemeente Eindhoven heeft geen eigen normen vastgesteld. Daarom gelden hier de normen op grond van de Wgv.

De individuele norm bij dieren met een geurnorm bedraagt 3 ouE/m3 ten opzichte van objecten binnen de bebouwde kom en 14 ouE/m3 ten opzichte van objecten buiten de bebouwde kom. Voor diercategorieën met vaste afstanden is dit 100 meter ten opzichte van objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Achtergrondbelasting geur Op onderstaand kaartbeeld is de achtergrondbelasting geur als gevolg van alle veehouderijen in beeld gebracht.

afbeelding : weergave achtergrondbelasting geur deel buitengebied Eindhoven (incl. plangebied)

Overal in het plangebied is de achtergrondbelasting kleiner dan 3 ouE/m3. Dat komt overeen met een zeer goed leefklimaat.

90

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wet luchtkwaliteit

Wet milieubeheer (m.n. hoofdstuk 5, onder titel 5.2) op het gebied van luchtkwaliteitseisen voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen zodat ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden terwijl ondertussen maatregelen worden uitgevoerd die de luchtkwaliteit moeten verbeteren.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor NO2 een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, en voor fijn stof (PM10) een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3, die jaarlijks maximaal 35 keer mag worden overschreden.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg of niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen. Voor kantoorlocaties geldt een NIBM-grens van 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.5.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Amvb wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

91

de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.3

Planbeschrijving en toetsing

Voorliggend bestemmingsplan richt zich op de ontwikkeling van het 2e cluster van een duurzame internationale campus voor kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in een groene en parkachtige omgeving. Op deze campus worden ook kennisinstellingen, onderzoekscentra en onderwijsvoorzieningen gelieerd aan bovengenoemde bedrijven toegestaan. Een onderdeel van het campus-concept zijn de gemeenschappelijke facilitaire voorzieningen ten dienste van de bedrijven met de functies detailhandel, (medische) dienstverlening, sport of horeca. Deze voorzieningen worden mogelijk gemaakt in het bedrijvencluster. In de hier als bijlage 8 opgenomen rapportage van bureau Antea “Luchtkwaliteitonderzoek Brainport Industries Campus 2”, (projectnummer 0474272.100, d.d. 30 juni 2023) is gekeken naar het aspect luchtkwaliteit. Als conclusie wordt door Antea aangegeven: Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm).

4.6

Externe veiligheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en de diverse risicobronnen. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. Het externe veiligheid beleid is gericht op het beheersen van risico´s en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

4.6.1

Wettelijk kader

Rijksbeleid Het Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het : gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); gebruik van luchthavens. Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de 92

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico : Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Gemeentelijke Visie externe veiligheid De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid ('Risico's de maat genomen') vastgesteld. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant Veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied ligt binnen gebiedsgericht risicoprofiel D 'woongebied nabij hoofdtransport-assen'.

Aan dit gebied stelt de visie vanuit het oogpunt van externe veiligheid de volgende voorwaarden: Geen risicovolle bedrijven toegestaan; Gebieden met grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren; Kwetsbare objecten > 30 m uit de transportas; Functies voor beperkt zelfredzame groepen > 200 m uit transportas; Evenementen > 200 m uit transportas (met uitzondering van daartoe bestemde gebouwen/ruimtes); Zelfredzaamheid en beheersbaarheid worden op peil gebracht en restrisico's worden door het college van B&W acceptabel bevonden.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

93

4.6.2

Risicobronnen en groepsrisico

In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. De volgende risicobronnen zijn relevant in relatie tot het plangebied.: Rijksweg A2; Hogedruk aardgastransportleiding Z-506-01 Eindhoven Airport In de hier als bijlage 8 opgenomen rapportage van bureau Antea / Adviesgroep SAVE “Externe veiligheid BIC II, Groepsrisicoberekening en verantwoording groepsrisico” (projectnummer 0474272.100, d.d. 12 juli 2023) de bovenstaande risicobronnen beschouwd en wordt een verantwoording groepsrisico gegeven. Wat betreft de hoogte van het groepsrisico wordt aangegeven, dat het groepsrisico van de Rijksweg A2 circa 0,0008 keer de oriëntatiewaarde is. Het groepsrisico van de weg zal niet significant toenemen ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied. Het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde gelegen. De indeling van het huidige bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding blijft gehandhaafd. Er zal dus geen verandering van het groepsrisico plaatsvinden. Het groepsrisico blijft ruim onder de oriëntatiewaarde.

Als conclusies wordt vermeld : Rijk sweg A2 De weg heeft een 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van 21. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; De weg heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied ligt buiten het PAG; Het groepsrisico van de weg ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de weg neemt niet significant toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling; Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Hogedruk aardgastransportleiding Z-506-01 De leiding heeft geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op; De hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van deze leiding neemt in de toekomstige situatie niet toe; Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Luchthaven Eindhoven Airport Het plangebied ligt deels binnen risicocontouren van de luchthaven. Er worden geen verblijfsobjecten gerealiseerd in de 10-5 /jaar-contour.

Voor de bebouwing binnen de 10-6 /jaar-contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde). Functies voor groepen beperk t zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen dienen te worden uitgesloten.

Er worden geen verblijfsobjecten mogelijk gemaakt binnen de 10-5/jaar-contour. Voor de 94

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

bebouwing binnen de 10-6/jaar-contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde). Dit is vastgelegd in de algemene aanduidingsregels van de bij dit bestemmingsplan behorende regels. De bebouwing is in het bestemmingsplan tot maximaal 20 meter hoogte toegestaan, voor de delen die in de contouren van de luchthaven zijn gelegen geldt een hoogtebeperking en is de maximale hoogte geduid op de verbeelding. Bij vergunningverlening wordt eveneens getoetst aan de hoogtebeperking vanuit de luchthaven. Functies voor groepen beperk t zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen worden binnen de 10-6/jaar-contour uitgesloten.

figuur : 10-5/jaar-contour (oranje) en 10-6/jaar-contour (geel) t.o.v. geplande bebouwing 4.6.3

Verantwoording groepsrisico

Voor wat betreft de verantwoording van het groepsrisico zijn een aantal aspecten van belang, zoals ook in de rapportage van Antea beschreven: scenario's, bronmaatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. 4.6.3.1 Scenario's Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee transportroutes gevaarlijke stoffen (weg). Bij deze risicobronnen kan een plasbrand, een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of een toxisch scenario optreden. Gezien de afstand tot het plangebied zijn enkel het BLEVE-scenario en het toxisch scenario relevant.

BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen met brandbaar gas bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, dat na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen met bijvoorbeeld LPG. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen.

Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank (weg- of spoorvervoer) lek raakt en toxische vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

95

stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een deel van de aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Dit scenario is relevant met betrekking tot de A2.

Fak kelbrand Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en diameter van de leiding (de leiding nabij het plangebied heeft een invloedsgebied van 140 meter). Binnen dit invloedsgebied worden geen verblijfsobjecten mogelijk gemaakt

Vliegtuigongeval Door de nabijheid van Eindhoven Airport kan het plangebied worden blootgesteld aan de gevolgen van een vliegtuigongeval. Vanuit externe veiligheid worden geen specifieke maatregelen getroffen om de gevolgen van een vliegtuigongeval te beperken. Wel dragen algemene maatregelen zoals risico- en crisiscommunicatie ook bij aan het optimaliseren van de externe veiligheid in relatie tot het optreden van een vliegtuigongeval. 4.6.3.2 Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobron zelf. In het kader van het Basisnet zijn diverse veiligheidsmaatregelen aan de weg getroffen. Deze maatregelen gelden ook als uitgangspunt voor de risicoberekening. De gemeente is niet bevoegd om aanvullende bronmaatregelen te eisen (voor zover dit technisch gezien al mogelijk is).

4.6.3.3 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.

Gerichte risicocommunicatie met gebruikers en bezoekers van de faciliteiten in BIC (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven.

Op de website van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost staan onder 'Gevaarlijke stoffen' (link) instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het is aanbevelingswaardig om in instructies voor de gebruikers van de panden op te hangen die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Deze maatregel kan door de exploitant (en eventuele samenwerking met de Veiligheidsregio) worden uitgewerkt.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE

96

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied van de weg en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie). Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar).

Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt bij de buisleiding ter hoogte van het plangebied ongeveer 65 meter en reikt niet tot het plangebied). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, dergelijke scenario's kunnen optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde.

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

97

afbeelding: indicatie vluchtroutes uit het plangebied

Interne vluchtwegen afstemmen op externe veiligheid Een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij één van de risicobronnen zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving. Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd. Vervolgens dienen de interne vluchtwegen in het gebouw zodanig gesitueerd te zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Bij een dreigende BLEVE op de A2 is dat richting het westen.

Externe vluchtwegen In sommige gevallen kan vluchten eveneens nodig zijn, in geval van een dreigende BLEVE of eventueel als reactie op secundaire branden. De bestaande infrastructuur rond het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om de omgeving meerzijdig (naar de risicoluwe zijde) te ontvluchten.

Beperkt zelfredzame groepen Binnen het plangebied worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren. Onderwijs aan specifiek kinderen zal niet plaatsvinden omdat binnen BIC uitsluitend sprake zal zijn van praktijkonderwijs aan personen ouder dan 16 jaar, gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten binnen BIC.

98

vastgesteld Brainport Industries Campus (cluster 2) Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14125638/1